RIS323745 Bijlage Rapport -Positieve sportcultuur en lhbtiq+-acceptatie op Haagse sportverenigingen Geredigeerd
Tekst van het document
Mulier Instituut | 2024
In opdracht van de gemeente Den Haag Mulier Instituut
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met het Mulier Instituut. © Mulier Instituut Utrecht, Juni 2024 www.mulierinstituut.nl info@mulierinstituut.nl Disclaimer U mag delen uit deze publicatie overnemen op voorwaarde van bronvermelding: auteur(s), de titel van de publicatie en het jaar van uitgave. Er gelden gebruiksvoorwaarden voor de foto's in deze publicatie. Neem foto's daarom niet over zonder toestemming van het Mulier Instituut.
Het Mulier Instituut doet sportonderzoek voor
Ons doel is bijdragen aan goed onderbouwd beleid,
beleid en samenleving. Voor overheden,
gericht op de bevordering van sport, sportief
maatschappelijke organisaties,
bewegen en versterking van de sportsector. Dit doen
onderwijsinstellingen, sportorganisaties en
we op verschillende manieren:
bedrijven onderzoeken we allerlei thema’s op het gebied van sport en sportief bewegen: van de
We verzamelen data en monitoren de Nederlandse
sportdeelname van (groepen) Nederlanders tot de
sportsector en beleidsprogramma’s.
motorische vaardigheden van kinderen, en van diversiteit en inclusie in de sport tot de economische impact van sportevenementen.
We ontwikkelen kennis en onderzoeksmethoden via verkennende en verdiepende studies. We duiden onderzoeksuitkomsten en vertalen deze
Het Mulier Instituut is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk.
naar de beleidspraktijk. We onderbouwen beleidsbeslissingen met expertise en advies. We bieden gevraagd en ongevraagd duiding en reflectie in de rol van ‘kritische vriend’ van de sportsector. We zetten ons in voor de bevordering van de sportwetenschap.
Lhbtiq+
Lesbisch, homoseksueel, biseksueel, transgender, intersekse, queer en alle andere vormen van seksuele oriëntatie en genderidentiteit anders dan niet heteroseksueel of cisgender.
Tiq+
Genderdiverse personen (anders dan cisgender) zoals transgender-, intersekse-, non-binaire en queer personen
VCP
Vertrouwenscontactpersoon
VOG
Verklaring Omtrent Gedrag
.
Samenvatting
De gemeenteraad in Den Haag heeft een motie aangenomen om een onderzoek te doen naar de mate van lhbtiq+-acceptatie en de aanpak hiervan onder sportverenigingen in Den Haag. Daarnaast bestaat er ook een kennisvraag over de mate waarin sportverenigingen in Den Haag bezig zijn met het (realiseren van) een positieve sportcultuur. Het Mulier Instituut heeft in samenwerking met de gemeente Den Haag een vragenlijst uitgezet onder 303 sportverenigingen in Den Haag, waarvan er 156 deze vragenlijst hebben ingevuld.
Bij veel verenigingen in Den Haag staat het thema positieve sportcultuur op de beleidsagenda. Dit is sterker het geval bij verenigingen met jeugdleden. Tegelijkertijd zien we dat zaken als het tegengaan van grensoverschrijdend gedrag en discriminatie, relatief minder aandacht krijgen. De helft van de verenigingen met jeugdleden voldoet niet aan de drie basiseisen voor een veilige sportvereniging. Wel voldoen in Den Haag iets meer verenigingen aan de basiseisen dan landelijk. De algemene lhbtiq+-acceptatie bij de verenigingen lijkt groot te zijn. Tegelijkertijd worden bij een deel van de verenigingen wel eens grappen of negatieve opmerkingen over lhbtiq+-personen gemaakt. De sensitiviteit rondom de doelgroep lhbtiq+-personen lijkt zich vooral bij verenigingen met lhbtiq+-leden te concentreren. Zij signaleren vaker dat er grappen of negatieve opmerkingen worden gemaakt. Ook hebben ze vaker ervaring met zaken rondom genderdiversiteit . Verenigingsbestuurders beoordelen de mate van inclusie en de sociale veiligheid op hun vereniging als zeer goed. Ze vinden het belangrijk dat niemand bij hun vereniging wordt buitengesloten, maar juist dat is volgens hen vaak inherent aan hun vereniging. Zij hebben juist niet altijd zicht op personen die deze cultuur mogelijk als minder toegankelijk ervaren.
Mede hierom is het een uitdaging om thema’s als positieve sportcultuur, lhbtiq+-inclusie en het tegengaan van discriminatie duurzamer op de agenda van clubs te laten landen. Ook speelt mee dat een deel van de sportverenigingen al veel uitdaging ervaart bij het organiseren van de basis van hun vereniging, namelijk het organiseren van sport. Dat wil niet zeggen dat het belang van het agenderen van een positieve sportcultuur, inclusie en antidiscriminatie daarmee minder urgent is. Maar een deel van de clubs heeft hier meer begeleiding bij nodig. Het lijkt daarbij verstandig om het thema te koppelen aan andere praktische vraagstukken van de vereniging.
Hoofdstuk 1
De gemeenteraad Den Haag heeft geconstateerd dat uit onderzoek blijkt dat lhbtiq+-personen zich niet altijd welkom en veilig voelen binnen de verenigingssport. De angst voor- en ervaring met discriminatie weerhoud een deel van de lhbtiq+-personen zelfs van het beoefenen van (bepaalde takken van) sport (bij een vereniging). Daarnaast constateerde de Raad dat uit het actieplan positieve sportcultuur 2023-2025 blijkt dat het lastig is om het thema lhbtiq+-inclusie te agenderen en prioriteren bij sportverenigingen in Den Haag. Hierom heeft de gemeenteraad een motie aangenomen om een onderzoek te doen onder sportverenigingen in Den Haag over de lhbtiq+-acceptatie en de aanpak hiervan onder sportverenigingen in Den Haag. Queer-acceptatie: lhbtiq+ In dit onderzoek spreken we van lhbtiq+-acceptatie1. Deze term en varianten hiervan (lhbt+, lhbti+) is meer gebruikelijk in onderzoek dan de term queer en is daarnaast meer alomvattend voor de beoogde doelgroep. Tiq+ In het onderzoek maken we daarnaast gebruik van de term tiq+. Hiermee bedoelen we genderdiverse personen (anders dan cisgender) zoals transgender-, intersekse-, non-binaire en queer personen.
De acceptatie van lhbtiq+-personen in de verenigingssport is over het algemeen vrij groot. Toch ervaart de meerderheid van lhbt+-personen, vooral homomannen en transvrouwen, negatieve reacties op hun seksuele voorkeur of genderidentiteit binnen de sport (Cremers & Elling, 2022). Soms betreft dit bewuste homofobie of transfobie, maar vaker nog zijn het (onschuldig bedoelde) microagressies, zoals homograppen of ongepaste vragen en opmerkingen. Deze microagressies komen voor in alle sporten en verenigingen, maar zijn vooral deel van de cultuur in veel mannen(team)sporten. Ze worden vaak goedgepraat met de opmerking dat ze niet kwaad bedoeld zijn. Dergelijke uitingen zijn echter zelden complimenteus en homograppen benadrukken vaak het stereotype dat ‘homo zijn’ gelijk staat aan slechte sportprestaties. Daarnaast is er binnen de sport vaak een gebrek aan bewustzijn dat lhbtiq+personen altijd het risico lopen dat een medespeler, supporter of tegenstander iets negatiefs zegt over hun seksuele voorkeur of genderidentiteit. Hierdoor kunnen
1
Lesbisch, homoseksueel, biseksueel, transgender, intersekse, queer en alle andere vormen van seksuele oriëntatie en genderidentiteit anders dan niet heteroseksueel of cisgender.
onschuldig bedoelde grapjes een grote impact hebben op het gevoel van acceptatie en veiligheid, vooral als een lhbtiq+-persoon nog niet openlijk is over diens seksuele voorkeur. In combinatie met het feit dat homo zijn lange tijd een groter taboe is geweest in reguliere mannen(team)sporten, zorgt dit ervoor dat lhtbiq+-personen zich niet zonder meer vrij voelen om aan sporten (en in het bijzonder mannen(team)sporten) deel te nemen. De situatie voor genderdiverse personen bijzonder kwetsbaar. Transgender personen, en met name transvrouwen, ervaren relatief vaak negativiteit rondom hun transgender achtergrond. In verschillende fasen van het (deels) veranderen van hun sociale genderidentiteit en -expressie, stuiten zij op zulke grote obstakels dat ze zich vaak niet voldoende thuis en welkom voelen in de sport (Anderson & Travers, 2017; Cremers & Elling, 2021). Met de toegenomen steun voor genderneutrale kleedkamers onder verenigingssporters lijkt er enerzijds meer begrip voor transgender personen te zijn gekomen. Tegelijkertijd is er ook veel weerstand. Met name de deelname van genderdiverse personen aan vrouwensport, gaat gepaard met veelal ongegronde kritiek, zoals de claim dat dit veiligheid van vrouwen in de sport in het geding zou brengen en dat deze deelname een vorm van competitievervalsing zou zijn.
De hoge mate van algemene acceptatie en de vermeende onschuld waarmee microagressies tegen lhbtiq+-personen vaak worden afgedaan, zorgen ervoor dat veel verenigingssporters en -bestuurders denken dat lhbtiq+-acceptatie bij hen op de vereniging geen enkel probleem is. Echter, het verschilt sterk per vereniging of er daadwerkelijk lhbtiq+-personen lid zijn en in hoeverre zij zich er welkom voelen. Openlijke lhbtiq+-personen zoeken een sportomgeving waarin ze zo min mogelijk geconfronteerd worden met zowel kwaad als niet kwaad bedoelde lhbtiq+negatieve uitingen. Als verenigingen net zo toegankelijk willen zijn voor lhbtiq+personen als voor hetero- en cisgender personen, moeten ze hun eigen sportcultuur kritisch bekijken. Is deze cultuur, ondanks het ontbreken van bekende incidenten rondom lhbtiq+-negativiteit, werkelijk voor iedereen toegankelijk? Hoewel algemene maatregelen van sportbonden en media, en het bestraffen van lhbt+negativiteit, kunnen bijdragen aan het stellen van een norm, is het juist de verenigingsspecifieke cultuur van ‘zoals wij het hier doen’ die implicietere vormen van lhbtiq+-negativiteit kan bevatten.
Het vergroten van inclusie en het tegengaan van discriminatie liggen zowel inhoudelijk als in de praktijk dicht bij het realiseren van een positieve sportcultuur. In de Gemeente Den Haag staat bij een positieve sportcultuur het realiseren van (sport)plezier, ontwikkeling en (sociale) veiligheid centraal. Om dit te bereiken stimuleert WSDH sportverenigingen in (Gemeente Den Haag, 2022): het ontwikkelen van een positief sportklimaat; het vergroten van ouderbetrokkenheid; het tegengaan en voorkomen van grensoverschrijdend gedrag het vergroten van respect en inclusie.
Het stimuleren van het invoeren van de vier basisvoorwaarden voor een veilige sportvereniging is zowel landelijk als in de Gemeente Den Haag, inmiddels een belangrijke beleidsmaatregel geworden ter bestrijding van grensoverschrijdend gedrag. De gemeente Den Haag heeft de eerste drie basisvoorwaarde per 1 januari 2024 voorwaardelijk gesteld.
Vier basiseisen veilige sportvereniging NOC*NSF NOC*NSF heeft vier basisvoorwaarden (vier v’s) opgesteld voor een veilige sportvereniging. Deze vier basisvoorwaarden worden als fundament gezien voor het creëren van een veilige sportvereniging, waar de kans op (seksueel) grensoverschrijdend gedrag zo minimaal mogelijk zijn. Het streven is dat elke vereniging aan deze vier basisvoorwaarden voldoet. De gemeente Den Haag heeft de eerst drie voorwaarden als voorwaardelijk gesteld. De basisvoorwaarden zijn:
•
Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor vrijwilligers die met jeugd en/of kwetsbare doelgroepen werken.
•
Verenigingsbrede gedragscode die door trainer-coaches, begeleiders, bestuurders en medewerkers wordt ondertekend.
•
Vertrouwenscontactpersoon aanstellen op de vereniging.
•
Vakkundig geschoolde trainer-coaches. Alle trainer-coaches die werken met jeugd en/of kwetsbare doelgroepen volgen een cursus, opleiding of e-learning met aandacht voor pedagogiek en integriteit.
De doelstelling van het onderzoek is om meer inzicht te krijgen op de mate waarin er bij Haagse sportverenigingen een positieve sportcultuur bestaat. Daarnaast is het doel meer zicht te krijgen in hoeverre lhbtiq+-acceptatie onderdeel is van de sportcultuur bij Haagse sportverenigingen.
In hoeverre is er sprake van een positieve sportcultuur en lhbtiq+acceptatie bij sportverenigingen in Den Haag en in welke mate zetten verenigingen (beleidsmatig) in op het bevorderen van deze twee thema’s?
Leeswijzer Er volgt eerst een methodehoofdstuk waarin de onderzoeksmethode en respons op het onderzoek wordt toegelicht. Vervolgens gaan we in op lhbtiq+- representatie en acceptatie op de sportverenigingen. Daarna bekijken we de mate waarin sportverenigingen beleid hebben rondom het thema positieve sportcultuur en lhbtiq+-acceptatie. We eindigen met het conclusiehoofdstuk.
Hoofdstuk 2
Ten tijde van de uitvoer van dit onderzoek stonden ook twee andere onderzoeken gepland bij sportverenigingen in Den Haag: een verenigingsmonitor (een kwantitatieve bevraging van alle sportvereniging in Den Haag) en een kwalitatief onderzoek naar de Positieve Sportcultuur bij Haagse voetbalverenigingen. Om verenigingsbestuurders niet te overvragen, is daarom besloten om de data voor dit onderzoek te verzamelen via de beide andere onderzoeken. We hebben een vragenblok over de thema’s positieve sportcultuur en lhbtiq+acceptatie opgesteld en deze toegevoegd aan de vragenlijst van de verenigingsmonitor. Om het invullen van de vragenlijst voor verenigingsbestuurders behapbaar te houden, was een beknopt vragenblok noodzakelijk. Desalniettemin geven deze vragen een goede indicatie van de stand van zaken op de thema’s positieve sportcultuur en lhbtiq+-acceptatie op sportverenigingen in Den Haag. De vragen die zijn opgenomen zijn gebaseerd op eerder uitgevoerde, of nog uit te voeren landelijke studies naar beide thema’s. De cijfers die we hebben opgehaald in Den Haag zijn echter niet altijd een-op-een te vergelijken met landelijke cijfers. Waar mogelijk, zullen we deze vergelijking echter maken. Daarnaast in het kwalitatieve onderzoek naar Positieve Sportcultuur bij Haagse voetbalverenigingen ook vragen gesteld over de mate waarin het thema lhbtiq+acceptatie op die verenigingen speelt.
Het bleef in deze gesprekken echter een klein thema, waardoor deze data niet bruikbaar zijn voor deze rapportage. We verwijzen voor de opgehaalde resultaten in de studie bij voetbalverenigingen naar de nog te verschijnen rapportage hiervan (De Kwaasteniet & Geurink, nog te verschijnen).
De verenigingsmonitor hebben we afgenomen in de vorm van een webenquête. Gemeente Den Haag heeft in samenwerking met het Mulier Instituut 303 sportverenigingen voor dit onderzoek uitgenodigd. De dataverzameling vond plaats van 16 april t/m 30 mei 2024. We hebben de resultaten van 156 sportverenigingen geanalyseerd. Dit is een nettorespons van 51 procent. Op basis van het type sport van de vereniging (binnen/buiten) en het stadsdeel waarin de vereniging gelegen is, vormt de responsgroep een goede afspiegeling van de sportverenigingen in gemeente Den Haag. Op stadsdeelniveau zijn de sportverenigingen uit Centrum en Scheveningen wat ondervertegenwoordigd. Uit deze stadsdelen hebben relatief wat minder verenigingen gereageerd dan in de andere stadsdelen. De volledige responsanalyse staat in bijlage 1 (tabel B1.1 en B1.2) .
Analyse Voor de data analyse hebben we verenigingen op verschillende kenmerken gecategoriseerd. De categorieën zijn: Ledenaantal; klein (t/m 100 leden), middelgroot (101-249 leden) en groot (meer dan 250 leden). Type sport; teamsport, semi-individuele sport en individuele sport. Het al dan niet hebben van leden die zich (openlijk) als lhbtiq+-persoon indentificeren. Het al dan niet hebben van jeugdleden. De benoemde categorieën hangen ook deels met elkaar samen. Grote verenigingen zijn relatief vaak teamsportverenigingen (die doen aan buitensport) en hebben vaak jeugdleden. Kleine verenigingen zijn juist relatief vaak (semi-)individuele verenigingen (die doen aan binnensport) en hebben minder vaak jeugdleden. Semi-individuele sporten zijn sporten waarbij je altijd een andere persoon nodig hebt om het spel te kunnen spelen. Bij badminton, bijvoorbeeld, moet de shuttle door je tegenstander weer in het spel worden gebracht. Dit in tegenstelling tot individuele sporten (zoals hardlopen) waarbij je deze ander persoon niet per se nodig hebt. In dit rapport maken we binnen de semi-individuele sport, waar relevant, nog onderscheid tusen vechtsport (n=25) en niet-vechtsportverenigingen (n=26).
Belangrijk om te vermelden is dat vechtsportverenigingen relatief vaak jeugdleden hebben (96%, niet in figuur) terwijl de overige semi-individuele sportverenigingen minder vaak jeugdleden hebben (69%). De verschillen binnen semi-individuele sportverenigingen zitten dan ook met name rondom het thema veilige sportvereniging (hoofdstuk 4.2). De samenhang tussen het hebben van lhbtiq+-leden en de andere categorieën, bespreken we aan het begin van het resultatenhoofdstuk.
Hoofdstuk 3
Bij ruim een op de drie (37%, zie figuur 3.1) sportverenigingen in de gemeente Den Haag is er ten minste één lid dat zich openlijk als een lhbtiq+-persoon identificeert actief. Dit percentage ligt relatief hoger bij individuele en teamsportverenigingen en relatief laag bij semi-individuele sportverenigingen. Ditzelfde patroon zien we wanneer we afzonderlijk kijken naar de representatie van homo-/biseksuele mannen, homo-/biseksuele vrouwen en transgender, intersekse, non-binaire of queer personen (tiq+-personen). Daarbij valt op dat bij sportverenigingen met een individuele sport, relatief vaak een tiq+-persoon actief is. De percentages liggen enigszins hoger dan landelijk waar ongeveer één op de vijf bestuurders aangaf een homo-/ biseksuele man en/of vrouw te kennen op de vereniging, en vier procent een tiq+-persoon (MI verenigingspanel, 2021). Dit past bij het beeld dat lhbtiq+-personen vaker woonachtig zijn in zeer stedelijke gebieden (Kuyper, 2016; Huijnk et al., 2022). Wel is het percentage lager dan dat in de Gemeente Utrecht (Cremers et al., 2023).
Figuur 3.1 De mate waarin Haagse sportverenigingen minimaal één lid hebben dat zich openlijk als lhbtiq+-persoon identificeert, naar genderidentiteit en/of seksuele voorkeur, en type sport (in procenten, n=156) 0
20
40 37
Lhbtiq+
26
Homo-/ biseksuele man
43
38 31
Transgender, intersekse, non-binaire of queer persoon
Totaal
Team
24
3
42
30 33
20
Lesbische-/ biseksuele vrouw
60
34 35
10 8
23
Semi-individueel
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
Individueel
80
100
Opmerkelijk is dat het percentage bestuurders van teamsportverenigingen dat aangeeft dat er homo-/biseksuele mannen lid zijn (33%), vergelijkbaar is met het percentage dat aangeeft dat er lesbische en biseksuele vrouwen lid zijn (34%). Dit terwijl uit landelijk onderzoek blijkt dat homo- en biseksuele mannen relatief weinig teamsporten beoefenen (Cremers & Elling, nog te verschijnen). Kleine verenigingen hebben relatief weinig lhbtiq+-leden (16%, zie figuur 3.2). Dit verschil met (middel)grote verenigingen bestaat ook in de landelijke cijfers, maar is in Den Haag wel groter (MI verenigingspanel, 2021). Vier op de tien (41%) Haagse verenigingsbestuurders geeft aan niet te weten of ze lhbtiq+-leden hebben. Dit is vergelijkbaar met landelijk (MI verenigingspanel, 2021). Opvallend is dat dit percentage in Den Haag bij kleine verenigingen vergelijkbaar is met het percentage bij grote verenigingen, hoewel verwacht wordt dat bestuurders van kleine verenigingen een groter deel van de leden kent.
Figuur 3.2 De mate waarin Haagse sportverenigingen ten minste één lid hebben dat zich als lhbtiq+-persoon identificeert, naar verenigingsgrootte ( in procenten, n=156) 0
20
Totaal
t/m 100 leden (n=52)
40
37
60 22
16
80 41
45
39
101 t/m 250 leden (n=32)
47
13
41
Meer dan 250 leden (n=72)
47
10
43
Ja
Nee
Weet niet
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
Eigen beoordeling sportcultuur Verenigingsbestuurders in Den Haag geven gemiddeld hoge voldoendes voor de sfeer op de vereniging (8.4, zie tabel 3.1), de sportiviteit in de omgang van sporters onderling (8.4), de sociale veiligheid op de vereniging (8.3) en de mate van inclusie op de sportvereniging (8.2). De cijfers liggen enigszins hoger bij kleine verenigingen dan bij grote verenigingen. Ook liggen de scores gemiddeld iets hoger bij semi-individuele verenigingen dan bij verenigingen met team- en individueel sportaanbod (niet in figuur).
100
Tabel 3.1 Beoordeling (1-10) van verschillende aspecten van een positieve sportvereniging op de eigen vereniging, naar verenigingsgrootte (gemiddelde cijfer, n=156) Totaal
Verenigingsgrootte t/m 100 leden
101-250 leden
> 250 leden
De sfeer in de vereniging
8.4
8.8
8.3
8.1
De sociale veiligheid op uw
8.3
8.9
8.2
8.0
8.4
8.9
8.3
8.0
8.2
8.6
8.2
7.9
vereniging De sportiviteit in de omgang van sporters onderling De mate van inclusie op de sportvereniging Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
De meeste Haagse sportverenigingsbestuurders geven aan dat het binnen hun vereniging voor lesbische vrouwen en homoseksuele mannen geen enkel probleem is om voor hun seksuele voorkeur uit te komen (zie figuur 3.3), een op de tien geeft aan dit niet te weten. Dit geldt ook voor tiq+-personen, al geeft hier één op de vijf aan dit niet te weten. Twee derde van Haagse verenigingsbestuurders geeft aan dat er op hun vereniging wordt ingegrepen wanneer ‘homo’ of mietje als scheldwoord wordt gebruikt. Daarbij zijn er geen verschillen gevonden tussen teamsportverenigingen en (semi)individuele sportverenigingen. Dit is opvallend, aangezien uit landelijk onderzoek blijkt dat homonegatieve uitingen in mannenteamsportomgevingen zijn genormaliseerd . Juist in die context blijkt dat vaak niet (door kader) wordt ingegrepen (Cremers & Elling, 2022; Elling et al., 2023). Kleine verenigingen beantwoorden de stellingen relatief vaak met weet niet/niet van toepassing (niet in figuur). Mogelijk kan dit worden verklaard door het relatief lage percentage kleine verenigingen met lhbtiq+-leden. Hierdoor is dit voor bestuurders lastig te beoordelen en bestaat er mogelijk ook minder sensitiviteit op dit thema.
Figuur 3.3 Mate waarin Haagse verenigingsbestuurders het eens zijn met stellingen gerelateerd aan lhbtiq+acceptatie op de sportvereniging ( in procenten, n=156) 0
20
40
60
80
100
Voor lesbische vrouwen is het binnen onze vereniging geen enkel probleem om voor hun seksuele voorkeur uit te komen
88
3
Voor homoseksuele mannen is het binnen onze vereniging geen enkel probleem om voor hun seksuele voorkeur uit te komen
86
4 2 8
Voor transgender, non-binaire of queer personen is het binnen onze vereniging geen enkel probleem om open te zijn over hun genderidentiteit
71
Binnen onze vereniging grijpen (kader)leden in wanneer ‘homo’ of ‘mietje’ als scheldwoord gebruikt wordt
(Helemaal) mee eens
Niet eens, niet oneens
8
67
(Helemaal) mee oneens
8
19
23
Weet niet/Niet van toepassing
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
Grappen en negatieve opmerkingen Bij vier op de tien sportverenigingen in Den Haag worden er wel eens grappen of negatieve opmerkingen gemaakt over bepaalde bevolkingsgroepen (39%, zie figuur 3.4). Ongeveer één op de vijf bestuurders weet niet of er wel eens dergelijke grappen of opmerkingen gemaakt worden (19%). Grappen of negatieve opmerkingen over vrouwen (31%) komen volgens Haagse verenigingsbestuurders het vaakste voor, gevolgd door over mensen met overgewicht (26%). Grappen over mensen met een beperking (8%) komen het minst vaak voor. Bij ruim één op de vijf Haagse verenigingen worden wel eens grappen of negatieve opmerkingen over lhbtiq+-personen gemaakt (21%). Grappen en negatieve opmerkingen over homomannen (21%) komen bij meer verenigingen voor dan over tiq+-personen (16%) en lesbische- en biseksuele vrouwen (15%).
3
3
9
Figuur 3.4 De mate waarin grappen of negatieve opmerkingen worden gemaakt op Haagse sportverenigingen, naar achtergrondkenmerk ( in procenten, n=156) 0
20
Vrouwen
40
60
31
Mensen met overgewicht
19
Moslims
18
22
53
21
Mensen met een donkere/zwarte huidskleur
100
46
26
Homo- en biseksuele mannen
80
21
54
26
60
21
58
24
Transgender, non-binaire en/of queer personen
16
53
31
Lesbische- en biseksuele vrouwen
15
57
28
Mensen met een beperking
8
Andere groepen
10
65 44
Miniaal over één groep
47
39
Minimaal over één lhbtiq+-groep Ja
27
21
Nee
42 53
Weet niet/niet van toepassing
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
Bestuurders van grote (35%) en teamsportverenigingen (33%) (vaak met lhbtiq+en jeugdleden) in Den Haag signaleren relatief vaker dat er grappen of negatieve opmerkingen over lhbtiq+-personen voorkomen dan bestuurders van kleine (4%) verenigingen en verenigingen met (semi-)individueel sportaanbod (8% en 20%, zie figuur 3.5). Ook landelijk komen dergelijke uitingen relatief vaker voor in (mannen)teamsportcontexten (Cremers & Elling, 2022). Ook komen grappen en negatieve opmerkingen relatief veel voor bij verenigingen met jeugdleden (25%). Dit roept de vraag op in hoeverre (deze) sportverenigingen, een plek zijn waar tieners in hun zoektocht naar de eigen identiteit, zich comfortabel voelen om open te kunnen zijn over hun seksuele voorkeur en genderidentiteit, indien deze ‘afwijkt’ van de norm. Dat juist bestuurders van sportverenigingen met lhbtiq+-leden aangeven dat grappen en negatieve opmerkingen voorkomen, geeft te denken; komen deze uitingen daadwerkelijk meer voor op verenigingen met lhbtiq+-leden, of zijn deze bestuurders zich hier alleen bewuster van? De vraag blijft dan ook in hoeverre grappen of negatieve opmerkingen daadwerkelijk niet voorkomen bij verengingen waarvan de bestuurders aangeven dat dit niet het geval is.
19 26
Figuur 3.5 De mate waarin er op Haagse sportverenigingen grappen of negatieve opmerkingen worden gemaakt over lhbtiq+-personen, naar verenigingsgrootte, soort sport en het hebben van lhbtiq+-leden ( in procenten, n=156) 0
20
Jeugdle Openlijke den lhbtiq+-leden
Soort sport
Verenigingsgro otte
Totaal t/m 100 leden
60
21
4
101 t/m 250 leden
19
Meer dan 250 leden
35
Team
33
Semi-individueel
40
8
Individueel
20
Ja
39
Nee
15
Weet niet
9
Geen
8
Wel
25
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
Genderdiversiteit Vijftien procent van de verenigingen in Den Haag heeft wel eens te maken gehad met leden die een gendertransitie hebben of willen ondergaan, dan wel met sporters die zich willen omkleden in een genderneutrale of aparte kleedkamer (zie figuur 3.6). Eén op de tien verenigingsbestuurders heeft wel eens te maken gehad met een lid dat in transitie is gegaan (11%).
80
100
Figuur 3.6 De mate waarin Haagse sportverenigingen te maken hebben gehad met (vraagstukken rondom) genderdiverse personen op hun sportvereniging ( in procenten, n=156) 0 Personen die de wens hebben om zich in een genderneutrale of aparte kleedkamer om te kleden
20
40
4
Leden die in transitie zijn of gingen van man naar vrouw of vice versa
60
80
100
80
15
71
18
11
Leden die na hun gendertransitie lid werden van de club
5
72
23
Leden die voor, tijdens, of na hun gendertransitie zijn weggegaan bij de club
3
74
23
Ten minste een van bovenstaanden*
Ja
Nee
15
75
10
Weet niet/wil niet zeggen
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024. *
Nee ook indien een van de antwoorden is weet niet, Weet niet/wil niet zeggen alleen indien alle vragen met weet niet/wil niet zeggen zijn beantwoord.
Grote verenigingen (18%) hebben enigszins vaker te maken gehad met (vraagstukken rondom) genderdiverse personen dan middelgrote- (13%) en kleine verenigingen (12%, zie figuur 3.7). Daarnaast hebben verenigingen met een individuele tak van sport ook relatief vaak hiermee te maken gehad (24%, niet in figuur). Dit laatste kan mogelijk verklaard worden door het relatief grote aandeel individuele sportverenigingen met lhbtiq+- leden. Verenigingen met tiq+-leden (73%) hebben (logischerwijs) vaker te maken met vraagstukken rondom genderdiversiteit.
Figuur 3.7 De mate waarin Haagse sportverenigingen met ten minste een (vraagstuk rondom) genderdiverse personen* te maken hebben gehad, naar verenigingsgrootte en het hebben van lhbtiq+-leden ( in procenten, n=156) 0
20
Openlijke lhbtiq+-leden
Verenigingsgrootte
Totaal
15
t/m 100 leden
12
101 t/m 250 leden
13
Meer dan 250 leden
Geen Minimaal één lhbtiq+-lid
40
80
100
75
10
81
8 84
18
3
67
6
15
91 26
3 67
Minimaal één tiq+-lid
73
Ja
Nee
Weet niet/wil niet zeggen
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024. *
60
Betreft de samengestelde variabele figuur 3.6 ‘Ten minste een van bovenstaande’.
7 20
7
Hoofdstuk 4
Meer dan acht op de tien sportverenigingen in Den Haag hebben beleid op het gebied van het realiseren van een positieve sportcultuur (83%, zie figuur 4.1). Professionalisering van het trainingskader en pedagogisch sportklimaat (56%), het bevorderen van inclusie en respect (53%) en het vergroten van ouderbetrokkenheid (49%) zijn de meest genomen maatregelen. Het bevorderen van de sportdeelname van mensen met een beperking of chronische ziekte en het tegengaan van discriminatie en grensoverschrijdend gedrag is minder vaak een aandachtspunt. (Middel)grote sportverenigingen (87 en 97 procent), sportverenigingen met jeugdleden (92%) en teamsportverenigingen (87%) hebben vaker beleid gericht op het creëren van een positieve sportcultuur. Van de verenigingen met jeugdleden heeft iets minder dan de helft aandacht voor het tegengaan van fysiek, emotioneel en/of seksueel grensoverschrijdend gedrag (zie bijlagefiguur B2.1). Vier op de tien hebben aandacht voor het tegengaan van discriminatie. We zullen nu verder ingaan op de mate waarin de Haagse sportverenigingen beleidsaandacht hebben voor het tegengaan van grensoverschrijdend gedrag.
Figuur 4.1 De mate waarop bij Haagse sportverenigingen op bestuurlijk of uitvoerend niveau aandacht bestaat op het gebied van positieve sportcultuur ( in procenten, n=156) 0
20
40
60
Het professionaliseren van het trainingskader en pedagogisch sportklimaat
56
Het bevorderen van inclusie en respect op de vereniging (iedereen is welkom)
53
Het vergroten van ouderbetrokkenheid
49
Het tegengaan van fysiek of emotioneel grensoverschrijdend gedrag
40
Het tegengaan van seksuele intimidatie of seksueel grensoverschrijdend gedrag
38
Het tegengaan van discriminatie naar seksuele voorkeur, etnische herkomst, huidskleur en/of geloofsovertuiging
33
Het bevorderen van sportdeelname van mensen met een beperking en/of chronische ziekte Anders
17
1
Er is geen beleid op zaken binnen positieve sportcultuur
17
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
We zullen nu eerst ingaan op de mate waarin de sportverenigingen in Den Haag voldoen aan de eerste drie basiseisen voor een veilige sportvereniging. Aangezien de vierde basiseis van NOC*NSF nog geen vereiste is in de gemeente Den Haag, hebben we deze niet bevraagd. We zullen deze eerst per basiseis analyseren, waarna we bekijken in hoeverre verenigingen aan alle drie de basiseisen voldoen. Vertrouwenscontactpersoon Driekwart van de sportverenigingen in Den Haag beschikt over een vertrouwenscontactpersoon (74%, zie figuur 4.2). Grote verenigingen (82%) en verenigingen met jeugdleden (82%) beschikken relatief vaak over een vertrouwenscontactpersoon. Dit geldt in het bijzonder ook voor vechtsportverenigingen (92%, niet in figuur). Echter heeft dus bijna één op de vijf verenigingen waar jeugd actief is, geen vertrouwenscontactpersoon.
80
100
Figuur 4.2 De mate waarin Haagse sportverenigingen beschikken over een vertrouwenscontactpersoon, naar verenigingsgrootte en het hebben van jeugdleden ( in procenten, n=156) 0
20
40
Totaal
60
80
100
74
t/m 100 leden
56
101 t/m 250 leden
78
Meer dan 250 leden
85
Geen jeugdleden
47
Wel jeugdleden
82
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
VOG 70 procent van de verenigingen heeft beleid met betrekking tot het aanvragen van VOG’s voor medewerkers of vrijwilligers (zie figuur 4.3). Grote verenigingen vragen relatief vaker een VOG aan dan de middelgrote of kleine verenigingen (niet in figuur). Figuur 4.3 De mate waarin Haagse sportverenigingen Verklaringen Omtrent Gedrag (VOG) aanvragen voor vrijwilligers en/of medewerkers ( in procenten, n=156) 0
20
40
Vrijwilligers/werknemers die met jeugd (t/m 17 jaar) en/of kwetsbare doelgroepen werken
60
51
Bestuursleden
51
Geen van bovenstaande
100
54
Andere vrijwilligers, trainers
Anders
80
3
30
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
Van de verenigingen met jeugdleden vraagt 71% VOG’s aan voor vrijwilligers en medewerkers die met jeugd en/of andere kwetsbare doelgroepen werken (zie figuur
4.4). Grote verenigingen (78%) en teamsport (78%) en individuele sportverenigingen (78%) vragen vaker een VOG voor deze groep aan. Figuur 4.4 De mate waarin Haagse sportverenigingen VOG’s aanvragen voor vrijwilligers en/of werknemers die met jeugd en/of kwetsbare doelgroepen werken, onder verenigingen met jeugdleden, naar verenigingsgrootte en type sport. ( in procenten, n=118) 0
20
40
60
80
Totaal
t/m 100 leden
100
71
59
101 t/m 250 leden
64
Meer dan 250 leden
78
Team
78
Semi-individueel
57
Individueel
80
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
Gedragscode werken met jeugd/kwetsbare groepen en gedragsregels Twee derde van de sportverenigingen in Den Haag met jeugdleden heeft een gedragscode opgesteld voor trainers en begeleiders die met jeugd werken (zie figuur 4.5). Daarbij valt op dat er nauwelijks verschil bestaat op basis van verenigingsgrootte. Teamsportverenigingen (73%) beschikken vaker over een gedragscode dan (semi-) individuele sportverenigingen (64% en 56%). Echter blijken semi-individuele vechtsportverenigingen (83%) juist het vaakst over deze code te beschikken, terwijl overige semi-individuele sportverenigingen hier het minst over beschikken (39%, niet in figuur).
Figuur 4.5 De mate waarin Haagse sportverenigingen met jeugdleden een gedragscode hebben opgesteld voor trainers en begeleiders die met jeugd (t/m 17 jaar) en/of kwetsbare groepen werken, naar verenigingsgrootte en type sport (eenheid, n=116) 0
20
40
60
Totaal
80
100
66
t/m 100 leden
70
101 t/m 250 leden
64
Meer dan 250 leden
65
Team
73
Semi-individueel
64
Individueel
56
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
Acht op de tien sportverenigingen in Den Haag hebben gedragsregels opgesteld (81%, zie figuur 4.6). Bijna alle grote verenigingen(96%) en verenigingen met jeugdleden (90%) stellen gedragsregels op. Verenigingen met semi-individueel sportaanbod, anders dan vechtsport(54%), kleine (65%) en middelgrote (75%) verenigingen hebben het minst vaak gedragsregels op papier. Figuur 4.6 De mate waarin Haagse sportverenigingen gedragsregels hebben beschreven, naar verenigingsgrootte en het hebben van jeugdleden ( in procenten, n=156) 0
20
40
60
80
Totaal
100 81
t/m 100 leden
65
101 t/m 250 leden
75
Meer dan 250 leden
Geen jeugdleden
96
55
Wel jeugdleden
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
90
83 procent van de verenigingen beschikt over een gedragscode en/of gedragsregels (zie bijlagetabel b2.1 ). Dat betekent dat 17 procent van de verenigingen geen van beide heeft, of de bestuurder hier niet van op de hoogte is. Van de verenigingen met jeugdleden heeft 92 procent ten minste een van beide. Bijna de helft van de verenigingen (49%) beschikt over zowel gedragsregels als de gedragscode. Onder verenigingen met jeugdleden is dat twee derde (64%). Voldoen aan eerste drie basiseisen NOC*NSF Ruim een derde van de Haagse sportverenigingen voldoet aan de eerste drie basiseisen voor een veilige sportvereniging (38%, zie figuur 4.6). Onder verenigingen met jeugdleden is dat de helft (50%). Daarmee voldoet de helft van de sportverenigingen in Den Haag met jeugdleden dus niet aan de basiseisen (50%). Vooral middelgrote en kleine verenigingen voldoen minder vaak aan de basiseisen. Ditzelfde patroon bestaat wanneer we alleen kijken naar verenigingen met jeugdleden. Ook hier voldoen kleine (44%) en middelgrote verenigingen (36%), minder vaak aan de basiseisen dan grote verenigingen (57%, niet in figuur). Indien we naast de gedragscode voor werken met jeugdleden en kwetsbare doelgroepen ook algemene gedragsregels meetellen als het voldoen aan de voorwaarde ‘gedragscode’, dan voldoet 62 procent van de verenigingen aan de eerste drie basiseisen (niet in figuur).
Onder verenigingen met jeugdleden is het percentage dan 81 procent. Figuur 4.7 De mate waarin Haagse sportverenigingen voldoen aan de eerste drie basiseisen voor sociale veiligheid op sportverenigingen, naar verenigingsgrootte, het hebben van jeugdleden en type sport ( in procenten, n=156) 0
20
40
Totaal
60
38
t/m 100 leden
23
101 t/m 250 leden
28
Meer dan 250 leden Geen jeugdleden
54
3
Wel jeugdleden
50
Team
47
Semi-individueel Individueel
35 29
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
80
100
Van de 110 Haagse verenigingen die op bestuurlijk of uitvoerend niveau aandacht hebben voor inclusie, discriminatie of het tegengaan van grensoverschrijdend gedrag (zie figuur 4.1), heeft ongeveer de helft aandacht voor specifieke doelgroepen (48%, zie figuur 4.8). De andere helft (51%) heeft geen aandacht voor specifieke doelgroepen. Herkomst (27%) wordt het vaakste als specifieke doelgroep genoemd, gevolgd door seksuele voorkeur en genderidentiteit (20%). Dit zijn ook landelijk de doelgroepen dergelijk beleid van sportverenigingen zich het meeste op richt (Cremers & Elling, 2021). Er zijn geen verschillen gevonden op basis van verenigingsgrootte, type sport of het hebben van jeugdleden. Figuur 4.8 Kenmerken of doelgroepen waarop het beleid bij Haagse sportverenigingen zich richt ten behoeve van het bevorderen van inclusie en/of het tegengaan van discriminatie/grensoverschrijdend gedrag, onder verenigingen met dergelijk beleid ( in procenten, n=110) 0
20
40
Herkomst 20
Vrouwen
19
Beperking en/of chronische ziekte
17
Inkomen en/of opleidingsniveau
15
Leeftijd
15
100
2
Niet op specifieke groepen of kenmerken
Zeg ik liever niet/weet ik niet
80
27
Seksuele voorkeur en genderidentiteit
Anders
60
51 1
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
Onder de 110 Haagse sportverenigingen met beleid op de eerder genoemde thema’s, geven zeven op de tien verenigingsbestuurders aan dat ze maatregelen ondernemen of hebben ondernomen om een pedagogisch sportklimaat te realiseren waarin iedereen veilig en met plezier kan sporten (68%, zie figuur 4.9). Het aantal concrete acties met betrekking tot het tegengaan van discriminatie of bevorderen van inclusie is beperkter. Zo gaf minder dan één op de tien verenigingen een workshop over inclusie of discriminatie.
Sportverenigingen met jeugdleden zetten vaker in op het creëren van een pedagogisch sportklimaat waarin iedereen veilig en met plezier kan sporten (72%, niet in figuur) dan verenigingen zonder jeugdleden (47%). Voor de overige maatregelen zijn er geen verschillen gevonden op basis van verenigingsgrootte, type sport of het hebben van jeugdleden. Figuur 4.9 De mate waarin Haagse sportverenigingen maatregelen ondernemen voor het bevorderen van inclusie en/of het tegengaan van discriminatie/ grensoverschrijdend gedrag, onder verenigingen met beleid op deze thema’s ( in procenten, n=110) 0
20
40
Creëren van een pedagogisch verenigingsklimaat waarin iedereen veilig en met plezier kan sporten
80 68
Vaststellen/herziening discriminatiebeleid
14
Vaststellen/herziening inclusiebeleid
13
Workshop over inclusie/discriminatie Anders
60
9 4
Weet ik niet/zeg ik liever niet
18
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024. Noot: geen enkele vereniging zette een theatervoorstelling over inclusie en discriminatie in
Kleedkamer Bij vier op de tien sportverenigingen in Den Haag bestaat de mogelijkheid voor sporters om (op verzoek) gebruik te maken van een genderneutrale of aparte kleedkamer (42%, zie figuur 4.10). Bij twee procent van de verenigingen is er permanent een genderneutrale kleedkamer beschikbaar. Wanneer we de 20 procent verenigingen die niet over een kleedkamer beschikken buiten beschouwing laten, biedt ongeveer de helft van de verenigingen de mogelijkheid tot het (op verzoek) gebruiken van een genderneutrale/aparte kleedkamer (zie bijlagefiguur b2.2 ). Dit percentage is het hoogst bij teamsportverenigingen (75%) en ligt tevens hoger bij verenigingen met lhbtiq+leden, maar opmerkelijk genoeg niet hoger bij verenigingen met tiq+-leden.
100
Figuur 4.10 De mate waarin Haagse sportverenigingen beschikken over een kleedkamer waarin genderdiverse personen zich (op verzoek) apart kunnen omkleden ( in procenten, n=156) 2 8 21
40
29
Ja, er is permanent een zichtbare genderneutrale kleedkamer beschikbaar Ja, op verzoek kan gebruik worden gemaakt van een aparte kleedkamer (bijv. scheidsrechterslokaal)
Nee, deze mogelijkheid bestaat bij ons niet Niet van toepassing, we hebben geen kleedkamers Zeg ik liever niet/Weet ik niet
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
Handreiking gender- en seksediverse personen Eén op de vijf sportverenigingen in Den Haag is op de hoogte van de handreiking gender- en seksediverse personen voor sporters en sportorganisaties (21%, zie figuur 4.11). Kleine verenigingen zijn relatief minder vaak op de hoogte van deze handreiking (10%) dan (middel)grote verenigingen (25% en 28%). Daarnaast zijn verenigingen met tiq+-leden ook relatief vaker op de hoogte (27%). Desalniettemin is de helft van de bestuurders met tiq+-leden dus niet op de hoogte van de handreiking. Ook valt op dat een kwart van de bestuurders bij deze groep verenigingen ook vaker de antwoordoptie ‘weet niet/wil niet zeggen’ heeft aangekruist (27%).
Figuur 4.11 De mate waarin Haagse sportverenigingen op de hoogte zijn van de handreiking gender- en seksediverse personen voor sporters en sportorganisaties, naar verenigingsgrootte en het hebben van genderdiverse leden ( in procenten, n=156)
Totaal
t/m 100 leden
tiq+-leden
Totaal
Verenigingsgrootte
0
20
40
60
21
100
62
10
17
71
101 t/m 250 leden
19
25
Meer dan 250 leden
28
Ja
27
Nee
21
Weet niet
19
63
13
56
47
17
27 68
62
Ja
Nee
Weet niet/wil niet zeggen
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
Externe ondersteuning Eén op de tien sportverenigingen (10%) in Den Haag heeft wel eens externe ondersteuning gezocht voor vragen over lhbtiq+-inclusie, driekwart nog nooit (76%, zie figuur 4.12) Nog eens 13 procent weet niet of dat gebeurd is. Ondersteuning werd het vaakst gezocht bij de John Blankenstein Foundation en bij de (externe) vertrouwenspersoon. Van de verenigingen met leden die zich als tiq+-personen identificeren, heeft een derde (33%, niet in figuur) wel eens ondersteuning gezocht bij een externe partij. Geen enkele kleine vereniging heeft wel eens ondersteuning voor lhbtiq+acceptatie gezocht.
80
11 18
Figuur 4.12 De mate waarin Haagse sportverenigingen externe ondersteuning hebben gezocht voor vragen over de inclusie van lhbtiq+-personen ( in procenten, n=156) 0
20
Ja, bij John Blankenstein Foundation
4
Ja, bij de vertrouwenspersoon
4
Ja, bij de sportbond
2
Ja, bij WSDH
1
Ja, bij de gemeente
1
Ja, anders
40
60
80
3
Nee Weet niet/wil niet zeggen
76 13
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
Verenigingen zonder aandacht voor inclusie of discriminatie 46 verenigingen hebben aangegeven geen bestuurlijke of uitvoerende aandacht te hebben voor inclusie, discriminatie of het tegengaan van grensoverschrijdend gedrag. Deze verenigingen kregen de open vraag waarom zij hier geen aandacht voor hebben. Het merendeel van de verenigingen gaf aan dat het thema bij hun niet speelt, omdat alle leden met respect met elkaar omgaan: 'Alle leden worden hetzelfde behandeld binnen onze vereniging. Er is geen ruimte voor discriminatie en het zou ook niet geaccepteerd worden door de leden van onze vereniging.' 'Iedereen is welkom en met respect en dit is vanzelfsprekend, daarom is de vereniging hier niet actief mee bezig.' Een deel van de verenigingen haalt hierbij voorbeelden aan, die een indicatie geven van een bepaalde mate van diversiteit binnen het ledenbestand van de vereniging, dat als argument wordt gebruikt dat discriminatie dus niet kan voorkomen: '[…] Uiteraard zijn er wel normen en waarden binnen de vereniging welke gelden voor iedereen en die we ook naleven. Verder is het geen issue bij ons. Voorbeeld : Veel van de bij ons spelende dames hebben verschillende seksuele voorkeuren, maar dat is binnen het team en binnen de vereniging totaal geen gespreksonderwerp. Hier hoeven we dus ook niet actief op te zijn.'
100
Daarnaast geeft een deel van bestuurders aan dat ze vinden dat de thema’s inclusie en discriminatie momenteel te veel aandacht krijgen en/of dat het benadrukken hiervan volgens hen juist een averechts effect kan hebben: 'Omdat iedereen welkom is en zichzelf mag en kan zijn is dit geen topic voor ons. Het belichten, bijzonder maken, isoleren van groepen benadrukt de "niet vanzelfsprekendheid" hiervan. Wij zijn hier dus juist mee bezig door er niet mee bezig te zijn. Iedereen wordt gerespecteerd en daardoor geaccepteerd en hoeven wij iets niet te benadrukken of belichten (dit geeft het omgekeerde effect.)' 'Omdat die behoefte niet leeft onder onze leden. Ik vind dat er wel heel veel nadruk op dit aspect wordt gelegd.' Ten slotte zijn er ook enkele verenigingen die aangeven wel actiever met deze thema’s aan de slag te willen gaan, maar hier nog niet aan toe te zijn gekomen: 'Kijkend naar de vereniging is inclusie nog geen onderwerp van aandacht. We zijn nu bezig met structuur en basis om ook op lange termijn goed georganiseerd te blijven. Met het werken aan kernwaarden gaan we langzaam toe naar vaststellen van gewenst gedrag. Onze #1 kernwaarde is Veiligheid in de breedste zin des woord.
Op langere termijn gaan deze onderwerpen zeker onze aandacht krijgen, maar: first things first.' Ondersteuningsbehoefte Zes op de tien sportverenigingen in Den Haag heeft een ondersteuningsbehoefte met betrekking tot het thema positieve sportcultuur. Kleine verenigingen (33%) en verenigingen met een semi-individueel sportaanbod (43%) relatief weinig behoefte aan ondersteuning. Onder (middel)grote (75% en 74%) verenigingen, verenigingen met lhbtiq+-leden (74% ) en verenigingen met jeugdleden (69%) is de ondersteuningsbehoefte relatief groot. Er lijken geen grote verschillen te bestaan met betrekking tot het type ondersteuning dat verenigingen wensen te ontvangen.
Figuur 4.13 De mate waarin Haagse sportverenigingen ondersteuning wensen op diverse thema’s gerelateerd aan positieve sportcultuur ( in procenten, n=156) 0
20
Ouderbetrokkenheid
60
22
Cursus/workshop bestuursleden en/of trainers
16
Protocollen handelen bij discriminatie-incidenten
13
Cursus/workshop voor leden
12
Aanvragen VOG’s vrijwilligers/werknemers
11
Digitale informatie diversiteit, inclusie en/of discriminatie
11
Pedagogisch sportklimaat
10
Uitwisselen ervaringen/‘best practices’ andere bestuurders
10
Opstellen normen, waarden en gedragsregels
9
Aanstellen vertrouwenscontactpersoon
8
Respect en inclusie
8
Agressief of discriminerend grensoverschrijdend gedrag
6
Ondersteuning opstellen inclusie-/antidiscriminatiebeleid
6
Begeleiden jeugd/jongeren sociaal-psychische problematiek
1
Seksueel grensoverschrijdend gedrag of seksuele intimidatie
1
Anders
40
3
Geen
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.
40
80
100
Hoofdstuk 5
In dit laatste hoofdstuk formuleren we enkele conclusies en aanbevelingen.
Veel aandacht voor sportcultuur, maar niet voor alle thema’s Sportverenigingsbestuurders zijn positief over de sfeer, cultuur en diversiteit op de vereniging. Aansluitend bij landelijke bevindingen, hebben teamsportverenigingen en grote verenigingen een iets lagere zelfperceptie over dit thema, maar deze is nog steeds ruimschoots voldoende. Bij veel verenigingen in Den Haag staat het thema positieve sportcultuur op de beleidsagenda. Dit is sterker het geval bij verenigingen met jeugdleden. Tegelijkertijd zien we dat vooral positieve zaken, zoals het creëren van een pedagogisch sportklimaat en het vergroten van inclusie (‘iedereen is welkom hier’) op de agenda staan. Dit laatste kan echter op verschillende manieren worden geïnterpreteerd en biedt geen garantie voor een inclusieve cultuur en aandacht voor verschillende doelgroepen (Cremers & Elling, 2020). In verhouding is de aandacht voor het tegengaan van discriminatie en grensoverschrijdend gedrag beperkter. Basiseisen veilige sport De helft van de verenigingen in Den Haag met jeugdleden voldoet nog niet aan de eerst drie basiseisen voor een veilige sportvereniging. Vergeleken met landelijke cijfers uit 2022 voldoen in Den Haag iets meer verenigingen (met jeugdleden) aan de basiseisen. Echter is de inzet hierop de afgelopen jaren toegenomen, dus mogelijk ligt het landelijke percentage momenteel ook hoger.
Nieuwe landelijke cijfers worden in het najaar van 2024 verwacht. Algemene lhbtiq+-acceptatie groot, maar ook stereotyperende opmerkingen Het aandeel verenigingen met lhbtiq+-leden ligt iets hoger dan landelijk. Dit lijkt passend bij grote steden en zagen we eerder ook terug bij de gemeente Utrecht waar dit cijfer echter nog hoger lag (Cremers, Visser & Elling, 2023). Net als landelijk, lijkt de algemene lhbtiq+-acceptatie bij de verenigingen groot te zijn. Tegelijkertijd worden bij een deel van de verenigingen wel eens grappen of negatieve opmerkingen over lhbtiq+-personen gemaakt. Dit gebeurt ook over andere minderheidsgroepen. Het signaleren (en tegengaan) van dergelijke opmerkingen en grappen verdient extra aandacht bij verenigingen met jeugdleden. Het blijkt namelijk dat bij deze verenigingen vaker grappen en negatieve opmerkingen over lhbtiq+-personen worden gemaakt, dan in verenigingen zonder jeugdleden. Dit roept de vraag op in hoeverre (deze) sportverenigingen een plek zijn waar tieners in hun zoektocht naar
de eigen identiteit, zich comfortabel voelen open te zijn over hun seksuele voorkeur en genderidentiteit, indien deze ‘afwijkt’ van de norm. Aandacht sportcultuur en lhbtiq+-acceptatie bij kleine verenigingen beperkt Kleine verenigingen springen er vaker in negatieve zin uit met betrekking tot zaken rondom lhbtiq+-acceptatie en het realiseren van een positieve sportcultuur. Dit kan verklaard worden door het feit dat deze (landelijk) minder bezig zijn met thema’s als inclusie en discriminatie. Dit wordt mede veroorzaakt omdat dit vaak ook kleine, meer homogene groepen zijn. Dat wil overigens niet zeggen dat kleine verenigingen daarom per definitie een uitsluitende werking op anderen hebben. Sensitiviteit lhbtiq+-acceptatie Een groot deel van de bestuurders geeft aan niet te weten of er grappen of negatieve opmerkingen over lhbtiq+-personen gemaakt worden. Dit is in lijn met landelijk cijfers. Het duidt erop dat niet alle bestuurders er sensitief zijn,voor het signaleren van dergelijke uitingen op hun vereniging (Cremers & Elling, 2022). De sensitiviteit rondom de doelgroep lhbtiq+-personen lijkt zich bij bepaalde verenigingen te concentreren. Grote - en teamsportverenigingen, hebben vaker lhbtiq+-leden en signaleren vaker dat er grappen of negatieve opmerkingen worden gemaakt.
Ook hebben ze vaker te maken met zaken rondom genderdiversiteit, zoals de wens gebruik te maken van een aparte kleedkamer. Daarnaast lijkt er een groep verenigingen die minder sensitief is over deze doelgroep. Hoewel we dit ook landelijk terugzien, worden relatief veel vragen met ‘weet niet/niet van toepassing’ beantwoord.
Sportcultuur en inclusie zijn belangrijk, maar… De positieve benadering van de eigen verenigingscultuur komt voort uit het gegeven dat verenigingen gemiddeld zeer tevreden zijn met de sfeer en cultuur binnen de club. De sfeer en cultuur trekt immers veelal mensen aan die zich daarin herkennen. Dat maakt dat veel verenigingsbestuurders het weliswaar belangrijk vinden dat niemand bij hun vereniging wordt buitengesloten, maar dat is volgens hen vaak ook inherent aan hun vereniging (Cremers & Elling, 2020). Daarbij hebben zij juist niet altijd zicht op personen die deze cultuur als minder toegankelijk ervaren. Het is mede hierom een uitdaging om thema’s als positieve sportcultuur, lhbtiq+inclusie en het tegengaan van discriminatie duurzamer op de agenda van de clubs te laten landen. Daarbij speelt ook mee dat een deel van de Nederlandse sportverenigingen al veel uitdaging ervaart bij het organiseren van de basis van hun vereniging, namelijk het organiseren van sport. Sportverenigingen worden steeds meer geconfronteerd met externe (beleids)onderwerpen waarop ze actie moeten ondernemen (Stuij et al., 2023; Van Kalmthout et al., 2023). Een deel van de verenigingen is vitaal en bevindt zich in een positieve spiraal, maar het aantal ‘kwetsbare’ verenigingen dat zich in een negatieve
spiraal lijkt te bevinden neemt landelijk toe en lijkt in Den Haag rond een kwart te zitten (Van Kalmthout & Geurink, 2022; Meulenbroeks & Van Kalmthout, 2024, nog te verschijnen). Het is daarom de vraag hoe reëel het is van deze verenigingen (extra) aandacht voor thema’s als positieve sportcultuur, lhbtiq+-inclusie en het tegengaan van discriminatie te verwachten, laat staan dat zij het integraal opnemen in hun verenigingsbeleid. De mate waarin verenigingen aandacht hebben voor de verschillende onderdelen van een positieve sportcultuur, is ook weerspiegeld in de bestaande hulpvraag. Het vergroten van ouderbetrokkenheid is veruit de meest gevraagde ondersteuning. Deze maatregel draagt uiteraard ook indirect bij tot het vergroten van het aantal vrijwilligers bij de vereniging. De vraag is dan ook of dit niet meer wordt gezien als een maatregel tegen eventueel vrijwilligerstekort, waarbij positieve sportcultuur een mooie bijvangst is. Dat wil niet zeggen dat het belang van het agenderen van een positieve sportcultuur, inclusie en antidiscriminatie minder urgent is. De hoge mate van algemene acceptatie en de vermeende onschuld waarmee microagressies tegen lhbtiq+-personen vaak worden afgedaan, zorgen ervoor dat bestuurders vaak denken dat lhbtiq+-acceptatie bij hen op de vereniging geen enkel probleem is.
Echter, het verschilt sterk per vereniging of er daadwerkelijk lhbtiq+-personen lid zijn en in hoeverre zij zich er welkom voelen. Openlijke lhbtiq+-personen zoeken een sportomgeving waarin ze zo min mogelijk geconfronteerd worden met lhbtiq+negatieve uitingen. Als verenigingen net zo toegankelijk willen zijn voor lhbtiq+personen als voor hetero- en cisgender personen, moeten ze hun eigen sportcultuur kritisch bekijken. Is deze cultuur, ondanks het ontbreken van bekende incidenten rondom lhbtiq+-negativiteit, werkelijk voor iedereen toegankelijk? Verenigingen zijn hier echter beter toe in staat, wanneer ze weinig andere (praktische) problemen ervaren. Bij een vereniging waar zorgen zijn of er wel iemand is ‘om de ballen op te pompen’, is naast begeleiding bij het agenderen van een positieve sportcultuur en lhbtiq+-inclusie, vooral ook meer ondersteuning nodig bij het verhelpen van praktische problemen. Het lijkt daarom goed de inzet op een positieve sportcultuur en lhbtiq-inclusie ook te koppelen aan andere praktische vraagstukken van de vereniging. Vergroot bespreekbaarheid Daarnaast is het van belang om in te zetten op het wegnemen van ‘sociale kramp’ rondom het thema discriminatie. Sportverenigingen praten vaak liever over inclusie en het realiseren van een pedagogisch sportklimaat of positieve sportcultuur.
Verenigingen beschouwen discriminatie logischerwijs als iets ontoelaatbaars. Hierdoor bestaat echter vaak ook het denkbeeld, dat discriminatie binnen de eigen vereniging niet voorkomt of kan voorkomen (Cremers & Elling, 2022). Deze 'sociale kramp' maakt het onderwerp moeilijk bespreekbaar. Het beperkt de mogelijkheid om eigen (onbewuste) vooroordelen en stereotype denkbeelden te onderzoeken en te begrijpen hoe deze de verenigingscultuur beïnvloeden. Het is essentieel om hier
kritisch naar te durven kijken om inzicht te krijgen in de mate waarin (onbewuste) mechanismen actief zijn die sommige (potentiële) leden kunnen uitsluiten. De 'sociale kramp' hangt vaak samen met een 'kleurenblinde' houding die juist in de sport veel voorkomt (De Kwaasteniet et al., 2023). Hierbij wordt ervan uitgegaan dat iemands seksuele voorkeur, genderidentiteit, huidskleur, herkomst of geloofsovertuiging er niet toe doet, en dat iemands kwaliteiten doorslaggevend zijn. Of in het geval van de amateursport: 'onze vereniging staat open voor iedereen'. Hoewel dit goedbedoeld is, betekent het tegelijkertijd dat er te weinig oog is voor sociale ongelijkheid en stereotype denkbeelden, die een uitsluitende werking kunnen hebben. Hierdoor is er automatisch te weinig aandacht voor de uitsluitende mechanismes waarmee minderheidsgroepen in Nederland te maken kunnen hebben (De Jong et al., 2021). De gemeente kan de verenigingen hierbij bij op weg helpen door concrete antidiscriminatiemaatregelen te initiëren en faciliteren. Denk hierbij aan: Het oproepen tot melden en registreren van incidenten. Het delen van digitale informatie en het faciliteren van kennisdeling. Het organiseren van toegankelijke trainingen/workshops voor leden, trainers en bestuurders. Slachtoffers en clubs ondersteunen bij incidenten. Optreden tegen ‘genormaliseerde’ discriminerende uitingen en deze bestraffen.
Om het draagvlak voor deze interventies te creëren, is het ook hierbij van belang om de inzet hiervan te koppelen aan bestaande hulpvragen die verenigingen hebben op andere thema’s.
Bronnenlijst
Anderson, E., & Travers, A. (2017). Transgender athletes in competitive sport. Routledge. Cremers, R. & Elling, A. (2020). ‘Onze vereniging staat open voor iedereen’. Betekenisgeving aan inclusie van etnische minderheden door Utrechtse sportaanbieders. Mulier Instituut. Cremers, R. & Elling, A. (2021). Homoaccepatie op de sportvereniging. Factsheet 2021/29. Mulier Instituut. Cremers, R. & Elling, A. (2022). Lhbt+-acceptatie op de sportvereniging, horen daar grappen bij? In: Stevens, V. & Steenbergen, J. (red) Samenwerking, dialoog en zelforganisatie als kiemen van een positieve sportcultuur (pp. 62-72). Mulier Instituut. Cremers, R., & Elling, A. ( nog te verschijnen). Sportdeelname homo- en biseksuele personen. Mulier Instituut. De Jong, M., Ghorashi, H., Lovert, T., Mars, K., de Rooij, E., & Ustuner, E. (2021). Naar een inclusieve werkomgeving!: Inzichten vanuit werk- en levenservaring en paradoxen uit de praktijk. Hogeschool Inholland/Vrije Universiteit Amsterdam. De Kwaasteniet, R., Cremers, R., & Elling, A. (2023). Ons-kent-ons-mentaliteit viert hoogtij. Mechanismen van sociale in- en uitsluiting in he technisch topkader van sportorganisaties. Mulier Instituut. De Kwaasteniet, R. & Geurink, N. (2024, nog te verschijnen). Positieve sportcultuur in Haagse voetbalverenigingen onder de loep. Mulier Instituut. Elling, A., Anselma, M., & Cremers, R. (2023).
Monitor ‘ons voetbal is van iedereen’aanvalsplan tegen racisme en discriminatie in het voetbal: opbrengstenrapportage 2022. Mulier Instituut. Gemeente Den Haag (2022). Brief actieplan ‘Een positieve sportcultuur’ Den Haag 2023-2025. Gemeente Den Haag. Huijnk, W., Damen, R., Van Kampen, L. (2022). De leefsituatie van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender personen in Nederland. Sociaal en Cultureel Planbureau. Kuyper, L. (2016). LHBT-monitor 2016. Opvattingen over en ervaringen van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender personen. Sociaal en Cultureel Planbureau.
Meulenbroeks, N., & Van Kalmthout, J. (nog te verschijnen). Verenigingsmonitor Den Haag 2024. Mulier Instituut. MI verenigingspanel (2021). Verenigingspanel zomer 2021 Duurzaamheid, grensoverschrijdend gedrag, lhbti, racisme bsc [Dataset]. Mulier Instituut. Van Kalmthout, J., & Geurink, N. (2022). Verenigingsmonitor Den Haag 2022. Mulier Instituut.
Bijlage 1
Tabel B1.1 Responsanalyse sportverenigingen Den Haag naar type sport Populatie
Responsgroep
Aantal
Percentage
Aantal
Percentage
Binnensport
157
52%
73
47%
Buitensport
117
39%
63
40%
Beide
29
10%
20
13%
Totaal
303
100%
156
100%
Bron: Op basis van gegevens van de gemeente Den Haag
Tabel B1.2 Responsanalyse sportverenigingen Den Haag naar stadsdeel Populatie
Responsgroep
Aantal
Percentage
Aantal
Percentage
Centrum
39
13%
13
8%
Escamp
74
24%
34
22%
Haagse Hout
39
13%
21
13%
Laak
13
4%
9
6%
Leidschenveen-Ypenburg
16
5%
10
6%
Loosduinen
48
16%
29
19%
Scheveningen
33
11%
13
8%
Segbroek
31
10%
22
14%
Onbekend
9
3%
5
3%
Totaal
303
100%
156
100%
Bron: Op basis van gegevens van de gemeente Den Haag
Bijlage 2
Figuur B2.1 De mate waarop bij Haagse sportverenigingen met jeugdleden op bestuurlijk of uitvoerend niveau aandacht bestaat op het gebied van positieve sportcultuur ( in procenten, n=118) 0
20
40
60
80
Het professionaliseren van het trainingskader en pedagogisch sportklimaat
100
69
Het vergroten van ouderbetrokkenheid
62
Het bevorderen van inclusie en respect op de vereniging (iedereen is welkom)