CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS323964 Bijlage Kadernota investeringen

Gemeenteraad 18 december 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Kadernota investeren (RIS323964)8.595 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Kadernota Investeringen 2026

Hoofdstuk 1

Inleiding

4

1.1 Aanleiding

4

1.2 Wat zijn investeringen?

4

1.3 Bestuurlijk belang

4

1.4 Doelstelling

5

1.5 Kaders en andere relevante regelgeving

5

Hoofdstuk 2 Activeren

8

2.1 Inleiding

8

2.2 Onderscheid economisch/maatschappelijk nut

8

2.3 Grensbedrag voor activeren

9

2.4 Bruto en netto activeren

10

2.5 Kosten voor onderzoek en ontwikkeling

10

2.6 Voorbereidingskosten

11

2.7 Bijdragen aan activa van derden

11

Hoofdstuk 3 Waarderen

13

3.1 Directe en indirecte kosten

13

3.2 Duurzame waardevermindering en buitengebruikstelling

13

Hoofdstuk 4 Afschrijven

15

4.1 Afschrijvingsmethode

15

4.2 Afschrijvingstermijn

15

4.3 Aanvang afschrijving

16

4.4 Restwaarde

17

4.5 Gronden en terreinen

17

4.6 Componentenbenadering

17

Hoofdstuk 5 Exploitatielasten

18

5.1 Kapitaallasten

18

5.2 Rente

18

5.3 Overige exploitatielasten als gevolg van investeringen

19

Hoofdstuk 6 Onderhoud

20

6.1 Klein onderhoud

20

6.2 Groot onderhoud

20

Hoofdstuk 7 Bestuurlijke besluitvorming over investeringen

22

7.1 Autoriseren en wijzigen

22

7.2 Uitvoeren

23

7.3 Vrijval kapitaallasten

23 2

Hoofdstuk 8 Speciale categorieën

24

8.1 Meerjaren programma kunstwerken (MJPK)

24

8.2 Integraal huisvestingsplan (IHP)

24

Hoofdstuk 9 slotbepalingen Inwerkingtreding

25 25

Bijlage 1 Afschrijvingstermijnen

26

Bijlage 2 Schema investeren of onderhoud

27

3

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Voor investeringen bij gemeenten gelden specifieke spelregels. In de gemeentewet (artikel 212) is voorgeschreven dat gemeenten de spelregels voor waardering en afschrijving van activa moeten vastleggen in hun financiële verordening. Het gaat zowel om spelregels die worden voorgeschreven in wet- en regelgeving als om spelregels die we zelf als gemeente vastleggen. In deze nota worden de huidige spelregels en de overwegingen daarbij toegelicht. Net als veel andere gemeenten kiezen we er in Den Haag voor om voortaan in de verordening te verwijzen naar de kadernota investeringen, waarin de spelregels zijn opgenomen. Dat doen we omdat er in de verordening zelf geen ruimte is voor een toelichting op de spelregels. Het gaat hierbij om het overzichtelijk presenteren en toelichten van de al bestaande regels. Het college heeft in de contourenbrief die in 2023 aan de gemeenteraad is verstuurd, (RIS314462) aangekondigd de financiële huishouding en de sturing hierop te willen verbeteren aan de hand van vier thema’s. Eén van deze thema’s is het inrichten van een investeringsbegroting. Deze kadernota maakt hier onderdeel van uit. De nota wordt uiterlijk over vier jaar geactualiseerd of zoveel eerder als daar aanleiding voor is.

1.2 Wat zijn investeringen? Het aankopen of vervaardigen van bezit (activa) noemen we investeren. Belangrijk is dat het bij investeringen gaat om middelen die langer dan één jaar meegaan. Bij investeringen kan het zowel gaan om nieuwe investeringen als om vervangingsinvesteringen. In de begrotingen van gemeenten wordt onderscheid gemaakt tussen exploitatiekosten en investeringen. Bij exploitatiekosten gaat het om terugkerende kosten die te maken hebben met de (reguliere) uitvoering van taken en diensten door de gemeenten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan personeelskosten, kosten voor onderhoud en beheer, uitgaven voor jeugdzorg en participatie. Bij investeringen gaat het om kosten voor goederen, civieltechnische werken en gebiedsontwikkelingen etc. die meerdere jaren meegaan, bijvoorbeeld de aanleg van wegen, fietspaden en bruggen, riolering, gebouwen, voertuigen voor gemeentelijke diensten etc. Deze investeringen leiden tot gemeentelijk eigendom dat langer dan één jaar meegaat. Daarom wordt de waarde van het bezit op de balans gepresenteerd (onder de activa, meer specifiek de materiële vaste activa). Het opnemen van een afgeronde of in aanbouw zijnde investering op de balans heet activeren. In hoofdstuk 2 wordt hier nader op ingegaan. Om te bepalen tegen welk bedrag de afgeronde investeringen (de activa) op de balans worden opgenomen, zijn er spelregels rondom waardering.

Deze worden in hoofdstuk 3 verder toegelicht. Naarmate de tijd verstrijkt, worden investeringen minder waard. Dit heet afschrijven en wordt verder toegelicht in hoofdstuk 4.

1.3 Bestuurlijk belang Met deze nota wordt de raad geïnformeerd en geeft hij sturing aan de omgang met investeringen. Een eenduidig beleid rond investeringen draagt (ook) bij aan een beter inzicht in de financiële positie van de gemeente. Dit is beleid dat direct raakt aan het budgetrecht van de raad.

4

Het bezit van de gemeente, dat het gevolg is van de investeringen, wordt gepresenteerd op de balans onder materiële vaste activa. Het gaat hierbij om veel geld. Ter indicatie: de waarde van ons bezit (materiële vaste activa) per 1 januari 2025 is circa € 2 miljard. Investeringen leggen (via rente en afschrijving, ofwel: kapitaallasten) een meerjarig budgettair beslag op de begroting van de gemeente. Het gebruik van investeringen strekt zich namelijk uit over meerdere jaren, waardoor ook de kapitaallasten gedurende een langere periode ten laste van de begroting gebracht worden. Het is dus niet zo dat het totale bedrag van aanschaf of vervaardiging in één keer in datzelfde jaar in de begroting gedekt moet worden. Kosten die met de investering samenhangen, zoals afschrijving en rente, onderhoud en verzekeringen horen tot de jaarlijkse exploitatielasten en deze moeten gedekt zijn in de begroting. Door de kapitaallasten structureel in de exploitatielasten op te nemen, wordt gezorgd voor dekking als de investering na het einde van de levensduur vervangen moet worden.

1.4 Doelstelling De doelstelling van deze nota is het verduidelijken en integraal weergeven van het bestaand beleid over investeringen. Er wordt dus geen nieuw beleid voorgesteld. Het verduidelijken en weergeven gebeurt in uniforme regels voor: -

Activeren Waarderen Afschrijven Rente Dekking kapitaallasten Investeren versus groot onderhoud Exploitatielasten als gevolg van investeringen Bestuurlijke verantwoording en processen Specifieke categorieën (MJPK, IHP en onderwijshuisvesting)

1.5 Kaders en andere relevante regelgeving Onderstaande kaders zijn van belang voor deze nota: -

Gemeentewet, artikel 212 financiële verordening Besluit Begroting en verantwoording (BBV), artikel 59 tot en met 65 Notitie materiële vaste activa (MVA) van de commissie BBV Algemene verordening financieel beheer en beleid Den Haag 2025 straks de nieuwe

Deze kadernota sluit daarmee aan bij de wet- en regelgeving van het Rijk, zoals het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en de notitie Materiële Vaste Activa (MVA) van de commissie BBV. Het BBV is een nadere uitwerking van de financiële onderdelen van de Gemeentewet. Ook voor de indeling in hoofdonderwerpen (activeren, waarderen en afschrijven) is zoveel mogelijk aangesloten bij het BBV en de nota Materiële Vaste Activa. Op deze manier wordt geborgd dat op alle relevante onderwerpen wordt ingegaan. Voor sommige regels geldt dat gemeenten geen eigen keuzevrijheid hebben. In dat geval zijn deze regels 1-op-1 overgenomen in deze kadernota. Voor andere regels geldt dat gemeenten wel vrijheid hebben voor een lokale invulling. In dat geval is in deze kadernota opgenomen welke keuzes de gemeente Den Haag maakt en waarom.

5

Naast kaderstellende wetten en regels zijn er gemeentelijke regelingen en nota’s die een relatie hebben met deze kadernota. Denk hierbij bijvoorbeeld aan spelregels rond grondexploitaties en vastgoed. Voor vastgoed kan het college nadere regels vaststellen over bijvoorbeeld de waardering van commercieel, bijzonder en ontwikkelingsvastgoed (bijvoorbeeld de richtlijn voor omlabeling en verkoop vastgoed en richtlijn waardering gemeentelijk vastgoed). Tot slot hebben we bij het opstellen van deze nota rekening gehouden met de tien begrotingsregels. Deze zijn opgenomen in een bijlage bij de begroting 2025 onder Bijlage 01 Begrotingsregels. Met name de regel over het voorzichtigheidsprincipe (3) is gehanteerd als uitgangspunt voor de spelregels in deze nota maar ook andere regels zijn toegepast. Uitgangspunten die hieruit voortvloeien zijn: -

Middelen voor beheer en onderhoud zijn aan de voorkant gedekt (begrotingsregel 6) Investeringen die vervangen moeten worden, dekken we met structurele kapitaallasten Integrale besluitvorming vindt in principe éénmaal per jaar plaats. Dit is tijdens de begrotingsvoorbereiding. (begrotingsregel 5) Eenduidige toepassing grensbedragen en afschrijvingstermijnen

6

In onderstaand overzicht is aangegeven welke onderdelen verplicht zijn vanuit het BBV en bij welke onderdelen de gemeente keuzevrijheid heeft. Bij voorschriften van het BBV kan het zowel gaan om het BBV zelf als om de daarvan afgeleide notitie Materiële Vaste Activa. De meeste van deze spelregels waren tot nu toe vastgelegd in de financiële verordening maar worden in deze nota voorzien van context en toelichting. In deze kadernota worden in afzonderlijke hoofdstukken de voorschriften over de onderwerpen vastgelegd in spelregels. In de kolom spelregels staat het nummer van de regel die over het betreffende onderwerp gaat. Onderdeel (hoofdstuk) Activeren

Waarderen

Afschrijven

Voorgeschreven door BBV of gemeentewet Onderscheid econ/maatsch nut Grensbedrag vastleggen Bruto/netto activeren Voorwaarden om kosten voor onderzoek en ontwikkeling te kunnen activeren Voorbereidingskosten die direct toerekenbaar zijn aan actief, activeren Voorwaarden om bijdragen aan activa in eigendom van derden te kunnen activeren Activa waarderen op basis van verkrijgings- of vervaardigingsprijs Duurzame waardevermindering direct verwerken onafhankelijk van resultaat boekjaar Afschrijven onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar Afschrijven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur Vastleggen wanneer gestart wordt met afschrijven (vier opties) Wel of geen rekening houden met restwaarde Gronden en terreinen: niet afschrijven tenzij

Haagse invulling

spelregel

Geen beleidsvrijheid Grensbedrag 2,5 mln en 50.000 Geen beleidsvrijheid Kosten van onderzoek en ontwikkeling die voldoen aan de voorwaarden activeren

1 1 2 3

Geen beleidsvrijheid

4

Bijdragen aan activa in eigendom niet activeren

5

Redelijk deel van de indirecte kosten en de rente tijdens vervaardiging wel of niet activeren Duurzame waardevermindering verwerken via tijdelijke voorziening of via directe afboeking van het actief Afschrijven volgens lineaire methode

6

Precieze afschrijvingstermijnen per categorie activa

9

Start afschrijven miv begrotingsjaar volgend op gereedkomen/verwerven kapitaalgoed Geen rekening houden met restwaarde

10

Niet afschrijven op gronden en terreinen, grondaankopen voor investeringen met maatsch nut tot kosten investering rekenen Componentenbenadering toepassen

12

Gemeentewet 189 begroting in evenwicht, BBV notitie Materiële vaste activa BBV notitie rente

Structurele dekking kapitaallasten. Uitzonderingen hierop aan Raad voorleggen Geen beleidsvrijheid

14

Gemeentewet 189 begroting in evenwicht Onderscheid onderhoud en investeringen Raad autoriseert investeringsbudgetten

Overige lasten agv investeringen voorzien van dekking Lasten voor onderhoud in exploitatie

16

Raad autoriseert in principe via MIP

18

Raad besluit tot in uitvoering nemen van de investering Vrijval kapitaallasten aan budgettair kader toevoegen

19

Componentenbenadering wel/niet gebruiken Exploitatielasten

Onderhoud Bestuurlijk

7

8

11

13

15

17

20

7

Hoofdstuk 2 Activeren 2.1 Inleiding Voor de gemeentelijke financiële verslaglegging is het stelsel van baten en lasten van toepassing. Het baten- en lastenstelsel is een manier van boekhouden waarbij opbrengsten (baten) en kosten (lasten) worden toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben, los van het moment van betalen of ontvangen. Onder activeren verstaat het BBV (notitie materiële vaste activa) het volgende: “het op de balans presenteren van de financiële waarde van het aangeschafte of vervaardigde bezit/kapitaalgoed met meerjarig nut dat vanaf dat moment als bezitting kan worden beschouwd”. Het gaat dus om zaken in eigendom van de gemeente en waar de gemeente volledige zeggenschap over heeft. Simpel gezegd betekent activeren dat de gemeente bezittingen die meerdere jaren gebruikt worden op de balans zet als bezit en niet meteen helemaal als kosten boekt. De kosten van dit bezit worden in termijnen (met kapitaallasten) ten laste van de exploitatie gebracht. Het BBV schrijft voor dat alle investeringen (met uitzondering van kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde) geactiveerd worden. Het is verplicht om hierbij onderscheid te maken tussen investeringen met economisch nut en investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut. Het BBV laat de gemeente vrij om de hoogte van het grensbedrag, waarboven geactiveerd wordt, te bepalen.

Hierbij is het niet toegestaan om de grens zodanig hoog te stellen dat hierdoor (bepaalde typen) activa buiten beschouwing worden gelaten. Onderstaand overzicht geeft aan welke spelregels rond activeren worden vastgelegd in hogere wet- en regelgeving en in hoeverre de gemeente keuzevrijheid heeft. Onderdeel (hoofdstuk) Activeren

Voorgeschreven door BBV of gemeentewet Onderscheid econ/maatsch nut Grensbedrag vastleggen Bruto/netto activeren Voorwaarden om kosten voor onderzoek en ontwikkeling te kunnen activeren Voorbereidingskosten die direct toerekenbaar zijn aan actief, activeren Voorwaarden om bijdragen aan activa in eigendom van derden te kunnen activeren

Haagse invulling

Spelregel

Geen beleidsvrijheid Grensbedrag 2,5 mln en 50.000 Geen beleidsvrijheid Kosten van onderzoek en ontwikkeling die voldoen aan de voorwaarden activeren Geen beleidsvrijheid

1 1 2 3

Bijdragen aan activa in eigendom niet activeren

5

4

2.2 Onderscheid economisch/maatschappelijk nut Zoals hierboven benoemd, is het verplicht om onderscheid te maken tussen investeringen met economisch nut en investeringen met maatschappelijk nut. Investeringen met een economisch nut zijn investeringen die bijdragen aan de mogelijkheid om middelen te verwerven, bijvoorbeeld door het vragen van heffingen etc. en/of doordat ze verhandelbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn investeringen in riolering (waar een heffing voor gevraagd kan worden) of gebouwen (die verhandelbaar zijn). Investeringen met een maatschappelijk nut vervullen een publieke taak en genereren geen middelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om investeringen in openbare wegen en pleinen. Het BBV schrijft dit onderscheid voor. 8

Investeringen met economisch nut kunnen ook een maatschappelijk doel dienen. Investeringen met een meerjarig maatschappelijk nut worden geactiveerd als er sprake is van eerste aanleg, integrale vervanging of herinrichtingen met een geheel nieuwe uitstraling.

2.3 Grensbedrag voor activeren De grensbedragen voor activeren zijn verschillend voor de verschillende type investeringen. Investeringen met maatschappelijk nut hebben vaak een hogere waarde dan investeringen met economisch nut. Vergelijk bijvoorbeeld de aanleg van een brug met het aanschaffen van laptops voor de gemeente. Daarom is ook het grensbedrag hoger. De activeringsgrens voor investeringen met maatschappelijk nut hebben we in Den Haag op € 2,5 mln. gesteld (dit is vastgelegd in de opeenvolgende verordeningen financieel beheer en beleid). Hiertoe behoren ook investeringen die logischerwijs met elkaar samenhangen en daarmee als één investering gezien worden. Bij een hoger grensbedrag vallen mogelijk (groepen) bezittingen buiten de balans en kunnen er problemen optreden als vervanging aan de orde is. Voor investeringen met economisch nut ligt de grens lager. Voor Den Haag is deze (in de verordeningen financieel beheer en beleid) vastgesteld op € 50.000, tenzij het gaat om kapitaalgoederen met een economisch nut die betrekking hebben op vastgoed of sportaccommodaties, dan is de grens € 150.000. Uitgaven aan werkplekinrichting en -uitrusting en aan duurzaamheidsinvesteringen worden als gelijksoortig beschouwd en worden dus geactiveerd als de totale aanschafwaarde in een jaar € 50.000 of meer is.

Er wordt dus bij bijvoorbeeld laptops niet per stuk gekeken, maar naar de totale waarde van de aangeschafte laptops in een kalenderjaar. Hier is voor gekozen omdat bij aanschaf van een grote hoeveelheid aan bijvoorbeeld werkplekinrichting in één keer, ook de vervanging in één keer nodig zal zijn en het daarom verstandig is hiervoor te sparen via de kapitaallasten. Bij deze grensbedragen wordt uitgegaan van het begrote bedrag. Als het bedrag in de realisatie onder de grens uitkomt, blijft het toch geactiveerd. Bij een investering die begroot was op minder dan € 2,5 mln. maar waarbij de realisatie hoger is, wordt niet geactiveerd. Hierbij gaat het dus om realisatie na gereedkomen van de investering. Als de investering tijdens de uitvoering boven de € 2,5 mln. lijkt uit te gaan komen, dan is een besluit nodig om aanvullende dekking te regelen. De activeringsgrens van € 2,5 mln. voor maatschappelijk nut is niet van toepassing op uitgaven in de openbare ruimte die aan een grondexploitatie toegerekend worden. Deze lasten worden conform de spelregels voor grondexploitaties direct ten laste van de grondexploitatie gebracht en worden niet geactiveerd.

9

Spelregel 1 Activeringsgrens investeringen a. Investeringen met maatschappelijk nut van minder dan € 2,5 mln. worden niet geactiveerd. b. Kapitaalgoederen met een economisch nut die betrekking hebben op vastgoed1 en sportaccommodaties van minder dan € 150.000 worden niet geactiveerd. c. Overige kapitaalgoederen met een economisch nut van minder dan € 50.000 per stuk worden niet geactiveerd. d. Uitgaven aan werkplekinrichting en – uitrusting en aan duurzaamheidsinvesteringen worden als gelijksoortig beschouwd en worden geactiveerd als de totale aanschafwaarde in een jaar € 50.000 of meer is.

2.4 Bruto en netto activeren In het BBV wordt verschil gemaakt tussen bruto en netto activeren: • •

Bruto activeren: de hele investering komt op de balans, voor het volledige bedrag; Netto activeren: als je geld van anderen krijgt (bijvoorbeeld subsidies of heffingen die direct met de investering te maken hebben) trek je dat bedrag eerst af van de investering. Alleen het resterende deel komt op de balans.

In de programmabegroting en -rekening worden de investeringen bruto en netto gepresenteerd, dus zowel de totale projectkosten (bruto investering) en de onderverdeling tussen bijdragen van derden of bijdragen uit voorzieningen, en het gemeentelijk aandeel (netto investering). Eigen middelen, bijvoorbeeld uit reserves, mogen niet in mindering worden gebracht op de investering omdat anders de werkelijke omvang van het bezit niet zichtbaar wordt. Eigen middelen mogen eventueel wel aan een reserve voor dekking van de kapitaallasten van de investering toegevoegd worden. Spelregel 2 Bruto en netto activeren a. alle vaste activa worden voor het volledige bedrag van de investering geactiveerd. b. bijdragen van derden (incl. heffingen) die in directe relatie staan met het actief moeten op de investering in mindering worden gebracht. c. Eigen middelen mogen niet op het te activeren bedrag in mindering worden gebracht.

2.5 Kosten voor onderzoek en ontwikkeling Het BBV geeft de gemeente de keuze om kosten voor onderzoek en ontwikkeling al dan niet te activeren. Activeren mag alleen als het onderzoek of de ontwikkeling bijdraagt aan de totstandkoming van een vast actief. Als dat zo is, mag gekozen worden voor activeren (onder de immateriële vaste activa). De kosten moeten dan nog wel aan een aantal voorwaarden voldoen. In het BBV (art. 60) wordt het als volgt omschreven: kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief kunnen worden geactiveerd als: a. Het voornemen bestaat om het actief te gebruiken of te verkopen b. De technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat 1

voor verdere spelregels over vastgoed wordt verwezen naar de nota vastgoed Den Haag 2025

10

c. Het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren en d. De uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld. In Den Haag is er voor gekozen om als aan deze voorwaarden voldaan wordt, de kosten voor onderzoek en ontwikkeling te activeren onder immateriële activa (dit zijn ‘niet tastbare’ duurzame bezittingen, zoals licenties). Op die manier wordt geborgd dat bij toekomstige vervanging (via de kapitaallasten) met alle kosten rekening is gehouden. Mocht een project niet doorgaan, dan worden de kosten afgeboekt in de exploitatie. Spelregel 3 Kosten van onderzoek en ontwikkeling Als de kosten van onderzoek en ontwikkeling voldoen aan de voorwaarden die het BBV stelt, dan worden deze geactiveerd onder immateriële vaste activa.

2.6 Voorbereidingskosten Voorbereidingskosten zijn kosten die gemaakt worden voordat overgegaan wordt tot het aanschaffen of vervaardigen van een actief (dat is een bezit van de gemeente, bijvoorbeeld een gebouw, een weg etc.) en direct samenhangen met het aanschaffen of vervaardigen van een actief. Het kan hierbij ook gaan om uren van personeel. Dit zijn dus andere kosten dan kosten voor onderzoek en ontwikkeling. Als deze kosten rechtstreeks aan de vervaardiging van het actief zijn toe te rekenen, moeten ze als onderdeel van de vervaardigingsprijs worden geactiveerd. De nota materiële vaste activa van de commissie BBV geeft als voorbeeld: het opstellen van plannen, zoals een nieuw gemeentelijk rioleringsplan, leidt tot het totstandkomen van een plan, niet direct tot de totstandkoming van een vast actief en de hiermee gemoeide kosten mogen daarom niet worden geactiveerd. Spelregel 4 Voorbereidingskosten Voorbereidingskosten die rechtstreeks aan de vervaardiging van het actief kunnen worden toegerekend, worden geactiveerd als onderdeel van de vervaardigingsprijs.

2.7 Bijdragen aan activa van derden Het kan voorkomen dat derden een investering doen waar de gemeente Den Haag financieel aan bijdraagt. Het BBV geeft de mogelijkheid om dergelijke bijdragen te activeren als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. Er is sprake van een investering door een derde; b. De investering draagt bij aan de publieke taak; c. De derde heeft zich verplicht tot het daadwerkelijk investeren op een wijze zoals is overeengekomen; d. De bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering. In Den Haag worden de financiële bijdragen aan activa in eigendom van derden niet geactiveerd maar komen deze in het jaar waarin de bijdrage gedaan wordt ten laste van het budget van het betreffende programma. Hiervoor is gekozen omdat er bij activa die eigendom van een derde zijn, beperkte zeggenschap is over het beheer en onderhoud van het actief, dit is in lijn met het voorzichtigheidsprincipe (begrotingsregel 3).

11

Spelregel 5 Bijdragen aan activa in eigendom van derden Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden niet geactiveerd maar direct ten laste van de exploitatie gebracht.

12

Hoofdstuk 3 Waarderen Bij het waarderen gaat het om de waardebepaling van activa en de regels die daarvoor gelden. Het gaat er hierbij om een reëel beeld te krijgen van de vermogenspositie van de gemeente. In onderstaand overzicht is te zien welke spelregels over waarderen zijn voorgeschreven en welke keuzevrijheid de gemeente heeft. Onderdeel (hoofdstuk) Waarderen

Voorgeschreven door BBV of gemeentewet Activa waarderen op basis van verkrijgings- of vervaardigingsprijs Duurzame waardevermindering direct verwerken onafhankelijk van resultaat boekjaar

Haagse invulling

Spelregel

Redelijk deel van de indirecte kosten en de rente tijdens vervaardiging wel of niet activeren Duurzame waardevermindering verwerken via tijdelijke voorziening of via directe afboeking van het actief

6 7

3.1 Directe en indirecte kosten Het BBV schrijft voor dat activa moeten worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Verkrijging in het geval dat de gemeente een actief aanschaft, vervaardiging als de gemeente het actief zelf maakt. •

•

De verkrijgingsprijs bestaat uit de inkoopprijs en de bijkomende kosten. Als de verkrijgingsprijs hoger is dan de marktwaarde, wordt het actief toch tegen de verkrijgingsprijs geactiveerd. Als er sprake is van een duurzame waardevermindering (zie de volgende paragraaf), wordt de activa vervolgens afgewaardeerd tot de lagere marktwaarde. De vervaardigingsprijs omvat de aanschafkosten van gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend (directe kosten). Daarnaast biedt het BBV de mogelijkheid om ook een redelijk deel van de indirecte kosten (bv overhead) en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend op te nemen in de vervaardigingsprijs. Binnen Den Haag kan gebruik gemaakt worden van die mogelijkheid. In dat geval moet in de toelichting bij het raadsbesluit van de investering gemeld worden dat deze kosten worden geactiveerd. Ook rechtstreeks toerekenbare onderzoeks-, ontwikkelings- en voorbereidingskosten die nodig zijn voor de totstandkoming van het actief kunnen deel uitmaken van de vervaardigingsprijs, mits het zeker is dat het actief daadwerkelijk wordt gerealiseerd.

Spelregel 6 Toerekening loonkosten en overhead aan investeringen In de vervaardigingsprijs kan een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak die aan de vervaardiging van het actief worden toegerekend worden opgenomen. In dat geval vermeldt de toelichting bij het raadsbesluit van de investering dat deze kosten worden geactiveerd.

3.2 Duurzame waardevermindering en buitengebruikstelling In het BBV (artikel 65) staat dat een blijvende waardedaling van vaste activa altijd in de boeken moet worden verwerkt, ongeacht of er winst of verlies is in dat jaar. Bijvoorbeeld bij vastgoed:

13

•

•

Als een gebouw met een economische functie (zoals verhuur of verkoop) minder waard is geworden, en de marktwaarde lager is dan de boekwaarde dan moet het afgewaardeerd worden. Als het gaat om vastgoed met een maatschappelijke functie en er is een bestuurlijk intentie om het te verkopen of om de bestemming ervan te wijzigen naar vastgoed met een economische functie dan moet afgewaardeerd worden indien er sprake is van een naar verwachting duurzaam lagere marktwaarde tov de boekwaarde. Dit heet een duurzame waardevermindering.

Volgens de regels in de notitie materiële vaste activa is dit verplicht. De waarde van het vastgoed moet dan worden aangepast op basis van de directe opbrengstwaarde. In de notitie materiële vaste activa is hierover een stellige uitspraak opgenomen: voor vastgoed met een economische functie is – in geval van een duurzame (blijvende) waardevermindering – afwaardering verplicht en wordt een toets met behulp van de directe opbrengstwaarde voorgeschreven. Dit betekent de verkoopwaarde van een actief minus de kosten die samenhangen met de verkoop. Voor de wijze waarop de waardevermindering wordt verwerkt, hebben gemeenten de keuze tussen een tijdelijke voorziening waardevermindering of via een directe afboeking van het actief. In Den Haag werken we met directe afboeking van het actief. Dit levert de minste administratieve lasten op en is in lijn met de begrotingsregel dat verliezen direct genomen moeten worden. Naast duurzame waardevermindering kan het ook voorkomen dat een actief (zowel met economisch als met maatschappelijk nut) buiten gebruik wordt gesteld. In dat geval moet het op het moment van buitengebruikstelling worden afgewaardeerd indien de restwaarde lager is dan de op dat moment aanwezige boekwaarde. Spelregel 7 Duurzame waardevermindering en buitengebruikstelling a.

In het geval er sprake is van een duurzame waardevermindering bij vaste activa moet deze onafhankelijk van het resultaat in het boekjaar verwerkt worden. Dit gebeurt met een directe afboeking van het actief. b. Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld, moet op dat moment worden afgewaardeerd als de restwaarde lager is dan de op dat moment aanwezige boekwaarde.

14

Hoofdstuk 4 Afschrijven Investeringen worden naarmate de tijd verstrijkt minder waard. Deze waardevermindering heet afschrijven. Afschrijven is het op een methodische wijze boekhoudkundig verwerken van de waardevermindering van kapitaalgoederen. Voor afschrijven gelden een aantal spelregels. In onderstaand overzicht is zichtbaar of deze zijn voorgeschreven in het BBV of door de gemeente zelf zijn in te vullen. Onderdeel (hoofdstuk) Afschrijven

Voorgeschreven door BBV of gemeentewet Afschrijven onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar Afschrijven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur Vastleggen wanneer gestart wordt met afschrijven (vier opties) Wel of geen rekening houden met restwaarde Gronden en terreinen: niet afschrijven tenzij Componentenbenadering wel/niet gebruiken

Haagse invulling

Spelregel

Afschrijven volgens lineaire methode Precieze afschrijvingstermijnen per categorie activa

8

Start afschrijven miv begrotingsjaar volgend op gereedkomen/verwerven kapitaalgoed Geen rekening houden met restwaarde Niet afschrijven op gronden en terreinen, grondaankopen voor investeringen met maatsch nut tot kosten investering rekenen Componentenbenadering toepassen

10

9

11 12

13

4.1 Afschrijvingsmethode Er zijn meerdere afschrijvingsmethoden (bijvoorbeeld annuïtair, lineair, degressief en progressief). Het BBV schrijft geen methode voor. De meest voorkomende afschrijvingsmethoden bij gemeenten zijn lineair en annuïtair. De gemeente Den Haag werkt met de lineaire afschrijvingsmethode. Dit houdt in dat we de aanschafwaarde gedurende de levensduur gelijkmatig afschrijven. Dit zorgt voor een gelijkmatige en voorspelbare afschrijving over de levensduur van het actief. Deze methode heeft als voordeel dat het eenvoudig, transparant en consistent is. Spelregel 8 Afschrijvingsmethode Op activa wordt vanwege de eenvoud en transparantie afgeschreven op basis van de lineaire methode.

4.2 Afschrijvingstermijn Om de levensduur van een actief te bepalen wordt onderscheid gemaakt tussen economische en technische levensduur: •

•

De technische levensduur van een actief is de maximale periode waarover dat actief een bijdrage aan de productie kan leveren. Dit betekent dat het actief fysiek in staat is om te functioneren en de beoogde taak uit te voeren. Hierbij wordt rekening gehouden met slijtage, veroudering en de fysieke staat van het actief. De economische levensduur is de maximale periode waarover het economisch verantwoord is van een actief gebruik te maken. Gedurende deze periode is het economisch verantwoord om het actief te gebruiken. De economische levensduur houdt 15

rekening met factoren zoals afschrijvings- en onderhoudskosten, technologische veroudering en veranderende marktcondities. De economische levensduur is meestal korter dan de technische levensduur. Het BBV staat zowel technische als economische levensduur toe. In Den Haag gaan we uit van de economische levensduur omdat dit de periode is waarin het economisch verantwoord is om een actief te gebruiken. De technische levensduur kan langer zijn, maar door bijvoorbeeld duur onderhoud is het actief dan vaak niet meer doelmatig te gebruiken. Dit betekent overigens niet dat een actief na de economische levensduur automatisch direct vervangen wordt. Op het onderscheid tussen onderhoud en investeringen wordt in hoofdstuk 6 dieper ingegaan. In bijlage 1 zijn de investeringen binnen de gemeente Den Haag met de daarbij behorende afschrijvingstermijnen opgenomen. Voor activa die niet expliciet benoemd zijn en waarover in de praktijk twijfel kan ontstaan, wordt de termijn gerelateerd aan vergelijkbare investeringen die wel in de tabel staan. De gemeenteraad kan besluiten om af te wijken van de standaard afschrijvingstermijnen. In het raadsbesluit hiervoor moet een toelichting worden opgenomen die ingaat op: de overwegingen, de omvang van de boekwaarde, de omvang van de afschrijving en de gevolgen voor de financiële positie en de programmabegroting van volgende jaren.

Spelregel 9 Afschrijvingstermijn Investeringen worden afgeschreven volgens de termijnen zoals opgenomen in de afschrijvingstabel die in bijlage 1 bij deze nota is opgenomen Afschrijvingstermijnen van investeringen die niet voorkomen in de tabel worden gerelateerd aan vergelijkbare investeringen en bij de autorisatie van de betreffende investeringskredieten vastgesteld. Afwijken van de standaard afschrijvingstermijnen is een bevoegdheid van de raad.

4.3 Aanvang afschrijving De commissie BBV doet de aanbeveling om vast te leggen wanneer wordt begonnen met het afschrijven van een nieuw kapitaalgoed. Hierbij zijn de volgende keuzes mogelijk: a. Aanvangen in het jaar waarin het kapitaalgoed gereedkomt of wordt verworven; b. Aanvangen medio het begrotingsjaar waarin het kapitaalgoed gereedkomt of wordt verworven; c. Aanvangen met ingang van het begrotingsjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereedkomt of wordt verworven; d. Vanaf het moment dat het door de gemeente in gebruik kan worden genomen. We hebben er in Den Haag voor gekozen om met afschrijven te starten in het jaar nadat het het kapitaalgoed gereedkomt of wordt verworven. Deze methode heeft de voorkeur vanwege eenvoud en eenduidigheid. Spelregel 10 Start afschrijving De afschrijving start met ingang van het begrotingsjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereedkomt of wordt verworven.

16

4.4 Restwaarde De restwaarde is de waarde van het actief aan het einde van de gebruiksduur. Het betreft de verwachte opbrengst die dan nog kan worden gerealiseerd, verminderd met eventueel te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het actief. Een gemeente kan ervoor kiezen om bij het bepalen van het afschrijvingsbedrag rekening te houden met een restwaarde. Op grond van het voorzichtigheidsbeginsel wordt in Den Haag geen rekening gehouden met een restwaarde. Dit uitgangspunt wordt gehanteerd vanwege de grote mate van onzekerheid over de ontwikkelingen rond de toekomstige gebruiksduur en het bepalen van de (mogelijke) restwaarde. In het kader van duurzaam bouwen en circulair vastgoed, gaat de komende periode worden onderzocht of in de toekomst rekening gehouden kan worden met een eventuele restwaarde aan het einde van de levenscyclus. Het BBV biedt die mogelijkheid en verschillende gemeentes maken er al gebruik van. Het college zal in de loop van 2026 met een voorstel hiervoor komen. Spelregel 11 Restwaarde Bij afschrijving wordt geen rekening gehouden met een restwaarde.

4.5 Gronden en terreinen Gronden en terreinen zijn de uitzondering op de spelregels over afschrijvingen. Op grond kan niet worden afgeschreven omdat het geen slijtend actief is. Het heeft een eeuwigdurende gebruiksduur. Grond die in erfpacht is uitgegeven wordt in dit kader niet anders behandeld2. Spelregel 12 Gronden en terreinen Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd maar er wordt niet op afgeschreven. Kosten van grondaankopen voor investeringen met maatschappelijke nut (wegen, riolering etc.) worden tot de kosten van de specifieke investering gerekend.

4.6 Componentenbenadering De componentenbenadering houdt in dat de verschillende onderdelen van een actief afzonderlijk worden geactiveerd en dat op deze onderdelen wordt afgeschreven op basis van de voor dat onderdeel geldende gebruiksduur. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om gebouwen met daarin technische installaties. Deze methode is niet verplicht maar passen we in Den Haag wel toe als een actief bestaat uit een combinatie van onderdelen met verschillende afschrijvingstermijnen. Zo krijgen we een beeld van de waarde van de verschillende onderdelen en kunnen onderdelen tijdig vervangen worden. Als de componentenbenadering niet toegepast zou worden, zou dit bijvoorbeeld betekenen dat bij het vervangen van een lift in een gebouw sprake is van onderhoud aan het gebouw en niet van een investering in een lift. Spelregel 13 Componentenbenadering Bij materiële vaste activa die bestaan uit een combinatie van onderdelen met verschillende afschrijvingstermijnen passen we de componentenbenadering toe.

In het verleden zijn hier uitzonderingen op gemaakt. Daarom staan op de balans een aantal gronden en terreinen waar wel op wordt afgeschreven. 2

17

Hoofdstuk 5 Exploitatielasten Investeringen leiden tot kapitaallasten: rente en afschrijving. Onderdeel (hoofdstuk) Exploitatielasten

Voorgeschreven door BBV of gemeentewet Gemeentewet 189 begroting in evenwicht, BBV notitie Materiële vaste activa BBV notitie rente

Haagse invulling

Spelregel

Structurele dekking kapitaallasten. Uitzonderingen hierop aan Raad voorleggen Geen beleidsvrijheid

14

Gemeentewet 189 begroting in evenwicht

Overige lasten agv investeringen voorzien van dekking

16

15

Naast de exploitatielasten in bovenstaand overzicht gaat het ook om lasten voor onderhoud. Die komen apart aan bod in hoofdstuk 6.

5.1 Kapitaallasten Op activa wordt afgeschreven (zie ook hoofdstuk 4). Door kapitaallasten structureel te dekken, is er dekking beschikbaar als het actief aan het eind van de levensduur vervangen moet worden. Kapitaallasten bestaan uit afschrijvingslasten en rentelasten. Na het gereedkomen van een investering, start de afschrijving met ingang van het volgende begrotingsjaar. De kapitaallasten vallen onder de exploitatielasten. Het BBV biedt de mogelijkheid om middelen in een bestemmingsreserve kapitaallasten te storten voor de dekking van de incidentele kapitaallasten. In Den Haag geven we hier invulling aan met de reserve activafinanciering. Voorwaarde die het BBV stelt bij zo’n reserve is dat deze van voldoende omvang moet zijn om de kapitaallasten gedurende de gehele vastgestelde afschrijvingsperiode aan de reserve te kunnen onttrekken. Vanwege het voorzichtigheidsprincipe moeten investeringen in beginsel voorzien zijn van structurele dekking voor kapitaallasten. Indien gekozen wordt voor incidentele dekking van kapitaallasten, moet dit expliciet aan de raad worden voorgelegd en moet het in beginsel gaan om investeringen die niet op termijn vervangen hoeven te worden. Incidentele kapitaallasten kunnen gedekt worden via de reserve activafinanciering.

Deze reserve wordt dan gebruikt voor de jaarlijkse dekking van de kapitaallasten conform de afschrijvingstermijn van het actief. Spelregel 14 Dekking kapitaallasten Investeringen moeten (als ze niet éénmalig zijn) voorzien zijn van structurele dekking voor kapitaallasten. Uitzonderingen hierop moet het college expliciet aan de raad voorleggen.

5.2 Rente Kapitaallasten bestaan zoals eerder gemeld uit afschrijvingslasten en rentelasten. Voor de toerekening van de rentelasten aan investeringen wordt de omslagrente gehanteerd conform het BBV. Dit houdt in dat de rentekosten aan de desbetreffende investeringen moeten worden toegerekend met behulp van een (rente)omslag. Met het hanteren van een omslagrente in plaats van de huidige marktrente is een investeringsbeslissing minder gevoelig voor de marktrente van het moment van investeren.

18

In de BBV-notitie Rente 2023 is toegelicht hoe de omslagrente wordt berekend en aan individuele activa moet worden toegerekend. Voor het toerekenen van rente geldt verder dat indien een investering in één jaar plaatsvindt, er geen voorfinancieringsrente in rekening wordt gebracht en dat indien een investering over meerdere jaren verloopt, dit gezien wordt als een actief in uitvoering en er vanaf het tweede jaar tot en met het jaar van oplevering voorfinancieringsrente (met hetzelfde percentage als dat van de omslagrente) in rekening wordt gebracht. Spelregel 15 Rente Voor de toerekening van rentelasten aan investeringen wordt de omslagrente gehanteerd die wordt berekend conform de voorschriften uit de notitie rente van de commissie BBV.

5.3 Overige exploitatielasten als gevolg van investeringen Als de investering gereed is en in gebruik genomen wordt, is na verloop van tijd onderhoud nodig. Daarnaast zijn er bij veel investeringen ook beheerlasten (op het onderscheid tussen investeringen en onderhoud wordt in hoofdstuk 6 verder ingegaan). Met de investering kunnen nog andere exploitatielasten gemoeid zijn, bijvoorbeeld verzekeringspremies. Ook deze lasten moeten op voorhand gedekt zijn. Een andere vorm van mogelijke bijkomende kosten, zijn kosten voor nadeelcompensatie voor ondernemers. Ook voor deze kosten is het van belang dat ze aan de voorkant zo goed mogelijk worden ingeschat en dekking wordt georganiseerd. Spelregel 16 Exploitatielasten als gevolg van investeringen Investeringen zijn in beginsel voorzien van dekking in de exploitatie voor de (structurele) lasten die samenhangen met de investering zoals (niet uitputtend); beheer en onderhoud, verzekeringen, energielasten.

19

Hoofdstuk 6 Onderhoud Onderhoudskosten worden gemaakt om het object tijdens de gebruiksduur op een bepaald kwaliteitsniveau te houden of weer te krijgen. Onderhoud kan worden onderscheiden in groot onderhoud en klein onderhoud. Onderhoudskosten kunnen niet geactiveerd worden. Onderdeel (hoofdstuk) Onderhoud

Voorgeschreven door BBV of gemeentewet Onderscheid onderhoud en investeringen

Haagse invulling

Spelregel

Lasten voor onderhoud in exploitatie

17

6.1 Klein onderhoud Bij klein onderhoud gaat het om dagelijkse reparaties die noodzakelijk zijn om het object in goede, werkende en veilige staat te houden tegen een van tevoren vastgesteld kwaliteitsniveau. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen die noodzakelijk zijn om het object blijvend naar behoren te laten functioneren of haar representativiteit te laten behouden. Klein onderhoud is het onderhoud dat vanaf het eerste of het lopende jaar op een klein gedeelte van het object wordt uitgevoerd. De lasten van klein onderhoud moeten in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie worden gebracht. Bij klein onderhoud kan bijvoorbeeld worden gedacht aan: repareren, opvullen van een gat in een asfaltweg, herstellen van een verzakking in een klinkerweg, jaarlijkse onderhoudsbeurten van technische installaties, of verwijderen van graffiti.

6.2 Groot onderhoud Bij groot onderhoud gaat het om bijvoorbeeld: vervangen van pompen van een rioolstelsel, periodiek baggeren van watergangen. Lasten van groot onderhoud ontstaan na een langere periode van gebruik van een object als gevolg van slijtage. In de regel gaat het om gepland onderhoud van ingrijpende aard als gevolg van slijtage, dat op een substantieel deel van het object wordt uitgevoerd en na een langere periode van gebruik moet worden verricht. Lasten van groot onderhoud kunnen volgens het BBV op twee manieren worden verwerkt: -

In het jaar van uitvoering direct ten laste van de exploitatie brengen In het jaar van uitvoering ten laste van een vooraf gevormde voorziening brengen

In Den Haag brengen we kosten voor groot onderhoud ten laste van de exploitatie. Hierbij geldt dat resultaten op onderhoud vastgoed en resultaten op onderhoud sportaccommodaties worden verrekend met respectievelijk de reserve onderhoud vastgoed en de reserve onderhoud sportaccommodaties. Voor groot onderhoud hebben we exploitatiebudgetten die bestemd zijn voor het geheel van een groep activa. Zo is er bijvoorbeeld een totaalbudget voor het onderhoud van alle sportaccommodaties en geen apart budget per accommodatie.

20

6.3 Onderhoud en investeren Om te bepalen of bepaalde kosten wel of niet geactiveerd moeten worden maakt de commissie BBV onderscheid tussen groot onderhoud en investeringen. Klein en groot onderhoud houdt of brengt een object in goede, oorspronkelijke staat en is dus niet van invloed op de vooraf bepaalde economische gebruiksduur (afschrijvingstermijn) van het object. Kosten van onderhoud mogen daarom niet worden geactiveerd. Bij een bestaand actief is sprake van een investering als de gemaakte kosten: -

Leiden tot een levensduurverlenging of; Leiden tot een significante kwaliteitsverbetering of Aanpassingen betreffen om te voldoen aan wet- en regelgeving

Bij aanpassingen om te voldoen aan wet- en regelgeving noemt de BBV-notitie materiële vaste activa als voorbeeld: investeringen in een gebouw om te voldoen aan veiligheidsvoorschriften die invloed hebben op de waarde en de levensduur. In bijlage 2 zijn de regels over het onderscheid tussen investeringen en onderhoud in een schema uitgewerkt. Zo kan op systematische wijze bepaald worden of het gaat om een investering of om onderhoud.

Spelregel 17 Groot onderhoud versus investeringen a. Voor het onderscheid tussen groot onderhoud en investeringen wordt gebruik gemaakt van het schema ‘investeren of onderhoud’ in bijlage 2 waarin de regels over onderhoud en investeren systematisch zijn uitgewerkt. b. In Den Haag worden de lasten voor (klein en groot) onderhoud in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie gebracht. c. Voor kosten van beheer en onderhoud moet aan de voorkant dekking geregeld zijn.

21

Hoofdstuk 7 Bestuurlijke besluitvorming over investeringen Bij het proces rond investeren zijn verschillende organen betrokken met verschillende bevoegdheden. Het gaat om bevoegdheden voor vaststellen, wijzigen, uitvoeren en eventueel doorschuiven van investeringen. Onderdeel (hoofdstuk) Bestuurlijk

Voorgeschreven door BBV of gemeentewet Raad autoriseert investeringsbudgetten

Haagse invulling

Spelregel

Raad autoriseert in principe via MIP

18

Raad besluit tot in uitvoering nemen van de investering Vrijval kapitaallasten aan budgettair kader toevoegen

19 20

7.1 Autoriseren en wijzigen De raad besluit over nieuwe investeringen. Dit gebeurt in principe via het meerjarig investeringsplan bij de begroting. De gemeenteraad stelt het meerjarig investeringsplan (MIP) en wijzigingen daarop vast als onderdeel van de programmabegroting en stelt daarmee de investeringsbudgetten beschikbaar aan het college. In het MIP staan alle geplande, nog niet of niet volledig gerealiseerde investeringen (zowel nieuw als vervanging). Het MIP heeft een planningshorizon van acht jaar. Voor het starten met uitvoeren van de investering is bij investeringen boven de € 2,5 mln. nog een separaat raadsvoorstel nodig. Zie hiervoor ook de volgende paragraaf: Uitvoeren. Voor investeringen waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de programmabegroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een voorstel aan de gemeenteraad voor met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet. Wijzigen van de omvang en/of het doel van een investering is niet mogelijk zonder een nieuw besluit van de raad. Hierbij gelden de volgende spelregels die in de financiële verordening waren opgenomen: •

• •

Een overschrijding van een investeringsbudget in een jaar is toegestaan, als het totale investeringsbudget (over de jaren heen) voor het desbetreffende project niet wordt overschreden; Het college besluit over verrekeningen van over- en onderschrijdingen op investeringsbudgetten binnen een programma; De gemeenteraad besluit over verrekeningen van over- en onderschrijdingen op investeringsbudgetten tussen programma’s.

Het college rapporteert over afwijkingen ten opzichte van de programmabegroting in de voorjaarsnota, de najaarsnota en de programmarekening.

22

Spelregel 18 Autoriseren/wijzigen van investeringsbudgetten a. De raad keurt investeringsbudgetten goed, in principe via het meerjarig investeringsplan bij de programmabegroting maar als dat niet gebeurd is via een separaat raadsvoorstel. b. Verschuivingen over de jaren heen zijn toegestaan, zolang het totale investeringsbudget niet wordt overschreden. c. Verrekeningen van over- en onderschrijdingen binnen een programma zijn een bevoegdheid van het college, tussen programma's een bevoegdheid van de raad.

7.2 Uitvoeren Als de Raad budget heeft toegekend voor een investering, kan het college starten met de uitvoering als de investering kleiner is dan € 2,5 mln. Bij investeringen gelijk aan of groter dan € 2,5 mln. of investeringen die bestuurlijk relevant zijn, besluit de gemeenteraad tot het in uitvoering nemen van het investeringsproject. Het gaat hierbij om de totale (bruto) investering, dus het gemeentelijk aandeel plus bijdragen van derden. Spelregel 19 uitvoeren van investeringen Bij investeringen die gelijk zijn aan of groter dan € 2,5 mln. zijn of die bestuurlijk relevant zijn, besluit de gemeenteraad tot het in uitvoering nemen van het project.

7.3 Vrijval kapitaallasten Jaarlijks (bij de Voorjaarsnota) wordt bezien of er ruimte is in de raming van de kapitaallasten. Vrijval op kapitaallasten (rente en afschrijving) kan ontstaan: • Als investeringen volledig zijn afgeschreven (en niet opnieuw gedaan hoeven te worden). Dit is structurele vrijval; • Door vertraging in de uitvoering (incidentele vrijval) en; • Bij een goedkopere uitvoering van een investering (structurele vrijval). Als er vrijval van kapitaallasten is, wordt deze toegevoegd aan het budgettair kader voor de begroting van het volgende jaar. Spelregel 20 Vrijval kapitaallasten Jaarlijks wordt bij de Voorjaarsnota de eventuele vrijval kapitaallasten bepaald en verwerkt in het budgettair kader voor de begroting van het volgende jaar.

23

Hoofdstuk 8 Speciale categorieën 8.1 Meerjaren programma kunstwerken (MJPK) Kunstwerken zoals bruggen, viaducten en kademuren zijn belangrijke elementen in de infrastructuur van de stad. Bij het beheer van deze kunstwerken staat naast het waarborgen van de veiligheid voor de gebruiker ook de bereikbaarheid van de stad centraal. Daarnaast wordt met goed onderhouden kunstwerken ook een bijdrage geleverd aan de kwaliteitsbeleving van de openbare ruimte. Hoofddoel is: het verbeteren van het risicoprofiel van het gemeentelijke areaal aan kunstwerken. In het meerjarenprogramma kunstwerken wordt de behoefteraming gepresenteerd voor civiele kunstwerken in de gemeente. Zo wordt bijgedragen aan voorspelbaarheid en transparantie. Eenmaal besloten over de hoogte van het totale investeringsbedrag, wordt het MJPK als één investeringsbudget opgenomen in het MIP zodat tegenvallers in projecten opgevangen kunnen worden door meevallers bij andere MJPK projecten. Vrijval kapitaallasten MJPK blijft binnen MJPK beschikbaar en kan alleen ingezet worden voor andere projecten binnen het MJPK.

8.2 Integraal huisvestingsplan (IHP) Bij de beleidsterreinen bibliotheken, cultuur, onderwijs, sport, spelen en welzijn wordt gewerkt met integrale huisvestingsplannen (IHP's) of wordt gewerkt aan het opstellen daarvan. In een IHP wordt de investeringsbehoefte in huisvesting van het betreffende beleidsveld in beeld gebracht. Daarbij wordt een indicatieve investeringsopgave (voor de komende 10 jaar) gegeven. De IHP's worden vervolgens vertaald naar uitvoeringsbesluiten met projecten/investeringen die uitgevoerd gaan worden. IHP budgetten worden per beleidsterrein opgenomen in het MIP en kunnen vervolgens met specifieke projecten ingevuld worden. Bij het IHP onderwijs werkt het als volgt: schoolbesturen krijgen via jaarlijkse programma’s onderwijshuisvesting bekostiging vanuit de gemeente voor nieuwbouw of renovatie van schoolgebouwen. In het Integraal Huisvestingsplan (IHP) Onderwijs Den Haag 2024 – 2034 (RIS317535 ) wordt 10 jaar vooruitgeblikt op de te verwachten investeringen in nieuwbouw of renovatie. Door de investeringen in onderwijshuisvesting per onderwijssoort (speciaal onderwijs, basisonderwijs en voortgezet onderwijs) op totaalniveau in het MIP op te nemen, ontstaat de mogelijkheid om financiële tegenvallers binnen projecten te compenseren met meevallers bij andere projecten binnen dezelfde onderwijssoort.

24

Hoofdstuk 9 slotbepalingen Inwerkingtreding Deze nota treedt in werking per 1 januari 2026. De financiële verordening wordt aangepast met ingang van diezelfde datum.

25

Bijlage 1 Afschrijvingstermijnen Voor investeringen worden de volgende standaard afschrijvingstermijnen gehanteerd: Economisch nut Categorie Permanente nieuwbouw gebouwen Circulaire nieuwbouw Rioleringen Sportterreinen Renovatie en uitbreiding van gebouwen Restauratie monumenten Aankoop gebouwen Glasvezelkabels Parkeerterreinen Betonnen bakken voor ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s) Verduurzamingsmaatregelen tbv gemeentelijk vastgoed Technische installaties in gebouwen, zoals elektrische voorzieningen, verwarming, liften en machines (Brandveiligheids-)voorzieningen aan gebouwen Kunstopdrachten Telefooninstallaties Nieuw kantoormeubilair en kantoorinrichting Aanleg van semipermanente of tijdelijke terreinwerken Nieuwbouw van semipermanente, tijdelijke of verplaatsbare gebouwen Levensduur verlengende verbeteringen aan gebouwen Stalen bakken voor ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s) Sportaccommodaties Zware transportmiddelen Aanhangwagens en schuiten Personenauto’s Motoren Automatiseringssystemen inclusief omvangrijke applicaties Werkplekuitrusting Software Overige kapitaalgoederen Uitbreidingsinvesteringen die betrekking hebben op bestaande kapitaalgoederen met economisch nut (tenzij resterende gebruiksduur van het actief korter is) Maatschappelijk nut Categorie Civiele kunstwerken zoals bruggen, viaducten en tunnels Eerste aanleg van wegen, fietspaden, voetpaden,

rotondes en railinfrastructuur Technische installaties, waaronder verkeersregelinstallaties en openbare verlichting Herinrichting van de openbare ruimte

Termijn (jaren) 40 25

20 15 10

5

25

30 20 15 10

Aanvullend op deze tabel gelden nog de volgende punten: • •

•

Kapitaalgoederen die een aantoonbare kortere levensduur hebben, kunnen in een overeenkomstig kortere termijn worden afgeschreven. Voor investeringen in kapitaalgoederen die reeds voor inwerkintreding van de verordening financieel beheer en beleid 2025 geactiveerd waren, worden de afschrijvingstermijnen gehanteerd zoals die op moment van activeren golden. Indien een actief bestaat uit een combinatie van onderdelen, wordt geactiveerd volgens de componentenbenadering.

26

Bijlage 2 Schema investeren of onderhoud

27

Bijlage 3 Overzicht spelregels Spelregel 1 Activeringsgrens investeringen a. Investeringen met maatschappelijk nut van minder dan € 2,5 mln. worden niet geactiveerd. b. Kapitaalgoederen met een economisch nut die betrekking hebben op vastgoed3 en sportaccommodaties van minder dan € 150.000 worden niet geactiveerd. c. Overige kapitaalgoederen met een economisch nut van minder dan € 50.000 per stuk worden niet geactiveerd. d. Uitgaven aan werkplekinrichting en – uitrusting en aan duurzaamheidsinvesteringen worden als gelijksoortig beschouwd en worden geactiveerd als de totale aanschafwaarde in een jaar € 50.000 of meer is. Spelregel 2 Bruto en netto activeren a. alle vaste activa worden voor het volledige bedrag van de investering geactiveerd. b. bijdragen van derden (incl. heffingen) die in directe relatie staan met het actief moeten op de investering in mindering worden gebracht. c. Eigen middelen mogen niet op het te activeren bedrag in mindering worden gebracht. Spelregel 3 Kosten van onderzoek en ontwikkeling Als de kosten van onderzoek en ontwikkeling voldoen aan de voorwaarden die het BBV stelt, dan worden deze geactiveerd onder immateriële vaste activa. Spelregel 4 Voorbereidingskosten Voorbereidingskosten die rechtstreeks aan de vervaardiging van het actief kunnen worden toegerekend, worden geactiveerd als onderdeel van de vervaardigingsprijs.

Spelregel 5 Bijdragen aan activa in eigendom van derden Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden niet geactiveerd maar direct ten laste van de exploitatie gebracht. Spelregel 6 Toerekening loonkosten en overhead aan investeringen In de vervaardigingsprijs kan een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak die aan de vervaardiging van het actief worden toegerekend worden opgenomen. In dat geval vermeldt de toelichting bij het raadsbesluit van de investering dat deze kosten worden geactiveerd. Spelregel 7 Duurzame waardevermindering en buitengebruikstelling

3

voor verdere spelregels over vastgoed wordt verwezen naar de nota vastgoed Den Haag 2025

28

a. In het geval er sprake is van een duurzame waardevermindering bij vaste activa moet deze onafhankelijk van het resultaat in het boekjaar verwerkt worden. Dit gebeurt met een directe afboeking van het actief. b. Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld, moet op dat moment worden afgewaardeerd als de restwaarde lager is dan de op dat moment aanwezige boekwaarde. Spelregel 8 Afschrijvingsmethode Op activa wordt vanwege de eenvoud en transparantie afgeschreven op basis van de lineaire methode.

Spelregel 9 Afschrijvingstermijn Investeringen worden afgeschreven volgens de termijnen zoals opgenomen in de afschrijvingstabel die in bijlage 1 bij deze nota is opgenomen Afschrijvingstermijnen van investeringen die niet voorkomen in de tabel worden gerelateerd aan vergelijkbare investeringen en bij de autorisatie van de betreffende investeringskredieten vastgesteld. Afwijken van de standaard afschrijvingstermijnen is een bevoegdheid van de raad.

Spelregel 10 Start afschrijving De afschrijving start met ingang van het begrotingsjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereedkomt of wordt verworven.

Spelregel 11 Restwaarde Bij afschrijving wordt geen rekening gehouden met een restwaarde. Spelregel 12 Gronden en terreinen Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd maar er wordt niet op afgeschreven. Kosten van grondaankopen voor investeringen met maatschappelijke nut (wegen, riolering etc.) worden tot de kosten van de specifieke investering gerekend.

Spelregel 13 Componentenbenadering Bij materiële vaste activa die bestaan uit een combinatie van onderdelen met verschillende afschrijvingstermijnen passen we de componentenbenadering toe. Spelregel 14 Dekking kapitaallasten Investeringen moeten (als ze niet éénmalig zijn) voorzien zijn van structurele dekking voor kapitaallasten. Uitzonderingen hierop moet het college expliciet aan de raad voorleggen. 29

Spelregel 15 Rente Voor de toerekening van rentelasten aan investeringen wordt de omslagrente gehanteerd die wordt berekend conform de voorschriften uit de notitie rente van de commissie BBV.

Spelregel 16 Exploitatielasten als gevolg van investeringen Investeringen zijn in beginsel voorzien van dekking in de exploitatie voor de (structurele) lasten die samenhangen met de investering zoals (niet uitputtend); beheer en onderhoud, verzekeringen, energielasten.

Spelregel 17 Groot onderhoud versus investeringen a. Voor het onderscheid tussen groot onderhoud en investeringen wordt gebruik gemaakt van het schema ‘investeren of onderhoud’ in bijlage 2 waarin de regels over onderhoud en investeren systematisch zijn uitgewerkt. b. In Den Haag worden de lasten voor (klein en groot) onderhoud in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie gebracht. c. Voor kosten van beheer en onderhoud moet aan de voorkant dekking geregeld zijn.

Spelregel 18 Autoriseren/wijzigen van investeringsbudgetten a. De raad keurt investeringsbudgetten goed, in principe via het meerjarig investeringsplan bij de programmabegroting maar als dat niet gebeurd is via een separaat raadsvoorstel. b. Verschuivingen over de jaren heen zijn toegestaan, zolang het totale investeringsbudget niet wordt overschreden. c. Verrekeningen van over- en onderschrijdingen binnen een programma zijn een bevoegdheid van het college, tussen programma's een bevoegdheid van de raad. Spelregel 19 uitvoeren van investeringen Bij investeringen die gelijk zijn aan of groter dan € 2,5 mln. zijn of die bestuurlijk relevant zijn, besluit de gemeenteraad tot het in uitvoering nemen van het project. Spelregel 20 Vrijval kapitaallasten Jaarlijks wordt bij de Voorjaarsnota de eventuele vrijval kapitaallasten bepaald en verwerkt in het budgettair kader voor de begroting van het volgende jaar.

30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16335135/1