RIS324357 Bijlage memo PWC
Tekst van het document
Memo Aan:
Gemeente Den Haag
Van:
PwC Legal
Datum:
13 december 2025
Betreft: Juridische gevolgen gemeentelijk parkeren Binckhorst
Conclusie U onderzoekt de mogelijkheden om als gemeente meer betaalbare parkeervoorzieningen aan de bewoners van de Binckhorst aan te bieden. De parkeerdruk in de straten is hoog, en alternatieve gelegenheden in commerciële parkeergarages zijn vaak duur. In dit kader richt u zich onder meer op de mogelijkheid om gemeentelijke parkeervoorzieningen aan te bieden aan de bewoners. U heeft PwC (“wij” of “ons”) gevraagd te adviseren over de relevante juridische gevolgen hiervan. Kort gezegd concluderen wij in dit advies dat de gemeente bij het realiseren van parkeervoorzieningen voor bewoners een tarief dient te rekenen dat (minimaal) de kostprijs van gegarandeerde parkeerplaatsen weerspiegelt. Dit volgt uit de Wet Markt en Overheid. Den Haag kan slechts van de integrale kostprijs afwijken indien dit kan worden gemotiveerd in het kader van een algemeen belang. Het College van Beroep en Bedrijfsleven (“CBb”) toetst afwijking in het kader van algemeen belang echter streng. Hierdoor ligt in de praktijk de drempel om af te wijken van de eis van de integrale kostenberekening hoog. Graag lichten wij deze conclusie nader toe. Ter beantwoording van uw vraag, behandelen wij in het advies de volgende drie deelvragen: 1.
Moet het staatssteunrecht of de Wet Markt en Overheid (“WM&O”) worden toegepast?
2.
Hoe dient de integrale kostprijs op grond van de WM&O te worden berekend?
3.
Welke ruimte biedt de WM&O om van de integrale kostprijs af te wijken?
Hieronder zal achtereenvolgens op deze drie vragen worden ingegaan.
PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs N.V., Thomas R. Malthusstraat 5, 1066 JR Amsterdam, Postbus 90358, 1006 BJ Amsterdam T: 088 792 00 20, F: 088 792 96 40, www.pwc.nl ‘PwC’ is het merk waaronder PricewaterhouseCoopers Accountants N.V. (KvK 34180285), PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs N.V. (KvK 34180284), PricewaterhouseCoopers Advisory N.V. (KvK 34180287), PricewaterhouseCoopers Compliance Services B.V. (KvK 51414406), PricewaterhouseCoopers Pensions, Actuarial & Insurance Services B.V. (KvK 54226368), PricewaterhouseCoopers B.V. (KvK 34180289) en andere vennootschappen handelen en diensten verlenen. Op deze diensten zijn algemene voorwaarden van toepassing, waarin onder meer aansprakelijkheidsvoorwaarden zijn opgenomen. Op leveringen aan deze vennootschappen zijn algemene inkoopvoorwaarden van toepassing. Op www.pwc.nl treft u meer informatie over deze vennootschappen, waaronder deze algemene (inkoop)voorwaarden die ook zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Amsterdam.
1.
De WM&O, niet het staatssteunrecht, is van toepassing.
1.1.
Juridisch is de eerste vraag die beantwoord dient te worden in hoeverre het staatssteunrecht of de WM&O van toepassing is. Het staatssteunrecht en de Wet Markt en Overheid kunnen niet tegelijkertijd van toepassing zijn. Omdat het staatssteunrecht Europees recht is gaat bij gelijktijdige toepassing van het staatssteunrecht en de Wet Markt en Overheid het staatssteunrecht voor.
1.2.
Het Europese staatssteunverbod borgt gezegd dat ondernemingen in de Europese Unie eerlijk met elkaar concurreren. Ratio van het verbod is dat het financieel steunen van een onderneming kan leiden tot een voordeel voor die onderneming ten opzichte van concurrenten. Ook overheidsondernemingen vallen onder dit verbod. Concreet kan dus ook de financiering van een overheidsbedrijf – bijvoorbeeld in de vorm van een investering- of exploitatiebijdrage voor een gemeentelijke parkeergarage – onder het staatssteunrecht vallen.
1.3.
De WM&O kent een smallere en iets andere reikwijdte, want is alleen van toepassing indien een overheid of overheidsbedrijf op een markt actief is. Daar is vanzelfsprekend sprake van indien de gemeente zelf (een) parkeergarage(s) gaat beheren en deze financiert.
1.4.
Van belang is dat het staatssteunrecht vereist dat tarieven van gemeentelijke parkeervoorzieningen marktconform zijn, terwijl de WM&O vereist dat de integrale kosten van de parkeervoorzieningen dienen te worden doorberekend aan de gebruikers daarvan.
1.5.
De integrale kostenprijs is vanzelfsprekend niet hetzelfde als de marktconforme prijs. Bij het bepalen van de marktconforme prijs van het gebruik van een parkeergarage worden de geplande tarieven in de praktijk meestal gebenchmarkt met de tarieven die andere vergelijkbare parkeergarages in de omgeving hanteren. Dit bedrag kan vanzelfsprekend hoger of lager zijn dan de doorberekening van de integrale kosten. Het is dus zowel juridisch als praktisch van belang om vast te stellen of het staatssteunrecht of de WM&O van toepassing is.
1.6.
De financiering van een gemeentelijke parkeergarage valt in de praktijk meestal onder de WM&O, omdat gemeentelijke parkeergarages doorgaans algemeen toegankelijk zijn. De parkeergarage wordt dan beschouwd als openbare infrastructuur, de realisatie van openbare infrastructuur is een overheidstaak, en de financiering van een overheidstaak wordt niet beschouwd als staatssteun. Dat is slechts anders indien de parkeergarage door de gemeente commercieel wordt uitgebaat en daarmee dus concurreert met bijvoorbeeld Q-park of andere commerciële exploitanten.
1.7.
De gemeente wil het voor bewoners van de Binckhorst eenvoudiger maken om betaalbaar te parkeren en overweegt om die reden om zelf (een) parkeergarage(s) te exploiteren. Oogmerk is dus niet om de voorzieningen commercieel uit te baten. Het enkele feit dat de parkeervoorzieningen (deels) niet algemeen toegankelijk zullen zijn maar bestemd zullen zijn voor de bewoners van de Binckhorst, maakt dit niet anders. Meest belangrijke reden hiervoor is dat als dit een voordeel oplevert voor enkel bewoners (en dus niet bedrijven in de Binckhorst) dit niet ten goede komt aan een specifieke onderneming.
1.8.
Omdat het staatssteunrecht niet van toepassing zal zijn, moet Den Haag rekening houden met de WM&O. De WM&O gaat er kort gezegd van uit dat overheden wel op een markt actief mogen zijn, maar in dat geval wel de gedragsregels uit de WM&O moeten naleven om te voorkomen dat er oneerlijk wordt geconcurreerd ten opzichte van commerciële partijen. De meest belangrijke van deze gedragsregels in deze context is dat de gemeente de integrale kostprijs van de parkeervoorzieningen dient door te rekenen aan de gebruikers hiervan.
12 December 2025
Pagina 2 van 3
2.
De WM&O vereist dat gemeente integrale kostprijs doorberekent.
2.1.
De gedragsregel integrale kostendoorberekening vereist dat gemeente alle kosten die worden gemaakt om de parkeervoorziening aan te bieden, moet meenemen in de prijs voor het gebruik daarvan. Met andere woorden: het parkeertarief moet alle directe en indirecte kosten voor de parkeergarage dekken. Het tarief van de integrale kosten moet in elk geval worden opgebouwd uit: •
Operationele kosten zoals personeelskosten, huisvestingskosten, automatiseringskosten verzekeringskosten en energiekosten;
•
Afschrijving en onderhoudskosten;
•
Vermogenskosten.
2.2.
Deze opsomming is niet limitatief, alle investerings- en exploitatiekosten die gemaakt worden moeten mee worden genomen. Vereist is dat de berekening wordt gemaakt volgens objectief te rechtvaardigen bedrijfseconomische principes en dat deze principes deze consequent door de gemeente worden toegepast. Concreet betekent dit dat de gemeente in vergelijkbare situaties steeds op dezelfde manier rekent en daarbij telkens dezelfde uitgangspunten dient te hanteren.
2.3.
Bepaalde bestuurlijke werkzaamheden zijn echter uitgezonderd van de integrale kostenberekening. Het gaat dan om kosten die samenhangen met de gemeentelijke taakuitoefening. Ratio hierachter is dat dergelijke kosten niet gemaakt worden door commerciële exploitanten. De kosten die bijvoorbeeld komen kijken bij beleidsvoorbereiding en inspraak, toezicht en handhaving, en bezwaar en beroep dienen dus bijvoorbeeld niet te worden doorberekend aan de gebruikers van de parkeervoorzieningen.
2.4.
De WM&O zegt dat de kosten moeten worden berekend per dienst, dus in dit geval per locatie.
3.
Afwijking integrale kostprijs slechts bij hoge uitzondering mogelijk.
3.1.
Den Haag kan slechts van de integrale kostprijs afwijken indien dit kan worden gemotiveerd in het kader van een algemeen belang. Uit rechtspraak van het CBb volgt echter een zware motiveringseis bij een dergelijke afwijking. 1 De gemeente moet onder meer motiveren: •
Welk concreet algemeen belang wordt nagestreefd;
•
Waarom het nodig is om juist met deze lagere kostprijs daarvan af te wijken;
•
Waarom marktpartijen dit niet op dezelfde manier kunnen doen.
De gemeente moet daarnaast aantonen wat de gevolgen zijn voor concurrenten zoals Q-Park, en proberen die nadelen zo klein mogelijk te houden (bijvoorbeeld door de prijs, periode of compensatie aan te passen). In de praktijk blijkt het in de praktijk onder meer om deze redenen lastig om af te wijken van de integrale kostprijs. Ondernemingen als Q-Park procederen bovendien veel - en niet zelden met succes - tegen gemeenten die van de integrale kostprijs afwijken, met als voornaamste argument dat afwijking hiervan tot oneerlijke concurrentie leidt. Om deze redenen ligt in de praktijk de drempel om af te wijken van de eis van de integrale kostenberekening hoog.
1 Zie met name: CBb 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:660.
12 December 2025
Pagina 3 van 3