RIS324719 Beantw SV Elke Haagse kunstenaar maakt aanspraak op subsidie
Tekst van het document
Datum
BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE VRAGEN
17 maart 2026 Ons kenmerk Onderwerp
Antwoord van het college op de vragen van het raadslid De Vuyst, luidend: ‘Elke Haagse kunstenaar maakt aanspraak op subsidie’
OCW/11026443 RIS324719
Het raadslid De Vuyst heeft op 16 februari 2026 een brief met daarin zeven vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht. Overeenkomstig artikel 32 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt. GroenLinks Den Haag ontvangt van meerdere Haagse kunstenaars signalen over ondersteuningstrajecten en subsidies van Stroom Den Haag voor Haagse kunstenaars. Terwijl deze kunstenaars een sterke binding hebben met Den Haag, hier al meerdere jaren werken en hun kunstenaarspraktijk in Den Haag gevestigd is, worden zij uitgesloten van ondersteuningstrajecten en subsidies, enkel omdat zij (soms uit noodzaak vanwege de huidige woningnood) niet in Den Haag wonen. Stroom Den Haag is één van de drie Haagse ‘systeeminstellingen’ die een faciliterende, verbindende, kennisdelende en aanjagende rol hebben voor (een deel van) de culturele sector in Den Haag. Daarnaast verleent Stroom namens de gemeente, subsidies aan kleinere partijen en individuele makers in de stad1. 1.
Is het college bekend met de voorwaarde die Stroom Den Haag hanteert dat ontvangers van subsidie van Stroom ook in Den Haag moeten wonen?
Voor sommige regelingen van Stroom Den Haag is dit inderdaad het geval. Voor andere regelingen is het mogelijk dat een kunstenaar van buiten Den Haag een bijdrage ontvangt, mits de activiteiten ten goede komen aan het Haagse kunstklimaat. Een voorbeeld hiervan is de Regeling PRO Kunstprojecten. Daarnaast wordt verwezen naar de Algemene Subsidieverordening Den Haag 2020 (hierna: ASV). Op grond van artikel 11, vierde lid, onder a, van de ASV kan het college een subsidie weigeren indien de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate zijn gericht op de gemeente of haar ingezetenen, dan wel niet of onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen. Dit sluit aan bij de wijze waarop de gemeente zelf handelt. Kunst- en cultuurprojecten die via de HKCP‑regelingen worden gesubsidieerd, zijn gericht op de stad, waarbij de vestigingsplaats van de organiserende partij niet doorslaggevend is. Ontwikkelsubsidies, zoals de Makersregeling, vormen daarentegen een investering van de stad in haar makers. Deze subsidies worden op persoonlijke titel verstrekt en zijn daarom uitsluitend bestemd voor inwoners van Den Haag.
Bij persoonsgebonden ontwikkelsubsidies, zoals de Makersregeling, is het hanteren van een woonplaatsvereiste juridisch te rechtvaardigen, omdat: • het woonplaatsvereiste rechtstreeks samenhangt met het doel van de regeling, namelijk het investeren in de ontwikkeling van Haagse inwoners, en noodzakelijk is binnen beperkte subsidieplafonds;
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
OCW/11026443
•
het geen volledige uitsluiting betreft, aangezien andere regelingen openstaan voor niet‑ingezetenen en de systematiek daarmee niet onevenwichtig uitpakt.
Stroom ontvangt met de vaststelling van het Beleidskader Kunst en Cultuur 2025-2028 een begrotingssubsidies. Noch het Beleidskader Kunst en Cultuur 2025-2028, noch de Algemene subsidieverordening Den Haag 2025 noemt deze specifieke voorwaarde. 2.
Kan het college toelichten wie of waar deze voorwaarde om enkel aan makers die in Den Haag wonen subsidie te verlenen is vastgelegd? Of heeft Stroom deze eis zelf gesteld?
Stroom Den Haag heeft de vrijheid deze voorwaarde zelf te stellen voor de financiële ondersteuningsregelingen die zij biedt, zij is met de aanstelling als systeeminstelling ook als eindbegunstigde aangemerkt voor de verlening van financiële vergoedingen aan derden. Hierdoor kan Stroom Den Haag zelfstandig beleid voeren ten aanzien van haar regelingen. Het college staat hier achter, omdat de systeeminstellingen actief zijn in het werkveld waarin zij opereren en vanuit die positie het beste kunnen bepalen of hun regelingen aansluiten bij de doelgroep. 3.
Indien de voorwaarde gesteld is door de gemeente Den Haag, wordt de eis om in Den Haag te moeten wonen ook bij andere subsidies die de gemeente zelf uitgeeft opgelegd, bijvoorbeeld subsidies voor Haagse ondernemers? Zo nee, kan het college dan reflecteren of zij het wenselijk vindt om deze eis op deze wijze aan kunstenaars op te leggen?
Zie het antwoord op vraag 1. 4.
Is het college het met GroenLinks eens dat het voor het zijn van een Haagse kunstenaar of een Haagse maker van belang is waar iemands kunstenaarspraktijk gevestigd is, en niet in welke gemeente deze betreffende kunstenaar als inwoner staat ingeschreven?
Wat het college betreft is het van belang waar een kunstenaar staat ingeschreven. Ook andere gemeenten hanteren regelingen voor lokale kunstenaars waarbij de voorwaarde geldt dat de kunstenaar in die gemeente staat ingeschreven. Haagse kunstenaars, zelf woonachtig in Den Haag of niet, dragen vaak veel bij aan de (ontwikkeling van) de Haagse kunst en cultuursector, en zij doen dit vaak zelfs onbetaald. Zo kent GroenLinks verhalen van Haagse kunstenaars die aangesloten zijn bij Haagse kunstcollectieven en voor deze collectieven onbetaald werk doen, kunstenaars die in samenwerking met wijk- en buurtinitiatieven bijdragen aan het aanbieden van laagdrempelig kunst en cultuuraanbod en kunst en cultuuronderwijs in de stad, en kunstenaars die vanwege hun eigen kunstactiviteiten en tentoonstellingen aandacht genereren voor Den Haag 5.
Deelt het college de mening van GroenLinks dat kunstenaars (vaak kosteloos) veel bijdragen aan de ontwikkeling en bekendheid van de Haagse kunst- en cultuursector? Is het college met GroenLinks van mening dat het daardoor extra dubbel is dat deze kunstenaars geen gebruik kunnen maken van gemeentelijke subsidies voor Haagse kunstenaars? Zo nee, waarom niet?
Indien de activiteiten bijdragen aan het Haagse kunst- en cultuurklimaat, kunnen kunstenaars via diverse regelingen van Stroom Den Haag financiële ondersteuning krijgen of via de gemeente voor subsidie in aanmerking komen.
2/3
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
OCW/11026443
GroenLinks hoort dat Haagse kunstenaars die niet in Den Haag wonen dat niet doen omdat zij niet in Den Haag willen wonen, maar dat zij hierdoor genoodzaakt zijn vanwege de wooncrisis; in een andere gemeente kwamen zij bijvoorbeeld wel in aanmerking voor een sociale huurwoning, of konden zij een goedkopere woning huren dan in Den Haag mogelijk zou zijn. 6.
Is het college het met GroenLinks eens dat de wooncrisis niet mag betekenen dat een groep ondernemers, Haagse kunstenaars, die op verschillende manieren veel bijdraagt aan Den Haag niet in aanmerking kan komen voor gemeentelijke subsidies en ondersteuningsregelingen, die wel voor deze groep Haagse kunstenaars bedoeld zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4 en 5. GroenLinks hoort dat Haagse kunstenaars die niet in Den Haag wonen, maar die wel in Den Haag gevestigd zijn met hun kunstenaarspraktijk, vanwege het niet in aanmerking komen voor gemeentelijke subsidies via Stroom Den Haag, dan maar proberen om in andere gemeenten voor gelijksoortige ontwikkelsubsidies in aanmerking te komen. Echter komen zij ook in andere gemeenten niet voor subsidies in aanmerking. De reden? Ze zijn ‘te Haags’, en hebben te duidelijk een binding met Den Haag, en moeten dus maar in Den Haag subsidie aanvragen. 7.
Deelt het college de mening van GroenLinks dat ook kunstenaars die wellicht niet zelf in Den Haag wonen, maar via hun kunstenaarspraktijk een duidelijke binding hebben met de stad, en dus duidelijk Haagse kunstenaars zijn, ook in aanmerking zouden moeten kunnen komen voor gemeentelijke subsidies die door Stroom Den Haag worden verstrekt? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven zijn deze personen niet volledig uitgesloten van subsidieverlening. Voor enkele regelingen die gericht zijn op de persoonlijke artistieke ontwikkeling komen zij echter niet in aanmerking. Het college acht dit, in het licht van de bepalingen in de ASV, verdedigbaar. Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de burgemeester, Ilma Merx
Jan van Zanen
3/3