RIS324469 Vragen na vernietigend oordeel Raad van State over subsidieverlening sport
Tekst van het document
RIS-nummer: 324469
Schriftelijke vragen: Vragen na vernietigend oordeel Raad van State over subsidieverlening sport Indiener: Richard de Mos, Hart voor Den Haag
Datum: 21 januari 2026
Aan de voorzitter van de gemeenteraad,
Overeenkomstig art. 32 van het Reglement van orde stelt raadslid Richard de Mos, Hart voor Den Haag, de volgende vragen: De gemeenteraad hecht groot belang aan transparantie, gelijke behandeling en toetsbare besluitvorming bij subsidieverlening. Uit recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak 202400036/1/A2) blijkt dat deze uitgangspunten bij de uitvoering van de subsidieregeling combinatiefuncties sport 2021 niet zijn nageleefd. Er zijn niet-vastgelegde aanvullende eisen gesteld, criteria zijn ongelijk toegepast, besluiten onvoldoende gemotiveerd en in bezwaar is geen volledige inzage gegeven in relevante stukken. Deze uitspraak roept vragen op over de zorgvuldigheid van de uitvoering, de interne borging van objectiviteit en het bestaan van een eerlijk speelveld. Binnen het welzijnswerk wordt gewerkt met open marktprocedures die concurrentie op kwaliteit en periodieke vernieuwing stimuleren. De combinatiefunctieregeling wijkt hiervan af: langdurig op de zittende partij toegeschreven subsidietenders borgen vooral continuïteit voor de zittende uitvoerder en bieden onvoldoende prikkel voor toetsbare kwaliteitsverbetering voor inwoners.
Tegen deze achtergrond roept de tussentijdse evaluatie van de Subsidieregeling Combinatiefuncties Sport en Cultuur 2023–2026, waarin wordt gesteld dat de regeling zorgvuldig is uitgevoerd, vragen op over de betrouwbaarheid ervan en over de lessen die het college hieruit trekt.
1) Hoe verklaart het college het verschil tussen de eerdere, door het college ingenomen, stelling dat de afdeling OCW volledig binnen de kaders van de regeling heeft gehandeld en het oordeel van de Raad van State dat het college de subsidieregeling (ten dele) onjuist heeft toegepast? 2) Acht het college het, gelet op de vernietiging van het besluit en de kwalificaties van de Raad van State, de genomen standpunten over de afhandeling van de aanvraag van Haaglanden Beweegt nog steeds verdedigbaar? Zo ja, op basis van welke feiten en juridische grondslag? 3) Is het college bereid alsnog een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar het volledige proces van de subsidieregeling in 2021, en zo nee, welke alternatieve vorm van externe of interne toetsing acht het college dan voldoende om het vertrouwen te herstellen? 4) Op grond van welk concreet juridisch advies en welke expliciete besluitvorming heeft het college besloten het verzoek van Haaglanden Beweegt om volledige inzage in het Pagina 1 van 3
subsidiedossier van WSDH te weigeren, terwijl uit vaste jurisprudentie volgt dat in een bezwaarprocedure inzage moet worden verleend in relevante stukken van een concurrerende aanvraag? a. Welk juridisch advies lag hieraan ten grondslag (intern of extern)? b. Waarom is afgeweken van het uitgangspunt dat het onthouden van dossierinzage de rechtspositie van een bezwaarmaker kan schaden? 5) Kan het college per aanvrager, op grond van artikel 1.10, tweede lid, onder e, in een vergelijkend overzicht uiteenzetten: a. welke passages uit de aanvraag van Haaglanden Beweegt als onvoldoende zijn beoordeeld; b. welke passages uit de aanvraag van WSDH als voldoende zijn beoordeeld; c.
op grond van welke expliciete norm uit de subsidieregeling dit verschil is gerechtvaardigd? 6) Waarom zijn aanvullende eisen niet op gelijke wijze gesteld aan WSDH? Is het college het eens dat hiermee sprake is geweest van ongelijke toepassing van beoordelingscriteria? 7) Is het college bereid de volledige aanvragen van de winnende partijen in 2021, 2022 en 2023 in categorie B en C te verstrekken? Zo nee, op welke wettelijke grond weigert het college dit? 8) Welke interne juridische en inhoudelijke toetsing heeft voorafgaand aan het besluit plaatsgevonden en waarom heeft deze toetsing de gebreken niet onderkend? 9) Erkent het college dat bij regelingen met beoordelingsruimte aanvullende objectiverende mechanismen noodzakelijk zijn, zoals onafhankelijke beoordelingscommissies of anonieme beoordeling? 10) Hoe verklaart het college dat bij deze regeling andere aanbieders structureel niet meedingen, terwijl dit bij het welzijnswerk wel gebeurt? 11) Waarom is de afdeling Inkoop niet betrokken bij deze subsidieregeling en acht het college dit, gelet op de uitspraak, nog steeds verdedigbaar? 12) Overweegt het college om toekomstige rondes (deels) via Inkoop of objectiverende platforms zoals TenderNed of Mercell te laten verlopen? 13) Welke wijzigingen in inrichting, beoordeling en contractering worden doorgevoerd en binnen welke termijn? 14) Welke organisatorische maatregelen worden
genomen om herhaling te voorkomen en belangenverstrengeling uit te sluiten? 15) Overweegt het college beoordeling door een onafhankelijke interne commissie of een externe partij? Zo nee, waarom niet? 16) Welke concrete aanpassingen aan de regeling zijn nodig om impliciete of aanvullende eisen te voorkomen en hoe borgt het college deze? 17) Is het college bereid vast te leggen dat toekomstige evaluaties uitsluitend door een externe, onafhankelijke partij worden uitgevoerd?
Pagina 2 van 3
18) Hoe verhoudt de betrokkenheid van huidige subsidieontvangers bij de doorontwikkeling van de regeling zich tot het uitgangspunt van een gelijk speelveld? 19) Welke maatregelen voorkomen dat huidige subsidieontvangers een structurele informatie- of positievoorsprong krijgen? 20) Welke maatregelen waarborgen dat nieuwe en eerder afgewezen partijen bij toekomstige rondes gelijk worden behandeld?
Richard de Mos Hart voor Den Haag
Pagina 3 van 3