RIS324028 Bijlage Tussenuitspraak bp Anna van Hannoverstraat 4
Tekst van het document
Stichting Wijkberaad Bezuidenhout en [appellant sub 6] en anderen wijzen in hun nadere reactie ook op verschillende andere aspecten, zoals de overbelasting van diverse kruispunten in de omgeving van het plangebied, de Schenkkade die op een punt een éénbaansweg wordt, dat motorvoertuigen bij het verlaten van de parkeergarage Schenkkade eerst het fietspad zullen moeten kruisen alvorens de rijbaan op te gaan wat zorgt voor verkeersgevaarlijke situaties, dat trams en bussen op de Laan van NOI ook voor opstoppingen zullen zorgen en op de verkeerssituatie rondom de basisschool schuin tegenover het plangebied. Tot slot voeren Stichting Wijkberaad Bezuidenhout en [appellant sub 6] en anderen aan dat in het bestreden plan ten onrechte geen regels zijn opgenomen over verkeersmaatregelen ter bevordering van de verkeersveiligheid. 19.1. In paragraaf 5.2.2 van de plantoelichting staat dat voor de voorziene ontwikkeling twee parkeergarages worden gerealiseerd, namelijk een parkeergarage die wordt aangesloten op de Schenkkade (hierna: parkeergarage Schenkkade) en een parkeergarage die wordt aangesloten op de Wilhelmina van Pruisenweg (hierna: parkeergarage Wilhelmina van
18
Pruisenweg). Berekend is dat de verkeersgeneratie van parkeergarage Schenkkade in totaal 1.000 motorvoertuigen per etmaal bedraagt en die van parkeergarage Wilhelmina van Pruisenweg 1.370 motorvoertuigen per etmaal. Een deel van de voertuigbewegingen is gelinkt aan woonfuncties en een deel aan de overige functies van de voorziene bebouwing. Aangenomen is dat woonverkeer in de ochtendspits vertrekt en in de avondspits aankomt. Voor verkeer dat is gelinkt aan de overige functies is dit andersom, zo staat in de plantoelichting. 19.2. De raad heeft een verkeersonderzoek en een kruispuntanalyse laten uitvoeren door Witteveen+Bos (bijlage 11 en 12 van de plantoelichting). In het verkeersonderzoek wordt geconcludeerd dat de verwachte verkeersgeneratie van de voorziene ontwikkeling 2.370 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal is. In de kruispuntanalyse is onderzocht in hoeverre de voorziene ontwikkeling effecten heeft op de verkeersafwikkeling van specifiek het kruispunt Laan van NOI/Schenkkade, omdat daar de verkeersstromen het meest complex zijn. In de kruispuntanalyse wordt geconcludeerd dat de locatie van de in- en uitgang van de parkeergarage op de Schenkkade aan de eenrichtingsweg ervoor zorgt dat al het autoverkeer, dat de parkeergarage Schenkkade verlaat, langs het kruispunt Schenkkade dient te rijden.
In het bijzonder in de avondspits is dat een probleem, omdat er dan veel vertrekkend verkeer uit deze parkeergarage is. Zo’n 59% van dat verkeer gaat richting de A12 en moet op dat kruispunt dan twee keer linksaf slaan. Als gevolg daarvan komt de cyclustijd van het kruispunt in beide spitsperioden boven de grenswaarde van 90 seconden uit. Maar in de referentiesituatie in 2030 is de cyclustijd in de avondspits ook al langer dan 90 seconden. Daarnaast is de positionering van de in- en uitgang van de parkeergarage op circa 60 m van het kruispunt niet gunstig in relatie tot de wachtrijen. De wachtrijen staan in de spitsperioden ruim voorbij de in- en uitgang van de parkeergarage, waardoor de parkeergarage slecht bereikbaar is - wat weer bijdraagt aan langere wachtrijen - het verkeer de garage slecht kan verlaten en er een verkeersveiligheidsrisico ontstaat in relatie tot het fietspad, dat moet worden gekruist. Witteveen+Bos heeft in dat verband een aantal aanbevelingen gedaan. Ook wordt in de kruispuntanalyse geconcludeerd dat de verkeersafwikkeling voor de parkeergarage op de Wilhelmina van Pruisenweg voor minder problemen zal zorgen, omdat deze parkeergarage dient als ontsluiting voor voornamelijk woningen. In de maatgevende avondspits vertrekt hier daarom weinig verkeer.
Het weinige verkeer uit de parkeergarage op de Wilhelmina van Pruisenweg kan via het kruispunt van de Wilhelmina van Pruisenweg met de Schenkkade in twee richtingen vertrekken, waardoor de omliggende kruisingen niet extra belast worden. Het deel van dit verkeer dat 's avonds richting het kruispunt van de Schenkkade met de Laan van NOI vertrekt, zit bij het onderzoek inbegrepen. De bewoners die gebruik zullen maken van de parkeergarage op de Wilhelmina van Pruisenweg die in de avondspits thuiskomen komen, zijn veel meer in de tijd verspreid dan het vertrekkende kantoorverkeer. Daarnaast komen deze bewoners van twee richtingen naar huis. 19.3. In de kruispuntanalyse is gebruik gemaakt van de referentiesituatie WLO 2030 HOOG. In de plantoelichting staat hierover dat dit een beleidsarm scenario betreft en dat zaken zoals de mobiliteitstransitie daarin nog niet zijn verwerkt en er dus sprake is van een worst-case benadering. De raad stelt in zijn verweerschrift dat doorvoering van het mobiliteitsbeleid zoals al wel in de parkeernota is gebeurd - tot lagere intensiteiten en dus ook tot kortere wachtrijen zal leiden. 19.4. De Afdeling is van oordeel dat de raad adequaat heeft weersproken dat het plan leidt tot onaanvaardbare verkeershinder of verkeersonveiligheid voor omwonenden op de verschillende kruispunten rondom het plangebied.
De raad stelt in het verweerschrift dat de wachtrijen in de spitsperioden in het bijzonder de gebruikers van de parkeergarage raken en
19
niet de afwikkeling van verkeer uit de omgeving. Die wachtrijen uit de parkeergarage kunnen met verschillende maatregelen worden opgevangen. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat de verkeerssituatie rondom het plangebied zal worden gemonitord. Indien dat op basis van de uitkomsten van die monitoring nodig mocht zijn, kunnen mitigerende maatregelen worden getroffen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het creëren van langere wachttijden voordat de slagboom van de parkeergarage Schenkkade open gaat in het geval er op de Schenkkade sprake is van wachtrijen. Ook kunnen maatregelen worden getroffen aan de verkeersregelinstallaties ter plaatse van dat kruispunt, waardoor stoplichten sneller groen licht geven. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat eventuele opstoppingen door trams en bussen op de Laan van NOI ook met aanvullende maatregelen aan de verkeersregelinstallaties kunnen worden aangepakt. Verder zal ten behoeve van de verkeersveiligheid worden nagedacht over de specifieke inrichting van de openbare ruimte.
Op de zitting heeft de raad een plan gepresenteerd om het fietspad dat voor de in- en uitgang van de voorziene parkeergarage Schenkkade is gesitueerd te verleggen, zodat motorvoertuigen vanuit parkeergarage Schenkkade eerst het fietspad zullen kruisen waarna zij op een aan te leggen opstelstrook voor motorvoertuigen terechtkomen, waar vandaan motorvoertuigen de Schenkkade op kunnen rijden. Gecombineerd met het gedoseerd doorlaten van auto’s via aansturing van de slagboom, wordt op die manier geregeld dat zich een eventuele langere wachtrij in de garage zelf vormt en niet, het fietspad kruisend, op de openbare weg. De bestemming ter plaatse biedt daar ook voldoende ruimte voor. De Afdeling acht met het vorenstaande ook op dit punt deugdelijk gemotiveerd dat het plan niet leidt tot verkeersonveiligheid of tot onaanvaardbare verkeersoverlast. 19.5. De Afdeling overweegt verder dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verkeerssituatie rondom de basisschool nu al in de ochtendspits zorgt voor opstoppingen. De raad stelt zich echter op het standpunt dat het verkeer in de ochtendspits van en naar de basisschool niet leidt tot een onaanvaardbare verkeersoverlast en verkeersonveiligheid. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat er voor die basisschool geen zogenoemde kiss-and-ridestrook is gesitueerd.
Het zal dus een kwestie van handhaven zijn als ter plaatse wel wordt geparkeerd om kinderen af te zetten. Bovendien blijkt uit de kruispuntenanalyse dat in de ochtendspits geen onaanvaardbare verkeerssituatie zal ontstaan als gevolg van de voorziene ontwikkeling. Appellanten hebben dit ook niet gemotiveerd weersproken. De Afdeling ziet, gelet hierop, geen grond voor het oordeel dat het verkeer van en naar basisschool onvoldoende is betrokken bij de beoordeling van de verkeerssituatie. 19.6. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare verkeershinder of verkeersonveiligheid in de omgeving. Voor zover Stichting Wijkberaad Bezuidenhout en [appellant sub 6] en anderen aanvoeren dat er geen regels zijn opgenomen over verkeersmaatregelen, overweegt de Afdeling dat het treffen van verkeersmaatregelen een uitvoeringsaspect van het bestemmingsplan betreft. Verkeersmaatregelen kunnen niet in een bestemmingsplan worden opgenomen. 19.7. Het betoog slaagt niet. Wateraspecten Waterberging 20. Stichting Wijkberaad Bezuidenhout vreest dat er geen goede oplossing zal komen voor de waterberging. De voorwaardelijke verplichting voor waterberging doet geen recht aan de belangen van de omgeving. Op dit moment heeft de buurt rondom het plangebied al regelmatig te kampen met wateroverlast.
Problemen ter zake zullen naar verwachting direct
20
na aanvang van de bouw ontstaan. 20.1. De Afdeling stelt voorop dat in artikel 8.2, lid a, van de planregels staat dat binnen 12 maanden na oplevering van het bouwplan een hemelwaterberging met een capaciteit van 800 m3 beschikbaar dient te zijn. In lid b van dat artikel staat dat het Hoogheemraadschap Delfland door middel van een aan te vragen watervergunning hierop zal toezien. In de nota van zienswijzen staat dat met de voorwaardelijke verplichting is geborgd dat een waterberging beschikbaar is binnen 12 maanden na oplevering van het bouwplan. Dit wordt getoetst bij de afgifte van de omgevingsvergunning voor bouwen waarbij ook voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden (kunnen) worden. Volgens de raad is de termijn van 12 maanden toereikend, omdat de voorwaardelijke verplichting is gerelateerd aan de bebouwingsmogelijkheden die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. In de nota van zienswijzen staat dat lid b van de genoemde planregel ervoor zorgt dat het Hoogheemraadschap Delfland tijdig wordt betrokken en over de waterberging kan adviseren. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling niet dat de raad deze planregeling niet heeft mogen vaststellen. Het betoog slaagt niet. Grondwaterstand 21. [appellant sub 1] vreest dat door de voorziene ontwikkeling de grondwaterstand zal wijzigen.
In dat kader vraag zij zich af wie verantwoordelijk is als door de grondwaterstand de palen onder haar huis wegrotten. De huidige bebouwing op de gronden van het plangebied ligt volgens [appellant sub 1] in een behoorlijke kuip. 21.1. Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat de grondwaterstand zal veranderen door de voorziene ontwikkeling, staat in paragraaf 5.11.4 van de plantoelichting dat de voorziene ontwikkeling geen verandering in de grondwaterstanden tot gevolg heeft. Het verhard oppervlak verandert niet significant en er wordt geen grondwater onttrokken. Er worden daarom geen effecten op de grondwaterstand verwacht. De Afdeling ziet in het verder niet onderbouwde betoog geen aanleiding om deze toelichting niet te volgen. Het betoog slaagt niet. Bezonning 22. [appellant sub 6] en anderen voeren aan dat het aspect bezonning onvoldoende is gemotiveerd. Bovendien is geen rekening gehouden met hun belangen. Ook wordt in de stukken verwezen naar een nader onderzoek, terwijl dit onderzoek niet bekend is. 22.1. De Afdeling stelt vast dat er een bezonningsonderzoek is uitgevoerd door Peutz. Op de zitting heeft de raad desgevraagd toegelicht dat dit onderzoek van 18 mei 2022 het "nadere onderzoek" is waarover wordt gesproken.
Uit dit bezonningsonderzoek volgt dat op conform de gemeentelijke bezonningsnorm gehanteerde toetsingsdatum van 19 februari in de bestaande bebouwingssituatie bij 54 woningen binnen het invloedsgebied niet wordt voldaan aan de bezonningsnorm van twee uur zon. Bij 11 van deze woningen is door de voorziene ontwikkeling sprake van een verdere afname van bezonning. Er zijn geen woningen die in de bestaande bebouwingssituatie wel 2 uur zon krijgen maar door de schaduwwerking van de nieuwbouw niet meer. In het verweerschrift somt de raad de 11 betrokkenen woningen op, die vanwege hun specifieke ligging in de huidige
21
bebouwingssituatie al weinig zon krijgen. De raad stelt dat wanneer het toetsingsmoment verschoven wordt van 19 februari naar 7 maart nog slechts 1 van de 11 woningen te maken krijgt met verdere afname van de bezonning. Op 21 maart ondervindt geen van de 11 woningen een verminderde bezonning ten opzichte van de bestaande situatie. Wanneer het individuele belang bij het behoud van de bestaande bezonning op 19 februari wordt afgewogen tegen het doorgaan van het project, dan weegt het belang van het kunnen realiseren van het plan naar het oordeel van de raad zwaarder. Hierbij is betrokken dat alle woningen vanaf 21 maart niet worden geconfronteerd met een afname van de bezonning. Bovendien volgt uit het bezonningsonderzoek dat er geen woningen zijn die in de huidige situatie wel 2 uur zon krijgen op 19 februari en door de schaduwwerking van de nieuwbouw niet meer. Daarmee staat vast dat de nieuwbouw maar in beperkte mate bijdraagt aan de schaduwwerking die in de bestaande situatie al aanzienlijk is, aldus de raad. 22.2. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat de invloed van de nieuwe bebouwing die het plan mogelijk maakt, op de bezonning van het perceel van [appellant sub 6] en anderen niet zodanig is dat het plan in zoverre tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en verblijfsklimaat aldaar leidt.
Daarbij betrekt de Afdeling dat een aanspraak op zonlichttoetreding niet onbeperkt is bij woningen die zijn gelegen in sterk verstedelijkt gebied. Het betoog slaagt niet. Financiël-economisch uitvoerbaarheid 23. [appellant sub 4A] en anderen voeren aan dat onduidelijk is of het plan financiëeleconomisch uitvoerbaar is. 23.1. Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is. In hoofdstuk 7 van de plantoelichting is ingegaan op de economische uitvoerbaarheid. Zo staat er dat de gemeente Den Haag en de ontwikkelaar een anterieure overeenkomst sluiten. Een vergoeding van de kosten die verband houden met de planprocedure, planschade, alsmede met de uitvoering van het plan, zal in deze overeenkomst een regeling vinden. Kostenverhaal door middel van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. Gezien het bovenstaande wordt de voorziene ontwikkeling economisch ook uitvoerbaar geacht, zo staat in de plantoelichting. In het verweerschrift geeft de raad aan dat de gemeente op 28 juni 2023 ook daadwerkelijk een anterieure overeenkomst heeft gesloten met de Sozanna B.V.
De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding om aan het bovenstaande te twijfelen. Daarom heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat er geen redenen zijn om op voorhand aan te nemen dat het plan om financieel-economische redenen niet uitvoerbaar is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat wat betreft het betoog van [appellant sub 4A] en anderen over staatssteun, voor zover dat als een beroepsgrond zou moeten worden aangemerkt, zij dit betoog niet nader hebben onderbouwd. Het betoog slaagt niet. Biedingsprocedure 24. Stichting Het Cuypersgenootschap en anderen doen een beroep op het Didam-arrest. In dat kader voeren zij aan dat bij het uitschrijven van de bieding behoud en herbestemming van
22
de bebouwing een voorwaarde was. 24.1. In haar uitspraak van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1157, is de Afdeling ingegaan op het Didam-arrest. In het Didam-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat uit het gelijkheidsbeginsel voortvloeit dat: "een overheidslichaam dat het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak indien er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn. In dat geval zal het overheidslichaam met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte criteria moeten opstellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd. Deze criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Het gelijkheidsbeginsel brengt ook mee dat het overheidslichaam, teneinde gelijke kansen te realiseren, een passende mate van openbaarheid moet verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. Het overheidslichaam moet hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen." 24.2.
Stichting Het Cuypersgenootschap en anderen hebben niet duidelijk gemaakt op welke wijze het Didam-arrest relevantie heeft voor een kennelijk in de plaatsgevonden hebbende biedingsprocedure gestelde voorwaarde dat de bestaande bebouwing zou worden behouden en herbestemd. Van belang daarbij is ook dat die biedingsprocedure niet door de gemeente Den Haag, maar door het Rijksvastgoedbedrijf is georganiseerd. Voor zover Stichting Het Cuypersgenootschap en anderen hebben aangevoerd dat bij het tot stand brengen van de koopovereenkomst tussen het Rijksvastgoedbedrijf en Sozanna B.V. de vereisten uit het Didam-arrest niet in acht zijn genomen en dat dit met zich meebrengt dat aan die koopovereenkomst daarom geen uitvoering kan worden gegeven, wat daar ook van zij, betekent die omstandigheid nog niet dat daarmee het bestemmingsplan op voorhand niet uitvoerbaar is. Een bestemmingsplan regelt immers niet welke partij de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling uitvoert. Stichting Het Cuypersgenootschap en anderen hebben verder ook niet aannemelijk gemaakt dat de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het Didam-arrest op voorhand met zich brengt dat het bestemmingsplan door geen enkele partij zal kunnen worden uitgevoerd. Het betoog slaagt niet. Waardevermindering 25. [appellant sub 1] vreest voor waardevermindering van haar woning als gevolg van het bestreden plan.
In haar zienswijze heeft zij gevraagd naar opnames van de huizen op de Schenkkade, zoals dat bij de bouw van het huidige gebouw op de gronden van het plangebied ook is gebeurd. 25.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 1] betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. [appellant sub 1] kan voor de mogelijk negatieve financiële gevolgen die zij ondervindt van het bestreden besluit een verzoek om tegemoetkoming in planschade indienen. Voor een eventuele tegemoetkoming in planschade bestaat een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden. 25.2. Ten overvloede wijst de Afdeling erop dat de raad in zijn verweerschrift stelt dat er in
23
het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen een bepaling zal worden opgenomen dat maatregelen op grond van het Bouwbesluit zullen worden genomen, gericht op het zoveel mogelijk voorkomen van beschadigingen van al dan niet roerende zaken die zich bevinden in de omgeving van het bouwterrein. Ook heeft SoZanna B.V. op de zitting uitdrukkelijk toegezegd dat er een opname van het huis van [appellant sub 1] zal plaatsvinden voorafgaand aan de bouwactiviteiten. 25.3. Het betoog slaagt niet. Conclusie 26. Gelet op het vorenstaande is het beroep van Innoldvest B.V. niet-ontvankelijk en zijn de beroepen van [appellant sub 1], Stichting Het Cuypergenootschap en anderen, [appellanten sub 5], [appellant sub 6] en anderen, Stichting Wijkberaad Bezuidenhout en [appellant sub 8] ongegrond. Voor hun beroepen is deze uitspraak de einduitspraak en is daarmee voor hen een einde gekomen aan deze procedure. 27. Gelet op wat hiervoor onder 18.9 is overwogen, is de conclusie dat de raad het bestreden besluit in zoverre in strijd heeft genomen met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 4A] en anderen is gegrond. Bestuurlijke lus 28. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het in overweging 18.9 geconstateerde gebrek in het besluit van 23 maart 2023 te herstellen.
De raad moet daarom uiterlijk binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat is overwogen onder 18.9 nader motiveren dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats stellen wat de gevolgen zijn van de voorziene ontwikkeling voor de parkeerdruk in de wijk Voorburg Noord van de gemeente Leidschendam-Voorburg. De raad dient de Afdeling en partijen de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Het door de raad te nemen gewijzigde of nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. Proceskosten 29. Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1], Stichting Het Cuypergenootschap en anderen, [appellanten sub 5], [appellant sub 6] en anderen, Stichting Wijkberaad Bezuidenhout en [appellant sub 8] hoeft de raad geen proceskosten te vergoeden. 30. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 4A] en anderen zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: Einduitspraak I. verklaart het beroep van Innoldvest B.V. niet-ontvankelijk; II.
verklaart de beroepen van [appellant sub 1], Stichting Het Cuypergenootschap en anderen, [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], [appellant sub 6] en anderen, Stichting Wijkberaad Bezuidenhout en [appellant sub 8] ongegrond;
24
Tussenuitspraak III. draagt de raad van de gemeente Den Haag naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4C] en [appellant sub 4D] op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak: - het onder 18.9 en 28 genoemde gebrek te herstellen met inachtneming van hetgeen over dat gebrek in deze uitspraak is overwogen, en - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en het gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. M.J.M. RistraPeeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier. w.g. Knol voorzitter w.g. Van Ewijk griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2025 867
25