RIS324356 Discussienota Raad aan het roer
Tekst van het document
RAAD AAN HET ROER Discussienota Judith Klokkenburg ChristenUnie/SGP
Rutger de Ridder Haagse VVD
05 -01- 2026
Inleiding Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het instrumentarium voor ruimtelijke ontwikkelingen gewijzigd. De producten waarmee de gemeenteraad al jarenlang werkt, zoals het Planuitwerkingskader (PUK) en de Nota van Uitgangspunten (NvU), hebben plaatsgemaakt voor nieuwe planproducten, waaronder de bouwenvelop en het gebiedsprogramma. Het college heeft hiertoe een brief naar de gemeenteraad gestuurd met de nieuwe planproducten en de bevoegdheidsverdeling die ze voor zich ziet (RIS323269). Zoals het college de bevoegdheden en nieuwe planproducten wil inrichten, heeft de raad alleen nog de bevoegdheid om de gebiedsvisie, het beeldkwaliteitsplan, een buitenplanse afwijking (BOPA) en een gebiedsgerichte wijziging van het omgevingsplan vast te stellen (zie afbeelding 1). Met deze discussienota geven ChristenUnie/SGP en de Haagse VVD hun visie over hoe de bevoegdheidsverdeling plaats zou moeten vinden om drie zaken te versterken: besluitvorming versnellen, participatie en democratische legitimiteit versterken en helderheid verschaffen aan alle partijen vooraf.
Afbeelding 1 (RIS323269)
1
De raad verliest het roer De Haagse gemeenteraad heeft jaren geleden besloten PUK’s en NvU’s ter instemming langs de raad te sturen voor zorgvuldige besluitvorming. Deze werkwijze zorgt ervoor dat bouwinitiatieven die zullen gaan afwijken van het bestemmingsplan besproken worden in de raad, voordat het college die vaststelt. Dit vergroot de legitimiteit van het besluit: burgers die met een bouwplan in hun buurt te maken krijgen, hebben zo de kans via hun volksvertegenwoordiger in een vroeg stadium van zich te laten horen. De raad krijgt onder meer het participatieverslag te zien en kan nog bijsturen. De bevoegdheidsverdeling zoals het college voorstelt, doet volgens de indieners onvoldoende recht aan de Haagse realiteit. Een gebiedsvisie is een document met een hoog abstractieniveau, zonder duidelijk financieel plaatje. Voor bewoners ‘leeft’ dit niet. Bewoners zien echter wel de bouwplannen in hun buurt. De bouwenvelop is een nieuw product dat in de Haagse situatie nog niet is voorgekomen. Het is vergelijkbaar met een Planuitwerkingskader of Nota van Uitgangspunten.
De PUK en NvU hadden als doel om conflicterend beleid op elkaar te leggen en besluiten te nemen over die conflicten om na vaststelling van het PUK middels een verklaring van geen bedenkingen of een aanpassing aan het bestemmingsplan door de raad de mogelijkheid te scheppen af te wijken van eerder vastgesteld beleid. De bouwenvelop doet iets vergelijkbaars. Het concretiseert hetgeen besloten is in een gebiedsprogramma en andere plannen tot een compact product waaraan een ontwikkelaar zich moet houden. In de door het college voorstelde bevoegdheidsverdeling gaat dit product alleen naar de raad als er nog geen gebiedsvisie is. In de huidige situatie zien bewoners via het nog door de raad mee in te stemmen Planuitwerkingskader in de raad behandeld, datzelfde gebeurt bij de Nota van Uitgangspunten. In de nieuwe voorgestelde werkwijze ligt die verantwoordelijkheid bij het college. In de bouwenvelop komen de concrete kaders voor een bouwplan terecht, en wordt participatie ingericht. Hierdoor heeft de raad geen mogelijkheid meer om bij te sturen. Bovendien hebben bewoners die in het participatieproces zaken hebben ingebracht die door het college afgewezen zijn, ook geen kans meer via hun volksvertegenwoordiger die zaken voor het voetlicht te brengen.
Door bij de vaststelling van de concrete kaders geen weegmoment in te bouwen voor de gemeenteraad wordt een inspraakmoment en daarmee het sluitstuk van participatie ontnomen. Dat vinden de opstellers van deze discussienota zeer onwenselijk. Het verlaagt daarmee de democratische legitimiteit van de besluitvorming. De voorgestelde werkwijze en verantwoordelijkheidsverdeling die het college aan de raad gestuurd heeft kent nog een probleem: vertraging. De redenering die het college volgt is: participatie vooraf zodat de kaders achteraf op draagvlak kunnen rekenen en iedereen weet waar die aan toe is. Op papier klinkt dat logisch. Indieners vinden ook dat participatie 2
vooraf goed plaats moet vinden. Echter de gebiedsvisies hebben een hoog abstractieniveau. Het zijn ‘hoog over’ kaders. Voor bewoners, en de raad, is erg lastig te interpreteren wat die kaders concreet betekenen voor een ontwikkeling in een buurt. Daardoor zal bij de participatie rondom de bouwenvelop mogelijk veel verwarring ontstaan over de uitwerking van de ‘hoog over’ kaders naar een concreet plan. Besluitvorming zal onvermijdelijk leiden tot rechtszaken. Dat willen de indieners voorkomen. In de voorgestelde werkwijze van het college zijn vier verschillende fases te onderscheiden. De indieners vinden dat er veel. De derde fase lijkt niet te passen binnen het geheel en vertragend werken. Het gebiedsprogramma zou het overkoepelende geheel moeten zijn dat volgt uit de meer abstracte gebiedsvisie. Het is indieners onduidelijk waarom er dan nog afzonderlijk een fase moet worden toegevoegd met de meer concrete producten: stedenbouwkundig programma, buitenruimteplan en beeldkwaliteitsplan. Ook is niet duidelijk waarom de raad wel moet besluiten over de beeldkwaliteit, maar niet over de stedenbouwkundige inpassing of de buitenruimte, terwijl deze onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Als de raad besluit dat de beeldkwaliteit op een heel andere manier moet worden ingevuld dan het college voorstelt dan moet dit doorwerken in de andere producten, anders ontstaat er slechte samenhang. Dat is nu niet geborgd. Tevens geven ontwikkelaars aan het moeilijk te vinden te begrijpen dat de gemeenteraad op een laat moment nog bergen kan verzetten. In het verleden zijn pas bij besluitvorming in de raad over de Planuitwerkingskaders besluiten genomen over hoogte, massa, parkeren, participatie en programma. Dat is voor ontwikkelaars een vreemd moment. Zij willen vooraf duidelijkheid over de grove kaders zodat ze in de uitwerking ruimte hebben om aanpassingen te kunnen doen. Voor zowel het draagvlak in de buurt als de businesscase van de ontwikkelaar zelf. In de huidige praktijk besluit de raad hierover te laat, in de voorgestelde werkwijze van het college besluit de raad hier helemaal niet meer over.
3
De raad aan het roer Indieners beogen drie zaken met de conclusie uit deze discussienota: besluitvorming versnellen, participatie en democratische legitimiteit versterken en helderheid verschaffen aan alle partijen vooraf. I.
Samenvoegen fase 2 en 3 (gebiedsprogramma met stedenbouwkundigbuitenruimte en beeldkwaliteitsplan)
Door twee fases samen te voegen tot één fase komt versnelling in het proces. Immers, producten volgen elkaar niet meer op. In plaats van het maken van vier producten, waarvan drie door het college werden vastgesteld en een door de raad, ontstaat er nu één product: het gebiedsprogramma. Dit gebiedsprogramma is een uitgebreid en gedetailleerd document. De mate van detaillering tussen gebied en deelgebied is haast verwaarloosbaar, daarom kan deze samenvoeging ook. Op het niveau van een gebied ontstaat nu een programma, inclusief stedenbouwkundig plan, een buitenruimteplan en een beeldkwaliteitsplan. Over het gebiedsprogramma moet worden geparticipeerd. Hierdoor kunnen bewoners ook op meer abstractere kaders hun zienswijze geven. De producten kennen namelijk een grote mate van samenhang en volgen uit de zeer abstracte en ‘hoog over’ gebiedsvisie. Op niveau van stadsdeel wordt omschreven wat de visie is voor dat stadsdeel. Op niveau van een gebied wordt omschreven wat de vertaling van die visie betekent voor het gebied, zowel in programma als voor stedenbouw, buitenruimte en beeldkwaliteit. Het samenvoegen van deze producten tot één product zorgt ervoor dat de raad ook een plek kan krijgen in de besluitvorming en kan controleren of het bedoelde in de gebiedsvisie ook goed wordt vertaald. De raad zou instemming moeten verlenen alvorens het college het stuk formeel kan vaststellen.
Doordat de raad kan zien wat bewoners hebben ingebracht bij participatie kan de raad bijsturen als zienswijzen niet zijn overgenomen en geeft het bewoners de mogelijkheid hun zienswijze nader toe te lichten of in te spreken over het voorgestelde. Hierdoor krijgen bewoners de mogelijkheid in te spreken. Opstellers begrijpen zeer goed dat het oefenen wordt hoe hier goed invulling aan te geven. Compact en duidelijk is het devies. Waarbij ontwikkeling van het gebiedsprogramma over de jaren nodig is en wordt toegejuicht.
4
Afbeelding 2: Aangepast schema samenhang publiekrechtelijke gebiedsgerichte planproducten.
II.
Introductie van een comfortbrief voorafgaand aan de bouwenvelop
Deze discussienota gaat in feite over twee processen: de abstracte visionaire ontwikkeling van de stad, en de ontwikkeling van een bouwplot. Het tweede proces heeft pas iets aan het eerste proces als dat proces volledig is afgerond. In de praktijk en volgens de planning van het college zijn pas over acht jaar alle gebiedsvisies voor de Haagse stadsdelen vastgesteld. Om de woningcrisis te lijf te gaan kunnen we daar niet op wachten. Het tweede proces moet dus goed worden ingericht. Ontwikkelaars, bewoners en gemeenteraad hebben behoefte om in een oogopslag te kunnen zien welke kant een ontwikkeling op gaat. Hierdoor kunnen alle partijen hun visie hierover delen en gezamenlijk tot een optimale ontwikkeling komen. De bouwenvelop is het meest concrete kader waaraan een omgevingsvergunning kan worden getoetst. Hierdoor zal dit, compact beoogde, document nog best lijvig worden. Het is ook maar zeer de vraag of de keuzes die in de bouwenvelop gemaakt zijn kunnen rekenen op instemming van de raad als de raad slechts heeft kunnen spreken over de gebiedsvisie voor het stadsdeel en de beeldkwaliteit. Over hoe het programma van de bouwontwikkeling wordt, welke massa wenselijk is, heeft de raad geen uitspraken kunnen doen. Ook niet over de parkeeroplossing, participatie of de beoogde maximale hoogte.
Indieners van deze discussienota begrijpen ook heel goed dat de raad niet ter elfde uren nog allerlei zaken moet willen aanpassen. 5
Daarom stellen indieners voor om een nieuw product in het leven te roepen: de comfortbrief. Deze comfortbrief is compact (maximaal tien pagina’s) en omschrijft in elk geval de hoogte, massa, programma, parkeeroplossing en participatie. Hierdoor worden voor de vijf benoemde thema’s kaders voorgesteld voor de bouwontwikkeling. Deze concrete benoeming van de kaders vormt dan de basis voor de bouwenvelop. Voor ontwikkelaars en bewoners is dan in een oogopslag helder waar de ontwikkeling heen gaat. Bij de vaststelling van de bouwenvelop zijn dan op deze thema’s geen verrassingen meer. De comfortbrief is in lijn met de Actieagenda Woningbouw 2025-2027 (RIS321746), waarbij versnelling centraal staat. In de comfortbrief wordt helder aangegeven hoe de participatie georganiseerd wordt, participatie is verplicht bij zowel gebiedsprogramma als BOPA’s. Recente jurisprudentie laat zien dat dit goed mogelijk is. 1 Door met een comfortbrief te werken, wordt veel tijd en capaciteit bespaart. Bovendien geeft het daarmee zowel ontwikkelaars als bewoners snel helderheid over de kaders en inspanningen die verwacht worden. De comfortbrief en de bouwenvelop zouden tevens ter instemming aan de raad moeten worden voorgelegd. Zo bouwen we ook in dit proces de mogelijkheid in om bij te sturen, zienswijzen te laten verduidelijken en inspraak mogelijk te maken.
Een bouwenvelop is de vertaling van de comfortbrief en ander vastgesteld beleid. Daar zou de raad iets van moeten vinden.
Afbeelding 3: Huidige situatie zonder gebiedsvisies
1
ECLI:NL:RBAMS:2025:9275, Rechtbank Amsterdam, AMS 25/2084
6