RIS324554 Afd motie Raad aan het roer
Tekst van het document
Retouradres: Postbus 12600, 2500 DJ Den Haag
Ons kenmerk
Aan de gemeenteraad
DSO/11024530 RIS324554 Contactpersoon
Merijn Sevenhuijsen Dienst
Dienst Stedelijke Ontwikkeling Afdeling
DSO Stedenbouw & Planologie Telefoonnummer
14070 E-mailadres
merijn.sevenhuijsen@denhaag.nl
Datum
3 juni 2026 Onderwerp
Afdoening motie: ''De raad aan het roer'' (RIS324554)
Uw raad heeft, tijdens de bespreking van het voorstel Aanpassing lijst met categorieën waarvoor bindend advies is vereist (RIS323971) op 29 januari 2026, de door het raadslid Klokkenburg-Reedeker ingediende motie: 'De raad aan het roer' (RIS324554), aangenomen. Deze motie heeft betrekking op de Commissiebrief inzake Planproducten onder de Omgevingswet en bevoegdheden gemeenteraad (RIS323269), die bij de genoemde bespreking is betrokken. Hierbij informeert het college de raad over de afdoening van de motie. De motie luidt als volgt: constaterende, dat: • het college een nieuwe werkwijze en planproducten heeft voorgesteld voor het werken onder de omgevingswet (RIS323269); • hiermee eerder gemaakte afspraken rondom planuitwerkingskaders en nota’s van uitgangspunten over instemming van de raad teniet zijn gedaan; overwegende, dat: • de raad met de door het college voorgestelde werkwijze andere bevoegdheden heeft; • inwoners zich daarnaast bij concrete plannen niet meer via hun volksvertegenwoordigers kunnen laten vertegenwoordigen, omdat zij niet meer aan zet zijn; • de ChristenUnie/SGP en de Haagse VVD een discussienota (RIS324356) hebben opgesteld met een andere werkwijze; • die werkwijze meer recht doet aan het mandaat van het college, de raad en de rol van bewoners; • met deze werkwijze er ook meer en sneller duidelijkheid komt voor ontwikkelaars; • belanghebbenden, zoals
bewoners(organisaties) niet in de gelegenheid zijn gesteld om mee te denken over de nieuwe procedures, terwijl deze wezenlijke invloed hebben op hun mogelijkheden om te participeren en beleid te beïnvloeden;
Gemeente Den Haag
Spui 70 Den Haag
Postbus 12600 2500 DJ Den Haag
T 14070 www.denhaag.nl
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/11024530
verzoekt het college: • binnen zes weken met een reflectie te komen op de discussienota, daarin aan te geven hoe de aangegeven richting vormgegeven kan worden in een nieuwe werkwijze rondom de planproducten onder de omgevingswet; • tot vaststelling van een nieuwe werkwijze in de raad de methode te hanteren dat planproducten waaronder bouwenveloppen altijd langs de raad gaan ter instemming. Het college doet de motie op de volgende manier af: In de bijlage van deze afdoening vindt u de gevraagde reflectie op de discussienota. Gezien de complexiteit is het helaas niet gelukt om deze reflectie binnen zes weken aan te leveren. Het college heeft geprobeerd de reflectie zo op te stellen dat deze zowel aansluit op de behoeftes van de raad, alsook in lijn is met het gedachtegoed en de bevoegdheidsverdeling van de Omgevingswet. Dit is een complex vraagstuk, rekening houdend met de kaderstellende en toetsende rol van de raad, de verantwoordelijkheid van het college en de gevraagde transparantie en snelheid van besluitvorming vanuit bewoners en partijen in de stad. In de discussienota ‘Raad aan het roer’ geven de opstellers aan hoe de raad bij gebiedsgerichte planproducten hun kaderstellende en toetsende rol wil vervullen.
Het college waardeert deze inbreng en omarmt de centrale doelen die in de discussienota worden gesteld: • het versnellen van besluitvorming; • participatie versterken; • het vooraf bieden van helderheid aan alle betrokken partijen. Daarnaast signaleert het college een aantal specifieke behoeftes van de raad die ook bij het college leven. Zoals meer grip op de sturing van ontwikkelingen, een transparante werkwijze bij planvorming en helderheid over ieders rollen en verantwoordelijkheden. Het college constateert dat alleen in gezamenlijkheid hierover tot werkbare afspraken kan worden gekomen. De huidige werkwijze blijft gehanteerd tot een nieuwe werkwijze is vastgesteld, de planproducten waaronder bouwenveloppen worden aan de raad voorgelegd ter instemming. Het college beschouwt de motie hiermee als afgedaan. Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de burgemeester, Ilma Merx
Jan van Zanen
2/8
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/11024530
Bijlage Reflectie op discussienota Raad aan het roer 1. Inleiding De discussienota laat de ideeën en behoeften zien van de raad over het werken met de instrumenten onder de Omgevingswet. Het college geeft een reflectie hierop aan de hand van de drie benoemde onderwerpen in de discussienotitie. Waar nodig geeft het college hierbij ook een verduidelijking van de werkwijze zoals voorgesteld in de commissiebrief planproducten (RIS323269). 2.1. Meer grip op planproducten tussen Gebiedsvisie en Omgevingsvergunning/ Omgevingsplan Het college is bij het vormgeven van de nieuwe werkwijze uitgegaan van de Omgevingswet1. De Omgevingswet stelt hierbij de volgende rolverdeling tussen raad en college: • de raad kaders voor de lange termijn en uitgangspunten op hoofdlijnen vast. Ook is zij verantwoordelijk voor het vastleggen van de juridische regels in het Omgevingsplan; • het college werkt de beleidskaders verder uit en brengt ze tot uitvoering. Tegelijkertijd biedt de Omgevingswet flexibiliteit om documenten gericht op ruimtelijke ontwikkelingen naar eigen inzicht in te richten en op de Haagse context af te stemmen. Volgens de opstellers van de discussienota doet de voorgestelde werkwijze (RIS323269) hier geen recht aan. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om vaststelling van verschillende planproducten zonder besluit of instemming van de raad.
Het is aan de raad en het college tezamen om met elkaar de nieuwe werkwijze uit te werken en hierbij aansluiting te vinden bij de Haagse context en binnen de kaders van Omgevingswet. Deze paragraaf beschrijft mogelijkheden voor de inrichting van het proces rondom plandocumenten gericht op ruimtelijke ontwikkeling. Hierbij wordt ingegaan op de bevoegdheden bij planproducten die zich bevinden tussen Gebiedsvisie en Omgevingsvergunning/Omgevingsplan. Het college reflecteert vervolgens op deze opties. Om deze reflectie goed te kunnen interpreteren, volgt eerst een nadere uitleg van de inhoud en het proces van de Gebiedsvisie. Verduidelijking Gebiedsvisie In de Omgevingsvisie (RIS322469) is in paragraaf 7.4 aangegeven dat deze per stadsdeel wordt geconcretiseerd in Gebiedsvisies. De concretisering van de Omgevingsvisie wordt juridisch vastgelegd via een partiële herziening van de Omgevingsvisie in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Bij vaststelling van de Gebiedsvisie stelt de raad twee producten vast: • een partiële herziening van de Omgevingsvisie (wijziging van de digitale publicatie Omgevingsvisie Den Haag 2050 in het Omgevingsloket), met een vernieuwde tekst en visiekaart voor het stadsdeel; • de Gebiedsvisie. Een pdf-document dat, naast de kaders en visiekaart, een onderbouwing, analyse en uitvoeringsstrategie bevat.
1 Raadgever Omgevingswet: ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit | VNG
3/8
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/11024530
De Gebiedsvisie bevat geen gedetailleerde informatie per plotontwikkeling maar biedt de raad de mogelijkheid om vooraf uitgangspunten, randvoorwaarden en beleidskeuzes mee te geven voor gewenste ontwikkelingen in de stad. Denk daarbij aan uitgangspunten op het gebied van programma, stedenbouwkundige principes en groen. Het geeft richting aan ontwikkelingen in (deel)gebieden en bevat kaders voor initiatieven op deelgebied- en plotniveau. De gemeente werkt de komende jaren voor alle stadsdelen Gebiedsvisies uit, met als doel concreet uitgewerkte kaders voor de hele stad in 2030. Voor Loosduinen is de uitwerking gestart. Met de introductie van de Gebiedsvisie (partiële herziening Omgevingsvisie) heeft de raad een beleidskader waarmee zij het langetermijn beleid verder kan concretiseren. Daarnaast kan de raad op deze manier uitgangspunten op hoofdlijnen meegeven voor ontwikkelingen op plotniveau. Het college signaleert dat de raad meer behoefte heeft aan grip op de planproducten op de lagere schaalniveaus. Onderstaand noemt het college een aantal mogelijkheden hiervoor. Betrokkenheid raad bij totstandkoming en besluitvorming van Gebiedsprogramma Op basis van artikel 3.4 Omgevingswet is het wettelijk niet mogelijk om Gebiedsprogramma’s te laten vaststellen door de raad. Gebiedsprogramma’s zijn immers gericht op beleidsuitwerking en -uitvoering.
Dit betekent echter niet dat het college de raad niet wil betrekken bij de totstandkoming en besluitvorming ervan. Mogelijkheden om de raad te betrekken zijn: • de raad laten instemmen met Gebiedsprogramma’s; • Gebiedsprogramma’s voor 'wensen en bedenkingen' voorleggen aan de raad. Door dit gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerpprogramma en ontwerp-PlanMER te doen ontstaat geen vertraging in het proces; • uitgangspunten/hoofdlijnen van een Gebiedsprogramma laten vastleggen door de raad in een Gebiedsvisie (partiële herziening Omgevingsvisie) of een Ambitie- en scopebepaling; • de raad tussentijds informeren of om advies vragen. Enerzijds zorgt meer bevoegdheid van de raad bij de totstandkoming van Gebiedsprogramma’s tot meer directe kaderstelling door de raad bij grote, complexe gebiedsontwikkelingen. Daarbij ontstaat de mogelijkheid om de uitwerking van beleid te sturen, denk aan het vormen van ontwikkelscenario’s en het sturen op programma. Tegelijkertijd leidt meer bevoegdheid van de raad bij deze programma’s tot vertragingen in ruimtelijke ontwikkeling, soms onnodig. Immers, de Gebiedsprogramma’s dienen aan te sluiten op de kaders die al zijn vastgesteld in de Gebiedsvisie. Daarbij heeft de stad flinke opgaves op het gebied van ruimtelijke ordening die vragen om snelle besluitvorming.
Gebiedsprogramma’s kennen al lange doorlooptijden en agendering/behandeling door de raad kunnen leiden tot extra vertraging. Betrokkenheid raad bij vaststellen planproducten op niveau deelgebied De planproducten op niveau deelgebied zijn geen kerninstrumenten onder de Omgevingswet. Daarom is geen sprake van regels op het gebied van vaststelling. Echter, het Stedenbouwkundig plan, Buitenruimteplan en Beeldkwaliteitsplan vormen, net als Gebiedsprogramma’s, uitwerkingen van beleidskaders. Het Beeldkwaliteitsplan is een toetsingskader voor de Commissie Omgevingskwaliteit. Daarom is al eerder besloten dat vaststelling van het Beeldkwaliteitsplan een bevoegdheid van de raad is.
4/8
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/11024530
Betrokkenheid raad bij vaststellen Bouwenvelop In de discussienota wordt voorgesteld om een Bouwenvelop ter instemming voor te leggen aan de raad, zoals het de aflopen jaren ook met de PUK’s en NvU’s is geweest. Hieraan zitten een aantal duidelijke voor- en nadelen: • Voordelen: o directe sturing door de raad op plotniveau; o meer zekerheid voor omwonenden en ontwikkelaars over politieke kaders aan de voorkant. • Nadelen: o extra besluitvormingsmomenten leiden tot vertraging; o bouwenveloppen zijn uitvoeringsgericht; besluitvorming door de raad past minder bij de rolverdeling van de Omgevingswet. Bespreekpunten voor vervolg • • •
Rolverdeling raad en college bij het opstellen van Gebiedsprogramma’s. Een goede koppeling van de werkwijze rondom planproducten aan de werkwijze rondom BOPA’s waarvoor bindend advies is vereist. Een verdeling van bevoegdheden dat overzichtelijk is en snelheid in ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maakt.
2.2. Verduidelijking van de systematiek planproducten – minder stappen en schaalniveaus De discussienota stelt dat er sprake is van teveel stappen in de werkwijze, wat vertragend kan werken. Daarbij stellen de indieners dat de mate van detaillering tussen gebied en deelgebied klein is. Het college constateert dat de voorgestelde systematiek in de commissiebrief verduidelijkt moet worden. Verduidelijking systematiek De nieuwe systematiek werd gepresenteerd als opeenvolgende “fases”. Dat wekt de onjuiste indruk van een vaste volgorde tussen de fases. In feite gaat het om verschillende schaalniveaus waarop planproducten kunnen worden ingezet. De schaalniveaus verschillen van elkaar op twee aspecten: • de omvang van het gebied; • de kaders en randvoorwaarden voor ontwikkeling worden steeds concreter.
5/8
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/11024530
Het schema met gebiedsgerichte planproducten is bedoeld als hulpmiddel, niet als een vaststaand stappenplan. Afhankelijk van de complexiteit en het schaalniveau van een gebied kiest het college welk proces met bijbehorend(e) planproduct(en) daadwerkelijk nodig is. De systematiek biedt flexibiliteit en maatwerk bij de verschillende ontwikkelingen. Bij grote en complexe gebiedsontwikkelingen hoort een Gebiedsprogramma, vaak gevolgd door plannen op deelgebied- en plotniveau. Echter, in veel situaties kunnen stappen worden overgeslagen en waar mogelijk worden zaken parallel opgesteld. Onderstaand schema is een verduidelijkte versie t.o.v. het schema uit de Commissiebrief, waarin bovenstaande toelichting is opgenomen.
*De gestippelde lijnen geven optionele stappen in het planvormingsproces aan. Doorlooptijd opstellen planproducten De indieners uiten hun zorgen over de looptijd voor de opstelling van planproducten. Met onderstaande tabel wil het college verduidelijken wat het doel en de indicatieve doorlooptijd per planproduct is: Schaalniveau
Doel
Doorlooptijd (indicatief)
Gebiedsvisie
Concretisering Omgevingsvisie per stadsdeel Voor complexe gebiedsontwikkelingen; varianten, onderzoek, MER Uitwerking deelgebied. Integraal plan voor kleinschaligere gebiedsontwikkeling Randvoorwaarden en regels voor ontwikkelingen op plotniveau Vertaling van beleid en randvoorwaarden voor ruimtelijke ontwikkeling(en) in juridisch regels. Toestemming verlenen voor het realiseren van een ruimtelijke ontwikkeling
9-15 maanden
Gebiedsprogramma Stedenbouwkundig plan Bouwenvelop Wijziging Omgevingsplan Omgevingsvergunning
12-24 maanden 6-12 maanden 3-6 maanden 9-15 maanden 3-9 maanden
6/8
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/11024530
Voorstel samenvoegen schaalniveau gebied en deelgebied De indieners stellen voor om het schaalniveau gebied en deelgebied samen te voegen tot één product: het Gebiedsprogramma. Dit beperkt echter de flexibiliteit in het planproces en zorgt dat kleinschalige ontwikkelingen worden belast met een onnodig zwaar proces (waaronder het opstellen van een PlanMER). Het college heeft in haar nieuwe werkwijze een onderscheid willen maken tussen de grote, complexe en de kleinschaligere gebiedsontwikkelingen. Voor complexe gebiedsontwikkeling wordt een Gebiedsprogramma (inclusief PlanMER) opgesteld, en kunnen voor deelgebieden verschillende uitwerkingen in de tijd worden gedaan. Voor kleinschalige gebiedsontwikkeling kan een Stedenbouwkundig plan al voldoende uitwerking geven. Alhoewel het uit het schema niet (direct) naar voren komt, kunnen beide worden ondersteund door een Buitenruimteplan (BRP) en/of Beeldkwaliteitsplan (BKP). Deze twee verschillende schaalniveaus bieden flexibiliteit waardoor het mogelijk is om per gebied een passend proces te kiezen met bijbehorend(e) planproduct(en). Dit komt de snelheid van de gebiedsontwikkeling ten goede. Indien uitsluitend met Gebiedsprogramma’s gaat worden gewerkt en er geen keuze meer is voor een kleinschalige uitwerking van een gebiedsontwikkeling zal dit de stappen overzichtelijker maken (zie onderstaande figuur).
Tegelijkertijd zorgt het voor een onnodige verzwaring van het planproces bij kleinschalige gebiedsontwikkelingen in tijd en financiering. Gebiedsprogramma’s zijn kostbaar en tijdrovend, vanwege de PlanMER-plicht, terinzagelegging en de noodzaak tot het uploaden in het Digitaal Stelsel Omgevingswet.
Schema indien uitsluitend met Gebiedsprogramma’s wordt gewerkt. De uitwerking van kleinschaligere gebiedsontwikkelingen vindt ook plaats via een Gebiedsprogramma. 2.3. Sturing op ontwikkelingen op plotniveau De indieners vinden dat de raad te laat betrokken is bij ontwikkelingen op plotniveau. Zij stellen daarom een Comfortbrief voor, voorafgaand aan elke Bouwenvelop, waarbij beide documenten ter instemming aan de raad worden voorgelegd.
7/8
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/11024530
Het college constateert de volgende nadelen van de introductie van een comfortbrief: • een extra stap en extra besluitvormingsmoment voor de raad vertraagt het proces; • vomfortbrieven kunnen inhoudelijk gaan lijken op Bouwenveloppen, waardoor dubbel werk ontstaat. Mogelijkheden en overwegingen om de zorgen van de raad te adresseren Het college ziet verschillende manieren om de behoefte aan sturing op plotniveau te borgen, zonder onnodige vertraging te veroorzaken: 1. Bouwenveloppen ter instemming voorleggen Zolang voor een gebied geen Gebiedsvisie (of er in het verleden een Structuurvisie) is vastgesteld, worden alle Bouwenveloppen ter instemming aan de raad voorgelegd. 2. Gebiedsgerichte wijzigingen van het Omgevingsplan. Na vaststelling van een Gebiedsvisie kan sneller worden gekozen voor een wijziging van het Omgevingsplan. De uitgangspunten van een aantal plotontwikkelingen die in de Gebiedsvisie (het beleidskader) worden dan door de raad vastgelegd in het Omgevingsplan (de juridische regels). Op deze manier kan stapsgewijs worden gewerkt naar het definitieve Omgevingsplan Den Haag wat conform Omgevingswet in 2032 af moet zijn. Deze vervangt alle bestemmingsplannen, verordeningen en een aantal voormalige rijksregels (de Bruidsschat). Ook ontstaat er op deze manier eerder duidelijkheid voor ontwikkelaars en belanghebbenden.
Vervolg In deze reflectie op de discussienota is vooral ingegaan op de mogelijkheden en dilemma’s bij een nadere uitwerking van de rol- en verantwoordelijkheidsverdeling van raad en college bij de verschillende planproducten. Het is nu aan uw raad om eerst met elkaar het gesprek aan te gaan om tot een gedragen werkwijze te komen die uw behoefte aan sturing en transparantie voldoende invult. Het college wil daarbij de volgende gezamenlijke doelen meegeven: • aansluiting vinden op de regels en gedachtegoed van de Omgevingswet; • besluitvorming versnellen; • participatie versterken; • vooraf meer helderheid bieden aan alle betrokken partijen. Graag wil het college u meegeven dat de ambtelijke expertise vanuit de verschillende afdelingen tot uw beschikking staat, om indien gewenst in uw werkbespreking een toelichting te geven op deze reflectie.
8/8