CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS323121 Bijlage Natuurtoets omgevingsvergunning Cirque du Soleil (ODW2306396853200707165)

Gemeenteraad 18 september 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Verzoek om bindend advies voor omgevingsvergunning tijdelijk circus op Malieveld (RIS323121)6.110 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Natuurtoets Cirque du Soleil Den Haag 2025 Toetsing in het kader van de Omgevingswet 8 januari 2025

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

Verantwoording Titel

Natuurtoets Cirque du Soleil Den Haag 2025

Opdrachtgever

Prophys

Projectleider Auteur(s) Tweede lezer Uitvoering meet- en inspectiewerk Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

Aantal pagina’s

22 (exclusief bijlagen)

Datum

8 januari 2025

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T E

@tauw.com

2/22

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

Inhoud 1

Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1

Doel .................................................................................................................................... 5

1.2

Wettelijk kader .................................................................................................................... 5

1.3

Hoe is de natuur in Nederland beschermd? ....................................................................... 6

1.3.1

Natura 2000-gebieden ................................................................................................ 6

1.3.2

Provinciaal beschermde gebieden .............................................................................. 6

1.3.3

Houtopstanden ............................................................................................................ 6

1.3.4

Beschermde soorten ................................................................................................... 6

1.4 2

3

Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten....................................................... 7 2.1

Huidige situatie ................................................................................................................... 7

2.2

Beoogd evenement ............................................................................................................ 9

2.3

Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing .................................................................. 10

Soortenbescherming ............................................................................................................... 11 3.1

Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 11

3.2

Vrijstellingen ..................................................................................................................... 11

3.3

Wat is verstoring? ............................................................................................................ 12

3.4

Algemene zorgplicht en specifieke zorgplicht .................................................................. 13

3.5

Werkwijze ......................................................................................................................... 13

3.6

Te toetsen soorten ........................................................................................................... 13

3.6.1

Mogelijk aanwezige soorten op basis van literatuuronderzoek ................................. 13

3.6.2

Met zekerheid afwezige soorten op basis van habitat en/of ingreep ........................ 14

3.7

4

Kwaliteit .............................................................................................................................. 7

Toetsing beschermde soorten .......................................................................................... 14

3.7.1

Flora .......................................................................................................................... 14

3.7.2

Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 15

3.7.3

Vleermuizen .............................................................................................................. 16

3.7.4

Vogels ....................................................................................................................... 17

3.7.5

Amfibieën .................................................................................................................. 19

3.7.6

Vlinders ..................................................................................................................... 20

Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 20

3/22

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

4.1

Aanleiding en doel ............................................................................................................ 20

4.2

Relevante natuurwet- en regelgeving .............................................................................. 21

4.3

Conclusies toetsing .......................................................................................................... 21

4.3.1 4.4 5

Omgevingswet .......................................................................................................... 21

Consequenties planvorming en uitvoering ....................................................................... 21

Literatuur ................................................................................................................................. 21

4/22

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de bij de toetsing gehanteerde uitgangspunten.

1.1

Doel

In opdracht van Prophys heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor Cirque du Soleil Den Haag 2025. Het evenement kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde (omgevings)vergunningen worden verleend. In deze rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen:   

Hoe is de natuur in Nederland beschermd? In hoeverre kan de beoogde ontwikkeling gevolgen hebben voor beschermde natuur? Zijn maatregelen en/of een omgevingsvergunning nodig?

Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?

1.2

Wettelijk kader

De Omgevingswet (hierna: ‘Ow) beschermt bijzondere natuurgebieden (met name Natura 2000gebieden), planten- en diersoorten en houtopstanden. De bescherming is geregeld in de Ow en/of in 1 van de 4 uitvoeringsbesluiten. Die uitvoeringsbesluiten zijn:   

Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: ‘Bal’) Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: ‘Bkl’) Besluit bouwwerken leefomgeving

Omgevingsbesluit

In deze natuurtoets wordt waar relevant verwezen naar de artikelnummers in de wet of de uitvoeringsbesluiten. Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat plannen of projecten geen schade mogen toebrengen aan natuurgebieden, beschermde planten en dieren of houtopstanden tenzij daarvoor onder voorwaarden toestemming is verleend in de vorm van een omgevingsvergunning. Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een omgevingsvergunning of kan hiervoor een bindend advies geven. Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland kunnen in de omgevingsverordening bepalen dat voor bepaalde beschermde soorten een vrijstelling van verbodsbepalingen geldt. Naast de Ow gelden door de provincie in de omgevingsverordening vastgelegde (aanvullende) beschermingsregels voor natuurgebieden die deel uitmaken van provinciaal beschermde gebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland (hierna: ‘NNN’).

5/22

Kenmerk

1.3

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

Hoe is de natuur in Nederland beschermd?

1.3.1 Natura 2000-gebieden In Nederland zijn ruim 160 gebieden aangewezen als Natura 2000-gebied, gebieden met in Europees opzicht belangrijke natuurwaarden. De hierbij relevante Europese richtlijnen zijn de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). De verplichting om gebieden aan te wijzen is vastgelegd in artikel 2.31a, lid 1 van de Ow. Daarnaast geldt voor Natura 2000-gebieden conform artikel 11.6 van het Bal ook een specifieke zorgplicht. De aanwijzing van Natura 2000-gebieden is een bevoegdheid van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN; artikel 2.44 van de Ow). De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide is circa 2,5 kilometer. Verstoringsfactoren zoals geluid, licht en optische verstoring tijdens de aanlegfase en gebruiksfase zorgen vanwege de afstand en kleinschalige aard van de werkzaamheden met zekerheid niet tot negatieve effecten in Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten door stikstofdepositie zijn vanwege de aard van de werkzaamheden en de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen (op circa 2,5 kilometer afstand) niet te verwachten. 1.3.2

Provinciaal beschermde gebieden

Veel natuurgebieden in Nederland zijn beschermd als het NNN, een netwerk van bestaande en nieuw in te richten natuurgebieden door heel Nederland. De meeste Natura 2000-gebieden maken ook deel uit van het NNN. De begrenzing van het NNN is, behalve in Rijkswateren, een bevoegdheid van GS van de provincies, vast te leggen in de omgevingsverordening (artikel 2.44, lid 4 van de Ow). Ook worden daarin regels gesteld met als doel ‘de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland’ (artikel 7.8 van het Bkl). Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN. Een onderzoek naar de mogelijke effecten van dit project op het NNN is niet verplicht omdat in de provincie Zuid-Holland de mogelijke gevolgen van ontwikkelingen die buiten het NNN plaatsvinden niet onderzocht hoeven worden (externe werking). In de provincie Zuid-Holland zijn naast het NNN ook gebieden aangeduid en beschermd als Belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden om de stad of karakteristieke landschapselementen. Het plangebied maakt geen deel uit van deze gebieden. Een toetsing van effecten op deze gebieden is daarom niet aan de orde. 1.3.3 Houtopstanden Eventuele effecten op beschermde houtopstanden zijn hier niet aan de orde, omdat geen bomen worden gekapt.

1.3.4 Beschermde soorten Diverse planten- en diersoorten zijn beschermd, wat betekent dat negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Onderscheid wordt gemaakt in Europeesrechtelijk beschermde soorten en soorten die in nationaal opzicht (artikel 11.54 van het Bal, inclusief bijlage IX met een lijst van soorten) beschermd worden. Bij Europeesrechtelijk beschermde soorten wordt onderscheid gemaakt in vogels (artikel 11.37 van het Bal) en andere soorten (artikel 11.46 van het Bal). Vanwege het mogelijk voorkomen van (beschermde) flora en fauna in en nabij het plangebied is onderzoek naar de mogelijke gevolgen voor beschermde soorten noodzakelijk. 6/22

Kenmerk

1.4

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

Kwaliteit

Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van deze natuurtoets zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede daarom is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die (ook) ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten. Ondanks de inzet van deskundigen kan geen volledige zekerheid worden gegeven over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Dat komt doordat sommige beschermde soorten een hele lage trefkans hebben, soms in heel kleine aantallen voorkomen en in sommige jaren zelfs helemaal afwezig kunnen zijn.

2 Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.

2.1

Huidige situatie

Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het gaat om het noordelijke deel van het Malieveld in Den Haag, in de provincie Zuid-Holland. Figuur 2.2 geeft een sfeerimpressie van het gebied. Het Malieveld bestaat uit een kort gemaaid grasveld met daaromheen diverse fiets- en wandelpaden van grind en asfalt. Het veld is aan alle zijden omgeven door lange bomenlanen van afwisselend oude eiken en beuken, esdoorns, iepen en kastanjes. Aan de noord- en westzijde van het Malieveld zijn deze bomenlanen gelegen op kleine taluds. Het Malieveld ligt nabij het stationsgebied Den Haag Centraal en is omgeven door stedelijke bebouwing en diverse N-wegen en de A12. In de huidige situatie is sprake van een hoge recreatiedruk. Het park wordt druk bezocht door recreanten die er wandelen met honden, fietsen, hardlopen, voetballen of van de ligweides gebruik maken. Daarnaast is het Malieveld landelijk bekend als locatie voor (grootschalige) protesten en evenementen.

7/22

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (globaal begrensd)

8/22

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

Figuur 2.2 Impressie van het plangebied

2.2

Beoogd evenement

Figuur 2.3 geeft de plattegrond van het beoogde evenement weer. Het gaat om de show ‘Kurios’ van Cirque du Soleil, die in het najaar van 2025 te zien zal zijn in Den Haag. De opbouw start op 17 september 2025 en zal gereed zijn op 23 oktober 2019. De voorstellingen vinden plaats van 23 oktober tot en met 7 december 2025. Er vinden maximaal 2 voorstellingen per dag plaats en naar schatting worden er tussen de 2.500 en 3000 bezoekers per avond verwacht. De afbouw duurt tot en met 15 januari 2026.

9/22

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

De opzet van het circus van Cirque du Soleil bestaat uit:   

Een ingangtent waarin zich de publiekshoreca en de entree bevinden Een Bigtop tent waarin zich het podium en de tribune bevinden Een Artiestentent waarin zich de kleedkamers en repetitieruimte bevinden

Een VIP tent waar een aantal gasten wordt opgevangen

Naast deze tentconstructies worden er tijdelijke kantoren, vrachtwagens, generatoren, mechanische verwarmingssystemen, sanitaircontainers en dergelijke geplaatst. Fietsenrekken zullen aan de oostzijde van de tenten in het gras worden geplaatst.

Figuur 2.3 Plattegrond Cirque du Soleil Den Haag 2025

2.3

Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing

De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd bij het onderzoek naar effecten op beschermde soorten:  Er vinden geen activiteiten plaats buiten de begrenzing van het festival   

Lichtshows vinden uitsluitend binnen de circustent plaats Er worden geen bomen en struiken gekapt Er wordt geen oppervlaktewater aangeroerd

10/22

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

3 Soortenbescherming Dit hoofdstuk beschrijft of het voorgenomen plan of project negatieve effecten heeft op beschermde flora en fauna en of vervolgstappen nodig zijn.

3.1

Beschermingsregime en bepalingen

De Ow beschermt in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar soms ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. Er worden 3 beschermingsregimes onderscheiden:  Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Wettelijk kader: artikel 11.37 van het Bal. Ze zijn Europees beschermd via de Vogelrichtlijn (1979) Dieren en planten: het gaat hier om inheemse dieren en planten, die Europees beschermd

zijn door de Habitatrichtlijn (1992) en/of de verdragen van Bern en Bonn (1979). Wettelijk kader: artikel 11.46 van het Bal Nationaal beschermde soorten: het gaat hier om soorten die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn of de verdragen van Bern en Bonn vallen. Wettelijk kader: artikel 11.54 van het Bal. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd

Per beschermingsregime geldt een verbodsbepaling. Tabel 3.1 geeft een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in de bescherming van verblijfplaatsen en de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen waarmee het bevoegd gezag ondanks die verbodsbepalingen tóch toestemming geeft voor een bepaald project. Dit kan alleen wanneer er sprake is van een geldend wettelijk belang, er geen reële alternatieven zijn en er geen effect is op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Wettelijk kader bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is het Bkl, en dan in het bijzonder de artikelen 8.74j, 8.74k en 8.74l voor respectievelijk vogels, andere Europeesrechtelijk beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Voor een evenement als Cirque de Soleil geldt geen wettelijk belang waarvoor een omgevingsvergunning verleend kan worden. Er moet daarom voorkomen worden dat de Omgevingswet wordt overtreden zodat er geen omgevingsvergunning (voor soortenbescherming) nodig is.

3.2

Vrijstellingen

In bijlage IX bij het Besluit activiteiten leefomgeving is ook een aantal in Nederland algemene soorten amfibieën en zoogdieren vermeld die landelijk beschermd zijn. Het wettelijk kader is artikel 11.54 van het Bal. Voorbeelden van zulke soorten zijn gewone pad, bruine kikker en vos. Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland heeft bij verordening deze soorten ‘vrijgesteld’. Dit betekent dat voor deze soorten geen omgevingsvergunning nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Wel geldt ook voor deze soorten de zorgplicht (zie paragraaf 3.3). De vrijstelling geldt niet voor evenementen. Vrijgestelde soorten zijn daarom meegenomen in deze natuurtoets.

11/22

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

Tabel 3.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming. VR = Vogelrichtlijn, HR = Habitatrichtlijn. Cijfers verwijzen naar de wetsartikelen in het Besluit activiteiten leefomgeving Beschermingsregime

Vogels - VR

Dieren –

Planten –

Dieren -

Planten -

HR/Bonn/Bern

HR/Bonn/Bern

nationaal

nationaal

Verbodsbepaling Dieren of planten: Doden of vangen

11.37.1.a

11.46.1 a

Storen/verstoren

11.37.1.d

11.46.1 b

11.54.1.a

(tenzij 11.37.3) Plukken, verzamelen,

11.46.1.e

11.54.1.c

afsnijden, ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of

11.39.1

11.47.1.b

11.47.1.b

vervoeren Nesten, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen: Vernielen, beschadigen

11.37.1.b

of wegnemen nesten Beschadigen of vernielen

11.37.1.b

11.46.1.d

11.54.1.b

11.37.1.b

11.46.1.c

11.54.1.c

Rapen

11.37.1.c

11.46.1.c

Onder zich hebben

11.37.1.c

rustplaatsen (alleen HR en nationaal: of (vaste) voortplantingsplaatsen) Eieren: Vernielen (alleen VR en nationaal: of beschadigen)

3.3

Wat is verstoring?

Voor de zogenoemde Europese soorten geldt een verbod op verstoring (zie tabel 3.1). Verstoring is geen absoluut maar een relatief begrip. Evenementen zijn per definitie tijdelijk. Niet elke (tijdelijke) verstoring is een verstoring in de zin van de wet als bedoeld in Bal artikel 11.6, lid 2d en Bal artikel 11.46, lid 1b van de Omgevingswet. Niet elke vogel die opvliegt, kan als een bewijs van verstoring worden aangemerkt. Uit jurisprudentie kan worden afgeleid dat als uitgangspunt geldt dat niet iedere activiteit, die tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan een veranderde omgeving, moet worden aangemerkt als een verboden opzettelijke verstoring. Dat is temeer aan de orde als er geen blijvend effect is. In dit rapport wordt daarom niet alleen beoordeeld of sprake is van een ecologische verstoring maar ook of dit een wettelijk verboden verstoring betreft.

12/22

Kenmerk

3.4

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

Algemene zorgplicht en specifieke zorgplicht

Voor alle activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor planten- en diersoorten geldt zowel een ‘algemene zorgplicht’ als een ‘specifieke zorgplicht’. De algemene zorgplicht (artikelen 1.6 – 1.7a van de Ow) houdt in dat eenieder ‘voldoende zorg’ draagt voor de fysieke leefomgeving (artikel 1.6 van de Ow) en dat activiteiten waarvan men kan weten dat die schadelijk zijn voor de fysieke leefomgeving achterwege worden gelaten of dat mogelijke gevolgen daarvan tot een minimum beperkt worden (artikel 1.7 van de Ow). De ‘specifieke zorgplicht’ is aanvullend op de ‘algemene zorgplicht’. Deze is voor wat betreft floraen fauna-activiteiten1 wettelijk vastgelegd in artikel 11.27 van het Bal. Een ‘flora- en faunaactiviteit’ is een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Het onderzoek dat ter voorbereiding van een flora- en fauna-activiteit gedaan moet worden en de voorwaarden waaraan zo’n activiteit in elk geval moet voldoen zijn aangegeven in lid 2 van artikel 11.27 van het Bal. De specifieke zorgplicht geldt voor alle soorten, dus ook voor bedreigde soorten die niet in één van de lijsten van beschermde soorten vermeld worden en die dus niet expliciet beschermd worden. Het betreft in elk geval de volgende soorten en hun leefgebieden of natuurlijke habitats:  

In het wild voorkomende vogelsoorten In het wild levende planten- en diersoorten die vermeld zijn in de bijlagen II, IV of V van de Europese Habitatrichtlijn

 

Nationaal beschermde planten- en diersoorten (bijlage IX van het Bal) Bedreigde soorten planten en dieren die zijn vermeld in rode lijsten2

De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de wet geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is overal van toepassing, binnen en buiten beschermde gebieden.

3.5

Werkwijze

De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens:  Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data  Nationale Databank Flora en Fauna (hierna: ‘NDFF’)  

De Ecoviewer van TAUW Een oriënterend veldbezoek op 3 januari 2025. Tijdens het oriënterende veldbezoek is gecontroleerd of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van (sporen van) beschermde soorten.

3.6

Te toetsen soorten

3.6.1 Mogelijk aanwezige soorten op basis van literatuuronderzoek Tabel 3.2 geeft een overzicht van alle beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen.

1 2

Begrippenlijst in de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow Wettelijk kader: artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚ Ow 13/22

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

Tabel 3.2 Beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen Soortgroep

Mogelijk aanwezige beschermde soorten

Flora

Blaasvaren, bokkenorchis, echte gamander, schubvaren

Grondgebonden zoogdieren

Boommarter, damhert, eekhoorn, egel, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, steenmarter, vos, wezel, woelrat

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, franjestaart, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis

Vogels - jaarrond beschermde nesten

Boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismuis, kerkuil, oehoe, ooievaar, roek, slechtvalk, sperwer

Vogels - jaarrond beschermd:

Blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever,

afhankelijk van ecologische factoren

boomkruiper, bosuil, brilduiker, eider, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, koolmees, pimpelmees, spreeuw, torenvalk, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart

Vogels – in gebruik zijnde nesten

Algemene soorten als merel en houtduif

Amfibieën

Kamsalamander, kleine watersalamander, bruine kikker, meerkikker, poelkikker, rugstreeppad

Vlinders

Grote vos

Libellen, reptielen, vissen, overige

Geen

ongewervelden

3.6.2 Met zekerheid afwezige soorten op basis van habitat en/of ingreep Op basis van verspreidingsgegevens, de afwezigheid van geschikt habitat in en nabij het plangebied en het gegeven dat aanwezige watergangen niet aangeroerd worden, zijn negatieve effecten op de volgende beschermde soort(groep)en op voorhand uitgesloten: reptielen, vissen, libellen en overige ongewervelden. Deze soort(groep)en worden om die reden niet verder behandeld in deze rapportage.

3.7

Toetsing beschermde soorten

In de volgende paragrafen zijn de effecten van het beoogde evenement op de in tabel 3.2 genoemde soorten beschreven. 3.7.1

Flora

Blaasvaren en schubvaren komen voor op oude muren, rotsen en rotsspleten van met name kalksteen (Floron, 2024). In het plangebied zijn geen oude gebouwen of rotsen aanwezig waar blaasvaren en schubvaren voor zouden kunnen komen. De aanwezigheid van deze soorten in het plangebied is daarom met zekerheid uitgesloten. Bokkenorchis komt voor op droge, voedsel- en stikstofarme gronden in duinstruwelen, duingraslanden, bos- en struweelranden (NDFF, 2024). Echte gamander is een zeer zeldzame soort die een voorkeur heeft voor kalkrijke, droge bodems. Wegens de nabijheid van de A12 en de hoge dichtheid van hondenuitwerpselen is het Malieveld onderhevig aan stikstofdepositie.

14/22

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

De vegetatie in het plangebied bestaat uit een kort gemaaide, dichte grasmat met op enkele plaatsen kruiden als hondsdraf, echte kervel en paardenbloem, die wijzen op een voedselrijke, vochtige bodem. Het Malieveld vormt dus geen geschikt habitat voor bokkenorchis en echte gamander en de aanwezigheid van deze soorten is daarom uitgesloten. 3.7.2 Grondgebonden zoogdieren Boommarter, steenmarter en wezel komen voor in de omgeving van het plangebied (NDFF, 2024). Waar steenmarter veelal verblijfplaatsen heeft in bebouwing, heeft boommarter vooral verblijfplaatsen in boomholtes en in grote takkennesten. Wezel bewoont vooral oude muizen-, ratten- en konijnenholen en zoekt bosschages en heggen op. Daarnaast worden door beide soorten rommelhoekjes, steenhopen en houtstapels gebruikt als verblijfplaats. Dergelijke structuren zijn in het plangebied niet aangetroffen. Op de taluds ten noorden en ten westen van het Malieveld zijn enkele kleine muizen- en rattenholen aangetroffen. In theorie kan wezel gebruik maken van deze holen. Bij het beoogde evenement zullen deze taluds echter niet benut of betreden worden. Bij het beoogde evenement worden daarnaast geen bomen of gebouwen met mogelijke verblijfplaatsen aangetast. Het dichtbij gelegen Haagse Bos is geschikt leefgebied voor deze soorten.

Het evenement heeft geen invloed op de verblijfplaatsen en leefgebieden van deze soorten in het Haagse Bos. Negatieve effecten op boommarter, steenmarter en wezel door het voornemen zijn daarom uitgesloten. Damhert komt voor in lichte loofbossen en gemengde bossen, minder vaak in uitgestrekte naaldbossen. Ook komt damhert voor in randzones bij open plekken, graslanden en akkerranden en in parkachtige bosgebieden (Zoogdiervereniging, 2024). Het plangebied grenst aan het Haagse Bos, hier komen echter geen damherten voor. De waarnemingen van damherten op het Malieveld komen enkel voor in de directe omgeving van de Koekamp, dit is het hertenkamp dat onderdeel is van het Haagse bos. Waarnemingen van damhert betreffen hier dus individuen van het hertenkamp n. Dit zijn gehouden dieren, hiervoor geldt de Omgevingswet niet. Eekhoorns bouwen bolvormige bladernesten hoog in de boomkroon. Soms gebruiken eekhoorns ook boomholten, grote nestkasten of oude kraaien- of eksternesten als nestplaats (Zoogdiervereniging, 2024). Tijdens het veldbezoek zijn geen bladernesten van eekhoorn waargenomen. Wel zijn diverse bomen met boomholtes geconstateerd die als mogelijke verblijfplaats kunnen dienen. Op het Malieveld zijn de afgelopen 10 jaar geen waarnemingen van eekhoorn bekend (NDFF, 2024). In de omliggende bosschages en de naastgelegen Koekamp zijn wel meerdere waarnemingen van eekhoorn bekend.

Eekhoorn zou dus sporadisch in het plangebied kunnen voorkomen, maar nestlocaties zijn hier uitgesloten. Gelet op het reguliere gebruik en beheer van het Malieveld is er met zekerheid geen sprake van een essentieel foerageergebied voor de eekhoorn. Negatieve effecten van het evenement op eekhoorn zijn daarom uitgesloten. Egel komt in bijna alle landschappen voor. Egel heeft een voorkeur voor tuinen, bosranden, struweel en loofbos met ondergroei. Voor egel ontbreekt het in het plangebied aan dekking biedende vegetatie, gezien het reguliere maaibeheer van het Malieveld. Er is in en rondom het plangebied geen ruigte of struweel aanwezig; de vegetatie bestaat uit een kort gemaaide grasmat. Negatieve effecten van het evenement op egel zijn daarmee uitgesloten.

15/22

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

Konijn en vos maken beide gebruik van holen als verblijfplaats. Deze soorten komen voor in diverse landschappen zoals bos, parken, cultuurlandschap en de randen van steden. Konijn en vos komen regelmatig in stedelijke gebieden voor waar veel menselijke activiteiten plaatsvinden. Deze soorten zijn over het algemeen minder gevoelig voor menselijke aanwezigheid. In en rondom het plangebied zijn geen konijnen- of vossenholen aangetroffen. Gelet op het reguliere gebruik en beheer van het Malieveld is er met zekerheid geen sprake van een essentieel foerageergebied voor deze soorten. Negatieve effecten van het evenement op konijn en vos zijn uitgesloten. Huisspitsmuis, rosse woelmuis en woelrat zijn in Nederland algemeen voorkomende soorten die eveneens gebruik maken van kleine holletjes. Huisspitsmuis komt voor op graslanden, bosranden, weiden, tuinen, parken, heggen en in gebouwen. Rosse woelmuis heeft een voorkeur voor loofen gemengd bos met daaronder een struik- of kruidlaag. Woelrat leeft vooral langs oevers (Zoogdiervereniging, 2024). Tijdens het veldbezoek zijn op de taluds enkele muizen- en rattenholen waargenomen. Deze taluds maken echter geen onderdeel uit van het plangebied en zullen bij het evenement niet betreden worden. Gelet op het reguliere gebruik en beheer van het Malieveld is er met zekerheid geen sprake van een essentieel foerageergebied voor deze soorten.

Negatieve effecten van het evenement op huisspitsmuis, rosse woelmuis en woelrat zijn uitgesloten. 3.7.3 Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn 3 typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden, namelijk: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Deze worden hieronder per type leefgebied beschreven. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn te allen tijde wettelijk beschermd. Indien foerageergebied en/of vliegroutes een essentieel onderdeel van het leefgebied van vleermuizen vormen, zijn deze functies eveneens wettelijk beschermd. Er wordt daarom onderscheid gemaakt in essentiële foerageergebieden en vliegroutes en niet-essentiële foerageergebieden en vliegroutes. 3.7.3.1

Verblijfplaatsen

Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, allerlei andere bouwwerken zoals kerken, kantoorpanden en bunkers, in grotten, in boomholtes of achter schors en in kieren van bomen. Globaal kan daarbij onderscheid gemaakt worden tussen in gebouwen verblijvende vleermuissoorten en in bomen verblijvende vleermuissoorten. Omdat vleermuizen een duidelijke jaarcyclus kennen, maken we onderscheid tussen verschillende typen verblijfplaatsen, namelijk zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen. In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig waarin zich verblijven kunnen bevinden van gebouwbewonende vleermuissoorten zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en vale vleermuis. Effecten op deze soorten zijn daarom uitgesloten. Wel wordt het Malieveld omringd door lange bomenrijen van onder andere oude beuken en eiken, kastanjes, iepen en esdoorns. Diverse van deze bomen bevatten holtes en loshangend schors die als verblijfplaats kunnen dienen van boombewonende vleermuissoorten, zoals rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, grote grootoorvleermuis, baardvleermuis, franjestaart en watervleermuis. Ook zijn aan deze bomen enkele vleermuiskasten bevestigd. 16/22

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

Bij het evenement worden geen bomen aangetast, er gaan dus geen (mogelijke) verblijfplaatsen van vleermuizen verloren, de verblijfplaatsen worden niet fysiek aangetast. Het geluid afkomstig van het beoogde evenement zal verblijfplaatsen en het gedrag van vleermuizen niet verstoren. Hoge frequenties dringen moeilijk door steen of hout en alleen hoge, luide frequenties boven de 20 kHz verjagen vleermuizen uit hun verblijfplaats (Zeale et al., 2016). Geluid zal daarnaast alleen worden afgespeeld binnen de circustent, waardoor geluidsoverlast wordt beperkt. Verlichting kan wel negatieve effecten hebben op verblijfplaatsen van vleermuizen. Wanneer verblijfplaatsen direct worden aangelicht, vliegen vleermuizen later of niet uit, waardoor zij in het foerageren worden belemmerd. Om verstoring door licht op verblijfplaatsen van vleermuizen te voorkomen, dient de gebruikte verlichting niet direct op de bomen of bosschages die het plangebied omringen te schijnen. Dit is vooral van belang bij de entree, de fietsenstalling en het eventueel belichten van de tenten. De overige lichtbronnen zullen zich met name in de tenten bevinden en niet uitstralen naar de omgeving. 3.7.3.2

Foerageergebieden en vliegroutes

Foerageergebieden van vleermuizen zijn onder andere groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen, andere opgaande begroeiing en watergangen. In het plangebied zijn dergelijke foerageergebieden aanwezig in de vorm van enkele kleine watergangen en lange bomenrijen langs alle zijden van het Malieveld. De rechtlijnige bomenrijen en watergangen in het plangebied kunnen eveneens als (mogelijk essentiële) vliegroutes van vleermuizen dienen. Bij het evenement worden geen bomen of watergangen aangetast. Eventueel foerageergebied of vliegroutes van vleermuizen gaan dus niet verloren. Mogelijk kan er wel verstoring van vleermuizen plaatsvinden. De mogelijke verstoring beperkt zich tot invloeden door licht. De vleermuizen zijn niet gevoelig voor het geluid aangezien dit binnen in de tent plaatsvindt en de vleermuizen alleen de hogere (snel uitdovende) geluidsfrequenties kunnen horen. In (een deel van) de periode dat het evenement plaatsvindt, kunnen vleermuizen nog in het plangebied vliegen of foerageren (oktober t/m half november), daarna gaan vleermuizen in winterslaap. Indien de aanwezige bomenrijen en watergangen die het plangebied omringen niet worden aangelicht, zijn negatieve effecten op foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen uitgesloten.

3.7.4 Vogels 3.7.4.1 Vogels - jaarrond beschermde nesten De nesten van deze vogelsoorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Tijdens het veldbezoek op 3 januari 2025 zijn er geen grote nesten waargenomen die in het broedseizoen door buizerd, havik, sperwer, boomvalk, slechtvalk, oehoe, ooievaar of roek gebruikt zouden kunnen worden. Gezien het veldbezoek in de bladvrije periode heeft plaatsgevonden, is de aanwezigheid van nesten van deze soorten met zekerheid uitgesloten. Het ontbreekt in het plangebied voor kerkuil, grote gele kwikstaart, huismus en gierzwaluw aan geschikte gebouwen en/of nestkasten om in te broeden. Een negatief effect op jaarrond beschermde nesten is daarom uitgesloten.

17/22

Kenmerk

3.7.4.2

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

Vogels – jaarrond beschermd: afhankelijk van ecologische factoren

Bij vogelsoorten uit deze categorie gaat het om vogels die vaak elk jaar terugkeren naar de omgeving waar ze eerder gebroed hebben, maar die wel flexibel zijn en een nieuw nest kunnen maken of zich elders kunnen vestigen. Het gaat dus om de bescherming van het functionele leefgebied. Dit is alleen aan de orde als de betreffende soort voor zijn voortplanting uitsluitend afhankelijk is van dat functionele leefgebied en er geen alternatieven of uitwijkmogelijkheden in de omgeving zijn. Tijdens het veldbezoek op 3 januari 2025 zijn diverse nestlocaties van broedvogels vastgesteld. In deze nesten waren ten tijde van het veldbezoek geen vogels aanwezig. Aangetroffen nestlocaties bevinden zich op tientallen meters afstand van het evenemententerrein. Eveneens zijn tijdens het veldbezoek diverse vogelsoorten waargenomen, waaronder pimpelmees, boomkruiper en zwarte kraai. Ten noordwesten van het plangebied zijn enkele bomen met een dichte klimop begroeiing aanwezig (zie figuur 3.1). In deze klimop zouden zich mogelijke beschermde nesten kunnen bevinden. Deze bomen staan echter niet op het evenemententerrein en worden bij het evenement niet aangetast. Daarnaast vindt het evenement buiten het broedseizoen plaats. Gezien de bomen geen onderdeel uitmaken van het evenemententerrein en het evenement buiten het broedseizoen plaatsvindt, is een broedvogelcontrole niet noodzakelijk.

Figuur 3.1 Bomen met klimop nabij het evenemententerrein

18/22

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

Daarnaast zijn rondom het Malieveld diverse bomen met vogelnestkasten en/of holtes geconstateerd waar zich nestlocaties van holenbroedende soorten, zoals pimpelmees, koolmees, boomklever en groene specht, zouden kunnen bevinden. Deze nesten en holtes bevinden zich echter in bomenrijen die geen onderdeel uitmaken van het plangebied. De bosschages worden bij het festival niet betreden en bomen worden niet aangetast. Daarnaast vindt het evenement in het najaar plaats in een periode wanneer maar weinig vogels aan het broeden zijn. Gezien de afstand van de aangetroffen nesten en holen tot het evenemententerrein en de periode waarin het evenement plaatsvindt, is geen broedvogelcontrole noodzakelijk. 3.7.4.3

Vogels – in gebruik zijnde nesten

De nesten van alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd wanneer ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het veldbezoek zijn geschikte nestlocaties van broedvogels aangetroffen, zie bijvoorbeeld figuur 3.2. Ook in de klimop zoals in figuur 3.1 weergeven zouden zich nestlocaties kunnen bevinden. Deze nestlocaties bevinden zich echter niet in het plangebied, maar in de omringende bomenrijen. De bomenrijen met nesten en holen maken geen onderdeel uit van het plangebied en blijven onaangetast. Daarbij lopen er reeds wandelpaden en fietspaden langs deze bomenrijen, waardoor dagelijks een hoge mate van verstoring aanwezig is. Tenslotte vindt het evenement buiten het broedseizoen plaats (loopt van maart tot en met augustus), waardoor de kans op verstoring van broedende vogels minimaal is. Gezien de afstand van de aangetroffen nesten tot het plangebied en de periode waarin het evenement plaatsvindt, is een broedvogelcontrole niet noodzakelijk.

Figuur 3.2 Voorbeeld van nest (links) en holte (rechts) in bomen in de omgeving van het plangebied

3.7.5 Amfibieën Amfibieën zijn afhankelijk van voortplantingswater en winterhabitat. Kamsalamander wordt aangetroffen in bosrijke gebieden, in houtwallen en andere kleinschalige landschapselementen in de buurt van poelen, vijvers en vennen (RAVON, 2024). Poelkikker komt voor in zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden (RAVON, 2024). Meerkikker heeft een voorkeur voor rijk begroeide laaglandwateren zoals polders en rivierdalen. De oever moet ook goed begroeid zijn (RAVON, 2024). 19/22

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

In de omgeving van het plangebied ontbreekt het aan dergelijke habitats. De oevers van de watergang ten westen van het plangebied zijn steil, beschoeid en kort gemaaid. Er is geen dekking biedende vegetatie aanwezig. Hetzelfde geldt voor de watergang die de Koekamp ten oosten van het plangebied omsluit. Deze watergangen en oevers zijn niet geschikt als voortplantingswater of overwinteringshabitat voor kamsalamander, meerkikker en poelkikker. Daarnaast zijn er in en rondom het plangebied geen poelen of andere kleine wateren waargenomen. De aanwezigheid van deze soorten is uitgesloten. In tegenstelling tot overige amfibiesoorten, is rugstreeppad is een typische pionier soort die ondiepe, snel opwarmende wateren gebruikt voor de voortplanting. Rugstreeppad komt voor op braakliggende bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden, maar ook vennen in heideterreinen en sloten in akker- of graslanden (BIJ12, 2024). Dergelijke habitats zijn in het plangebied niet aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen hopen vergraafbaar zand of ondiepe poelen waargenomen die door rugstreeppad gebruikt zouden kunnen worden. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat zijn negatieve effecten op rugstreeppad door het voornemen uitgesloten. Bruine kikker heeft een sterke binding met bos en struweel, maar komt ook voor in steden en dorpen.

Kleine watersalamander wordt ook in vrijwel alle landschapstypen waargenomen (RAVON, 2024). Van bruine kikker zijn in de omgeving van het plangebied twee waarnemingen bekend, gelegen in het Haagse Bos (NDFF, 2024). Dit bos wordt van het Malieveld gescheiden door de A12 en watergangen bevinden zich niet nabij het evenemententerrein. Van kleine watersalamander is één waarneming in de omgeving van het plangebied bekend (NDFF, 2024), in de watergang ten westen van het plangebied. Deze watergang is echter geen onderdeel van het evenemententerrein en wordt niet aangetast. Tijdens het evenement in het najaar bevinden de amfibieën zich in hun winterhabitat. Gelet op het reguliere gebruik en beheer van het Malieveld is met zekerheid geen sprake van winterhabitat of andere essentiële leefgebieden voor deze soorten. Negatieve effecten op kleine watersalamander zijn daarmee uitgesloten. 3.7.6 Vlinders Het leefgebied van grote vos bestaat uit struweel en/of bosrijk gebied. Waardplanten voor grote vos zijn populier, wilg, iep en sleedoorn (de Vlinderstichting, 2024). In de bomenrijen rondom het plangebied bevinden zich enkele iepen. Deze bomenrijen maken echter geen onderdeel uit van het evenemententerrein. Er worden bij het evenement en de op- en afbouw van de tenten geen bomen of struiken gesnoeid of verwijderd. Negatieve effecten op grote vos zijn daarmee uitgesloten.

4 Conclusies en aanbevelingen 4.1

Aanleiding en doel

In opdracht van Prophys heeft TAUW onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van Cirque du Soleil Den Haag 2025 op beschermde planten- en diersoorten. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze geen gevolgen heeft voor beschermde soorten óf wanneer de benodigde omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kan worden verleend.

20/22

Kenmerk

4.2

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

Relevante natuurwet- en regelgeving

Voor de toetsing van de effecten van het voornemen is de volgende wet- en regelgeving van toepassing:  Ow/Bal: -

4.3

Soortenbescherming

Conclusies toetsing

4.3.1 Omgevingswet Soortenbescherming Het beoogde evenement heeft mogelijk negatieve effecten op door de Ow beschermde soorten, namelijk vleermuizen. Door het nemen van mitigerende maatregelen kunnen negatieve effecten op vleermuizen worden voorkomen. Nader onderzoek naar deze soorten is daarom niet nodig. Negatieve effecten door het voornemen op andere soortgroepen zijn uitgesloten. Tabel 4.1 Samenvatting van de resultaten van de toetsing van effecten op beschermde soorten Soortgroep

Overtreding Ow

Nader onderzoek

Te nemen maatregelen

Vleermuizen

Mogelijk

Nee, mits

maatregelen

Buiten de circustenten geen bomen, bomenrijen of watergangen aanlichten.

Geen lichtshows buiten de tenten.

Flora, grondgebonden

Nee

Nee

N.v.t.

zoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen, vlinders, libellen, vissen, overige ongewervelden

4.4

Consequenties planvorming en uitvoering

Indien tijdens de op- en afbouw van het evenemententerrein en tijdens het evenement geen bomen, bomenrijen en watergangen direct belicht worden en er geen lichtshows buiten de circustent plaatsvinden, zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen uit te sluiten. Er zijn dan geen vervolgstappen nodig.

5 Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten beschermde soorten. & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

21/22

Kenmerk

R001-1299634MHM-V01-agv-NL

&

2009. De amfibieën en reptielen van Nederland.

Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. & 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. & 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Vleermuisprotocol 2020.

2016. Mitigating the Impact of Bats in Historic Churches: The Response of Natterer’s Bats Myotis nattereri to Artificial Roosts and Deterrence. PLoS ONE 11(1): e0146782. Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.libellennet.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlinderstichting.nl/vlinders www.zoogdiervereniging.nl

22/22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15938254/1