CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS322974 Bijlage 2 - Beleidssamenvatting verdiepend onderzoek

Commissie Bestuur 1 oktober 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Veiligheidsdebat1.922 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beleidssamenvatting van het verdiepende onderzoek naar wapens en jongeren In het kader van de herijking van het Actieplan Wapens en Jongeren is een verdiepend literatuuronderzoek verricht naar de achterliggende motieven en factoren bij bezit, dragen en gebruik van wapens onder jongeren en de effectiviteit en bruikbaarheid in Nederland van interventies die daarop zijn gericht. Dit onderzoek is uitgevoerd door onderzoekers van het NSCR (Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving) en de Erasmus Universiteit Rotterdam, in opdracht van de Gemeente Amsterdam. Het onderzoek bouwt voort op een eerder uitgevoerde QuickScan naar bestaande inzichten met betrekking tot steekwapens. In de huidige studie is een meer systematische analyse uitgevoerd van bestaande kennis, en niet alleen gekeken naar literatuur over steekwapens maar ook naar literatuur over andere wapens onder jongeren. Concreet geeft het onderzoek antwoord op de volgende drie onderzoeksvragen: 1. Wat is uit onderzoek bekend over de motieven en oorzakelijke (risico)factoren die zijn gerelateerd aan het bezitten, dragen en gebruiken van wapens bij jongeren? 2. Wat is uit onderzoek bekend over de effecten van interventies met betrekking tot wapens onder jongeren? 3.

Wat kan worden geconcludeerd over de zinvolheid en bruikbaarheid van de onderzochte interventies in de Nederlandse situatie? De antwoorden op deze drie onderzoeksvragen zijn tot stand gekomen door middel van twee literatuurstudies (onderzoeksvraag 1 en 2), waarbij een zo compleet mogelijke verzameling van publicaties over wapens onder jongeren systematisch is geanalyseerd. Daarnaast is met vragenlijsten onder een selectie van professionals geïnventariseerd in hoeverre en op welke manier potentieel effectieve interventies uit het buitenland vernieuwend en toepasbaar zijn in de Nederlandse situatie (onderzoeksvraag 3). Onderzoeksvraag 1: Motieven en factoren Op basis van de onderzochte studies lijken er globaal vier groepen motieven te kunnen worden onderscheiden: 1. Veiligheid en het zichzelf kunnen verdedigen. Dit is het motief dat verreweg het meest wordt genoemd en het belangrijkste lijkt te zijn voor jongeren die betrokken zijn bij wapens.

2. Als hulpmiddel om delicten te kunnen plegen. Het gaat hierbij vooral om beroving en bedreiging. 3. Vanwege de symbolische of esthetische betekenis. Een klein deel van de jongeren heeft wapens vanwege de uitstraling of betekenis die het heeft in hun leefwereld of omdat ze wapens interessant of mooi vinden. 4. Voor het beslechten van een conflict. Dit motief wordt vooral in verband gebracht met het daadwerkelijk gebruiken van wapens. De factoren die samenhangen met wapens onder jongeren komen deels overeen met wat bekend is uit onderzoek naar de risicofactoren voor jeugdcriminaliteit in het algemeen en met wat is gevonden in de recent uitgevoerde literatuurstudie (QuickScan) over steekwapens: verschillende persoonskenmerken, gezinsfactoren, schoolfactoren en omgevingsfactoren. Er blijken echter zes factoren (of clusters daarvan) te zijn die relatief vaak worden gevonden in onderzoek en specifiek verband lijken te houden met wapens. Er zijn ook aanwijzingen dat het gaat om oorzakelijke relaties. 1. Slachtofferschap en blootstelling aan geweld in bredere zin: zelf vormen van geweld hebben ervaren, slachtofferschap van vrienden en het getuige zijn van geweld. Algemene gevoelens van onveiligheid hangen minder duidelijk samen met wapens onder jongeren. 2. Pesten: zowel gepest worden als zelf pesten (of de combinatie daarvan). 3.

Betrokkenheid bij criminaliteit: zowel delinquent gedrag in het algemeen als betrokkenheid bij drugshandel. 4. Middelengebruik: het gebruiken van alcohol of drugs door jongeren. 5. Persoonlijke (psychosociale) problemen: hierbij gaat het om zowel mentale gezondheidsproblemen als om andere vormen van (niet strafbaar) probleemgedrag. 6. Opgroeien en begeven in een omgeving met veel criminaliteit: dit omvat niet alleen het hebben van delinquente vrienden, maar ook lidmaatschap van een ‘gang’ of problematische jeugdgroep, het hebben van ouders die misdrijven plegen (of ouders die wapens goedkeuren) en het opgroeien in een criminele buurt. Voor verschillende soorten wapens en typen betrokkenheid bij wapens worden deels dezelfde factoren gevonden, maar er zijn ook verschillen. De factoren voor vuurwapens en voor het gebruik van wapens lijken ernstiger te zijn qua aard en intensiteit. Bij kinderen tot 15 jaar lijken de belangrijkste factoren gerelateerd aan eigen ervaringen met geweld, pesten, de relatie met ouders, en het zich bevinden in een criminele omgeving. Het onderzoek dat is gedaan in Nederland rapporteert ook factoren die elders nog weinig zijn onderzocht, zoals iemands houding ten opzichte van geweld en online observatie van wapens en geweld. Drillrap lijkt een minder duidelijke oorzakelijke factor te zijn bij wapens onder jongeren dan soms wordt gesuggereerd.

Van belang lijken ook verschillen in de lokale

context voor de lokale problemen rond wapens onder jongeren, zoals onderlinge sociale banden en controle, informele normen over geweld onder jongeren, en de mate waarin georganiseerde misdaad aanwezig is. Effecten van interventies Op basis van de literatuur is het nog niet mogelijk een lijst op te stellen van ‘bewezen’ effectieve aanpakken, hooguit zijn er eerste aanwijzingen dat bepaalde interventies effectief zijn. Voor de volgende interventies en typen interventies zijn in dit onderzoek aanwijzingen gevonden voor effectiviteit: -

-

-

-

Intensieve educatieve programma’s op scholen, omvattende lespakketten die niet primair zijn gericht op wapens, maar voor een belangrijk deel gericht op het aanleren van ‘life-skills’. Dit zijn bijvoorbeeld vaardigheden om verstandige keuzes te maken en gewelddadige conflicten te voorkomen. Nazorg voor slachtoffers van geweld en ongelukken. Het gaat hier om een programma voor jongeren die in een spoedeisende-hulpafdeling zijn beland, en die gedurende een jaar na afloop worden begeleid en ondersteund. Een aanbod van hulp en ondersteuning voor daders of hoog-risico jongeren, met name jongeren die betrokken zijn bij gangs. Dit gebeurt in meer of mindere mate in combinatie met strenge voorwaarden of afschrikkende consequenties als er niet wordt deelgenomen aan het programma. Een programma met inzet van outreach werkers. Hierbij gaat het om een samenhangend programma met outreach werkers en ervaringsdeskundigen die proactief toeleiden naar hulp en ondersteuning en/of hulp en ondersteuning bieden. Zij proberen ook in te grijpen of te mediëren bij mogelijk escalerende conflicten tussen groepen jongeren in de buurt.

Voor de volgende aanpakken of typen aanpakken wordt in onderzoek geen of beperkte ondersteuning gevonden voor de werkzaamheid of er wordt geconcludeerd dat ze niet effectief zijn: -

-

Algemene landelijke bewustwordingscampagnes die zijn gericht op het aanjagen van angst voor de gevolgen van wapens Wettelijke of situationele maatregelen om de verkoop of dragen van wapens te beïnvloeden, zoals verboden of regulering van vuurwapens of detectiepoortjes op scholen. Een kortdurend politieprogramma met een combinatie van mediacampagnes, inleveracties, extra controles en veiligheidsmaatregelen. Dit had alleen een korte termijneffect.

-

Een landelijk actieprogramma uit Engeland om steekwapengeweld tegen te gaan, waarbij lokale politieafdelingen geld kregen om hun eigen aanpak te ontwikkelen. Deze aanpak kon bestaan uit een combinatie van voorlichten, extra controle en lessen over wapens voor jonge wetsovertreders.

De interventies waarvoor eerste aanwijzingen voor effectiviteit worden gerapporteerd kenmerken zich in grote lijnen door de volgende vijf elementen (die niet altijd gelijktijdig aanwezig hoeven te zijn): 1. Ze zijn vaak intensief, veelomvattend en langdurend. Interventies die niet effectief worden bevonden zijn minder omvattend en/of kortdurend. 2. Ze richten zich op meerdere oorzakelijke factoren bij het bezit, dragen of gebruik van wapens. Voorbeelden hiervan zijn slachtofferschap, middelengebruik, mentale gezondheid, schooluitval en de thuissituatie. Veel van de niet-effectieve interventies richten zich alleen op de beschikbaarheid van wapens of op bewustwording. 3. Ze beogen een substantiële verandering in het leven van jongeren te bewerkstellingen door vaardigheden aan te leren en/of omstandigheden te verbeteren. Niet effectief bevonden interventies richten zich vaker op controle of afschrikking. 4. Een deel richt zich op het aanbieden van zorg en ondersteuning en anders dan bij sommige als niet-effectief beoordeelde interventies is er nooit sprake van repressie of afschrikking alleen. 5. Er wordt vaak aandacht besteed aan een zorgvuldige en professionele ontwikkeling. Veel van de niet duidelijk werkzame interventies zijn minder goed onderbouwd of zijn ontwikkeld door uitvoerders zelf.

Bruikbaarheid van interventies in de Nederlandse situatie Op basis van de antwoorden van de geraadpleegde professionals en onze eigen analyses aan de hand van algemene literatuur over interventies, is een eerste inschatting te maken van welk type interventies mogelijk bruikbaar zijn in Nederland. Wij komen tot de volgende conclusies: -

-

Het lijkt nuttig om te werken aan het (verder) ontwikkelen van intensieve en relatief omvangrijke lespakketten voor de versterking van conflicthanteringsvaardigheden en sociale competenties bij jongeren. Dit kan in eerste instantie het best worden gericht op scholen waar sprake is van een verhoogde kans op betrokkenheid bij wapens onder jongeren. Een ander type interventie die interessant is om verder te verkennen, is het aanbieden van intensieve begeleiding en zorg aan jonge slachtoffers van geweld. Afdelingen

-

voor spoedeisende hulp in ziekenhuizen lijken hiervoor een geschikte contactmogelijkheid, die nu nog niet of weinig worden benut in Nederland. Het ontwikkelen van programma’s die vergelijkbaar zijn met buurtprogramma’s in Amerikaanse achterstandsbuurten met gang-gerelateerd geweld lijkt vooralsnog niet verstandig in de Nederlandse context. Wel kunnen de meer ‘outreachende’ elementen daaruit en de inzet van ervaringsdeskundigen in buurten nuttig zijn. Dit sluit aan bij werkwijzen die al worden toegepast in het straat- en jongerenwerk.

Aanbevelingen Met dit onderzoek wordt vooral een richting aangeven voor een effectieve aanpak van betrokkenheid bij wapens onder jongeren. Zekerheid over welke interventies en welke onderdelen daaruit werkzaam zijn kunnen we nu niet geven, daarvoor is meer onderzoek nodig. Verder zullen de uitwerking en implementatie van de aanpak en eventueel nieuwe maatregelen door beleidsmakers en professionals in de praktijk moeten worden uitgewerkt. Met deze kanttekeningen is het achterhoofd, zijn de volgende aanbevelingen geformuleerd: 1. Zet in op de aanpak van onderliggende factoren. Interventies met aanwijzingen voor effectiviteit grijpen in op één of meerdere factoren die verband houden met het bezit, dragen of gebruik van wapens onder jongeren. De huidige aanpak in Nederland kan zich nog meer richten op deze onderliggende factoren van wapens onder jongeren. 2. Maak onderscheid tussen verschillende motieven. Bij de individuele reactie (door justitie of andere gezagsdragers) op jonge wapenbezitters, dragers en gebruikers is het belangrijk op zoek te gaan naar ‘het verhaal achter’ de betrokkenheid van jongeren bij wapens. Bij preventieve aanpakken of interventies moet vooraf worden nagedacht op welke motieven ze zijn gericht en hoe ze die kunnen ombuigen. 3.

Zorg voor maatregelen en interventies die langdurig en intensief zijn, en zorgvuldige en professioneel worden ontwikkeld en uitgevoerd. Bij een verdere uitbouw van het Actieplan Wapens en Jongeren moet voldoende tijd worden genomen en voldoende middelen worden ingezet om te komen tot een gedegen implementatie en monitoring. 4. Verken de mogelijkheden van intensieve educatieve lesprogramma’s. Ga na hoe in Nederland intensieve educatieve programma’s voor jongeren kunnen worden ingezet om beter om te gaan met conflicten, verstandige keuzes te maken en te oefenen met sociale vaardigheden. Daarbij zouden voorbeelden uit het buitenland kunnen worden geïnventariseerd en gecombineerd met bestaande projecten in Nederland. 5. Verken de mogelijkheden voor intensieve nazorg, ondersteuning en begeleiding voor jonge slachtoffers van geweld. Spoedeisende-hulpafdelingen zijn mogelijk een geschikte

plek om contact te leggen met jonge slachtoffers van geweld, aangevuld met andere instanties waar slachtoffers terechtkomen. Onderzocht kan worden hoe dit op een zorgvuldige manier kan worden opgezet en welke middelen daarvoor nodig zijn. 6. Ondersteun de inzet van outreachende jongerenwerkers. Proactieve manieren om jonge daders en hoog-risicojongeren te benaderen met een aanbod van hulp en ondersteuning, en mogelijk escalerende conflicten te voorkomen, lijken nuttige elementen uit buitenlandse programma’s met aanwijzingen voor effectiviteit. Dit past goed bij werkwijzen die door jongerenwerkers in Nederland worden toegepast. 7. Behoudt en versterk een wetenschappelijke gefundeerde aanpak van verwante problemen. Een effectieve aanpak van jeugdcriminaliteit in het algemeen, pesten, alcohol- en drugsmisbruik en psychosociale problemen bij jongeren kan ook bijdragen aan het voorkomen en verminderen van wapens onder jongeren. Hierbij kan worden aangesloten bij de wetenschappelijke inzichten die hierover inmiddels bestaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15814041/1