RIS323651 Bijlage 3 Advies ACB inzake bezwaar tegen afwijzing verzoek wijziging omgevingsplan Geredigeerd
Tekst van het document
Adviescommissie bezwaarschriften
Ons kenmerk
JBN.2025.00409.001
Advies aan de gemeenteraad Bezwaarschrift van Bestreden besluit
verzoek wijziging omgevingsplan (vergunningenvrij aan- en uitbouwen Statenkwartier)
Den Haag, 15 juli 2025 Samenvatting Er is bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek om het omgevingsplan te wijzigen. Het college heeft terecht besloten om dit verzoek niet te honoreren. Het bestreden besluit kan in stand blijven. De bezwaren zijn ongegrond. Inleiding Op 29 januari 2024 heeft omgevingsplan ingediend.
een verzoek bij de gemeenteraad tot wijziging van het
Bij besluit van 17 december 2024 is namens het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) het door de gemeenteraad aan hem gedelegeerde verzoek afgewezen. Bij brief van 27 januari 2025 heeft ingediend, aangevuld op 2 april 2025.
(hierna: bezwaarmaker) hiertegen een bezwaarschrift
Op 4 april 2025 is namens het college een verweerschrift ingediend. Hoorzitting Op 15 april 2025 heeft de Adviescommissie bezwaarschriften (hierna: de commissie) een hoorzitting gehouden. Het verslag van deze hoorzitting treft u hierbij aan. De commissie baseert haar advies op het procesdossier en de overige, bij de partijen bekende stukken. Overwegingen van de commissie a.
Ontvankelijkheid
De commissie volgt het college in de stelling, verwoord in het verweerschrift dat bezwaarmaker ontvankelijk is en het bezwaarschrift terecht inhoudelijk in behandeling is genomen.
JBN.2025.00409.001 b.
2
Samenvatting van het bezwaarschrift
De bezwaren die bezwaarmaker in het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting naar voren heeft gebracht, komen samengevat op het volgende neer: 1. Het bestemmingsplan Statenkwartier is niet op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Er is geen enkel onderzoek verricht naar de verschillende diepten van de binnenterreinen, om permanente aantasting van de ruimtelijke kwaliteit en de cultuurhistorische waarden te voorkomen. Het college geeft aan dat er bij de Raad van State geen beroep is ingediend tegen de hoogte (en diepte) van vergunningsvrije aanbouwen. Ten onrechte wordt de suggestie gewekt dat er destijds geen opmerkingen op het concept bestemmingsplan waren. Het wijkoverleg Statenkwartier heeft in 2015 een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan Statenkwartier, waarbij zij constateerde dat het ontwerpbestemmingsplan op een aantal punten fors tekortschoot. 2. In Amsterdam is het wel mogelijk gebleken een voorbereidingsbesluit te nemen om ongewenste kolossale aanbouwen te stoppen, waarbij opgemerkt wordt dat de bestaande situatie positief is bestemd. Een soortgelijk besluit kan ook in Den Haag worden genomen. Verzocht wordt om een voorbereidingsbesluit te nemen om de te ruime toekenning van bouwmogelijkheden te corrigeren, die het cultureel erfgoed in Den Haag voorgoed aantasten.
Er dient rekening te worden gehouden met de eisen omtrent klimaatadaptatie (waterberging en hitte) door het behoud van groene binnenterreinen, en het respecteren van de typerende cultuurhistorische waarden. 3. Het college stelt dat het nodig is om de hoogte van de aanbouw aan te laten sluiten op de verdiepingshoogte van het hoofdgebouw, om de uitbouw op een zowel bouwkundige als esthetisch verantwoorde wijze te kunnen bouwen. Bezwaarmaker vindt de voorheen geplaatste aanbouwen beter, die typisch voor het Statenkwartier aansloten op de tussendorpel op ongeveer 2,50 meter hoogte, en waarvan de dakhoogte maximaal 3 meter was. Het voorheen bestaande typerende doorzicht is nu volledig afgedekt. Het aanzicht is zo lelijk dat er slechts één mogelijkheid rest: zelf ook zo’n aanbouw bouwen. Ook de Welstands- en Monumentencommissie was, in verband met een aanvraag voor Prins Mauritslaan 62, van mening dat de hoogte niet passend is. 4. De Nota Omgevingskwaliteit Den Haag 2025, die nu ter inzage ligt, vermeldt als bepalend voor het Rijksbeschermd stadsgezicht Statenkwartier, en als een van de uitgangspunten voor ingrepen hierin, “de ruimtewerking van het van oorsprong groene en grotendeels onbebouwde binnenterrein in de bouwblokken”.
Dit zal inhouden dat 4 meter diepe en 4 meter hoge aanbouwen door de Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed (AOCE) waarschijnlijk zullen worden afgewezen. 5. In het nieuwe omgevingsplan is een aanbouw volgens artikel 22.38 (onderdeel van paragraaf 22.2.7.3) – en nu reeds van toepassing – in geen geval vergunningsvrij in een Rijksbeschermd stadsgezicht. c.
Waar gaat het in dit geval om?
Aan de orde is de vraag of het college aanleiding had moeten zien om het omgevingsplan op de door bezwaarmaker aangegeven punten te wijzigen en een voorbereidingsbesluit te nemen. d.
Inhoudelijke beoordeling bezwaren
Met betrekking tot deze bezwaren en het bestreden besluit overweegt de commissie als volgt: Voorafgaand Op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad de bevoegdheid tot het wijzigen van delen van het omgevingsplan delegeren aan het college. Dit vindt plaats via een zogeheten delegatiebesluit. Op grond van artikel 1, aanhef en onder f, van het Delegatiebesluit omgevingsplan Den Haag 2023, heeft de gemeenteraad besloten om de bevoegdheid tot vaststelling dan wel wijziging van het omgevingsplan te delegeren aan het college, voor zover het betreft het nemen van besluiten, om niet tot aanpassing van het omgevingsplan over te gaan. Dit geldt echter niet voor de bevoegdheid om op een bezwaar te beslissen. Op grond van artikel 10:3, derde lid, van de Awb wordt mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift of een
JBN.2025.00409.001
3
verzoek als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, niet verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Het mandaat van de raad aan het college om namens hem een verzoek om planherziening af te wijzen, voorziet er niet in (en ook artikel 10:3, derde lid, van de Awb staat eraan in de weg), dat het college in bezwaar beslist over de weigering het bestemmingsplan te herzien. Die bevoegdheid is voorbehouden aan de raad1. Dit betekent dat de gemeenteraad zelf de beslissing op het bezwaar zal nemen. Overwegingen ten aanzien van de bezwaren 1 t/m 5 Bezwaarmaker wenst de volgens hem ruime toekenning van bouwmogelijkheden in het Statenkwartier, die volgens hem het cultureel erfgoed aantasten, gecorrigeerd te zien, middels een wijzing van het omgevingsplan, om onder meer het groene karakter en het waterbergend vermogen van de grotendeels onbebouwde binnenterreinen te behouden, alsmede om de doorzichten naar de open einden van de bouwblokken van licht en lucht te blijven respecteren. Bezwaarmaker acht de mogelijke hoogte van aan- en uitbouwen niet passend. Aanleiding voor het verzoek was de aanbouw bij de Prins Mauritslaan 62, wat overigens in deze procedure verder niet ter discussie staat.
Aansluitend is gevraagd om een voorbereidingsbesluit te nemen, waarmee alle bouwrechten voor nieuwe, meer dan 3 meter hoge, aan- en uitbouwen kunnen worden tegengehouden. De maximale hoogte wil bezwaarmaker afgestemd zien op het woningtype (max. 2,70 meter hoogte bij herenhuizen van 15 à 16 meter diep). Redenen voor de raad om het omgevingsplan niet te wijzigen kunnen bijv. zijn: • De gewenste ontwikkeling past niet binnen gemeentelijk beleid. Dit kan blijken uit bijvoorbeeld de omgevingsvisie. Geen evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) of strijd met andere doelen van de Omgevingswet. • Voor de gewenste ontwikkeling zijn regels nodig, die in strijd zijn met de doelen van de Omgevingswet. • Er is geen bereidheid bij de gemeenteraad om het omgevingsplan aan te passen (hierbij kunnen ook financiële overwegingen meespelen). Gelet op de motivering in het bestreden besluit, lijkt dit laatste aan de orde te zijn. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Statenkwartier’, vastgesteld in 2017, onherroepelijk op 2 mei 2018, en per 01-01-2024 opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, zijn 4 meter hoge uitbouwen mogelijk, afhankelijk van bestaande verdiepingshoogten van hoofdgebouwen. Het bestemmingsplan is bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan.
Aangezien vergunningvrij bouwen in beginsel niet van toepassing is in dit Rijksbeschermd stadsgezicht, is destijds een qua oppervlakte aangepaste regeling voor aan- en bijgebouwen opgenomen. Afgezien van het feit dat er geen verplichting bestaat om de ruimtelijke regelgeving te wijzigen, waarin – zoals bezwaarmaker voorstelt - het Rijkbeschermd stadsgezicht wordt ‘vastgezet’ in de bestaande, oorspronkelijke situatie, hebben de ingediende zienswijzen destijds bij het ontwerpbesluit voor het bestemmingsplan van 14 april 2016 ten aanzien van de regels over aan- en bijgebouwen ook niet geleid tot aanpassing. De bestaande planregels blijven dus een gegeven. Los van het feit dat het bevoegde bestuursorgaan op grond van vaste rechtspraak beleidsruimte heeft om al dan niet tot een wijziging van de toepasselijke ruimtelijke regelgeving over te gaan, stelt de commissie vast dat het geldende bestemmingsplan destijds onherroepelijk is geworden en het plan uit 1992 heeft vervangen. Zoals verweerder terecht opmerkt kunnen er rechten door derden ontleend worden aan het plan. De belangen van betrokkenen om het legaal gebruik voort te zetten en niet weg te bestemmen, alsmede de beleidskeuze voor de in de planregels vastgelegde mogelijke maatvoering voor aan- en bijgebouwen, weegt zwaarder dan het belang van bezwaarmaker om dit te laten wijzigen.
De Adviescommissie Omgevingskwaliteit en Cultureel Erfgoed (AOCE) dient bij aanvragen te adviseren binnen die ruimtelijke bouwmogelijkheden van het omgevingsplan, zoals verweerder terecht heeft gesteld in het verweerschrift.
1
AbRvS, 19-10-2022, ECLI:NL:RVS:2022:3004, r.o. 8.2.
JBN.2025.00409.001
4
De commissie ziet in het voorgaande geen aanleiding om te oordelen dat het college niet tot weigering van het verzoek mocht komen, een en ander gelet op de beleidsruimte die bestaat. Voor zover de stelling van bezwaarmaker, dat er sprake zou zijn van een omissie in het bestemmingsplan ten koste van de door hem genoemde belangen op het gebied van natuur en klimaat, al juist is en de gemeenteraad (destijds bij de vaststelling van het bestemmingsplan) een vergissing zou hebben gemaakt, betekent dat niet dat dit nu moet leiden tot aanpassing. Met het oog op de rechtszekerheid kan alleen in zeer uitzonderlijke situaties worden aangenomen dat een bestemmingsplan een kennelijke misslag bevat. Het belang van de rechtszekerheid vereist dat van de planregels moet worden uitgegaan. Daarbij speelt ook het tijdsverloop een rol, omdat aan de rechtszekerheid meer gewicht toekomt naarmate er meer tijd is verstreken. Sinds de vaststelling van het bestemmingsplan zijn 8 jaar verstreken. De raad heeft nog geen aanleiding gezien om een wijziging aan te brengen in de planologische mogelijkheden2. De commissie overweegt dat de weigering van het verzoek om wijziging van het bestemmingsplan Statenkwartier op juiste gronden is genomen. Het verzoek is terecht afgewezen.
Nu er geen bereidheid bestaat om het omgevingsplan te wijzigen, is het ook niet nodig (en mogelijk) om een voorbereidingsbesluit te nemen. Ook overigens meent de commissie dat het bestreden besluit niet in strijd is met de toepasselijke regels of met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Advies De commissie is van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven en adviseert daarom het bezwaar ongegrond te verklaren. De Adviescommissie bezwaarschriften, secretaris,
vice-voorzitter,
Bijlage: verslag hoorzitting. 2
Rechtbank Midden-Nederland, 14-02-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:684, r.o. 28