RIS323354 Rapportage raadsrapporteurs over Structuurvisie Den Haag Zuidwest 2040
Tekst van het document
Rapportage over Structuurvisie Den Haag Zuidwest 2040; Groen, stedelijk en vitaal Zuidwest Mobiliteit, parkeerbeleid, groen en biodiversiteit in Dreven, Gaarden en Zichten
Constant Martini en Jan Willem van den Bos Raadsrapporteurs T.E. Bolding Griffie RIS323354 26 september 2025
Inhoudsopgave Inhoudsopgave.......................................................................................................2 Woord vooraf.........................................................................................................3 Mobiliteit en parkeerbeleid......................................................................................5 Samenvatting......................................................................................................5 Inleiding.............................................................................................................6 Mobiliteit............................................................................................................6 Parkeren.............................................................................................................7 Constateringen en aanbevelingen........................................................................9 Groen en biodiversiteit..........................................................................................11 Samenvatting....................................................................................................11 Inleiding............................................................................................................12 Beleid en
doelen...............................................................................................12 Uitvoering en toetsing........................................................................................13 Moties en afdoening..........................................................................................14 Constateringen en aanbevelingen......................................................................14 Slotwoord raadsrapporteurs.................................................................................16 Bijlage: eerder opgeleverde stukken..........................................................................17
2
Woord vooraf Op verzoek van de gemeenteraad zijn raadsrapporteurs aangesteld voor het project Zuidwest Den Haag. Dit gebeurde naar aanleiding van de motie Zuidwest majeur complex (RIS317457), waarin werd vastgesteld dat de Structuurvisie Zuidwest 2040 zonder twijfel als een majeur project moet worden gezien. In de motie werd verwezen naar het rapport van de Enquêtecommissie Amare (RIS316440), dat een groot aantal aanbevelingen doet om de raad beter in positie te brengen bij de voortgang, controle en informatievoorziening van grote projecten. Eén van die aanbevelingen luidt dat de raad bij majeure besluitvormingsmomenten raadsrapporteurs aanstelt om voorstellen te beoordelen op thema’s zoals publiek belang, exploitatie, proces, financiën en risicomanagement. Eerder bent u geïnformeerd over de werkagenda van de raadsrapporteurs (RIS321753). Voor u ligt nu de eerste halfjaarlijkse rapportage. In lijn met de motie rapporteren wij over de Structuurvisie Zuidwest. In deze rapportage hebben we bijzondere aandacht voor de deelgebieden Dreven, Gaarden en Zichten. De belangrijkste reden is de beschikbaarheid van informatie over deze deelgebieden. Ten eerste heeft de raad recent ingrijpende ruimtelijke besluiten genomen over dit gebied, waaronder de bestemmingsplannen voor Dreven 1 en Zichten 2, 3 en 7.
Ten tweede heeft het college tweemaal gerapporteerd over de voortgang van dit project. Ten derde vormt DrevenGaarden-Zichten een omvangrijke pijler onder de Structuurvisie Zuidwest; rapportages hierover zullen op termijn onderdeel uitmaken van de bredere voortgangsrapportages. De bevindingen en aanbevelingen in dit rapport zijn breder toepasbaar op Zuidwest als geheel. Onze rapportage richt zich ditmaal op twee thema’s: mobiliteit en parkeerbeleid en groen en biodiversiteit. Deze keuze is ingegeven door de vraag hoe bij deze thema’s publiek belang en exploitatie samenkomen. We bevelen de beschrijving van het begrip publiek belang in het eindrapport van de raadsenquête over Amare van harte aan (RIS316440, p.118-122), evenals het daar aangehaalde rapport van de Haagse Rekenkamer uit 2014 (RIS270981). Dit rapport beschrijft onder andere dat raad vaak onvoldoende zicht heeft op de maatschappelijke effecten van grote projecten en daardoor vooral stuurt op financiële aspecten. Hierdoor kan de raad geen sturing geven en haar controlerende taak onvoldoende invulling geven. Over mobiliteit in brede zin leest u bevindingen en aanbevelingen. Mobiliteit verdient een brede blik, en de doelen in de structuurvisie zijn breed geformuleerd en vragen een integrale benadering.
In het licht van maatschappelijk belang, publiek belang, en de keuzes, risico’s en afwegingen die daarbij komen kijken verdient de exploitatie van parkeerhubs bijzondere aandacht. Over dit onderwerp hebben we in reactie op een verzoek uit de raad eerder een tussenbericht gestuurd (RIS321754). Dit tussenbericht wordt naar verwachting volgende week in de commissie ruimte behandeld. 3
Wat groen betreft, wijzen wij op de hoge ambities van de structuurvisie Groen, stedelijk en vitaal Zuidwest (RIS315261): overal dichtbij groene verblijfsplekken, versterking van ecologische zones en een maximaal vergroende openbare ruimte. De raad heeft deze ambities verder aangescherpt en uit participatie blijkt dat bewoners groen als zeer kenmerkend ervaren. Tegelijkertijd heeft de commissie MER scherpe kanttekeningen geplaatst bij de haalbaarheid. Groen is bovendien niet alleen een element van de fysieke leefomgeving, maar ook een financiële kwestie. Zo loopt financiering van de openbare ruimte deels via de gemeentelijke grondexploitatie, deels via bijdragen van ontwikkelaars. Daarmee komt onvermijdelijk de vraag op tafel wie verantwoordelijk is voor het realiseren van maatschappelijke waarden als klimaatadaptatie, biodiversiteit en belevingskwaliteit. Over de voortgang van de Structuurvisie Zuidwest in algemene zin maken de raadsrapporteurs zich zorgen. Het tempo van de uitvoering blijft achter, vaak door factoren die buiten de invloed van de gemeente liggen. Zo is de ontwikkeling van de OVbereikbaarheid afhankelijk van rijksfinanciering en is vertraging een consequente factor bij bouwprojecten. Alle inspanningen van de gemeente ten spijt, verloopt participatie regelmatig stroef en lijkt de organisatie van deelbelangen moeizaam te functioneren.
De vele onzekerheden maken effectief communiceren tussen de diverse partijen (inwoners, ontwikkelaars, het stadsdeel) complex. Ook de financiering en de continuïteit van voorzieningen, bijvoorbeeld die uit de Regiodeal, geven onzekerheid. Wij hopen in een volgende rapportage hier op in te gaan. De raadsrapporteurs ervaren in hun werk belemmeringen door de beperkte en weinig gestructureerde manier waarop voortgangsrapportages en monitorinstrumenten beschikbaar worden gesteld. De ondersteuning die de rapporteurs krijgen is bovendien beperkt. Hoewel u in deze rapportage al bevindingen zult aantreffen over de informatievoorziening, is het voornemen om in de volgende halfjaarlijkse rapportage uitgebreider in te gaan op dit onderwerp en op het proces als geheel. De rekeningencommissie zal naar verwachting volgende week een verzoek van de raadsrapporteurs behandelen. Dit gaat om het opdracht geven aan de GAD tot een vervolgonderzoek naar financiën en risicomanagement bij de (omvangrijke) grondexploitatie Dreven-Gaarden-Zichten, in aansluiting op eerder onderzoek van de GAD (RIS313614). Met deze eerste halfjaarlijkse rapportage leggen wij onze bevindingen en aandachtspunten voor aan de raad. Wij hopen dat dit verslag bijdraagt aan een beter inzicht in de voortgang van de Structuurvisie Zuidwest. Feedback en reacties zijn voor ons van grote waarde om ons werk verder te richten.
Zo kunnen wij de komende periode de ambities van de Structuurvisie blijven volgen en kunnen we u gericht adviseren over zaken waar aandacht wenselijk of bijsturing noodzakelijk is.
4
Mobiliteit en parkeerbeleid Samenvatting OV-ontsluiting en bredere ontwikkelingen Dreven, Gaarden en Zichten worden beter ontsloten. Er is echter onzekerheid over bredere OV-projecten zoals de Zuidwestlandcorridor. Landelijke bezuinigingen vormen een risico voor de voortgang. Advies: Deel (pré-)verkenningen met de raad om tijdig inzicht te geven in risico’s en alternatieven. Koppeling woningbouwambities en OV-infrastructuur De raad heeft onvoldoende zicht op de samenhang tussen woningbouw en OVvoorzieningen. Dit inzicht is essentieel voor het amendement ‘Noodrem voor de raad’. Advies: o Verwerk OV-informatie expliciet in de voortgangsrapportage Zuidwest. o Neem OV mee in monitoringstools om de balans tussen woningbouw en voorzieningen te kunnen beoordelen. Gereguleerd parkeren: planning en transparantie Invoering gereguleerd parkeren: o Morgenstond: vanaf 1 juni 2025. o Bouwlust-Vrederust: naar verwachting vanaf 1 november 2025. Advies: Neem de planning voor invoering van gereguleerd op in de voortgangsrapportage Zuidwest om versnippering van informatie te voorkomen. Deelmobiliteit en parkeerdruk in Dreven en Zichten De raadsrapporteurs constateren dat minder deelmobiliteit is ingetekend dan toegestaan. Tegelijkertijd zijn er overschotten aan parkeerplaatsen die mogelijk bij toekomstige ontwikkelingen ingezet kunnen worden.
Advies: o Zorg voor goed inzicht in de gevolgen van toekomstige ontwikkelingen op de parkeerdruk in Dreven-Gaarden-Zichten (DGZ). o Monitor actief of de parkeerbalans houdbaar blijft bij verdere groei. Exploitatie van parkeerhubs Nog onbekend hoe de parkeerhubs geëxploiteerd gaan worden. In de voortgangsrapportage DGZ lijkt het college te sturen op gemeentelijke exploitatie. Advies: Geef tijdig duidelijkheid over de exploitatievorm en de kosten daarvan voor bewoners en de gemeente.
5
Inleiding In dit hoofdstuk wordt gerapporteerd over mobiliteitsambities in Zuidwest en dan met name in Dreven, Gaarden en Zichten. De raadsrapporteurs kijken in hoeverre deze ambities waargemaakt worden. Dat gebeurt aan de hand van de volgende vragen: 1. Wat is huidige mobiliteits- en parkeerbeleid en welke doelen zijn gesteld voor mobiliteit en parkeren in Zuidwest? 2. Welke (juridische/financiële) constructies zijn voorzien voor eigendom en exploitatie? 3. Wat zijn de risico’s en worden die voldoende beheerst? Hoewel het bredere mobiliteitsbeleid aandacht krijgt, ligt de aandacht in deze rapportage vooral op Dreven, Gaarden en Zichten, waarbij met name het onderwerp ‘parkeren’ wordt uitgelicht.
Mobiliteit Inleiding In de structuurvisie Zuidwest en het ruimtelijk raamwerk is de volgende ambitie vastgelegd: een duurzame mobiliteitstransitie via het STOMP-principe 1 (RIS315261, p. 86-87). Zuidwest moet beter met de stad en de regio worden verbonden, in de eerste plaats te voet, op de fiets en met het OV. Dit heeft gevolgen voor de infrastructuur: voor de auto is minder ruimte, voor voetgangers, de fiets en OV juist meer. Wandelen, fietsen en OV De gemeente zet in op betere loop- en fietsroutes. Hiervoor zijn goede, toegankelijke en veilige fietsenstallingen bij woningen en OV-haltes en voorzieningen van belang. Ook moeten mensen vertrouwd raken met fietsen. Om het OV te verbeteren wordt gewerkt aan de spoorlijn tussen Leiden, Den Haag en Rotterdam, waar station Moerwijk aan ligt. Hier gaan meer treinen rijden en het station wordt verbeterd. Ook wil de gemeente de verbinding met omliggende gebieden verbeteren, zoals Kijkduin, Rijswijk en het Westland (RIS315261, p. 88). Dit gebeurt onder meer door de aanleg van de Zuidwestlandcorridor, die zich nu in de verkennende fase bevindt. Ook worden de mogelijkheden verkend om de capaciteit van tramlijn 9 naar Zuidwest te vergroten, schrijft het college in het voorstel voor de Netwerkstrategie 2040 (RIS322420, p. 61)2.
In Dreven, Gaarden en Zichten is de capaciteit van het openbaar vervoer vanaf begin 2025 vergroot door toevoeging van trams in de spits. Daarnaast wordt de inzet van gelede bussen en gekoppeld rijden met de tram voorbereid (RIS321724, p. 23). Landelijke bezuinigingen op het OV kunnen een risico vormen voor de implementatie van deze plannen, wat op zijn beurt gevolgen kan hebben voor het bredere 1
Stappen, Trappen, OV, MaaS en Privé-auto. MaaS staat voor Mobility as a Service. Hiervan is deelmobiliteit een voorbeeld. 2 Dit voorstel moet op het moment van schrijven nog door de raad besproken worden.
6
mobiliteitsbeleid in Zuidwest. Belangrijke ontwikkelingen, zoals de Zuidwestlandcorridor, bevinden zich nog in een beginnende fase. In het Voortgangsbericht Zuidwest van januari 2025 wordt melding gemaakt van drie (pré-)verkenningen en dat de rapporten gereed zijn (RIS321120, p.13). Nadere berichtgeving zou volgen na afstemming met de mede-opdrachtgevers HTM en MRDH. Ook in de afdoening van de motie ‘Juist nu investeren in het Openbaar Vervoer’ van 6 mei 2025 wordt melding gemaakt van verkenningen (RIS321677). Deze verkenningen zijn naar weten van de raadsrapporteurs nog niet toegestuurd. De raad heeft met het aannemen van het amendement ‘Noodrem voor de raad’ (RIS317514) de mogelijkheid om pas op de plaats te maken met het woningbouwprogramma als het voorzieningenprogramma, waaronder ook OV wordt geschaard, geen gelijke tred houdt. De jaarlijkse voortgangsrapportage Zuidwest en de monitoringstool zijn ook daarom voor de raad noodzakelijke stukken om te ontvangen. De raadsrapporteurs vinden het belangrijk dat deze op tijd naar de raad worden gestuurd. De nieuwste voortgangsrapportage Zuidwest is recent met de raad gedeeld (RIS323210), maar een uitgewerkte monitoringstool is dit nog niet.
Parkeren Inleiding De basis voor het parkeerbeleid in Den Haag is de Parkeerstrategie 2021-2030 (RIS319383), die op 3 april 2025 geactualiseerd is. In deze strategie zijn verschillende plannen opgenomen die ook gevolgen hebben voor Zuidwest. De plannen uit de Parkeerstrategie worden uitgewerkt in de Nota parkeernormen. Daarnaast worden in de Structuurvisie Zuidwest keuzes gemaakt met betrekking tot het parkeerbeleid in Den Haag Zuidwest. De mobiliteitstransitie die de gemeente voorziet voor de gehele stad heeft ook gevolgen voor het autoparkeren in Zuidwest: er blijven minder parkeerplaatsen op straat over en meer mensen zullen hun auto op eigen terrein van de woongebouwen (POET) of in parkeergarages moeten parkeren (RIS315261, p. 86). Ook wordt ingezet op deelmobiliteit, waardoor op grond van de Parkeernormennota minder parkeerplekken nodig zijn. Deze ambities brengen ook risico's met zich mee, zoals onder meer bleek uit het deelonderzoek uitgevoerd door de GAD voor de voorbereidingscommissie raadsonderzoek Dreven, Gaarden en Zichten (RIS313621, p. 8). In het vervolg van dit stuk over parkeren wordt eerst de invoering van parkeerregulering behandeld, vervolgens de parkeernormen inclusief deelmobiliteit en tot slot de exploitatie van gemeenschappelijke parkeervoorzieningen. Parkeerregulering Vanwege de verdichting die plaatsvindt zal de parkeerbehoefte daar stijgen.
Toekomstige bewoners moeten daarom hun auto(‘s) op eigen terrein of in centrale parkeergebouwen parkeren en om te voorkomen dat zij hun auto in de openbare ruimte 7
parkeren wordt parkeerregulering ingevoerd, waarbij nieuwe bewoners geen vergunning voor straatparkeren krijgen. De invoering van gereguleerd parkeren is ook opgenomen in de Structuurvisie Den Haag Zuidwest (RIS315261, p. 92). Deze invoering gebeurt stapsgewijs: in Morgenstond wordt volgens de Voortgangsbrief uitvoering Parkeerstrategie 2024 in Q2 2025 parkeerregulering ingevoerd, in Bouwlust-Vrederust vanaf Q1 2026 (afhankelijk van de oplevering van de nieuwbouw (RIS319386, p. 5). Deze termijnen voor invoering zijn verder gespecificeerd in de brief ‘Proces invoering gereguleerd parkeren Morgenstond’ (RIS320853). In Morgenstond wordt op 1 juni 2025 gereguleerd parkeren ingevoerd, In Bouwlust-Vrederust naar verwachting op 1 november 2025. De raadsrapporteurs bevelen aan om de planning van de invoering van gereguleerd parkeren ook op te nemen in de voortgangsrapportage Zuidwest, aangezien informatie, zoals de verwachtte invoerdatum van betaald parkeren in Bouwlust-Vrederust, nu verspreid is over verschillende brieven. Parkeernormen & deelvervoer De autoparkeereis is ‘het aantal autoparkeerplaatsen dat – na eventuele onderbouwde bijstellingen – nodig is op een bepaalde locatie om te voorzien in de autoparkeervraag van een ruimtelijke activiteit’. De parkeereis kan gereduceerd worden wanneer deelmobiliteit worden aangeboden, zoals is vastgelegd in de Parkeernormennota.
In gebieden met parkeerregulering kan een hogere reductie worden toegepast van maximaal 50% van de autoparkeervraag als hier deelauto’s worden aangeboden (RIS319497, p. 8)3. In Zuidwest geldt een maximumreductie van 30%, met uitzondering van enkele gebieden waar overgangsrecht geldt, zoals Dreven, Gaarden en Zichten (p. 28). Zulke percentages worden in de bestemmingsplannen voor Dreven 1 (RIS320058) en Zichten 2, 3 en 7 (RIS320060) echter niet gehaald. In het bestemmingsplan voor Dreven 1 is geen deelmobiliteit voorzien, voor Zichten 2 en 3 wordt rekening gehouden met de inzet van 4 deelauto's (=5,4% deelmobiliteit) (RIS321724, p. 22-23). Als de projecten in Dreven fase 1 gerealiseerd worden, dan zou er een overschot aan parkeerplaatsen zijn. In de toekomst wordt dit verwachte overschot ingezet om het tekort aan parkeerplaatsen in fase 4 op te lossen (RIS317394, p. 43). Ook in Zichten 2, 3 en 7 wordt gerekend op een overschot dat ingezet wordt voor de toekomstige 3
Autoparkeervraag: De behoefte aan autoparkeerplaatsen van een ruimtelijke activiteit. Deze valt in twee delen uiteen: de normatieve autoparkeervraag en de maatgevende autoparkeervraag Normatieve autoparkeervraag: Functie-eenheid * parkeernorm. Maatgevende autoparkeervraag: De totale behoefte (programma * norm) aan autoparkeerplaatsen van een ruimtelijke activiteit, rekening houdend met ligging van een ontwikkeling binnen de gemeente (de gebiedsindeling) en met toepassing van aanwezigheidspercentages, exclusief eventuele bedrijfsvoertuigen. Parkeernorm: Een getal dat aangeeft hoeveel autoparkeerplaatsen voor een bepaalde functie nodig zijn per eenheid of bruto vloeroppervlakte.
8
ontwikkelingen in Zichten 4, 5 en 6 (RIS321724, p. 22). Bij toekomstige ontwikkelingen wordt de raad aanbevolen de gevolgen voor de parkeerdruk in gebieden waar al herstructureringen hebben plaatsgevonden en parkeeroverschotten zijn in de gaten te houden. Om hier zicht op te houden is het wenselijk dat effecten op de verwachte gevolgen voor de parkeerdruk van nieuwe ontwikkelingen worden opgenomen in de voortgangsrapportage Zuidwest en de beloofde monitoringstool. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan Steenzicht/Ruimzicht (ECLI:NL:RVS:2023:4777) benadrukken de raadsrapporteurs dat er ook gedurende de ontwikkelingen een sluitende parkeerbalans dient te zijn. Wachten op toekomstige overschotten is juridisch onvoldoende waarborg. In Dreven lijkt hiermee in de gebiedsplanning rekening te zijn gehouden doordat Dreven 1D gelijktijdig met de andere projecten wordt opgeleverd (eerste kwartaal 2027) (RIS321724, bijlage 1a p. 8). Voor Steenzicht is in september 2024 een nieuwe, sluitende parkeeronderbouwing naar de raad gestuurd (RIS319815). Dit betekent echter nog niet dat ook de exploitatie van de parkeervoorzieningen onderbouwd is, wat hieronder verder wordt behandeld.
Exploitatie parkeergarages In de voortgangsrapportage Dreven, Gaarden en Zichten (RIS321724, 23) lijkt het college voor te sorteren op gemeentelijke exploitatie van de parkeerhubs, zoals Dreven 1D en Zichten 7. Dit is in lijn met de door de raad aangenomen motie “Parkeerbedrijf voor de stad Zuidwest” (RIS320694)4. In het tussenbericht van 11 maart over de afdoening van deze motie gaf het college aan uiterlijk 16 december 2025 de raad te informeren over de exploitatie. In hun reactie op het tussenbericht van 26 maart 2025 constateerden de raadsrapporteurs dat het onderwerp al langer als risico en uitzoekpunt door de gemeente wordt erkend, bijvoorbeeld in de Voortgangsrapportage Dreven, Gaarden en Zichten van mei 2023 (RIS321754). Zij vonden het daarbij van belang te vermelden dat het college een actieve informatieplicht heeft naar de raad.
Constateringen en aanbevelingen De raadsrapporteurs doen de volgende constateringen op basis van het voorgaande. Vervolgens doen zij enkele aanbevelingen aan de raad.
4
Uit de voortgangsrapportage blijkt dat Dreven-Gaarden-Zichten beter ontsloten moet worden, maar er is veel onzekerheid over bredere OV-ontwikkelingen zoals de Zuidwestlandcorridor. Landelijke bezuinigingen op het OV vormen bijvoorbeeld een risico voor deze ontsluitingen. Het is goed om Informatie over OV-ontwikkelingen een plek te geven in de voortgangsrapportage Zuidwest en/of in monitoringstools voor een integrale afweging.
Bij de appreciatie van de motie heeft het college aangegeven de motie als onderzoeksmotie te lezen.
9
Een duidelijke koppeling tussen woningbouwplannen en OV-infrastructuur is daarbij noodzakelijk om te kunnen beoordelen of het voorzieningenniveau en de woningbouwambities gelijke tred houden (amendement ‘Noodrem voor de raad’). In de plannen voor Dreven en Zichten is minder deelmobiliteit ingetekend dan toegestaan. Tegelijkertijd zijn er overschotten aan parkeerplaatsen die kunnen worden ingezet voor toekomstige ontwikkelingen. Het is belangrijk om goed zicht op de gevolgen van toekomstige ontwikkelingen op de parkeerdruk in DGZ. Meer inzet op deelmobiliteit in andere gebieden zou ook gevolgen kunnen hebben voor de parkeerdruk in Dreven 1 en Zichten 2, 3 en 7 (mogelijk waterbedeffect). Het is nog onbekend hoe de parkeerhubs geëxploiteerd gaan worden. Het college lijkt voor te sorteren op gemeentelijke exploitatie, maar duidelijkheid wordt pas eind 2025 verwacht. De raad moet geïnformeerd worden over de kosten van exploitatie, zowel voor de gemeente als voor inwoners.
Aanbevelingen
De rapporteurs vragen of (pré-)verkenningen nu met de raad gedeeld kunnen worden. Neem in de voortgangsrapportage Zuidwest en/of in de monitoringtool ook de OV-ontwikkelingen op. Neem de planning voor de invoering van gereguleerd parkeren op in de voortgangsrapportage Zuidwest. Hou bij nieuwe ontwikkelingen ook de gevolgen voor de parkeerdruk in al geherstructureerde gebieden ook goed in het oog. Informeer de raad spoedig over de exploitatie van de parkeerhub en de daarbij behorende lasten voor de gemeente en inwoners.
10
Groen en biodiversiteit Samenvatting Groen is een veelzijdig begrip en een belangrijke pijler in de Structuurvisie Den Haag Zuidwest. Het vertegenwoordigt functies voor gebruik en welzijn, voor klimaatadaptatie en voor biodiversiteit. Juist omdat deze functies soms strijdig zijn, is het van belang dat beleid en uitvoering niet alleen naar kwantiteit (m²) kijken, maar ook naar kwaliteit en toegankelijkheid. De Structuurvisie Zuidwest 2040 draagt nadrukkelijk de titel “Groen, stedelijk en vitaal Zuidwest” en formuleert hoge ambities: groene verblijfsplekken moeten overal dichtbij zijn, ecologische zones moeten behouden en versterkt worden en de openbare ruimte moet maximaal vergroend worden (RIS315261, p.5). De raad heeft deze ambities onderstreept en verder aangescherpt met amendementen: zorg voor 22 m² groen per woning (exclusief afgesloten binnentuinen) gemiddeld in heel Zuidwest, en een verplichting om ecologische zones minimaal te behouden, beter in te richten en waar mogelijk te vergroten. Uit de MER en de adviezen van de Commissie m.e.r. blijkt echter dat de plannen een kwaliteitsimpuls van het groen niet borgen:
het aantal vierkante meters groen per woning daalt. de kwaliteit van groen is onvoldoende inzichtelijk. verzachtende maatregelen zijn niet uitgewerkt.
Ook laat de afdoening van moties zien dat het college vooral inzet op monitoring, terwijl aanvullende spelregels en borging ontbreken (RIS317459, RIS317458). Daarmee blijven de risico’s voor biodiversiteit en leefbaarheid aanzienlijk. De raadsrapporteurs constateren dat de huidige systematiek onvoldoende zekerheid biedt dat de groenambities daadwerkelijk waargemaakt worden en doen aanbevelingen aan de raad.
11
Inleiding Groen kent in de ruimtelijke ordening meerdere betekenissen. Het kan gaan om:
Gebruiksgroen: speelplekken, parken, sportvelden en visueel aantrekkelijk groen dat bijdraagt aan welzijn en gezondheid. Klimaatadaptief groen: groen dat bijdraagt aan waterberging, verkoeling tegen hittestress en luchtkwaliteit. Natuurgroen: leefgebieden voor planten en dieren, essentieel voor biodiversiteit.
Deze functies lopen niet altijd parallel. Een voorbeeld is het graven van extra waterberging in de schaduw van hoogbouw: dit helpt tegen wateroverlast, maar de positionering naast hoogbouw creëert een ecologisch minder waardevol habitat voor dieren als amfibieën, insecten en vissen (RIS317432, p. 82-83). Een ander voorbeeld betreft binnentuinen op halfverdiepte parkeergarages. Met voldoende gronddekking en toegankelijkheid tellen deze tuinen mee in de groennorm als gebruiksgroen, maar het Hoogheemraadschap beschouwt ze in de praktijk als verharding. Dit is goed voorstelbaar, want op maaiveldniveau is sprake van bebouwing. Ook de natuurwaarden van dit soort binnentuinen zijn beperkt: bomen groeien gemankeerd en de ecologische verbindingswaarde is klein doordat ze verhoogd zijn en omsloten zijn door bebouwing. Daarnaast is er het corporatiegroen: zolang binnenterreinen afgesloten zijn en niet toegankelijk voor de buurt, tellen ze niet mee als gebruiksgroen. In participatieprocessen komt naar voren dat bewoners juist het toegankelijke, publieke groen het meest waarderen. Dat onderstreept het belang van kwaliteit en toegankelijkheid boven enkel kwantiteit. Juist vanwege de veelzijdigheid van groen is een heldere set spelregels nodig om keuzes te maken en functies af te wegen.
Beleid en doelen De Structuurvisie Zuidwest 2040 stelt dat de verdichting in Zuidwest niet mag leiden tot verlies van de groene hoofdstructuur. Grote groengebieden, sportterreinen en ecologische zones worden behouden en versterkt. De openbare ruimte wordt zoveel mogelijk vergroend en er wordt gestreefd naar een gezonde balans tussen bebouwing en groen. De structuurvisie stelt dat Zuidwest een aantrekkelijk woongebied moet blijven, met voldoende nabij groen en een gezonde leefomgeving. Groen moet bijdragen aan leefbaarheid, gezondheid en biodiversiteit. Voor vergroening geldt de norm van 16 m² per woning per deelgebied als ondergrens en 22 m² per woning op gebiedsniveau (heel Zuidwest) als minimum. Voor biodiversiteit moeten ecologische zones behouden en versterkt worden en wordt ingezet op natuurvriendelijke oevers en groen- en natuurinclusief bouwen. Voor klimaatadaptatie is het doel om meer ruimte voor waterberging te creëren, verharding te beperken en hittestress tegen te gaan. 12
De MER bevat bovendien spelregels voor natuur en biodiversiteit, zoals de verplichting om negatieve effecten door stikstofdepositie uit te sluiten, natuurvriendelijke oevers aan te leggen en mitigerende maatregelen te onderzoeken bij aanwezigheid van beschermde soorten (RIS315261). De Commissie m.e.r. wijst er nadrukkelijk op dat zonder aanvullende maatregelen veel van deze doelen niet worden gehaald.
Uitvoering en toetsing De MER en de aanvulling op het projectMER voor DGZ signaleren duidelijke risico’s. Het aantal vierkante meters groen per woning neemt af, terwijl dit vooralsnog niet wordt gecompenseerd met voldoende kwalitatieve maatregelen. Zo schrijft de Commissie m.e.r. in een advies op 11 juni 2024 het volgende: ‘Voor groen is niet helder of in Dreven, Gaarden en Zichten de doelen bereikt worden. Het doelbereik is ook in de natuurtoetsen en ecologische visie onvoldoende uitgewerkt om te kunnen toetsen aan de ambities voor het gebied. Hoe de kwaliteit van het stedelijk groen verbeterd kan worden is niet uitgewerkt in het ruimtelijk raamwerk voor dit gebied. Dit is des te meer van belang om de ambitie voor groen ondersteunend is aan de ambities voor gezondheid en spelen’ (Toetsingsadvies 2024, p.5). Hoewel de MER een licht positieve score geeft op “nabijheid van groen”, zegt dit niets over de kwaliteit van het groen. Bovendien ontbreekt inzicht in welke verzachtende maatregelen kunnen worden ingezet als doelen niet gehaald worden. De Commissie m.e.r. adviseerde al eerder (februari 2023) expliciet te erkennen dat de ambities voor gezondheid en groen niet gehaald worden, en aanvullende maatregelen in beeld te brengen (Toetsingsadvies 2023, p.2). Deze oproep is tot op heden onvoldoende opgevolgd.
De Voortgangsrapportage DGZ (RIS321724) benoemt als expliciete doelstelling ‘de gebruikswaarde, belevingswaarde en ecologische waarde van het groen in de wijk verbeteren’ (p.5). De rapportage gaat hier echter niet expliciet op in. Er wordt bijvoorbeeld geen melding gemaakt van het openbaar maken van groene binnenterreinen, niet benoemd of er kwaliteitsimpulsen zijn, niet aangegeven of er natuurvriendelijke oevers worden aangelegd, en ook niet of maatregelen worden genomen om recreatiedruk in parken te beperken. De raadsrapporteurs kunnen op basis van de voortgangsrapportage daarom niet constateren of uitwerking wordt gegeven aan het ProjectMER, waar deze uitgangspunten in zijn opgenomen (p. 10). Ook een analyse van ecologische verbindingen ontbreekt. De financiering van groen en biodiversiteit is onderdeel van de gebiedsontwikkelingen. Voor DGZ fase I is een grote onrendabele top aanwezig die deels wordt gedekt door de Woningbouwimpuls van het Rijk. Er zijn binnen de Grondexploitatie voor DrevenGaarden-Zichten middelen voor de openbare ruimte. Hoewel daarmee verondersteld 13
mag worden dat middelen voor vergroening en wateropgaven wel zijn opgenomen, lijkt er geen afzonderlijk investeringsplan te bestaan dat garandeert dat de ambities voor groen en biodiversiteit worden waargemaakt. Aangaande rapportage en monitoring, wijst het college op de Haagse Groenmonitor. Deze biedt gegevens over de ontwikkeling van bomen, buurtgroen en kroonoppervlak. Sinds 2024 kan deze ook voor Zuidwest worden ingezet. Daarnaast is een waterhuishoudingsplan gepubliceerd dat inzicht geeft in waterberging en klimaatadaptatie (RIS322390). Op dit moment bieden deze instrumenten vooral kwantitatieve data en zeggen ze weinig over de kwaliteit van groen en de effecten op biodiversiteit en gezondheid. Er is dus wel sprake van monitoring, maar de integraliteit (de koppeling tussen groen, gezondheid, leefbaarheid en klimaatadaptatie) blijft beperkt. In de voortgangsrapportage over DGZ is informatie over groen en biodiversiteit te summier.
Moties en afdoening De raad heeft naast amendementen ook moties aangenomen om groen beter te borgen. De motie Beperk verharding in Zuidwest (RIS317458) wees op een netto verlies van 60.453 m² onverhard oppervlak (≈ negen voetbalvelden). Het college erkende dit verlies en verwijst naar het waterhuishoudingsplan, waarmee de effecten in samenhang inzichtelijk worden gemaakt5. De motie Goede spelregels voor het groen (RIS317459) verzocht om aanscherping van het spelregelkader en het opnemen van maatregelen voor kwaliteit van groen, kroonoppervlak en leefgebied voor dieren. Het college stelde echter dat het bestaande plan-MER voldoende spelregels bevat en verwees naar de nieuwe Groenmonitor. Daarmee werd geen inhoudelijke aanscherping doorgevoerd.
Constateringen en aanbevelingen De raadsrapporteurs constateren het volgende op basis van het voorgaande. Vervolgens doen zij enkele aanbevelingen aan de raad.
De doelen voor groen en biodiversiteit in de Structuurvisie zijn ambitieus en door de raad verder aangescherpt, maar in de praktijk wordt hier nog onvoldoende invulling aan gegeven. De MER en Commissie m.e.r. constateren dat ambities voor gezondheid en groen niet gehaald worden en dat aanvullende maatregelen ontbreken. Netto gaat er groen verloren: zowel door toename van verharding als door een daling van het aantal m² per woning.
In mei 2024 schreef het college dat het waterhuishoudingsplan naar verwachting Q4 2024 klaar zou zijn. Het is in september 2025 naar de raad gestuurd en daardoor hebben de raadsrapporteurs er geen oordeel over geveld. 5
14
De afdoening van moties laat zien dat het college vooral inzet op monitoring en proces, en niet op aanvullende maatregelen en manieren om borging te garanderen. Kwaliteit en toegankelijkheid van groen, bij binnentuinen en corporatiegroen zijn nog onvoldoende in beeld. Hetzelfde geldt bij de kwaliteit en biodiversiteitsdoelen bij groengebieden en ecologische verbindingszones. De financiering van groen lijkt in grote mate te komen uit middelen voor de gebiedsontwikkeling, of bij individuele bouwprojecten. Er bestaat, voor zover de raadsrapporteurs weten, geen afzonderlijk investeringsplan dat garandeert dat de ambities voor groen en biodiversiteit worden waargemaakt. De doelen uit de Structuurvisie zijn niet structureel geborgd in de uitvoering.
Aanbevelingen De raadsrapporteurs bevelen aan:
Toets elk deelplan expliciet aan de ondergrens van 16 m² en de streefwaarde van 22 m² openbaar groen per woning. Werk met kwaliteitsindicatoren naast kwantiteitsindicatoren in de voortgangsrapportage en monitor. Afhankelijk van de functie van het groen kan dit bijvoorbeeld gaan om: biodiversiteit, ecologische verbindingen, kroonoppervlak, toegankelijkheid, belevingswaarde, waterbufferend vermogen. Verzoek om herijking van het spelregelkader dat de commissie m.e.r. aanbeveelt en let op toepassing hiervan bij nieuwe deelplannen: maatregelen moeten concreet benoemd worden. Vervul de controlerende taak van de raad waar het gaat om de uitvoering van amendementen en moties: controleer waar en hoe ecologische zones worden behouden, versterkt en uitgebreid en waar vergroening daadwerkelijk plaatsvindt. Hou oog voor de waarde van toegankelijk, publiek groen: corporatiegroen en verhoogde binnentuinen tellen alleen mee als ze kwalitatief en functioneel bijdragen aan de buurt. Zorg voor integrale monitoring: koppel data over groen niet alleen aan m², maar ook aan gezondheid, leefbaarheid, biodiversiteit en klimaatadaptatie.
Verzoek het college om volwaardig te rapporteren over groen en biodiversiteit bij voortgangsrapportages over Zuidwest, inclusief welke doelen het college met het groen nastreeft (bijvoorbeeld gebruiksgroen, klimaatadaptatie, ecologische verbinding en/of biodiversiteit) en hoe dit gefinancierd zal worden.
15
Slotwoord raadsrapporteurs Met de nodige zorg leggen wij u deze eerste rapportage voor. We hebben geprobeerd de beschikbare stukken over Den Haag Zuidwest zo goed mogelijk te beschouwen, verbanden te leggen en op basis daarvan bruikbare aanbevelingen te formuleren. Dit doen wij naast ons reguliere raadswerk en met gewaardeerde, maar te beperkte ambtelijke ondersteuning. Ook daarom is deze rapportage nog gedeeltelijk van aard. Bij toekomstige rapportages zien wij het als wenselijk om uitgebreider te kunnen rapporteren. We ontvangen daarbij graag uw feedback: wat werkt goed, wat kan beter en welke onderwerpen verdienen volgens u extra aandacht. Wij merken op dat een snellere en meer integrale rapportage alleen mogelijk is als de informatievoorziening richting de raad sneller en gebundeld plaatsvindt. De huidige fragmentatie van informatie over verschillende diensten en commissies belemmert de toegankelijkheid en transparantie. Tegelijkertijd ervaren wij veel medewerking en betrokkenheid vanuit de gemeentelijke organisatie, waar wij tevreden over zijn. Daarnaast is er een netwerk van relevante organisaties en belanghebbenden in Zuidwest, en het kost ons tijd om ook hun ervaringen in grotere mate te betrekken. Dit zien we wel als waardevol en een goed uitgangspunt voor toekomstige rapportages.
Tot slot: wij bieden u deze eerste rapportage aan in de overtuiging dat iedereen gebaat is bij een beter inzicht in de voortgang en de opgaven van Den Haag Zuidwest. We hopen dat het een waardevolle bijdrage vormt aan uw werk als raadslid.
16
Bijlage: eerder opgeleverde stukken Eerder opgeleverde stukken van de raadsrapporteurs.
Gevraagde reactie op Tussenbericht motie Parkeerbedrijf voor de stad Zuidwest (RIS321754) Werkagenda raadsrapporteurs Zuidwest (RIS321753)
17