RIS323316 Raadsvoorstel rekenkameronderzoek Koers op Groen
Tekst van het document
RIS323316 Raadsvoorstel Koers op groen
Voorstel van de Rekenkamer Den Haag inzake het rekenkameronderzoek 'Koers op groen’ naar het beleid voor de ontwikkeling van het groen in de stad
1. Inleiding De Rekenkamer Den Haag heeft onderzocht in hoeverre de gemeente op koers ligt met het behalen van haar doelen voor het groen in de stad. De gemeente streeft ernaar om het Haagse groen kwalitatief en waar mogelijk kwantitatief te ontwikkelen. Dit omvat het groen dat in de openbare ruimte staat, maar ook groen in particuliere tuinen of op gronden van anderen. Het merendeel van het openbaar groen wordt beheerd door de gemeente. De rest wordt door anderen beheerd, zoals door woningbouwcorporaties of door andere overheden. Voor dit onderzoek hebben wij ons gericht op het vanaf 2016 geldende beleid voor de ontwikkeling van het groen in Den Haag. Aanleiding voor dit onderzoek was dat uit de afgelopen coalitieakkoorden blijkt dat de gemeente Den Haag meer groen wil in de stad.1 Het vergroenen van de stad zorgt namelijk onder andere voor een betere leefkwaliteit en het verlichten van de gevolgen van klimaatverandering.2 Het groen en de leefbaarheid staan echter onder druk. Doordat het aantal inwoners in de stad groeit, moeten er ook meer huizen en voorzieningen komen, ook wel de verdichtingsopgave genoemd. Volgens de gemeente zou verdichten gepaard moeten gaan met de vergroening van de stad.3 Wij hebben onderzocht in hoeverre de gemeente op koers is met het vergroenen van de stad.
2. Hoofdconclusie: Het gemeentebestuur werkt onvoldoende doelgericht aan de vergroening van de stad De rekenkamer constateert dat de openbare ruimte van Den Haag de afgelopen jaren groener is geworden. Het groenareaal en het aantal stadsbomen in beheer van de gemeente zijn tussen 2020 en 2023 namelijk gestegen. Of het gemeentebestuur daarmee de Haagse doelen voor groen bereikt,
1
RIS273442, Coalitieakkoord 2014-2018. Vertrouwen op Haagse Kracht, D66, PvdA, HSP, VVD en CDA, juni 2014; RIS299794, Coalitieakkoord 2018-2022. Den Haag, Stad van kansen en Ambities, Hart voor Den Haag, VVD, D66, GroenLinks, 29 mei 2018; RIS304121 Bijlage, Coalitieakkoord 2019-2022. Samen voor de stad, VVD, D66, GroenLinks, CDA, PvdA, 9 december 2019; RIS313189, Coalitieakkoord 2022-2026. Voor een stad die tegen een stootje kan, D66, VVD, GroenLinks, PvdA, CDA, 16 september 2022. 2 RIS307825 Raadsbesluit Bijlage 1, Nota stadsbomen. Leefkwaliteit voor de stad, gemeenteraad, 15 april 2021, p. 4; RIS308744 Collegebesluit Bijlage 1, Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig, College van Burgemeester en Wethouders, 25 mei 2021, p. 18; RIS294705 Raadsbesluit Bijlage, Agenda Groen voor de Stad, gemeenteraad, 15 december 2016, p. 6. 3 RIS307825 Raadsbesluit Bijlage 1, Nota stadsbomen. Leefkwaliteit voor de stad, gemeenteraad, 15 april 2021, p. 5; RIS294705 Raadsbesluit Bijlage, Agenda Groen voor de Stad, gemeenteraad, 15 december 2016, p. 69.
1
RIS323316 Raadsvoorstel Koers op groen
is echter niet te zeggen. Dat komt onder meer doordat de doelen van de gemeenteraad betrekking hebben op al het groen in Den Haag, terwijl de aanpak en monitoring van resultaten door het college vooral gaan over het groen in beheer van de gemeente zelf. Het gemeentebestuur heeft sinds 2016 meer dan € 225 miljoen beschikbaar gesteld voor een ‘kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen’.4 De raad heeft daarbij echter niet duidelijk aangegeven wat er bereikt moet worden. Het ontbreekt aan een actuele samenhangende visie op de ontwikkeling van het groen in de stad. De raad heeft daarnaast bij veel doelen voor groen niet vastgelegd wat het concrete resultaat moet zijn en wanneer dit gerealiseerd moet zijn. Ook concluderen we dat het college niet genoeg informatie heeft over de ontwikkeling van het groen in Den Haag. Het college kan daardoor zelf minder goed sturen op het bereiken van de doelen en ook de raad niet goed informeren over de voortgang van het groenbeleid. Hierdoor kan de gemeenteraad niet controleren of de doelen voor groen worden bereikt. Aanvullend geldt dat het college niet volgens een helder plan werkt aan de realisatie van de doelen op het gebied van groen. Er is geen meerjarige en samenhangende aanpak. De plannen van het college zijn versnipperd, omdat plannen doorgaans slechts voor korte duur worden opgesteld en soms enkel gericht zijn op delen van de stad.
Het college geeft daarnaast niet aan hoe het de beschikbare middelen inzet om de doelen te realiseren. Alleen voor beheer en onderhoud van groen geeft het college aan hoeveel geld daarvoor wordt uitgegeven. Daarvan is echter ook duidelijk dat dit niet genoeg is om het doel voor beheer en onderhoud te kunnen realiseren. Zowel de raad als het college hebben de laatste jaren stappen gezet om het beleid te verbeteren. De raad beschrijft steeds duidelijker wat hij wil bereiken en het college geeft betere informatie over de voortgang van de groendoelen. De raad heeft echter nog steeds niet alle doelen duidelijk beschreven en het college rapporteert ook nog niet over alle doelen. Ook ontbreekt het nog aan een planmatige aanpak van het college. Het is daarom niet duidelijk of de sinds 2016 vastgelegde doelen, waaronder de (meer) concrete doelen gericht, tijdig worden gerealiseerd. De hoofdconclusie is gebaseerd op de volgende deelconclusies:
4
De gemeenteraad heeft in 2016 in de Agenda Groen 2030 als ambitie een ‘kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen’ vastgesteld. Het college maakt geen scheiding binnen het beschikbare budget voor openbaar groen en openlucht recreatie. Hierdoor hebben wij het beschikbare budget voor openbaar groen niet precies kunnen berekenen voor onze onderzoeksperiode.
2
RIS323316 Raadsvoorstel Koers op groen
2.1 Deelconclusie 1: Het groen in de stad is de afgelopen jaren toegenomen. De openbare ruimte in beheer van de gemeente Den Haag is in de periode 2020-2023 groener geworden. De rekenkamer schat in dat er in deze periode circa 48.000 m2 aan groen en tussen de 850 en 900 stadsbomen bij zijn gekomen. Dat geldt ook voor het groen in de Stedelijke Groene Hoofdstructuur (SGH). Uit ons onderzoek komt naar voren dat daarbinnen een stijging zichtbaar is van de hoeveelheid groen en het aantal bomen. Een belangrijk deel van die toename is het gevolg van het door de gemeente in beheer nemen van al bestaand groen. Het percentage ‘ecologisch passende bomen’ bleef in de periode 2020-2023 gelijk met 70% van het totaal aantal stadsbomen.
2.2 Deelconclusie 2: Het is niet duidelijk of de gemeente op koers ligt om de doelen voor de groenontwikkeling te realiseren. Het is onduidelijk of de gemeente genoeg voortgang gemaakt heeft met het groenbeleid om haar doelen voor het groen te realiseren. Dit komt ten eerste doordat het merendeel van de doelen die de raad stelt, niet concreet genoeg is om te kunnen bepalen of de voortgang op schema ligt. Zo is voor het doel om versteende wijken te vergroenen niet duidelijk hoeveel er vergroend moet worden en is niet duidelijk wanneer de versteende wijken vergroend moeten zijn. Ook is één van de belangrijkste doelen binnen het groenbeleid, om tot de periode 2030 het groenoppervlak met 5% te doen toenemen, geformuleerd als een streven. Daarmee is onduidelijk welke resultaten de gemeenteraad gerealiseerd wil zien. Voor het doel van de gemeente om het groen in haar beheer op de beoogde kwaliteit te brengen én te onderhouden, is het onduidelijk hoeveel groen nog niet op niveau is en wanneer dit groen op niveau gebracht moet zijn. Ten tweede constateert de rekenkamer dat het college tussen 2016 en 2024 voor een aantal doelen geen of nauwelijks gegevens heeft verzameld, waarmee de ontwikkeling van het groen kan worden bijgehouden. Voor de doelen gericht op het onderhoud van groen en het verbeteren van groeiplaatsen werden geen gegevens bijgehouden.
Het college geeft aan dat het vanaf 2024 wel de onderhoudskwaliteit van het groen monitort. Voor de aanpak van pleinen wordt intern wel een ‘stand van zaken’ van de uitvoering bijgehouden, maar houdt de gemeente niet bij hoeveel pleinen en hoeveel vierkante meters zijn vergroend. Ten derde geeft de informatie die het college aan de raad verstrekt een onvolledig en deels onjuist beeld over de realisatie van de doelen. Een groot deel van de gerapporteerde stijging van het groen ontstaat bijvoorbeeld door het overnemen van bestaand groen van andere partijen. Een voorbeeld 3
RIS323316 Raadsvoorstel Koers op groen
hiervan is de aankoop van de Kostverlorendijk in Leidschenveen in 2021, goed voor 16% van de totale toename in 2021. Andersom was hier ook sprake van met het overdragen van het beheer van een veld in Forepark aan Rijkswaterstaat in 2021, wat goed was voor ongeveer de helft van de gerapporteerde daling van groen in 2021. De oorzaak van dit probleem ligt bij de gebruikte gegevens voor het volgen van de ontwikkeling van het groen. Omdat deze alleen het door de gemeente te beheren groen bijhouden zijn ze niet geschikt om de ontwikkeling van het groen in de hele stad te volgen. Bovendien houdt het college vooral gegevens bij over de kwantitatieve ontwikkeling van het groen, terwijl het hoofddoel van het groenbeleid is om te komen tot een kwalitatieve ontwikkeling. Daarnaast worden deze gegevens pas sinds 2020 systematisch bijgehouden, waardoor de ontwikkeling voor die tijd niet meer zichtbaar is. Ook biedt het college bij het gebruik van deze gegevens in rapportages niet altijd genoeg duiding. Dit wekt de suggestie dat de verstrekte cijfers een accuraat beeld geven van de veranderingen in het groen in de stad. Om op basis van deze gegevens toch uitspraken zoals in deelconclusie 1 te kunnen doen heeft de rekenkamer correcties moeten doorvoeren en de toename van het groen mede op basis van een steekproef moeten inschatten.
Ten vierde rapporteert het college voornamelijk over uitgevoerde activiteiten, zonder daarbij aan te geven in hoeverre daarmee is bijgedragen aan de gestelde doelen. Zo rapporteerde het college in de programmarekeningen van 2016 en 2017 over aantallen vierkante meters groen die zijn ‘verbeterd’, maar wordt niet aangegeven of daarmee het gewenste kwaliteitsniveau is behaald. Ook rapporteerde het college over het planten van nieuwe bomen in versteende wijken (2022 en 2023), maar gaf het niet aan hoeveel groener de wijken daarmee werden.
2.3 Deelconclusie 3: Het college waarborgt onvoldoende dat de uitvoering van het groenbeleid is gericht op het realiseren van de gestelde doelen. Het college zorgt er bij de uitvoering van het groenbeleid onvoldoende voor dat deze gericht is op het realiseren van de door de raad gestelde doelen. In de meest recente plannen van het college zien we wel een verbetering. Het ontbreekt echter nog aan een planmatige aanpak voor alle doelen voor het Haagse groen, waarbij duidelijk wordt gemaakt met welke activiteiten de doelen gerealiseerd gaan worden en welke middelen daarvoor worden ingezet. Ten eerste maakt het college doorgaans niet duidelijk in welke mate de uitvoeringsplannen bijdragen aan de realisatie van de gemeentelijke doelen. Het college heeft bijvoorbeeld in “meer blad voor de 4
RIS323316 Raadsvoorstel Koers op groen
stad” en in vergroeningskansenstudies aangegeven, dat de beschreven activiteiten bijgedragen aan het toenemen van het kroonoppervlak, maar daarbij niet duidelijk gemaakt in hoeverre dat genoeg is om daadwerkelijk 5% meer kroonoppervlak te realiseren in 2030. De recente brief Natuurontwikkeling laat hier een verbetering in zien, omdat in het document een duidelijke koppeling wordt gemaakt tussen de beschreven activiteiten en het doel om de SGH te versterken. In deze brief wordt echter niet duidelijk gemaakt welke middelen voor de beschreven activiteiten worden ingezet. Ten tweede heeft het college tussen 2016 en 2024 niet concreet gemaakt hoe de doelen gerealiseerd worden met het totaal aan beschikbare middelen. Dit komt doordat het college de middelen niet altijd op een duidelijke wijze heeft verdeeld over de activiteiten om de groendoelen te realiseren en onduidelijk is of de achterliggende doelen gerealiseerd kunnen worden met het beschikbare budget. Zo is er in beleidsdocumenten, zoals de Agenda Groen en de Nota Stadsnatuur, niet beschreven hoe de beschikbare middelen verdeeld moeten worden over activiteiten. Verder ontbreekt een meerjarenprogramma voor het onderhoud van het openbaar groen vanaf 2019. In recente plannen van het college zien we ook op dit punt een positieve ontwikkeling.
In het Actieprogramma klimaatadaptatie en vergroenen versteende wijken 2024 en de update hiervan uit 2025, wordt duidelijk gemaakt welke middelen gekoppeld zijn aan welke activiteiten en wat er concreet met deze activiteiten behaald moet worden. Nog onduidelijk is echter in hoeverre met deze activiteiten wordt bijgedragen aan de door de raad vastgestelde doelen, waaronder 5% meer kroonoppervlak, het streven naar 5% meer groenareaal en 75% ecologisch passende bomen in 2030. Ten slotte constateren wij dat voor het onderhoud structureel te weinig middelen ter beschikking worden gesteld, waardoor het beoogde onderhoudsniveau niet gerealiseerd kan worden. Daarnaast neemt bij uitbreidingen van het groenareaal het budget voor het onderhoud niet altijd in gelijke mate toe. Zo wordt in de dekkingsvoorstellen voor bouwprojecten, waarin nieuw groen wordt gecreëerd, niet altijd rekening gehouden met de dekking voor het beheer van dit groen.
3. Aanbevelingen, reactie college en nawoord rekenkamer We formuleren op basis van de conclusies uit dit onderzoek vijf aanbevelingen. Deze aanbevelingen hebben als doel de totstandkoming van een samenhangende visie met concrete doelen voor de ontwikkeling van het groen in Den Haag en de vertaling daarvan naar een duidelijke, planmatige aanpak. Daarnaast hebben onze aanbevelingen als doel dat de voortgang op de doelen voor groen nauwkeurig bijgehouden wordt, en dat daar volledig en juist over gerapporteerd wordt. 5
RIS323316 Raadsvoorstel Koers op groen
Op 10 juli 2025 heeft de Rekenkamer Den Haag de bestuurlijke reactie op de conclusies en aanbevelingen ontvangen van het College van Burgemeester en Wethouders (zie hoofdstuk 4). Wij constateren dat het college onze aanbevelingen op de meeste onderdelen overneemt. Op enkele punten geeft het college echter aan dat opvolging van onze aanbevelingen niet of slechts beperkt mogelijk is. Dit is aanleiding om hier in het nawoord verder op in te gaan. Hieronder geven we per aanbeveling een weergave van de reactie van het college en het nawoord van de rekenkamer.
Aanbeveling 1: Stel als raad een samenhangende visie vast voor de ontwikkeling van het groen in de stad met daarin concrete doelen voor de ontwikkeling van het groen in Den Haag en vraag het college hier een voorstel voor op te stellen, waarin tenminste is vastgelegd: a.
Wat er onder doel-gerelateerde termen als vergroening, ontstening en kwalitatieve ontwikkeling
wordt verstaan; b.
Op welke soorten groen een doel is gericht en daarbij onderscheid te maken tussen de
verschillende rollen die de gemeente vervult met betrekking tot groen in eigen beheer en groen in beheer van derden; c.
Bij welke waarde een doel bereikt is en hoe dat gemeten gaat worden;
d.
Wat daarmee bereikt wordt ten opzichte van de huidige situatie;
e.
Welke activiteiten nodig zijn om de doelen te bereiken;
f.
Wanneer het gewenste eindresultaat bereikt moet zijn.
Reactie college: Het college geeft aan deze aanbeveling op vrijwel alle punten over te nemen. Het college geeft hierbij aan dat het de onder onderdeel a genoemde termen zal verduidelijken. Het college noemt daarnaast wel twee kanttekeningen bij de opvolging van deze aanbeveling. Ten eerste merkt het college op dat groen een kwalitatieve kant kent en dat deze kant zich niet altijd leent voor SMART geformuleerde doelen. Ten tweede stelt het college dat externe factoren zoals ziektes of weersomstandigheden van invloed kunnen zijn op het resultaat en bestuurlijke belangen compromissen in het ambitieniveau kunnen vereisen. Nawoord rekenkamer: Naar aanleiding van de reactie van het college dat het de bij het eerste punt genoemde doelgerelateerde termen zal verduidelijken, merken we op dat we in ons rapport geen uitputtende opsomming hebben opgenomen van termen die voor meerdere interpretaties vatbaar zijn. Voor elk doel zou het college er daarom voor moeten zorgen dat de gebruikte termen voldoende duidelijk zijn. Alleen met concrete doelen is het mogelijk om sturing te geven aan de uitvoering en achteraf te beoordelen in hoeverre het beoogde resultaat bereikt is. 6
RIS323316 Raadsvoorstel Koers op groen
Het is voor de kaderstellende en controlerende rol van de raad belangrijk om concrete doelen te stellen óf de meer algemene en kwalitatieve doelen uit te werken in onderliggende doelen die wel concreet en meetbaar zijn. Het kan daarbij inderdaad lastig zijn om voor de kwaliteit van het groen concrete doelen op te stellen. Niet alles is meetbaar te maken. Toch is er wel veel mogelijk. Zo geeft het college in de notitie ‘Meten is weten: Den Haag houdt vergroening bij in Groenmonitor’5 zelf aan, dat de ‘staat van de natuur’ vooral is af te lezen aan biodiversiteit, dus de variatie van verschillende soorten insecten, vogels en ander kleine dieren zoals egels, eekhoorns en vleermuizen. Het college geeft daarbij aan de ontwikkeling van insecten en andere dieren volop te monitoren en in de volgende Groenmonitor met de eerste resultaten te komen. De rekenkamer erkent ook dat externe factoren zoals ziekten en weersomstandigheden invloed kunnen hebben op het wel of niet bereiken van doelen. Juist in deze situatie is het wat ons betreft belangrijk dat het college en de raad de realisatie kunnen vergelijken met de gestelde doelen. Gecombineerd met inzicht in welke factoren voor de gemeente beïnvloedbaar en niet beïnvloedbaar zijn, kan het gemeentebestuur voor het vervolg dan zo nodig de sturing of het ambitieniveau aanpassen.
Aanbeveling 2: Draag het college op de door de raad vastgestelde visie en doelen voor groen te vertalen naar een planmatige aanpak met de daarvoor benodigde middelen en daarbij in ieder geval aan te geven: a.
Hoe de activiteiten bijdragen aan de vastgestelde doelen;
b.
Hoe de beschikbare middelen gekoppeld zijn aan de uit te voeren activiteiten;
c.
Voor de realisatie van de doelen de daarvoor benodigde middelen in het plan op te nemen, dan
wel aan de raad een voorstel te doen om het ambitieniveau van de doelen aan te passen. Reactie college: Het college geeft aan deze aanbeveling over te nemen. Wel stelt het college dat het naast uitgewerkte programma’s ook gebruik maakt van ‘werk-met-werk middelen’ waardoor een planmatige aanpak niet het totale beeld en alle benodigde middelen zichtbaar maakt. Verder merkt het college op dat bij nieuwe plannen voor groen de kosten van aanleg en beheer bekend en gedekt moeten zijn. Het college constateert dat het beheerniveau bij deze plannen aan moet sluiten bij het ambitieniveau dat door de raad is vastgesteld. Het college erkent dat er onvoldoende middelen voor beheer en onderhoud zijn om dat niveau ook daadwerkelijk te realiseren. Nawoord rekenkamer: Het doel van dit punt in onze aanbeveling is dat het college duidelijk maakt hoe het de doelen van de raad wil realiseren. Het college kan als onderdeel van de planmatige aanpak opnemen dat
5
Meten is weten: Den Haag houdt vergroening bij in Groenmonitor, website gemeente Den Haag, 27 november 2024, https://www.hethaagsegroen.nl/groen+werk/2936515.aspx, geraadpleegd op: 24 september 2025.
7
RIS323316 Raadsvoorstel Koers op groen
gebruikgemaakt wordt van verschillende middelen en instrumenten. Werk met werk maken is daarbij één van de mogelijke beleidsinstrumenten. In de reactie van het college is nog onduidelijk op welke wijze het college wil omgaan met het geconstateerde tekort aan middelen voor beheer en onderhoud. Het college onderkent in zijn reactie dat er te weinig middelen ingezet worden voor onderhoud en geeft aan dat er hierdoor een achterstand is in het onderhoud van groen. Wij benadrukken dat het inzetten van voldoende middelen, binnen het door de gemeenteraad in de begroting beschikbaar gestelde budget voor groen, de verantwoordelijkheid van het college is. Mocht het zo zijn dat het college binnen het beschikbaar gestelde budget geen ruimte ziet om het beheer en onderhoud op het gewenste niveau uit te voeren, dan zal het om meer budget moeten vragen ofwel het zal de raad moeten voorstellen het ambitieniveau (naar beneden) aan te passen.
Aanbeveling 3: Draag het college op de realisatie van activiteiten en de voortgang op het bereiken van alle door de raad vastgestelde doelen bij te houden en daarbij in ieder geval vast te leggen wat per doel: a.
Jaarlijks is gerealiseerd;
b.
Wat het resultaat is van de gerealiseerde activiteiten;
c.
In hoeverre daarmee bijgedragen is aan het bereiken van het betreffende doel.
Reactie college: Het college geeft aan deze aanbeveling grotendeels over te nemen. De opvolging is volgens het college echter wel afhankelijk van de mate van detaillering en beschikbaarheid van data. Hierover zegt het college dat er voor een deel al voldoende data beschikbaar zijn en dat het de benodigde data voor een deel nog in kaart zal brengen, tezamen met de financiële en capaciteit-gerelateerde consequenties. Het college merkt daarnaast ook op dat rapportage over de bijdrage van activiteiten aan een bepaald resultaat, of rapportage over het resultaat zelf, soms niet mogelijk is omdat er gewerkt wordt vanuit integrale plannen met meerdere of complex samengestelde doelen. Nawoord rekenkamer: Het college wijst in zijn reactie op de mogelijkheden en onmogelijkheden bij het monitoren van doelrealisatie. Wij erkennen dat niet alles te meten is. Of dat mogelijk is en of er geschikte informatie beschikbaar is, zouden daarom belangrijke overwegingen moeten zijn bij het bepalen van doelen voor het groenbeleid. Alleen als de voortgang op het doelbereik inzichtelijk te maken is, is het namelijk voor de raad mogelijk het gevoerde beleid te controleren. Het is daarom van belang alleen doelen te formuleren die ook te monitoren zijn of aan doelen die meer algemeen en kwalitatief van aard zijn, onderliggende doelen te koppelen die wel concreet en meetbaar zijn.
Het college kan dan op zijn minst kwalitatief onderbouwen hoe de activiteiten van de gemeente hebben bijgedragen aan het bereiken van het beoogde doel, bijvoorbeeld door te verwijzen naar een beleidstheorie die het verband legt tussen activiteiten en effecten daarvan. 8
RIS323316 Raadsvoorstel Koers op groen
Aanbeveling 4: draag het college op de raad in samenhang en op eenduidige wijze, periodiek te voorzien van alle relevante voortgangsinformatie, waarbij die informatie ten minste: a.
Betrekking heeft op alle vastgestelde doelen
b.
Inzicht biedt in de kwantitatieve én kwalitatieve ontwikkeling van het groen;
c.
Onderscheid maakt tussen ontwikkeling van het groen in de hele stad en groen in beheer van de
gemeente; d.
Inzicht biedt in het doelbereik;
e.
Van genoeg duiding is voorzien zodat duidelijk wat wel en wat niet zichtbaar is met de
beschikbare gegevens. Reactie college: Het college geeft aan deze aanbeveling over te nemen, met in achtneming van de beperkingen omtrent de kwalitatieve kant van groen die het college beschreven heeft in zijn reactie bij aanbeveling 1. Daarnaast wijst het college ook op de beperkingen omtrent rapporteren over groen van derden. Nawoord rekenkamer: De reactie van het college is grotendeels in lijn met de aanbeveling van de rekenkamer. Met betrekking tot de beperkingen omtrent het monitoren van de kwalitatieve ontwikkeling van groen verwijzen we naar ons nawoord bij aanbevelingen 1 en 3. Het college geeft in zijn reactie ook aan dat het inzicht bieden van de ontwikkeling van groen dat in beheer is bij andere partijen veelal niet mogelijk zal zijn. Wij wijzen erop dat college en gemeenteraad in dat geval zorgvuldig moeten overwegen in hoeverre het stellen van doelen die ook betrekking hebben op groen van derden dan wel realistisch is.
Aanbeveling 5: draag het college op binnen twee maanden nadat de raad een besluit heeft opgenomen over deze aanbevelingen een planning naar de raad te sturen voor de opvolging van de voorgaande aanbevelingen. Reactie college: Het college geeft aan deze aanbeveling over te nemen. Nawoord rekenkamer: De reactie van het college is in lijn met de aanbeveling van de rekenkamer.
9
RIS323316 Raadsvoorstel Koers op groen
Raadsbesluit 'Koers op groen', rekenkameronderzoek naar het beleid voor de ontwikkeling van het groen in de stad Gezien het vorenstaande stelt de rekenkamer de raad voor het volgende besluit te nemen: De raad van de gemeente Den Haag, Gelet op artikel 185, tweede lid Gemeentewet en de aanbevelingen van de Rekenkamer Den Haag uit het rapport ‘Koers op groen’ Besluit het college het volgende op te dragen: I. Stel als raad een samenhangende visie vast voor de ontwikkeling van het groen in de stad, met daarin concrete doelen voor de ontwikkeling van het groen in Den Haag en vraag het college hier een voorstel voor op te stellen, waarin tenminste is vastgelegd: a) wat er onder doel-gerelateerde termen als vergroening, ontstening en kwalitatieve ontwikkeling wordt verstaan; b) op welke soorten groen een doel is gericht en daarbij onderscheid te maken tussen de verschillende rollen die de gemeente vervult met betrekking tot groen in eigen beheer en groen in beheer van derden; c) bij welke waarde een doel bereikt is en hoe dat gemeten gaat worden; d) wat daarmee bereikt wordt ten opzichte van de huidige situatie; e) welke activiteiten nodig zijn om de doelen te bereiken; f)
wanneer het gewenste eindresultaat bereikt moet zijn.
Het doel van deze aanbeveling is het verduidelijken van de gemeentelijke kaders, waarbinnen het gemeentebestuur bepaalt wat het wil bereiken ten aanzien van het groen in de stad en daarbij duidelijker onderscheid te maken tussen wat de gemeente zelf kan doen en waar samenwerking met andere beheerders nodig is. Zo geeft de raad actiever sturing aan het groenbeleid en stelt de raad zich in een positie om een verantwoord oordeel te kunnen geven over het bereikte resultaat. II. Draag het college op de door de raad vastgestelde visie en doelen voor groen te vertalen naar een planmatige aanpak met de daarvoor benodigde middelen en daarbij in ieder geval aan te geven: a) hoe de activiteiten bijdragen aan de vastgestelde doelen; b) hoe de beschikbare middelen gekoppeld zijn aan de uit te voeren activiteiten; c) voor de realisatie van de doelen de daarvoor benodigde middelen in het plan op te nemen, dan wel aan de raad een voorstel te doen om het ambitieniveau van de doelen aan te passen. Het doel van deze aanbeveling is te waarborgen dat het college structureel werkt aan het realiseren van de doelen voor het groen in de stad die door de gemeenteraad zijn vastgesteld en dit voor de 10
RIS323316 Raadsvoorstel Koers op groen
raad inzichtelijk maakt. Dit om tegemoet te komen aan het punt dat het college voor het onderhoud van het groen nu onvoldoende budget beschikbaar stelt om het door de raad gewenste kwaliteitsniveau te kunnen realiseren en het college op dit moment niet op koers ligt om het doel van 75% ecologisch passende bomen tijdig te realiseren. Het college dient meerjarig invulling te geven aan de realisatie van alle doelen die de raad voor het groen heeft opgesteld. In het plan moeten doelen, activiteiten en middelen op duidelijke wijze aan elkaar gekoppeld zijn. III. Draag het college op de realisatie van activiteiten en de voortgang op het bereiken van alle door de raad vastgestelde doelen bij te houden en daarbij in ieder geval vast te leggen wat per doel: a) jaarlijks is gerealiseerd; b) wat het resultaat is van de gerealiseerde activiteiten; c) in hoeverre daarmee bijgedragen is aan het bereiken van het betreffende doel. Het doel van deze aanbeveling is dat het college ten aanzien van de uitvoering weet wat de voortgang is op de doelen en hierop kan sturen. Het college dient daartoe bij te houden welke resultaten er met de planmatige aanpak zoals beschreven bij aanbeveling 2 behaald worden zodat inzichtelijk is of de gemeente op koers is met het bereiken van haar doelen. Hierbij dienen de benodigde gegevens verzameld te worden om het doelbereik van alle doelen te kunnen volgen.
Het is daarbij van belang dat het uiteindelijke resultaat van de ontwikkeling van groen na aftrek van vermindering van groen inzichtelijk wordt (het netto resultaat). Bovendien moet aangegeven worden in hoeverre de activiteiten hebben bijgedragen aan het realiseren van het beoogde doel. IV. Draag het college op de raad in samenhang en op eenduidige wijze, periodiek te voorzien van alle relevante voortgangsinformatie, waarbij die informatie ten minste: a) betrekking heeft op alle vastgestelde doelen b) inzicht biedt in de kwantitatieve én kwalitatieve ontwikkeling van het groen; c) onderscheid maakt tussen ontwikkeling van groen in de hele stad en groen in beheer van de gemeente; d) inzicht biedt in het doelbereik; e) van genoeg duiding is voorzien zodat duidelijk is wat wel en wat niet zichtbaar is met de beschikbare gegevens. Het doel van deze aanbeveling is dat het college de raad in positie brengt om de realisatie van doelen te controleren door de raad van de relevante informatie te voorzien. Om de realisatie van de doelen te controleren dient de raad te beschikken over informatie over alle doelen. De informatie dient volledig en accuraat te zijn, en van genoeg duiding te zijn voorzien dat duidelijk is wat wel en niet zichtbaar is met de informatie. Met betrekking tot de verzameling van gegevens over de 11
RIS323316 Raadsvoorstel Koers op groen
ontwikkeling van het groenoppervlakte en de stadsbomen dient het college daarom af te wegen wat nodig én mogelijk is. Hierbij moet in acht genomen worden dat enkel het gebruik van beheergegevens, zoals gedaan is tussen 2016 en 2023, een onvolledig beeld geeft van het groen in de stad. V. Draag het college op binnen twee maanden nadat de raad een besluit heeft genomen over deze aanbevelingen een planning naar de raad te sturen voor de opvolging van de voorgaande aanbevelingen.
Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van DATUM De griffier
De voorzitter
12