RIS323573 Beantwoording SV Ontwerp Nota Ruimte 2050
Tekst van het document
Datum
BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE VRAGEN
25 november 2025 Ons kenmerk Onderwerp
Antwoord van het college op de vragen van het raadslid de heer Noorlander, luidend: ‘Ontwerp-Nota Ruimte 2050’
DSO/10972834 RIS323573
Het raadslid de heer Noorlander heeft op 20 oktober 2025 een brief met daarin tien vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht. Overeenkomstig artikel 32 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt. Afgelopen september verscheen de Ontwerp-Nota Ruimte van het Rijk. Deze ontwerpnota bevat de langetermijnvisie van het Rijk op de ruimtelijke inrichting van Nederland en maakt ruimtelijke keuzes richting 2030 en 2050, met een doorkijk naar 2100. Vanaf 6 oktober ligt de Ontwerp-Nota Ruimte gedurende tien weken ter inzage (tot en met 15 december 2025). Gedurende deze periode is er voor iedereen de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen over de visie en de voorgestelde ruimtelijke keuzes. Daarmee ligt er ook voor de gemeenteraad via het college de mogelijkheid om gebruik te maken van dit recht tot inspraak. Wat D66 betreft is het, gezien de belangrijke positie van Den Haag binnen de ruimtelijke ontwikkelingen in de Zuidelijke Randstad, van belang dat de gemeente dit recht benut.
Daarnaast ziet D66 de Ontwerp-Nota Ruimte als een mogelijkheid om inzichtelijk te krijgen in hoeverre de eerder opgestelde Omgevingsvisie 2050 aansluit bij de OntwerpNota Ruimte van het Rijk In de nota wordt aangegeven dat Den Haag achterloopt in de ontwikkeling van een specialistische kenniseconomie met daarin veel mensen met een hoog opleidingsniveau (pagina 18). 1.
In hoeverre dragen de huidige initiatieven op het gebied van campusvorming, zoals de Spui Campus en het onderzoeken van een universitaire dependance in Zuidwest, bij aan het inhalen van deze achterstand in een specialistische kenniseconomie?
Den Haag ontwikkelt zich als kennisstad als onderdeel van een kennisregio. De afgelopen jaren heeft Den Haag haar positie als kennisstad versterkt met de ontwikkeling van de Haagse Campus | Universiteit Leiden en de TU Delft | Campus Den Haag en de versterking van de Haagse onderwijsinstellingen (mbo en hbo). De aanwezigheid van de 3 Haagse onderscheidende economische profielen impact-economy, cyber security en legal en policy hebben geleid tot een belangrijke positie van Den Haag als startupstad van Nederland. Deze ontwikkelingen versterken de kenniseconomie in de stad. Het inlopen van de ‘achterstand’ ten opzichte van Amsterdam, Utrecht en Eindhoven is geen specifiek streven van het Haags economisch beleid. Er wordt ingezet op het versterken van het innovatieve profiel in relatie met het profiel van de regio (Delft, Leiden), de arbeidsmarktopgaven en het streven naar brede economische bloei.
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10972834
De achterblijvende economische dynamiek en stapeling van sociale en fysieke opgaven vraagt om het transformeren van het ruimtelijk-economisch systeem in de Zuidelijke Randstad. Hiervoor is een ingrijpende herstructurering en herontwikkeling nodig. In de Zuidelijke Randstad dient een afweging gemaakt te worden welke ontwikkelingen bijdragen aan een balans tussen de mens, de omgeving en de economie. De komende jaren werkt het rijk met de provincies en gemeenten aan het realiseren van al gestelde ambities op het gebied van verstedelijking (pagina 191). 2.
Vindt het college de bovenstaande constateringen uit de ontwerp-Nota Ruimte op pagina 191 voldoende aansluiten op de eerder vastgestelde Omgevingsvisie Den Haag 2050?
Ja, deze constateringen sluiten aan op constateringen in de Omgevingsvisie Den Haag 2050. Zo wordt in de Omgevingsvisie Den Haag 2050 aangegeven dat de regionale economie achterblijft ten opzichte van andere grootstedelijke regio’s. Er wordt ingezet op het toekomstbestendig maken van de regionale economie. Deze economie van de toekomst moet duurzamer worden en minder afhankelijk worden van sectoren met laagbetaald werk. Dit sluit aan op de inzet in de ‘Ontwerp-Nota Ruimte’ op het transformeren van het ruimtelijk-economisch systeem. 3.
Deelt het college de constatering van het Rijk dat de economische dynamiek en de stapeling van sociale en fysieke opgaven vragen om een transformatie van het ruimtelijk-economisch systeem? En in hoeverre is dit in lijn met de Omgevingsvisie Den Haag 2050?
Ja, deze constatering wordt gedeeld en is volledig in lijn met de Omgevingsvisie Den Haag 2050. 4.
Op welke manier werken het Rijk en het college hierin samen?
Het Rijk en de gemeente Den Haag werken op verschillende manieren samen aan een toekomstbestendige regionale economie. Cruciaal hierin is het samenwerkingstraject NOVEX Zuidelijke Randstad. In dat kader zijn Rijk en regio gestart met een onderzoek naar het profiel van de toekomstige economie van de Zuidelijke Randstad. De resultaten hiervan zullen vertaald worden naar een gezamenlijke ruimtelijk-economische strategie en naar een toekomstperspectief voor de lange termijn. Aan de randen van steden, dorpen en kleine kernen zijn vooral luwe woonmilieus. Deze hebben een lage dichtheid aan wonen, overwegend in grondgebonden woningen. Verdichting en het toevoegen van woningen kan hier op een kleinschalige wijze, door optoppen, splitsen en uitbouwen (pagina 210). Uit de Ontwerp- Nota Ruimte blijkt dat het rijk vooral optoppen als mogelijkheid ziet in luwe woonmilieus. Wij roepen het college op om juist ook optoppen mogelijk te maken in de vele andere Haagse wijken waar dit kansrijk is, zoals in vele Haagse wijken. 5.
Hoe beoordeelt het college deze beperkte toepassing van optoppen in de ontwerp-Nota Ruimte?
Het klopt dat het woord optoppen beperkt terugkomt in de Ontwerp-Nota Ruimte. Tegelijkertijd komt de opgave voor vernieuwing van de bestaande woningvoorraad veel breder terug in deze nota. Het college gaat ervan uit dat de toepassing van optoppen onderdeel uitmaakt van de opgave vernieuwing van de bestaande woningvoorraad. 6.
Deelt het college de opvatting dat optoppen kansrijk is in veel meer woonmilieus dan enkel in de luwe woonmilieus? Zo nee, waarom niet?
2/3
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10972834
Ja, het college deelt de opvatting dat optoppen in veel meer woonmilieus kansrijk is. Daarom is daar ook veel aandacht voor in de Omgevingsvisie Den Haag 2050. 7.
En deelt het college de opvatting dat het wenselijk is om optoppen breder op te nemen in de Ontwerp-Nota Ruimte van het Rijk?
Ja, het is een goed idee om meer expliciet aandacht te besteden aan de opgave en het belang van optoppen in de Nota Ruimte. In de Haagse zienswijze op de Ontwerp-Nota Ruimte zullen we vragen aan de minister om in de nota in te gaan op de kansen voor optoppen gekoppeld aan de vernieuwing van de bestaande woningvoorraad. De ontwikkelingen van CID en Binckhorst nemen forse infrastructurele investeringen met zich mee. Rijk en regio werken samen om deze woningbouwontwikkelingen te realiseren, maar dit zijn langjarige trajecten. Volgens het Rijk is de ontwikkeling van deze gebieden dan ook complex (pagina 295). 8.
Onderstreept het college het belang van de infrastructurele investeringen die het Rijk hierin stelt? En kan het college daarbij concreet duidelijk maken hoe deze infrastructurele investeringen noodzakelijk zijn om de woningbouwaantallen te realiseren?
Ja, het college onderstreept het belang van deze infrastructurele investeringen, niet alleen voor woningen, maar ook voor het behoud van werken in de stad en het economisch vestigingsklimaat. Zo is de realisatie van de Vlietlijn randvoorwaardelijk voor de doorontwikkeling van de Binckhorst met onder andere 7.500 tot 8.000 woningen, ca 240.000 m2 bvo werkprogramma, ca. 100.000 m2 bvo aan nieuwe maatschappelijke en commerciële voorzieningen. De plan-MER voor het intergemeentelijke gebiedsprogramma Binckhorst (RIS322968), laat zien dat de (milieu)ruimte ontbreekt om de mobiliteitsvraag van het intergemeentelijk gebiedsprogramma met alleen de auto in te vullen. 9.
Op welke manier werken het Rijk en het college samen om deze woningbouwontwikkelingen te realiseren?
Door uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken over woningbouw in de Regionale Realisatieagenda woningbouw Haaglanden (RIS314502) en de inzet van subsidieregelingen zoals de woningbouwimpuls. En door afspraken te maken over voorwaardelijke infra-investeringen in het MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport). Daarnaast is er het programma MoVe (Mobiliteit en Verstedelijking), waarin Rijk en regio samen kijken welke mobiliteitsoplossingen er nodig zijn voor de woningbouwopgave. 10. Is het college bereid op basis van de beantwoording van bovenstaande vragen een zienswijze op de Ontwerp-Nota Ruimte in te dienen bij het Rijk? Zo nee, waarom niet? Ja, het college zal een Haagse zienswijze indienen op de Ontwerp-Nota Ruimte. Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de burgemeester, Ilma Merx
Jan van Zanen
3/3