RIS323463 Bijlage 3 Toelichting leegstandsverordening conceptversie tbv com ruimte
Tekst van het document
Toelichting Algemeen Langdurige leegstand is een ongewenst maatschappelijk verschijnsel. De gemeente Den Haag acht het, gelet op de grote vraag naar woonruimte, wenselijk dat leegstand van woonruimten zoveel mogelijk wordt beperkt. De gemeente Den Haag stelt in de Verordening leegstand gemeente Den Haag het volgende vast: -Meldplicht: eigenaren van leegstaande woonruimte zijn verplicht de leegstand te melden zodra de leegstand langer duurt dan zes maanden. -Leegstandoverleg: na het ontvangen van de melding volgt een leegstandoverleg. In dit overleg bespreekt gemeente met de eigenaar wat er nodig is om de woonruimte zo snel mogelijk in gebruik te nemen. -Leegstandbeschikking: het resultaat van het leegstandoverleg kan worden vastgelegd in een leegstandbeschikking. Conform het Besluit (GRONDSLAG) -Voordracht gebruiker: als de leegstand langer duurt dan 12 maanden kunnen burgemeester en wethouders volgens de Leegstandwet een gebruiker voordragen. Experiment met de Leegstandwet conform (GRONDSLAG) Met dit experiment heeft de gemeente een aantal extra mogelijkheden die zij mag toepassen in de bestrijding van leegstand. De gemeente Den Haag kan gebruik maken van het experiment tot 2029 in verband met de landelijke evaluatie. De gemeente Utrecht en Amsterdam nemen ook deel aan dit experiment.
De mogelijkheden van het experiment zijn: -de meldplicht na ten minste 3 maanden (in plaats van 6 maanden) in te voeren. Hier maakt Den Haag geen gebruik van. Wij zien hierin een nadeel. In de praktijk blijkt dat er bij leegstand van drie maanden vaak sprake is van een verhuizing, verbouwing, erfenis of relationele problemen. Deze woonruimten worden zonder inzet van handhaving ook weer in gebruik genomen. Het doel van de leegstandverordening is namelijk om langdurige leegstand aan te pakken. Om de inzet van de handhaving efficiënt in te zetten wordt de meldingstermijn van 6 maanden aangehouden. -Het voeren van het leegstandoverleg na 2 maanden (in plaats van 3 maanden). -Het opnemen van bepalingen uit artikel 6.2 a tot en met f van de leegstandverordening in de beschikking.
1
Kantoorgebouwen en bedrijfspanden De leegstandverordening geldt op dit moment niet voor kantoorgebouwen omdat we met de leegstandverordening meer woonruimte beschikbaar willen maken. Leegstaande kantoorgebouwen kunnen via de leegstandverordening niet getransformeerd worden naar woonruimte. Een leegstandverordening voor kantoren draagt in Den Haag waarschijnlijk niet bij aan een betere bezettingsgraad van kantoorruimten. Het opnemen van kantoorruimte in de leegstandverordening is in de Haagse situatie waarschijnlijk niet efficiënt. Den Haag heeft door intensieve monitoring voldoende zicht op leegstaande kantoorgebouwen. Het aandeel leegstaande kantoren dat actief wordt aangeboden is namelijk zeer laag en daalt al jaren op rij (4,02% in Q3 2024, Cushman & Wakefield). Enige frictieleegstand is juist wenselijk vanwege renovatie of verduurzaming, groei en doorstroom van bedrijven. Net als bij woonruimten geldt in Den Haag ook een schaarste aan kantoren. De kantoren zijn de komende jaren hard nodig om onze werkgelegenheid mee te laten groeien met de bevolkingsgroei. Er zijn enkele leegstaande kantoorgebouwen bekend die al langere tijd niet meer in gebruik zijn voor een kantoorfunctie. De gemeente is in contact met de eigenaren. Op enkele binnenstedelijke locaties is renovatie en/of transformatie voorzien maar is de situatie zeer complex c.q.
voortgang afhankelijk van externe factoren. Daarnaast zijn kantoren op bedrijventerreinen lastig verhuurbaar als kantoor en is transformatie naar woonfuncties niet aan de orde omdat de (vaak) zware milieucategorie in de weg zit. Een meldplicht of boete lost in die situaties niets op, maar dit vraagt om maatwerk. Conform de motie: “Bedrijfspanden in leegstandsverordening” (RIS312659) bekijkt de gemeente wel hoe om te gaan met langdurige leegstand van bedrijfspanden en kantoorgebouwen. Leegstandverordening in verhouding tot de regeling opkoopbescherming Indien de woonruimte onder de regelgeving van de opkoopbescherming valt, kan er gekeken worden naar de gronden om een verhuurvergunning aan te vragen zoals limitatief opgesomd in artikel 5:28 Huisvestingsverordening Den Haag 2023. Dit wordt besproken in het leegstandoverleg. Ook als een andere vergunning is aangevraagd dient de eigenaar zich te houden aan de termijnen bepaald in de leegstandbeschikking. Leegstandverordening in verhouding tot Pied-a-terre Een tweede woning is één zelfstandige woonruimte die niet dient als hoofdverblijf voor de gebruiker(s). De eigenaar van een tweede woning heeft zijn “hoofdverblijf” elders. De woonruimte wordt dus wel gebruikt, maar er staat niemand in het BRP ingeschreven. Het is in Den Haag toegestaan één tweede woning te gebruiken.
Bijvoorbeeld wanneer iemand hier af en toe vanwege werkzaamheden in Den Haag verblijft. Voor het in eigendom hebben van één tweede woning geldt in Den Haag een ontheffing verplichting conform artikel 5:8 Huisvestingverordening. Indien de eigenaar meer leegstaande woonruimten bezit, dan is de leegstandverordening onverkort van toepassing. Leegstandverordening niet voor Toegelaten Instellingen In de leegstandverordening zonderen we toegelaten instellingen uit. Dit zijn stichtingen of verenigingen die werken op het gebied van de volkshuisvestiging. De urgentie voor het gebruik van woonruimte staat bij deze organisaties niet ter discussie en daarom sturen zij actief op het beperken van leegstaande woonruimte. Voor deze organisaties wordt een andere
2
leegstandsaanpak gevolgd. Afspraken over leegstand in relatie tot onderhoud, renovatie of nieuwbouw worden vastgelegd in de prestatieafspraken/raamovereenkomst tussen gemeente en woningcorporaties. Eventuele afspraken over tijdelijke verhuur van woonruimten in geval van groot onderhoud, renovatie en nieuwbouw is ook onderdeel van het Sociaal Statuut. Overige leegstaande woningen worden middels een korter proces door corporatie en gemeente opgelost. Deze afspraken over leegstand worden geborgd in de prestatieafspraken/raamovereenkomst. Een meldplicht van leegstaande woonruimten zorgt voor een verhoging van de administratieve werkzaamheden aan kant van de toegelaten instelling en bij de gemeente. De capaciteit kan effectiever ingezet worden op de controle en handhaving van langdurige leegstand van andere woonruimten. Eigendomsrecht Met het experiment met de Leegstandwet conform artikel (GRONDSLAG) heeft de gemeente extra mogelijkheden om leegstand in woonruimten te bestrijden. Deze maatregelen (waaronder het opleggen van een maximale marktconforme huurprijs en de eigenaar verplichten voorzieningen te treffen in de woonruimte) kunnen worden beschouwd als een regulering van het eigendomsrecht zoals deze is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Dit is slechts toelaatbaar indien de regulering gerechtvaardigd is.
Dit houdt in dat voldaan moet zijn aan de onderstaande drie voorwaarden. 1. De maatregel moet bij wet voorzien zijn. Dat betekent dat de beperking voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de toepassing moet zijn. De bevoegdheid tot het instellen van een leegstandverordening is neergelegd in artikel 2 van de Leegstandwet. De mogelijkheden en contouren ervan zijn tevens neergelegd in de Leegstandwet, maar vinden eveneens hun grondslag in (GRONDSLAG). Het werkingsgebied en de voorwaarden zijn in de leegstandverordening Den Haag toegespitst op gemeente Den Haag. De maatregel is hiermee voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar. 2. De beperking moet noodzakelijk zijn in het algemeen belang. Dit wil zeggen dat de maatregel een legitiem doel dient. Vanwege de grote schaarste aan woonruimten is het noodzakelijk om leegstand van woonruimten tegen te gaan, zodat de bestaande woningvoorraad zo optimaal mogelijk benut wordt. De maatregelen in de leegstandverordening zijn bedoeld om woningleegstand te bestrijden en is daarmee noodzakelijk in het algemeen belang. 3. Er moet sprake zijn van een “fair balance” tussen de mate van regulering van het eigendomsrecht van woningeigenaren en het daarmee gediende algemeen belang. a. De inbreuk op het eigendomsrecht is noodzakelijk voor het beoogde doel (de bestrijding van leegstand van woonruimte).
Dit betekent dat het middel zowel geschikt als onmisbaar moet zijn om dat doel te bereiken. Om te kunnen spreken van een ‘‘fair balance’’ geldt voor de maatregelen in de leegstandverordening in de eerste plaats dat de maatregel noodzakelijk is om het doel (bestrijding van leegstand van woonruimte) te bereiken. De Leegstandwet en het experiment op grond van (GRONDSLAG) bieden mogelijkheden voor de gemeente om leegstand van woonruimten op te lossen. Deze kunnen afhankelijk van de feitelijke situatie verschillen en zijn daardoor uitermate geschikt om in individuele gevallen leegstand op te heffen. De leegstandmelding, de leegstandbeschikking en de verplichtende voordracht zijn afdwingbaar met een last onder dwangsom, waardoor eigenaren op een
3
effectieve wijze kunnen worden bewogen om de leegstand in de woonruimte op te lossen. De maatregelen in de leegstandverordening zijn daarom noodzakelijk voor het beoogde doel. b. Er zijn geen andere oplossingen of andere mogelijkheden om het probleem op te lossen (subsidiariteit) Zonder de extra maatregelen voortkomend uit het experiment op grond van (GRONDSLAG) heeft de gemeente Den Haag geen effectieve instrumenten om eigenaren ertoe te bewegen de woonruimte weer te laten bewonen. Overigens bevat de leegstandverordening zelf al verschillende minder verstrekkende alternatieven die afhankelijk van de situatie en de reden van leegstand kunnen worden ingezet. Aan de eisen van subsidiariteit wordt daarom voldaan. c. Het gebruik van de bevoegdheden is in verhouding met het beoogde doel gelet op de mate en ernst van de problematiek. Middel mag niet erger zijn dan de kwaal (proportionaliteit). Zoals uit jurisprudentie bij artikel 1 EP blijkt, moet sprake zijn van een fair balance: de overheidsinmenging mag niet leiden tot een buitensporige last. Er moet echter vooropgesteld worden dat de overheid een grote mate van vrijheid toekomt om in het algemeen belang, vooral met het oog op sociale en economische doelstellingen, bepaald beleid te voeren waarbij inmenging plaats kan vinden in eigendomsrechten (een ruime margin of appreciation).
De extra maatregelen in de leegstandverordening acht de gemeente proportioneel. De gemeente zal allereerst altijd in overleg gaan met de eigenaar. Het overleg is bedoeld om de reden van leegstand in de woonruimte te achterhalen. De gemeente zal in alle redelijkheid nagaan wat de mogelijkheden zijn om de woonruimte weer te kunnen bewonen en zal deze afspraken vastleggen in de leegstandbeschikking. De gemeente kan in de beschikking een maximale marktconforme huurprijs opleggen aan de eigenaar. Met deze leegstandbeschikking kan het de eigenaar verboden worden een excessieve huurprijs aan te houden waardoor leegstand ontstaat of in stand gehouden wordt, in een gemeente waar schaarste is aan woonruimten. Daarnaast kan de gemeente bepalen welke voorzieningen de eigenaar moet treffen om de woonruimte geschikt te maken voor gebruik (onderdeel a) en hier een termijn voor stellen. De voorzieningen die van de eigenaar worden verlangd gaan niet verder dan de eisen die de gemeente nu al stelt aan de kwaliteit van woonruimten. Daardoor wordt het eigendomsrecht niet verder beperkt of gereguleerd.
4
Handhaving Toezicht en handhaving is erop gericht om de naleving van de leegstandverordening te controleren en indien nodig handhavend op te treden om zo overtredingen te corrigeren. Het toezicht op de Leegstandwet en de leegstandverordening wordt uitgevoerd door toezichthouders (Haagse Pand Brigade) van de gemeente Den Haag. De leegstandverordening geeft het college de mogelijkheid om bij een overtreding van artikel 3, 6 en 8 van de leegstandverordening bestuursrechtelijk handhavend optreden door het opleggen van een bestuurlijke boete, overeenkomstig de in bijlage 1 opgenomen tabel. In de tabel is een differentiatie aangebracht in de hoogte van de boetes. Voor een meer evenredig boetebeleid is onderscheid gemaakt tussen particuliere - en professionele verhuurder. Op het moment dat de gemeente een overtreding constateert, dan wordt een bestuurlijke boete opgelegd aan de eigenaar van de woonruimte. De boete is niet gericht op herstel van de overtreding maar op het bestraffen en daarmee voorkomen van een (volgende) overtreding. Het betreft een onvoorwaardelijke verplichting en kan dus niet voorwaardelijk worden opgelegd. De boete kan worden opgelegd in combinatie met een last onder dwangsom.
Burgemeester en wethouders kunnen slechts wegens bijzondere omstandigheden afwijken van de genoemde bedragen in Bijlage 1 van deze verordening (artikel 5.46, derde lid, Algemene wet bestuursrecht). Het college kan de boete verlagen als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid (artikel 5.41, Algemene wet bestuursrecht). De overtreder zal in beginsel de verminderde verwijtbaarheid aannemelijk moeten maken. Naast een boete kan de gemeente ook een last onder dwangsom opleggen op grond van artikel 5:31d en 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 125 van de Gemeentewet. De dwangsom is een herstelsanctie, bedoeld voor het ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, het voorkomen van herhaling, dan wel het wegnemen of beperken van de gevolgen van de overtreding (artikel 5:2, eerste lid onder b Awb). Ook bij het opleggen van een last onder dwangsom geldt dat de hoogte en de termijn van de dwangsom in redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van de vermeende geschonden belangen. Bij het niet voldoen aan de verplichtende voordracht kan geen boete worden opgelegd. In dat geval kan alleen een last onder dwangsom worden opgelegd.
5
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begripsomschrijvingen Artikel 1 bevat definities van begrippen die op meerdere plaatsen in de verordening worden gebezigd. Indien een begrip uit artikel 1 in een bepaling wordt gebruikt dient dit begrip met inachtneming van de definities uit artikel 1 te worden toegepast. a. eigenaar Onder eigenaar wordt verstaan degene die bevoegd is een woonruimte in gebruik te geven. Dat kan naast de eigenaar ook een beheerder of een andere, door de eigenaar gemachtigde, partij zijn. b. leegstaan In de Leegstandwet wordt er voor het begrip leegstaan geen onderscheid gemaakt tussen het leegstaan van gebouwen en het leegstaan van woonruimten. In deze leegstandverordening gaat het enkel over woonruimten. Hieronder wordt verstaan een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, die een zelfstandige woongelegenheid vormt. Onder leegstaan wordt verstaan het niet of niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht in gebruik zijn alsmede een gebruik dat de kennelijke strekking heeft afbreuk te doen aan de werking van deze wet. c. pied-a-terre Een tweede woning is één zelfstandige woonruimte die niet dient als hoofdverblijf voor de gebruiker(s). De eigenaar van een tweede woning heeft zijn hoofdverblijf elders. De woonruimte wordt dus wel gebruikt, maar er staat niemand in het BRP ingeschreven. Het is in Den Haag toegestaan één tweede woning te gebruiken.
Voor het in eigendom hebben van één tweede woning geldt in Den Haag een ontheffingsplicht uit de Huisvestingverordening Den Haag 2023. d. wet Het begrip wet verwijst naar de Leegstandwet. e. woonruimte Onder woonruimte wordt verstaan een besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden. Deze definitie is overgenomen uit de Huisvestingswet 2014. Het begrip ‘gebouw’ in de Leegstandwet omvat ook woonruimte. Het begrip ‘woonruimte’ is in de leegstandverordening afzonderlijk gedefinieerd. Daarmee wordt duidelijk dat de leegstandverordening alleen betrekking heeft op woonruimten. Artikel 2 Aanwijzing werkingsgebied Het werkingsgebied van dit hoofdstuk omvat alle woonruimten in de gemeente Den Haag met uitzondering van woonruimten in eigendom van toegelaten instellingen hoofdstuk 4 Woningwet. Artikel 3 Meldplicht Zodra de woonruimte langer dan zes maanden (aaneensluitend) leegstaat moet de eigenaar van de woonruimte die onder de leegstandverordening valt, de leegstand melden bij
6
burgemeester en wethouders. De melding vindt plaats via een elektronisch formulier op de gemeentelijke website, dat door burgemeester en wethouders is vastgesteld. De melding wordt geregistreerd. Indien een eigenaar meerdere woonruimten bezit die leegstaan, dient voor elke afzonderlijke woonruimte een aparte melding te worden gedaan. Artikel 4 Leegstandlijst Dit artikel regelt dat burgemeester en wethouders een leegstandlijst bijhouden waarin woonruimten waarvoor een leegstandmelding is gedaan worden opgenomen. Woonruimten waarvan ambtshalve geconstateerd is dat ze leegstaan en waarvan de leegstand, bedoeld artikel 3, eerste lid, gemeld had moeten worden door de eigenaar, worden ook opgenomen op de leegstandlijst. De BAG-id (Basisregistratie Adressen en Gebouwen) wordt ook opgenomen in de leegstandlijst. De Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) bevat alle officiële, als zodanig toegekende, adressen op Nederlands grondgebied. Een adres is de door de bevoegde gemeente toegekende benaming, bestaande uit de naam van een openbare ruimte, een nummeraanduiding en woonplaats. In de BAG zijn, naast alle adressen, alle panden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen geregistreerd. Deze 'objecttypen' zijn afgebakend en voorzien van een unieke aanduiding.
Artikel 5 Leegstandoverleg Binnen twee maanden na een leegmelding wordt de eigenaar van een woonruimte uitgenodigd voor het leegstandoverleg met de Haagse Pandbrigade over het gebruik van de woonruimte. Dit overleg kan uit meerdere gesprekken bestaan. Van dit leegstandoverleg wordt een verslag gemaakt waar de eigenaar een exemplaar van ontvangt. Artikel 6 Leegstandbeschikking Artikel 6 bepaalt dat burgemeester en wethouders na het leegstandoverleg een leegstandbeschikking kunnen vaststellen. Het tweede lid bepaalt dat indien de eigenaar geen medewerking verleent aan het leegstandoverleg, burgemeester en wethouders ook een leegstandbeschikking kunnen vaststellen. Ook kunnen burgemeester en wethouders in de leegstandbeschikking de maximale marktconforme huurprijs vaststellen. Bij het vaststellen van de maximale marktconforme huurprijs zullen burgemeester en wethouders bij nietgeliberaliseerde woonruimten uitgaan van de maximale redelijke huurprijs op basis van het woningwaarderingsstelsel. Voor geliberaliseerde woonruimte is wettelijk geen maximale redelijke huurprijs geregeld. Bij het bepalen van de maximale marktconforme huurprijs voor geliberaliseerde woonruimten zullen burgemeester en wethouders een objectieve methode hanteren die uitgaat van de marktconforme huurprijs voor de woonruimte in de staat waarin het verkeert.
De marktconforme huurprijs voor geliberaliseerde woonruimten wordt bepaald door artikel 16 lid 10 Leegstandwet. Artikel 7 Leegstandbeheer Burgemeester en wethouders kunnen kwalitatieve eisen vaststellen voor leegstandbeheer van woonruimten, om de positie van de gebruikers te versterken. Artikel 8 Voordracht gebruiker
7
Het eerste en tweede lid bepalen dat burgemeester en wethouders aan de eigenaar van een leegstaande woonruimte, een gebruiker kan voordragen zodra die leegstand langer duurt dan twaalf maanden en in de leegstandbeschikking is vastgesteld dat de woonruimte geschikt is voor gebruik overeenkomstig de bestemming. Bovendien geldt dat de voordracht pas wordt gedaan als de eigenaar geen medewerking verleent aan het leegstandoverleg dan wel hetgeen is overeengekomen tijdens het leegstandoverleg niet nakomt. Een gebruiker is één of meerdere natuurlijke personen of een rechtspersoon die via voordracht door de Haagse Pandbrigade in overleg met afdeling Wonen wordt geselecteerd. Als voor gebruik van de woonruimte voorzieningen nodig zijn om weer op redelijkerwijze tot gebruik te kunnen dienen, kunnen burgemeester en wethouders bij de voordracht een termijn aangeven waarbinnen de eigenaar de aan te geven voorzieningen moet treffen. Het derde lid bepaalt dat de verplichtende voordracht vervalt indien de eigenaar binnen drie maanden een overeenkomst is aangegaan met een andere gebruiker, die de woonruimte binnen een redelijke termijn, dat wil zeggen twee maanden nadat die overeenkomst tot stand is gekomen, in gebruik neemt. Artikel 9 Bestuurlijke boete en last onder dwangsom Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de meldplicht.
De hoogte van deze boete staat in de tabel in bijlage 1. Bij herhaling kan een hogere boete worden opgelegd. Naast een boete kan de gemeente ook een last onder dwangsom opleggen op grond van artikel 5:31d en 5:32 Algemene wet bestuursrecht en artikel 125 Gemeentewet. De dwangsom is een herstelsanctie, bedoeld voor het ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, het voorkomen van herhaling, dan wel het wegnemen of beperken van de gevolgen van de overtreding. De gemeente acht de boete evenredig in de zin van artikel 6 van het EVRM. In het geval van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, die door de overtreder aannemelijk zijn gemaakt, is een lagere boete mogelijk. Dit artikel bevat de algemene bevoegdheid voor overheden, zoals de gemeente, om boetes in individuele situaties te matigen als er sprake is van bijzondere omstandigheden. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2096) heeft overwogen dat een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om een boete te matigen. Het is aan de overtreder om aan te tonen dat er omstandigheden zijn die nopen tot matiging.
Bij het opleggen van een boete en last onder dwangsom wordt er onderscheid gemaakt tussen een niet bedrijfsmatige exploitatie en bedrijfsmatige exploitatie. De ratio achter het verschil in boetebedragen is dat van professionals bij uitstek te verwachten valt dat zij zich houden aan de geldende regelgeving op de Haagse woningmarkt. Van bedrijfsmatige exploitatie is in de volgende gevallen in ieder geval sprake: a. de overtreder verhuurt aantoonbaar meerdere woonruimten. Uit de omvang van de exploitatie blijkt het bedrijfsmatige aspect. Iemand die zich bedrijfsmatig bezighoudt met exploitatie behoort de regelgeving te kennen; b. de overtreder houdt zich beroepsmatig bezig met regelgeving over huisvesting en exploitatie van onroerend goed. Hieronder vallen in ieder geval: vastgoedontwikkelaars, makelaars,
8
woning- en kamerbemiddelingsbureaus, sleutelbedrijven en bedrijven die zich bezighouden met huisvesting van hun eigen werknemers. Het bedrijfsmatige aspect van de exploitatie vloeit voort uit de aard van het bedrijf of beroep van de overtreder. Indien een eigenaar meerdere woonruimten bezit die meldplichtig zijn, dient voor elke afzonderlijke woning een melding te worden gedaan. Het niet melden van een of meerdere afzonderlijke leegstaande woonruimten wordt per object beschouwd als een aparte overtreding en kan per woning leiden tot een afzonderlijke bestuurlijke boete. Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt dat deze verordening op DATUM in werking treedt en dat deze verordening wordt aangehaald als Leegstandverordening Den Haag JAARTAL.
9