RIS324469 Beantw SV Vragen na vernietigend oordeel Raad van State over subsidieverlening sport
Tekst van het document
Datum
BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE VRAGEN
24 maart 2026 Ons kenmerk Onderwerp
Antwoord van het college op de vragen van het raadslid De Mos, luidend: ‘Vragen na vernietigend oordeel Raad van State over subsidieverlening sport’
OCW/11033669 RIS324469
Het raadslid De Mos heeft op 21 januari 2026 een brief met daarin 20 vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht. Overeenkomstig artikel 32 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt. De gemeenteraad hecht groot belang aan transparantie, gelijke behandeling en toetsbare besluitvorming bij subsidieverlening. Uit recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak 202400036/1/A2) blijkt dat deze uitgangspunten bij de uitvoering van de subsidieregeling combinatiefuncties sport 2021 niet zijn nageleefd. Er zijn niet-vastgelegde aanvullende eisen gesteld, criteria zijn ongelijk toegepast, besluiten onvoldoende gemotiveerd en in bezwaar is geen volledige inzage gegeven in relevante stukken. Deze uitspraak roept vragen op over de zorgvuldigheid van de uitvoering, de interne borging van objectiviteit en het bestaan van een eerlijk speelveld. Binnen het welzijnswerk wordt gewerkt met open marktprocedures die concurrentie op kwaliteit en periodieke vernieuwing stimuleren. De combinatiefunctieregeling wijkt hiervan af: langdurig op de zittende partij toegeschreven subsidietenders borgen vooral continuïteit voor de zittende uitvoerder en bieden onvoldoende prikkel voor toetsbare kwaliteitsverbetering voor inwoners.
Tegen deze achtergrond roept de tussentijdse evaluatie van de Subsidieregeling Combinatiefuncties Sport en Cultuur 2023–2026, waarin wordt gesteld dat de regeling zorgvuldig is uitgevoerd, vragen op over de betrouwbaarheid ervan en over de lessen die het college hieruit trekt. 1)
Hoe verklaart het college het verschil tussen de eerdere, door het college ingenomen, stelling dat de afdeling OCW volledig binnen de kaders van de regeling heeft gehandeld en het oordeel van de Raad van State dat het college de subsidieregeling (ten dele) onjuist heeft toegepast?
Bij de beoordeling van een subsidieaanvraag aan de voorwaarden van de subsidieregeling spelen interpretatie, context en inschatting een rol. In dit geval heeft de rechtbank het standpunt van de gemeente bevestigd. Maar heeft de Raad van State geoordeeld dat aan de subsidieaanvraag van Haaglanden Beweegt een hogere rangschikking toegekend had moeten worden, omdat in de subsidieaanvraag met concrete plannen aandacht wordt besteed aan ondersteuning op sporttakniveau. 2)
Acht het college het, gelet op de vernietiging van het besluit en de kwalificaties van de Raad van State, de genomen standpunten over de afhandeling van de aanvraag van Haaglanden Beweegt nog steeds verdedigbaar? Zo ja, op basis van welke feiten en juridische grondslag?
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
OCW/11033669
Dit acht het college niet relevant. De rechtbank heeft de gemeente in het gelijk gesteld. De Raad van State heeft het hoger beroep gegrond verklaard en het besluit van de gemeente herroepen. Daarmee is juridische procedure definitief ten einde gekomen. 3)
Is het college bereid alsnog een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar het volledige proces van de subsidieregeling in 2021, en zo nee, welke alternatieve vorm van externe of interne toetsing acht het college dan voldoende om het vertrouwen te herstellen?
Het college acht dit niet nodig. Het proces rond de subsidieregeling is na 2021 geëvalueerd en herzien. Voor de regeling in 2022 en daarna is gebruik gemaakt van een onafhankelijke externe partij in de beoordeling van de aanvragen. 4)
Op grond van welk concreet juridisch advies en welke expliciete besluitvorming heeft het college besloten het verzoek van Haaglanden Beweegt om volledige inzage in het subsidiedossier van WSDH te weigeren, terwijl uit vaste jurisprudentie volgt dat in een bezwaarprocedure inzage moet worden verleend in relevante stukken van een concurrerende aanvraag? a) Welk juridisch advies lag hieraan ten grondslag ( intern of extern)?
In de bezwaarfase heeft het college het toekenningbesluit aan WSDH gedeeld. In de beroepsfase heeft Haaglanden Beweegt verzocht om het subsidiedossier van WSDH. De rechtbank heeft geen reden gezien het college te vragen het subsidiedossier van WSDH in de beroepsprocedure te overleggen. De Raad van State heeft het subsidiedossier wel opgevraagd en van het college ontvangen. Het college is in de beroepsfase en de hoger beroepsfase extern juridisch geadviseerd en vertegenwoordigd. b) Waarom is afgeweken van het uitgangspunt dat het onthouden van dossierinzage de rechtspositie van een bezwaarmaker kan schaden? De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het subsidiedossier van WSDH op te vragen. De Raad van State heeft het subsidiedossier wel opgevraagd. 5)
Kan het college per aanvrager, op grond van artikel 1.10, tweede lid, onder e, in een vergelijkend overzicht uiteenzetten a) Welke passages uit de aanvraag van Haaglanden Beweegt als onvoldoende zijn beoordeeld;
Zie hieronder een uitsnede uit de beschikking die naar Haaglanden Beweegt is gestuurd. Het betreft de beoordeling van artikel 1.10, tweede lid, onder e.
2/6
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
OCW/11033669
b)Welke passages uit de aanvraag van WSDH als voldoende zijn beoordeeld; Zie hieronder een uitsnede uit de beschikking die naar WSDH is gestuurd. Het betreft de beoordeling van artikel 1.10, tweede lid, onder e.
c) Op grond van welke expliciete norm uit de subsidieregeling dit verschil is gerechtvaardigd? Zie hieronder een uitsnede van de subsidieregeling (artikel 1:10, tweede lid, onder e). Hierin staat de norm beschreven waarop elke aanvraag is beoordeeld. e.
ondersteuning wordt zowel op thema, per sporttak als 1-op-1 geboden: 1
ondersteuning op alle drie de gebieden: 3 punten
2
bij minder dan drie gebieden: 0 punten
3/6
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
OCW/11033669
6)
Waarom zijn aanvullende eisen niet op gelijke wijze gesteld aan WSDH? Is het college het eens dat hiermee sprake is geweest van ongelijke toepassing van beoordelingscriteria?
Er zijn in het beoordelingsproces geen aanvullende eisen gesteld. De beoordelingscriteria zijn gelijk. De Raad van State heeft geoordeeld dat aan de subsidieaanvraag van Haaglanden Beweegt een hogere rangschikking toegekend had moeten worden. 7)
Is het college bereid de volledige aanvragen van de winnende partijen in 2021, 2022 en 2023 in categorie B en C te verstrekken? Zo nee, op welke wettelijke grond weigert het college dit?
Ja, indien de raad daar expliciet toe verzoekt is het college daar, vanwege de bedrijfsvertrouwelijke informatie in de aanvragen, vertrouwelijk toe bereid. 8)
Welke interne juridische en inhoudelijke toetsing heeft voorafgaand aan het besluit plaatsgevonden en waarom heeft deze toetsing de gebreken niet onderkend?
Het proces wordt juridisch en inhoudelijk begeleid, zoals te doen gebruikelijk bij alle grotere subsidietrajecten. Zowel bij het opstellen van de subsidieregeling als het besluit tot subsidietoekenning zijn juristen betrokken geweest. De inhoudelijke toetsing vond plaats door een driekoppige interne beoordelingscommissie. Voor het tweede deel van de vraag verwijst het college terug naar het antwoord op vraag 1. 9)
Erkent het college dat bij regelingen met beoordelingsruimte aanvullende objectiverende mechanismen noodzakelijk zijn, zoals onafhankelijke beoordelingscommissies of anonieme beoordeling?
Voor deze subsidieregeling is vanaf 2022 en daarna gebruik gemaakt van een onafhankelijke externe partij in de beoordeling van de aanvragen. 10) Hoe verklaart het college dat bij deze regeling andere aanbieders structureel niet meedingen, terwijl dit bij het welzijnswerk wel gebeurt? Het aantal inschrijvers is onder meer afhankelijk van het aantal aanbieders in de markt, de marktconjunctuur. Subsidiëring vindt plaats via een openbaar tendersysteem en wordt bekendgemaakt via de gemeentelijke website en overheid.nl (lokale wet en regelgeving), waarbij aanbieders hun aanvraag kunnen indienen. 11)
Waarom is de afdeling Inkoop niet betrokken bij deze subsidieregeling en acht het college dit, gelet op de uitspraak, nog steeds verdedigbaar?
In overleg met de afdeling Inkoop en het Centraal Subsidiebureau is geoordeeld dat een subsidieregeling het meest passend was. Bij subsidieverstrekking is het Centraal Subsidiebureau betrokken, Inkoop is hier niet bij betrokken. 12) Overweegt het college om toekomstige rondes (deels) via Inkoop of objectiverende platforms zoals TenderNed of Mercell te laten verlopen?
4/6
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
OCW/11033669
Zie ook het antwoord bij vraag 10. Subsidiëring vindt plaats via een tendersysteem en wordt gepubliceerd op de gemeentelijke website en overheid.nl (lokale wet en regelgeving), waarbij aanbieders hun aanvraag kunnen indienen. 13) Welke wijzigingen in inrichting, beoordeling en contractering worden doorgevoerd en binnen welke termijn? Het beoordelingsproces is voor de subsidieregelingen van 2022 en 2023 aangepast door gebruik te maken van een onafhankelijke externe partij in de beoordelingscommissies. Deze commissies bestonden uit 3 leden, 1 ambtenaar uit het betreffende beleidsveld en 2 onafhankelijke externe leden, waaronder de voorzitter. 14) Welke organisatorische maatregelen worden genomen om herhaling te voorkomen en belangenverstrengeling uit te sluiten? Zie ook het antwoord bij vraag 13. Het college hecht eraan te benoemen dat er van belangenverstrengeling geen sprake is. Dat is ook nergens in de uitspraak van de Raad van State terug te lezen. 15) Overweegt het college beoordeling door een onafhankelijke interne commissie of een externe partij? Zo nee, waarom niet. Zie het antwoord bij vraag 13. 16) Welke concrete aanpassingen aan de regeling zijn nodig om impliciete of aanvullende eisen te voorkomen en hoe borgt het college deze? Er zijn geen aanvullende eisen gesteld na het openstellen van de regeling.
De aanvragen die zijn binnengekomen zijn gelijk behandeld en beoordeeld volgens de in de regeling genoemde tendercriteria. 17) Is het college bereid vast te leggen dat toekomstige evaluaties uitsluitend door een externe, onafhankelijke partij worden uitgevoerd? Bij nieuwe subsidieregelingen zal in beginsel wederom gebruik worden gemaakt van een onafhankelijke externe partij in de beoordelingscommissies. Evaluaties bekijken de uitvoering van activiteiten, deze zullen met name door ambtenaren uit het betreffende beleidsveld worden uitgevoerd. 18) Hoe verhoudt de betrokkenheid van huidige subsidieontvangers bij de doorontwikkeling van de regeling zich tot het uitgangspunt van een gelijk speelveld? De subsidieontvanger is niet betrokken geweest bij het opstellen van de regelingen in 2022 en 2023. 19) Welke maatregelen voorkomen dat huidige subsidieontvangers een structurele informatie- of positievoorsprong krijgen? Subsidieontvangers hebben geen rol bij de totstandkoming van een subsidieregeling.
5/6
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
OCW/11033669
20) Welke maatregelen waarborgen dat nieuwe en eerdere afgewezen partijen bij toekomstige rondes gelijk worden behandeld? Bij de regelingen in 2022 en 2023 konden alle aanbieders wederom inschrijven en is subsidieverlening via een tendersysteem gebeurd. Bij eventuele nieuwe regelingen zal wederom gebruik worden gemaakt van een onafhankelijke externe partij in de beoordelingscommissies. Zie vraag 13. Het college van burgemeester en wethouders, de locosecretaris, de burgemeester, René van Kuilenburg
Jan van Zanen
6/6