RIS323651 Bijlage 1 Aanvulling bezwaarschrift Geredigeerd
Tekst van het document
Adviescommissie Bezwaarschriften Postbus 12600 2500 DJ Den Haag acb@denhaag.nl Den Haag, 2 april 2025 Onderwerp: Nadere schriftelijke toelichting op bezwaarschrift van 27 januari 2025 (DSO/10831494), tegen besluit d.d. 17 december 2024 inzake vergunningvrij aan- en uitbouwen Statenkwartier; uw kenmerk JBN.2025.00409.001 Geachte leden van de Adviescommissie Bezwaarschriften, Hierbij volgt een nadere toelichting op mijn bezwaarschrift van 27 januari j.l.tegen het besluit van 17 december 2024 inzake 4 m hoge vergunningvrije aan- en uitbouwen in het Statenkwartier. Dit besluit volgde op mijn brief met betrekking tot deze aan- en uitbouwen in het Statenkwartier aan de gemeenteraad en aan Burgemeester en Wethouders van 29 januari 2024. Inmiddels is de situatie enigszins gewijzigd: •
De Nota Omgevingskwaliteit Den Haag 2025, die nu ter inzage ligt, vermeldt als bepalend voor het rijksbeschermd stadsgezicht Statenkwartier en als een van de uitgangspunten voor ingrepen hierin ‘’de ruimtewerking van het van oorsprong groene en grotendeels onbebouwde binnenterrein in de bouwblokken’’. Dit zal inhouden dat 4 m diepe en 4 m hoge aanbouwen door de Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed waarschijnlijk zullen worden afgewezen. Zie Figuur 1,2 en 3.
Figuur 1, 2 en 3. De tuin na de aanbouw bij Prins Mauritslaan 62 vanaf Prins Mauritslaan 64 en uitzicht vanuit Prins Mauritslaan 60
•
Deze Nota Omgevingskwaliteit sluit hiermee aan op het aanwijzingsbesluit van het rijksbeschermd stadsgezicht Statenkwartier, dat verwijst naar het bestemmingsplan 1992, waarin voor de groene binnenterreinen gestreefd wordt naar ‘’het zoveel mogelijk openhouden van de binnenterreinen ’’. Daar is geen sprake van bij 4 m diepe en 4 m hoge aanbouwen in de 6 tot veelal 10 m diepe tuinen in het Statenkwartier. Recent uitgevoerde vrijwel 4 m hoge aanbouwen zijn ten onrechte door de gemeente vergunningvrij verklaard: de hoge aanbouwen voldeden niet aan Artikel 25 van het bestemmingsplan.
Nadere schriftelijke toelichting op bezwaarschrift van 27 januari 2025,
, 2025 04 02
1
Voor de toelichting is gebruik gemaakt van de meest relevante literatuur inzake de Haagse architectuur-geschiedenis. Fragmenten van een aantal van deze zijn als bewijs opgenomen in de Bijlagen, waarbij de meest relevante passages geel zijn gemarkeerd. •
A. (André) J.M. Stoffels (ca. 1915), directeur van het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht (van ’sGravenhage van 1906 tot 1920, Aanteekeningen van den Directeur van het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht met 7 bijlagen. Plaatsen van gebouwen ten opzichte van den openbaren weg en van elkander.
•
Ir. P. (Pieter) Bakker Schut (1939), directeur van de Gemeentelijke Dienst van Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting te ’s-Gravenhage. De volkshuisvesting te ’s-Gravenhage 1914-1939. Vijf en twintig jaar overheidsbemoeiing met de volkshuisvesting. Samson N.V., Alphen aan den Rijn.
•
Ir. P. Bakker Schut (1948), het gemeentebestuur van ’s-Gravenhage. Enige grondslagen voor de stedebouwkundige ontwikkeling van ’s-Gravenhage. Drukkerij Hega, ’sGravenhage.
•
Ir. P. Bakker Schut (1952) , dr. A. Roodvoets, hoofdambtenaar Woningwetzaken bij Stadsontwikkeling en Wederopbouw en Bouw- en Woningtoezicht Rotterdam, e.a. 50 jaar Woningwet 1902-1952. Gedenkboek samengesteld in opdracht van de Centrale Directie van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting van het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting van het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting en het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw. Samson N.V., Alphen aan den Rijn.
•
Dr. P. (Pieter) R.D. Stokvis (1987), stadsgeschiedschrijver van het Haags Gemeentearchief van 1981 tot 1985. De wording van modern Den Haag. De stad en haar bevolking van de Franse tijd tot de Eerste Wereldoorlog. Uitgeverij Waanders, Zwolle.
•
Victor Freijser (Ed.) (1991), architectuurhistoricus en hoofd Welstand Dienst Bouwen en Wonen. Het veranderend stadsbeeld van Den Haag. Plannen en processen in de Haagse stedebouw 1890-1990. Uitgave ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Geschiedkundige Vereniging Die Haghe. Waanders Uitgevers, Zwolle.
•
Dienst Ruimtelijke en Economische Ontwikkeling (REO), Afdeling Monumentenzorg (1992), J.A van der Hoeve, ir. P. (Paul) C. Lankamp, stedebouwkundige, drs. H.P.R Rosenberg, drs. E.C. Vaillant, drs. D. Valentijn, architectuur-historici, Monumenten Inventarisatieproject Den Haag 1850 - 1940. SDU, Den Haag.
•
Dr. Henk Schmal (1995), sociaal geograaf. Den Haag of ’s-Gravenhage. De 19de-eeuwse gordel, een zone gemodelleerd door zand en veen. Proefschrift, Universiteit van Amsterdam. Uitgeverij Matrijs.
Daarnaast is gebruik gemaakt van teksten uit bestemmingsplannen van het Statenkwartier, documenten met betrekking tot het beschermd stadsgezicht en de Haagse bouwverordeningen. • Verordening Statenkwartier 1962 • Bestemmingsplan Statenkwartier 1992 • Bestemmingsplan Statenkwartier 2017 • •
Besluit Rijksbeschermd stadsgezicht Statenkwartier van 26 juli 1996 Toelichting Rijksbeschermd stadsgezicht Statenkwartier, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist, 1994; historisch-geografisch en stedebouwkundig onderzoek drs. Dick Valentijn en ir. Paul Lankamp
• • • • • •
Bouw- en woonverordening 1905 Herziene Bouw- en woonverordening 1918 Herziene Bouw- en woonverordening 1936 Bouwverordening 1978 Bouwverordening 1993 Bouwverordening 2014
Nadere schriftelijke toelichting op bezwaarschrift van 27 januari 2025,
, 2025 04 02
2
Een aantal uitgangspunten wordt hier alvast toegelicht voor een beter begrip van het vervolg. Het gaat in het Statenkwartier om: ▪ een bouwblokbreedte van 50 m met percelen van 25 m; ▪ een afstand tussen de voorgevelrooilijnen van 40 of 45 m in geval van voortuinen, of anders 50 m; ▪ een afstand tussen de achtergevels van 14 tot 22 m; ▪ woningen van veelal 12,5 tot 16 m diep; ▪ een achtererf van veelal 6 tot 10 m diep, tot 12,5 m; ▪ een plafondhoogte van de begane grond van de herenhuizen tussen 3,2 en 3,6 m. Het gehele vloerpakket bedraagt bij houten vloeren ongeveer 0,29 m. Volgens de bestemmingsplanregels zouden aanbouwen 0,3 m boven de hoogte van de eerste verdiepingsvloer mogen worden aangelegd, wat inhoudt dat deze 3, 8 tot 4,2 m hoog zijn. •
Bouw- en woonverordening 1905 Artikel 26. ▪ Het is verboden buiten de rooilijn te bouwen of uit te bouwen behoudens vergunning van Burgemeester en Wethouders; Artikel 27. ▪ Van elk perceel moet minstens 3/10 gedeelte van de oppervlakte onbebouwd blijven. het onbebouwde gedeelte mag niet overbouwd worden; Artikel 84. ▪ Alle vertrekken moeten onmiddellijk licht en lucht van buiten ontvangen.
•
Herziene Bouw- en woonverordening 1918 Artikel 1. ▪ Op zichzelf staande muren, heiningen, schuttingen en hekken niet hooger dan 3 M boven het hoogste erf, waaraan zij grenzen; priëelen, niet hooger dan 3 M boven den grond; ▪ hokken … niet hooger dan 2.25 M boven den grond, samen geen groteren inhoud hebbende dan 12 M3; Artikel 28. ▪ Geen deel van het gebouw mag de lijnen overschrijden, welke bij Raadsbesluit als grenslijnen van de bebouwing aan de binnenzijde van een bouwblok zijn vastgesteld. ▪ moet van elk bouwperceel …ten minste 3/10 onbebouwd en niet overbouwd blijven; Artikel 89. ▪ Ieder vertrek moet rechtstreeks van buiten daglicht en lucht ontvangen door een of meer beweegbare, slaande ramen of door glasdeuren, voor zoover de lichtdoorlatende oppervlakte daarvan met die van ramen overeenkomt.
•
Herziene Bouw- en woonverordening 1936 Artikel 28. ▪ Voor zooveel de achtergevelrooilijn niet bij afzonderlijk besluit van den Gemeenteraad is vastgesteld, loopt deze lijn evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en op zoodanigen afstand daarvan, dat van het bouwperceel, voor zooveel dit achter de voorgevelrooilijn ligt, door genoemde rooilijnen en de zijgrenzen van het bouwperceel wordt ingesloten 5,5/10 voor bebouwing met woningen; ▪ Genoemde verhouding is 7/10 voor een bouwperceel, welke bij het in werking treden van de bepalingen van dit artikel reeds was aangelegd; Artikel 29. ▪ Op een terrein (achter een woning) mag worden opgericht een gebouwtje, diende tot bergplaats, niet hooger dan 2,4 m en geen grotere oppervlakte dan 5 m2 en geen schoorsteen heeft; Artikel 31 ▪ De onderlinge afscheidingen van achtertuinen mogen niet hooger zijn dan 2,2 m. Artikel 89 Elk vertrek moet rechtstreeks van buiten daglicht en lucht ontvangen door een of meer in buitenmuren aangebrachte beweegbare staande ramen. (Onder ramen worden mede verstaan glasdeuren, voor zooveel de lichtdoorlatende oppervlakte daarvan met die van ramen overeenkomt);
Nadere schriftelijke toelichting op bezwaarschrift van 27 januari 2025,
, 2025 04 02
3
•
Verordening Statenkwartier 1962 Artikel 5 ▪ Bijgebouwen, behorende bij woonhuizen, mogen geen grotere oppervlakte hebben dan van 5 m2, voor zover hierdoor niet meer dan 7/10 van het gehele bouwperceel wordt bebouwd, bij elk huis bovendien een garage aanwezig mag zijn met een oppervlakte van ten hoogste 18 m2 en een goothoogte van ten hoogste 2,75 m;
•
Bouwverordening 1978 Artikel 50 ▪ Het bij een eengezinshuis behorende erf mag, voor zover dat achter het huis is gelegen, slechts zijn bebouwd met een bergplaats voor huishoudelijke doeleinden, met geen grotere inwendige oppervlakte van 9 m2 en geen grotere uitwendige hoogte dan 2,5 m. ▪ een voor auto’s van de weg af bereikbare garage met geen grotere uitwendige oppervlakte dan 20 m2 en geen grotere uitwendige hoogte dan 2,5 m.
•
Bestemmingsplan Statenkwartier 1992 Artikel 5 ▪ Buiten de bouwstrook mogen bijgebouwen worden gebouwd met een gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 20 m2; ▪ Per perceel mag niet meer dan 40% van het achtererf worden bebouwd; ▪ De hoogte van de bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3 m.
•
Bouwverordening 2014 Artikel 2.5.11 ▪ In de zone 2, 3 en 4 bevindt de achtergevelrooilijn zich in een aan alle zijden bebouwd bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 7/10 gedeelte in zone 1 (centrum) en zone 2 (oudere woonwijken) 5,5/10 gedeelte in zone 3 (nieuwbouwwijken) en 8/10 gedeelte in zone 4 industrieterreinen), doch in zones 2 en 3 op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 m. Voor meer informatie over de zones wordt verwezen naar de in deze verordening genoemde kaart S 10416 met zone-indeling van 30 oktober 2002; zie Bijlage 1 voor een beschrijving van de zones. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Woningwet, bleven de voorschriften van de bouwverordening buiten toepassing, indien die voorschriften niet overeenstemden met de voorschriften van het bestemmingsplan.
De punten die nader worden toegelicht betreffen: 1.
In het nieuwe omgevingsplan is een aanbouw volgens art. 22.38 (onderdeel van paragraaf 22.2.7.3) - en nu reeds van toepassing - in geen geval vergunningvrij in een rijksbeschermd stadsgezicht;
2.
Beoordeling door de Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed is daarom noodzakelijk. Er wordt getoetst aan de ‘’de ruimtewerking van het van oorsprong groene en grotendeels onbebouwde binnenterrein in de bouwblokken’’. De 4 m hoge aanbouwen voldoen hier niet aan;
3.
Het is mogelijk dat bij de bouw in de koopcontracten een erfdienstbaarheid is opgenomen met betrekking tot het niet bebouwen van het binnenterrein; er is dan sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering, waardoor dit bij de vergunningverlening al moet worden nagegaan;
4.
De afmetingen van de herenhuizen tot 16 m diep en plafondhoogtes van 3,2 tot 3,6 m en tuinen van slechts 6 tot 10 m diep wijken sterk af van het overgrote deel van de rijwoningen in Nederland met een diepte van de woning van 10 m en een plafondhoogte van 2,40 of 2,60 m. Het aansluiten op de landelijke regeling is daarmee een aberratie. Er is door het College geen onderzoek gedaan naar de effecten van aansluiting op de landelijke regeling.
Nadere schriftelijke toelichting op bezwaarschrift van 27 januari 2025,
, 2025 04 02
4
Ad 1
Aanbouw niet vergunningvrij
In het nieuwe omgevingsplan is een aanbouw volgens art. 22.38 (onderdeel van paragraaf 22.2.7.3) - en nu reeds van toepassing - in geen geval vergunningvrij in een rijksbeschermd stadsgezicht. Een aanbouw was voorheen volgens Bijlage II van het BOR, artikel 3, lid 1 alleen vergunningvrij indien het bestemmingsplan het toelaat. Er moet ook getoetst worden aan Artikel 25 Waarde - Cultuurhistorie. De cultuurhistorische waarden zijn aangegeven in het aanwijzingsbesluit en de toelichting behorende bij het rijksbeschermd stadsgezicht, zoals aangegeven wordt door het College bij vergunningaanvragen: ‘’Indien het bouwen betrekking heeft op de uiterlijke verschijningsvorm van een bouwwerk dient voorafgaande aan het bouwen over de cultuurhistorische waarden als bedoeld in voornoemd aanwijzingsbesluit en de toelichting daarop, advies te worden ingewonnen bij de commissie als bedoeld in artikel 1, lid 9 van de Monumentenverordening Den Haag of een deskundige op het gebied van Monumentenzorg.’’ Het Besluit Rijksbeschermd stadsgezicht Statenkwartier van 26 juli 1996 (zie Bijlage 2) vermeldt het volgende: ‘’Dat het vigerende bestemmingsplan ‘’Statenkwartier’’ (GS 20-4-1993) wordt geacht in het gestelde in artikel 36 van de Monumentenwet 1988 te voorzien’’.
Dit bestemmingsplan gaat uitdrukkelijk in op de bescherming van de open binnenterreinen, die daarmee mede onderdeel zijn van de te beschermen cultuurhistorische waarden. Zie Figuur 4 en 5 voor de gebruikte teksten in het Bestemmingsplan Statenkwartier van 27 augustus 1992 (goedgekeurd 20 april 1993) waarnaar dit Besluit verwijst. Een bouwplan is daarmee slechts vergunningvrij, als het de cultuurhistorische waarden van het open binnenterrein respecteert.
Figuur 4. Bestemmingsplan Statenkwartier 1992, Deel A Toelichting Hoofdstuk 4.5 Bestemmingen Artikel 4.5.1 a.
Figuur 5. Bestemmingsplan Statenkwartier 1992; Deel B Voorschriften Artikel 5 Woondoeleinden a lid 3.2 h
De architectonische, stedebouwkundige en cultuurhistorische waarden worden door hoge en diepe aanbouwen niet in stand gelaten. Na de aanleg van de aanbouw en een klein terras blijft er noch een tuin over, noch een gevoel van een open binnenterrein. In de laatste jaren zijn deze aanbouwen door het College daarom ten onrechte vergunningvrij verklaard. Nadere schriftelijke toelichting op bezwaarschrift van 27 januari 2025,
, 2025 04 02
5
Ad 2 Beoordeling door de Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed In de beoordeling van de welstands- en monumentencommissie mist daarnaast het onderscheid tussen de grote 15 tot 16 m diepe herenhuizen zonder aanbouw, maar met een sinds de bouw aanwezige 2,5 m diepe inpandige serre, en de kleinere beneden- en bovenwoningen met een aanbouw in de tuin voor de lagere middenstand, zoals deze werden gebouwd tussen 1895 en 1920. Deze hiërarchie binnen het Statenkwartier is beschreven in het Monumenten Inventarisatieproject Den Haag 1850 - 1940, van Henk Rosenberg, Christaan Vaillant, Dick Valentijn en anderen (1992), zie Bijlage 3. Aanbouwen werden van ongeveer 1895 tot 1920 toegepast, nadat de typisch Haagse hofjeswoningen op binnenterreinen in 1892 verboden werden, hoewel ontheffing mogelijk bleef totdat de Bouw- en woonverordening in 1906 werd ingevoerd. Voor meer informatie over de (typisch Haagse) achteraanbouwen wordt verwezen naar: • • • •
Pieter Bakker Schut (1939), De volkshuisvesting te ’s-Gravenhage 1914-1939. Vijf en twintig jaar overheidsbemoeiing met de volkshuisvesting (zie Bijlage 4); Pieter Bakker Schut (1948), Enige grondslagen voor de stedebouwkundige ontwikkeling van ’s-Gravenhage (zie Bijlage 5); Pieter Stokvis (1987), De wording van modern Den Haag. De stad en haar bevolking van de Franse tijd tot de Eerste Wereldoorlog (zie Bijlage 6); Victor Freijser (Ed.) (1991), Het veranderend stadsbeeld van Den Haag. Plannen en processen in de Haagse stedebouw 1890-1990 (zie Bijlage 7).
In deze korte periode werden aanbouwen bij de woningen voor de lagere middenstand overigens heel anders gemaakt, zie Figuur 6. Alle kamers hadden volgens de bouwverordening toegang tot licht en lucht (waarnaar uitgebreide studies waren gedaan) en omdat de buren exact dezelfde aanbouw hadden, kregen deze geen uitzicht op een blinde muur. Dit verklaart de I-vorm van de aanbouwen achter de smalle beuk destijds. De nu toegepaste Lvormen waren niet mogelijk, omdat uit berekeningen volgde dat dan te weinig daglicht aanwezig was in de achterkamer. Een 4 m diepe L-vorm is daarmee vanuit cultuurhistorisch oogpunt ongepast, en voldoet ook nu niet aan de eisen aan daglichttoetreding in de dan tot 20 m diepe woning.
Figuur 6. Afbeelding uit A. (André) J.M. Stoffels (ca. 1915), Aanteekeningen van den Directeur van het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht met 7 bijlagen. Plaatsen van gebouwen ten opzichte van den openbaren weg en van elkander.
Nadere schriftelijke toelichting op bezwaarschrift van 27 januari 2025,
, 2025 04 02
6
Bijlage 5 (Enige grondslagen voor de stedebouwkundige ontwikkeling van ’s-Gravenhage) bevat tevens een overzicht van 350 jaar strijd tegen de achteraanbouw in Den Haag. De aanbouw in de tuin werd door mensen uit het vakgebied namelijk als een misstand beschouwd. In het boek 50 jaar Woningwet 1902- 1952 is hierover door Dr. A. Roodvoets aangegeven (blz. 238, zie Bijlage 8): ‘’Door deze aanbouwen… wordt toetreding van licht en lucht aan de achterzijde belemmerd. Het heeft tot 1920 geduurd vooraleer aan deze misstand een eind werd gemaakt door wijziging der bouwverordening’’. Een 4 m diepe en hoge aanbouw is vanuit cultuurhistorisch oogpunt in geen geval passend bij de nu al 15 tot 16 m diepe herenhuizen. De kolossale hoogte van bijna 4 m en de dan zo’n 20 m diepe woning is daarbij een exces dat ook voor niet-deskundigen evident is, zie Figuur 7 en 8.
Figuur 7 en 8. Simulatie van de aantasting van het open binnenterrein door de 4 m diepe en meer dan 4 m hoge aanbouwen.
Ad 3. Erfdienstbaarheid en evidente privaatrechtelijke belemmering Bouwgrondmaatschappijen hadden er belang bij om hun woningen goed te kunnen verkopen of verhuren, omdat de vraag naar dure woningen niet onbeperkt was. Met behulp van servituten werden de belangen veilig gesteld. Er wordt verwezen naar het proefschrift van Henk Schmal (1995), Den Haag of ’s-Gravenhage, de 19de-eeuwse gordel, een zone gemodelleerd door zand en veen -zie Bijlage 9- voor een korte achtergrond in de destijds gebruikelijke servituten, evenals naar het eerder genoemde Pieter Stokvis (1987), De wording van modern Den Haag. De stad en haar bevolking van de Franse tijd tot de Eerste Wereldoorlog, zie Bijlage 6. Dat op de gekochte gronden niet anders mocht worden gebouwd dan herenhuizen, verwijst naar het hier eerder ontwikkelde verhaal van de hofjes en de achteraanbouwen die door de bouwers werden toegepast bij de beneden- en bovenwoningen in de minder belangrijke zijstraten voor de lagere middenklasse, om zoveel mogelijk woonruimte op het grondvlak te scheppen nadat de hofjesbouw werd verboden in 1892. Zonder kennis van deze geschiedenis is het niet mogelijk de partijbedoeling van deze erfdienstbaarheid correct te interpreteren. De evidente privaatrechtelijke belemmering staat verlening van een omgevingsvergunning in de weg.
Ad 4. Ontbrekend onderzoek impact aanbouwen Het College heeft, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de gemeente Amsterdam, geen enkel onderzoek uitgevoerd naar de impact van 4 m diepe en 3,8 tot 4,2 hoge aanbouwen bij herenhuizen met een perceelbreedte van zo’n 6,5 m en tuinen van slechts 6 tot 10 m diep, afgezien van het verkleinen van het toegestane bebouwingsoppervlakte ten opzichte van de landelijke regeling. Toch is zij hier in 2015 bij de ingediende zienswijze voor de vaststelling van het Bestemmingsplan Statenkwartier van 2017 al door de Stichting Wijkoverleg Statenkwartier uitgebreid op gewezen. Er is geen rekening gehouden met de kleine tuinen bij de tot 16 m diepe woningen met plafondhoogtes van 3,2 tot 3,6 m, die volledig afwijken van het overgrote deel van de rijwoningen in Nederland met een diepte van de woning van zo’n 10 m, en een plafondhoogte van 2,40 of 2,60 m; zie Bijlage 10. Het aansluiten op de landelijke regeling is door de 20 m diepe woningen en de erfafscheidingen van 4 m hoog die daarmee ontstaan een aberratie.
Nadere schriftelijke toelichting op bezwaarschrift van 27 januari 2025,
, 2025 04 02
7
Bijlage 6
P. R.D. Stokvis (1987), De wording van modern Den Haag. De stad en haar bevolking van de Franse tijd tot de Eerste Wereldoorlog. Uitgeverij Waanders, Zwolle.
Bijlage 7
Victor Freijser (Ed.) (1991) Het veranderend stadsbeeld van Den Haag. Plannen en processen in de Haagse stedebouw 1890-1990. Uitgave ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Geschiedkundige Vereniging Die Haghe. Waanders Uitgevers, Zwolle.
Bijlage 8
P. Bakker Schut (1952) , dr. A. Roodvoets, hoofdambtenaar Woningwetzaken bij Stadsontwikkeling en Wederopbouw en Bouw- en Woningtoezicht Rotterdam, e.a. 50 jaar Woningwet 1902-1952. Gedenkboek samengesteld in opdracht van de Centrale Directie van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting van het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting van het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting en het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw. Samson N.V., Alphen aan den Rijn.
Bijlage 9
Henk Schmal (1995), Den Haag of ’s-Gravenhage. De 19de-eeuwse gordel, een zone gemodelleerd door zand en veen. Proefschrift, Universiteit van Amsterdam. Uitgeverij Matrijs.
Bijlage 10
TU Delft Introductie: Minor Stedenbouw in de Delta; Stedenbouwkundige basisbegrippen. https://ocw.tudelft.nl/courses/introductie-minor-stedenbouw-in-dedelta/subjects/stedenbouwkundige-basisbegrippen/ [geraadpleegd 2 april 2025]
Nadere schriftelijke toelichting op bezwaarschrift van 27 januari 2025,
, 2025 04 02
9
Bijlage 1 Kaart van Den Haag met zone-indeling (S 10416) van 30 oktober 2002
Bijlage 3
Bijlage 4
Bijlage 5
Bijlage 6
Bijlage 7
Bijlage 8
Bijlage 9
Bijlage 10 Introductie: Minor Stedenbouw in de Delta 1. Stedenbouwkundige basisbegrippen Bebouwingstypen Verkavelingsplannen kunnen zowel laagbouw als gestapelde bouw bevatten. Meestal is aan het stedenbouwkundig patroon te zien om welk type bebouwing het gaat. Onderscheiden kunnen worden: 1. Laagbouw, ook wel genoemd eengezinswoningen of herenhuizen. Ook woningen, waarvan de begane grond een andere functie heeft: winkel, kantoor of bedrijf kunnen vallen onder het begrip laagbouw. Laagbouw bestaat doorgaans uit twee lagen met een kapverdieping, maar ook drie- en vierlaagse bebouwing al dan niet met een kap of dakopbouw komen voor. Het worden ook wel grondgebonden woningen genoemd, dat verwijst naar de tuin en/of de onderste woonlaag op de begane grond. Hoewel er in de laagbouw veel complexgewijs wordt gebouwd is de individualiteit van iedere woning toch één van de essenties. Losstaande bebouwing: vrijstaande villa’s of tweeonder- één-kap zijn veelvoorkomende laagbouwvarianten. 2. Het begrip middelhoogbouw wordt (in Nederland) gehanteerd voor bouw van drie tot maximaal zes lagen, de standaardbouw in de grotere steden, (In Parijs is de standaardbouw van acht verdiepingen een vorm van middelhoogbouw).
Middelhoogbouw kan zijn: portiekwoningen, lage flatgebouwen of woongebouwen met bijvoorbeeld een galerij of bovenstraat en met daarin appartementen of maisonnettes (= meerlaagse bovenwoningen). Ook het type met beneden-bovenhuizen,waarbij de bovenwoning een voordeur aan de straat heeft (ook wel genoemd: gestapelde laagbouw) valt hieronder. 3. De term hoogbouw is weggelegd voor gebouwen boven de vijf lagen, waarbij altijd liften en extra vluchtwegen gebouwd moeten zijn. Hoogbouw kan verschillende vormen aannemen: een (vrijstaande) toren, hoge appartementengebouwen geschakeld, hoge flatgebouwen met galerijen (bijvoorbeeld de Bijlmerflats). In de jaren ’60 doorgaans 12 verdiepingen, dus zo’n 40 m hoog; de recente woontorens worden steeds hoger: na de golf van gebouwen tot 80m hoogte (i.v.m. brandblusinstallatie) zijn er sinds 2008 woontorens met zo’n dan 30 verdiepingen, dus 150m hoogte (Montevideo- Rotterdam, het Strijkijzer- Den Haag) Basisverkaveling bebouwing Nederland is vooral het land van de rijtjeswoning, aaneengesloten laagbouwwoningen van twee tot vier lagen hoog al dan niet met kap of dakopbouw. Seriematige, gestandaardiseerde woningbouw is goedkoper te bouwen dan veel verschillende woningen qua maatvoering en bouwmoment.
Daardoor is het bij dit bebouwingstype mogelijk om de woningen te bouwen, die veel mensen graag willen: grondgebonden (voordeur aan de straat) met een achtertuin en schuur, en vaak een voortuin in relatief hoge bebouwingsdichtheid. Ook oude steden bestaan veelal uit aaneengesloten bebouwing van grondgebonden woningen. Hoe dit type kan passen in een stedenbouwkundig plan wordt uiteengezet aan de hand van bijgaande basisverkaveling. Niet met de bedoeling om deze letterlijk over te nemen, maar om bewust van maten en bijbehorende kwaliteiten verkavelingsplattegronden te kunnen ontwerpen. 1. Het afgebeelde basistype bestaat uit een gesloten bouwblok van eengezinswoningen. Het bouwblok is hierbij aan vier zijden bebouwd met de publieke wand aan de straat en de privékant aan een binnenterrein. Het bouwblok is op de hoeken onderbroken om de woonkwaliteit van alle woningen te bereiken. 2. De diepte van een ‘normale’ eengezinswoning is circa 10 m. In de tuindorpen van de jaren ‘20 – ‘40 was de diepte vaak kleiner, tot zo’n 7 m, maar nu wordt alleen in sociale bouw 9 m gehanteerd.
Diepere laagbouwwoningen bestaan ook tot 14m, soms d.m.v. erkers en serres, soms in woningen met hoge verdiepingshoogte. Laagbouw wordt op de verkavelingstekening gekenmerkt door de gescheiden achtertuinen, waardoor tevens duidelijk wordt wat de voor- en wat de achterkant van de woning is. 3. Hier is 5,7m als basis- woningbreedte aangehouden; in de sociale sector is de breedte doorgaans minder: 5,4m, maar ook 5,1m of zelfs 4,8m; daarbij hoort een andere woningplattegrond, veelal komt de keuken dan aan de straatzijde van de woning. Vanaf breedtes van 6m en meer kan een goed-indeelbare, luxer woningtype worden gebouwd. In de rijtjesbouw is een drie- of meerlaagse woning stedelijker en rianter dan een tweelaagse. Een kap of een terugliggende dakopbouw betekent eveneens veel voor het woningtype en het straatbeeld. 4. Het bouwblok beslaat een oppervlak van 63m bij 160m (= 1 ha) en omvat 46 woningen. Bij een dergelijke aaneengesloten bebouwing, die netto dus een woningdichtheid van 46 woningen per hectare (wo/ha) oplevert, kan in een uitbreidingswijk een dichtheid van zo’n 35 woningen per hectare worden bereikt. Daarbij is dan ook ruimte voor groen, openbare ruimte en scholen. 5. Er zijn in deze verkaveling per bouwblok van 46 woningen 58 parkeerplaatsen opgenomen in de straten; hierbij is de volledige straatlengte gebruikt, vrijwel tot op de hoek.
Dit was vroeger bij 46 woningen voldoende , maar dit is te weinig voor een hedendaagse parkeernorm van 1,7 á 2 parkeerplaatsen per woning (pp/wo) bij 48 woningen op 81-92 parkeerplaatsen uitkomt. Bovendien zijn vol geparkeerde straten niet zo prettig, afwisseling met straatbomen leidt eveneens tot vermindering van het aantal parkeerplaatsen. Daarom zal tegenwoordig bij een dergelijke verkaveling een speciale parkeeroplossing nodig zijn, als het niet op privéterrein gebeurt, in een garage of parkeergelegenheid op het binnenterrein. 6. Twee woningen onder één kap of vrijstaande woningen kunnen ook in dit verkavelingspatroon zijn opgenomen, maar kavelbreedte wordt navenant groter en daardoor zakt de woningdichtheid. Dat kan zogewenst elders worden gecompenseerd met gestapelde woningtypen. 7. Wanneer middelhoogbouw of hoogbouw wordt toegepast in deze ‘gesloten bouwblok verkaveling’ moeten afstanden van de straten of de binnenterreinen in principe toenemen in verband met bezonning en groter beslag op de openbare ruimte voor verkeer, parkeren en buiten spelen. Op deze basis kan of moet een stedenbouwkundig ontwerper met alle parameters variëren, zowel qua bebouwing als openbare ruimte; zie daarvoor ook de paragrafen ‘straten’ ‘het ontwerp van de straat’, ‘parkeren’ ‘hoeken’ ‘binnenterreinen’, andere verkavelingtypen’.
Binnen het door een stedenbouwkundige ontwerpen plan moet de architect ‘goed uit de voeten kunnen’. Bebouwingstypologie met inbegrip van de diepte van bouwblokken, aanduiding van entrees (voorkant) en achterkant (schuurtje), bouwhoogte, parkeerplaatsen, moeten nauwkeurig afgestemd worden op straten met trottoirs, voldoende breedte voor auto- en fietsverkeer, straatbomen, groen, water en taluds, hoogte van het maaiveld, en eventueel meervoudig grondgebruik. De begrenzingen van deelplannen vereisen extra aandacht.
image BY TU Delft CC SA Introductie: Minor Stedenbouw in de Delta by TU Delft OpenCourseWare is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-ShareAlike 4.0 International License. Based on a work at https://ocw.tudelft.nl/courses/introductie-minor-stedenbouw-in-de-delta/.