RIS322641 Bijlage Verslag digitale sessie 18-02-2025 met bijlages oa nadere uitwerking Pilot IBT-O-zaak 336238
Tekst van het document
Verslag digitale sessie op 18-02-2025
Toetsing van Criteria in het Pilotvoorstel IBT Omgevingsrecht Aanleiding en doel digitale sessie De digitale sessie op 18 februari had als doel de beoordelingscriteria ui het pilotvoorstel interbestuurlijk toezicht (IBT) omgevingsrecht te toetsen en te verfijnen – deze criteria zijn gericht op de inhoudelijke toetsing van beleidsstukken voor uitvoering en handhaving (ofwel vergunningverlening, toezicht en handhaving; VTH). Dit is ter voorbereiding op een mogelijke pilot, waarvoor nog een GS-besluit nodig is. De sessie bouwt voort op de verkenningssessies in juli 2024, die naar aanleiding van gemeentelijke feedback op het Zuid-Holland Uitvoeringsprogramma Generiek Interbestuurlijk Toezicht 2024 plaatsvonden. Tijdens deze sessies gaven gemeenten aan behoefte te hebben aan een flexibele en kwalitatieve benadering van het IBT, met nadruk op het verbeteren van de VTH-cyclus en -cultuur via open, informele gesprekken.
Pilotvoorstel IBT omgevingsrecht in het kort Het pilotvoorstel bestaat uit twee onderdelen: 1. Verruiming van een termijnindicator: De IBT-omgevingsrecht beoordelingen blijven gebaseerd op de huidige gehanteerde minimale procescriteria en termijnindicatoren. Echter, met één wijziging gedurende 2025-2026, namelijk: de termijn voor het vaststellen van het procescriterium ‘uitvoeringsprogramma’ wordt tijdelijk verruimd van 1 februari naar 1 april. De datum van 1 februari wordt beschouwd als meetmoment. Toelichting: De huidige gehanteerde procescriteria vormen een solide basis en worden als minimale vereisten beschouwd. De tijdelijke verruimde termijn is bedoeld om gemeenten meer flexibiliteit te bieden bij het inrichten van hun VTH-beleidscyclus, zonder de voortgang van de beleidscyclus in gevaar te brengen. 2. Inhoudelijke Toetsing bij 12 gemeenten: Bij +/- 25% van de 50 gemeenten in Zuid-Holland (12 gemeenten) wordt een inhoudelijke toetsing uitgevoerd van VTH-beleidsstukken. Bij deze toetsing worden wettelijke procescriteria toegepast die inhoudelijke eisen stellen aan VTH-beleidsstukken. De geselecteerde procescriteria omvatten onder meer strategische beleidskaders, doelstellingen, prioriteiten, capaciteit, en evaluatierapportages.
Doel: Het doel is te onderzoeken of een andere (en meer flexibeler en inhoudelijker benadering) met andere criteria geschikt is voor de toekomstige werk- en beoordelingswijze van IBT omgevingsrecht. Afbeelding 1: Visualisatie van het pilotvoorstel IBT Omgevingsrecht, met de geselecteerde beoordelingscriteria op basis van de wettelijke procescriteria en termijnindicatoren. De afbeelding toont alleen de strategische cyclus van de Big-8, niet de operationele uitvoeringscyclus.
Kern digitale sessie: Toetsing en verfijning van beoordelingscriteria uit pilotvoorstel De sessie richtte zich op de inhoudelijke toetsingscriteria (het tweede onderdeel van het pilotvoorstel), waarbij reacties werden verzameld aan de hand van drie vragen: Wat is er sterk aan het voorstel? Wat is lastig of moeilijk? Wat ontbreekt er? In de bijlage vindt u een uitgebreidere weergave van de bevindingen uit de digitale sessie. Hieronder volgen de belangrijkste inzichten en uitkomsten.
Belangrijkste inzichten en uitkomsten De digitale sessie bevestigde dat de beoordelingscriteria ‘meetbare doelstellingen’ een goede basis vormen. Wanneer deze doelen logisch aansluiten bij de risicoanalyse en/of bestuurlijke keuzes, draagt het bij aan samenhangend beleid. Ook de afstemming met evaluatie wordt als positief ervaren, omdat het de cyclus versterkt door uitvoering en bereiken van doelstellingen te evalueren, en eerdere lessen mee te nemen in de volgende beleids- en uitvoeringscycli. Er werden echter enkele uitdagingen benoemd, waarbij de belangrijkste conclusie is dat uniforme toetsing met generieke beoordelingscriteria niet altijd aansluit bij de diversiteit in omvang, complexiteit en werkwijze van gemeenten. Dit geldt vooral voor de toetsing van financiële en personele middelen, die echter wel randvoorwaarden zijn voor de uitvoering en het behalen van beleidsdoelen. Voor de verdere uitwerking van het pilotvoorstel verdienen de volgende punten extra aandacht: • Financiële en personele middelen: Hoe financiële en personele middelen passend kunnen worden beoordeeld, gezien de diversiteit van gemeenten. • Autonomie gemeenten: Het college van B&W bepaalt zelf hoe prioriteiten, doelstellingen en risicoanalyses worden vastgesteld. De toezichthouder controleert enkel op aanwezigheid en transparantie, niet op de wijze van de totstandkoming.
Toezicht geldt niet voor autonome taken. • Relatie met milieutaken: Basistaken zijn in sommige gemeenten sterk verweven met thuis- en plustaken. *In pilotvoorstel is momenteel nu opgenomen nadruk te leggen op thuis- en plustaken en niet de basis/milieutaken. • Kwaliteitscriteria in relatie tot capaciteit: Naast kwantiteit zou de relatie tot de kwaliteit en effectiviteit van personele middelen toegelicht moeten worden. Samenhang met landelijke en regionale ontwikkelingen: De relatie met landelijke afspraken, regionale beleidscycli, kwaliteitscriteria 3.0 en de VTH-coördinatietaak van GS vraagt om nadere toelichting. In conclusie biedt de pilot een solide basis, maar verdere verfijning, toelichting en uitwerking is noodzakelijk.
Vervolg op hoofdlijnen Tijdens de sessie zijn niet alle aspecten van het pilotvoorstel aan bod gekomen, waaronder praktische zaken zoals de selectie en aanmelding voor de pilot. De sessie liet ook zien dat sommige punten verder verfijnd moeten worden. In de onderstaande afbeelding is het vervolg op hoofdlijnen gevisualiseerd.
Afbeelding 2: Deze afbeelding geeft een overzicht van het vervolgproces, waaronder een GS-besluit.
Klankbordgroep Zoals te zien is in afbeelding 2, wordt er een klankbordgroep opgericht voor de verdere uitwerking. In deze kleinere groep zal met zorgvuldige aandacht gewerkt worden aan de belangrijke aspecten. Wilt u deelnemen aan de klankbordgroep? Laat het dan weten door contact op te nemen via ibtomgevingsrecht@pzh.nl.
Bij vragen of opmerkingen over dit verslag kunt u contact opnemen via ibtomgevingsrecht@pzh.nl.
Bijlage 1: Toelichting Pilotvoorstel en Bevindingen Digitale Sessie In deze bijlage staan de toelichting totstandkoming pilotvoorstel op hoofdlijnen. Ook staan hier de bevindingen uit de digitale sessie.
Totstandkoming van pilotvoorstel op hooflijnen Belangrijke overwegingen bij de selectie van criteria voor het pilotvoorstel: − Uitkomsten van de Verkenningssessies 2024: De focus moet meer liggen op de inhoudelijke kwaliteit van documenten, in plaats van enkel op termijnen. Er is behoefte aan een bredere beoordeling van VTH/omgevingsrecht en informele gesprekken met zowel verbeterpunten als positieve feedback. − Sluiten van de beleidscyclus: Er is gekozen voor criteria die de strategische cyclus van de Big-8 ondersteunen, wat de voortgang en effectiviteit van de beleidscyclus bevordert en ruimte biedt voor bijsturing. − Middelen als randvoorwaarden: Voldoende personele en financiële middelen zijn noodzakelijk om VTH-taken uit te voeren en doelstellingen te behalen. Inzicht in benodigde en beschikbare middelen zorgt voor transparantie en stimuleert gesprekken over tekorten en uitdagingen (zoals scherpere prioriteitstelling) die soms vermeden worden. − Met betrekking tot de termijnindicatoren: De termijnen bieden meer ruimte voor gemeenten om de VTH-beleidscyclus in te richten en afstemmen met gemeentelijke organisatie, terwijl de voortgang gewaarborgd blijft. Bovendien ook praktische overweging: toezichthouders kunnen na 15 juli stukken beoordelen op inhoudelijke criteria, gevolgd door gesprekken in oktober/november.
− Wettelijke kaders IBT: Het doel van IBT is om te waarborgen dat de uitvoering van wettelijke medebewindstaken niet in strijd zijn met wet- en regelgeving of het algemeen belang. Het is niet bedoeld voor kwaliteitsverbetering van de taakuitvoering, hoewel de criteria uit het voorstel indirect kunnen bijdragen aan de kwaliteit van strategische en programmatische uitvoering en handhaving. Het IBT omvat niet het toezicht op autonome taken. Dit betekent dat er enkel getoetst kan worden of SMART-doelstellingen zijn geformuleerd, prioriteiten zijn gesteld, risicoanalyses zijn uitgevoerd, en of de benodigde en beschikbare middelen inzichtelijk zijn gemaakt, en of deze duidelijk zijn gemotiveerd en toegelicht. Vanuit de toezichtstaak zal niet worden gestuurd of bepaald hoe afwegingen tot stand komen of wat de uitkomsten zijn. Toezichthouders treden niet in de rol van het college van B&W. Bevindingen digitale sessie: Eerste reacties op het pilotvoorstel IBT-Omgevingsrecht Tijdens de digitale sessie werd aan deelnemers gevraagd of het pilotvoorstel logisch en/of te verwachten was. Het werd overwegend als logisch ervaren (33 voor, 1 tegen). De tegenstem had praktische bezwaren, zoals het niet opnemen van de uitkomsten van inhoudelijke toetsing in het IBT-Dashboard, en het ontbreken van basistaken en de korte looptijd voor een volledige PDCA-cyclus.
*De pilot loopt twee jaar, dit was eerder onjuist vermeld. Bevindingen digitale sessie: Termijnindicator en coulance De focus van de digitale sessie lag op de criteria voor de inhoudelijke toetsing (ofwel het tweede deel van het pilotvoorstel). Echter, via Mentimeter werden twee vragen voorgelegd over de coulance van de termijn voor het uitvoeringsprogramma (van 1 februari naar 1 april; opgenomen in eerste deel pilotvoorstel): 1) De coulance werd gemiddeld beoordeeld als onvoldoende (score 2,7 op 5; waarbij 0 voldoende is en 5 onvoldoende). Het grootste bezwaar was te weinig tijd om de evaluatie van het voorgaande jaar op te nemen in het uitvoeringsprogramma. 2) Er was verdeeldheid over de stelling dat de voorgestelde termijn van 1 april voldoende is om de voortgang van de VTH-beleidscyclus te waarborgen zonder risico op uitstel of afstel. Zes deelnemers vonden de termijn ruim voldoende. 24 deelnemers achtten de termijn haalbaar, wat doorgaans de voortgang zou waarborgen. Twee deelnemers gaven aan dat de coulance in de termijn geen uitstel voorkomt en daardoor de voortgang van de beleidscyclus niet zou kunnen garanderen.
Bevindingen kern digitale sessie: Toetsing en verfijning van criteria uit pilotvoorstel De sessie richtte zich op de inhoudelijke toetsingscriteria (oftewel het tweede onderdeel van het pilotvoorstel). Via drie vragen werden reacties verzameld, puntsgewijs samengevat:
1. Wat is er sterk aan het pilotvoorstel? Welke beoordelingscriteria zijn sterk? • SMART-geformuleerde doelstellingen: Doelstellingen in de Uitvoering- en Handhavingsstrategie (U&H-strategie) zijn goed toetsbaar en bieden een duidelijke richting. Dit ondersteunt de effectiviteit en voortgang van het beleid. • Logische aansluiting op risicoanalyse en bestuurlijke keuzes: Dit zorgt voor samenhangend, strategisch beleid. • Afstemming met evaluatie: Versterkt de PDCA-cyclus en zorgt ervoor dat eerdere lessen worden meegenomen in nieuwe beleidsplannen.
2. Wat is moeilijk/lastig aan het pilotvoorstel? Welke beoordelingscriteria zijn dit? • Algemene raads-/coalitieprogramma’s: Deze bieden vaak weinig concrete aanknopingspunten voor VTH-doelstellingen, waardoor kan het lastig zijn te toetsen of doelstellingen logisch voortvloeien uit bestuurlijke keuzes. • Autonomie van gemeenten: IBT omvat wettelijke medebewindstaken, niet autonome taken. Gemeenten bepalen zelf bijv. hun prioriteitstelling. Toezichthouders kunnen enkel vaststellen of deze opgenomen zijn en onderbouwd zijn. • Risicoanalyse en prioriteitstelling realistisch voor kleinere gemeenten? Kleinere gemeenten hebben doorgaans beperkte middelen en capaciteit, waardoor uitgebreide risicoanalyse en prioritering moeilijk te implementeren zijn. Hoewel hun vraagstukken minder complex kunnen zijn dan in grotere gemeenten, hebben ze wel een breed takenpakket. Zij werken vaak met pragmatische benaderingen, gericht op incidenten. Bovendien worden in de gemeenschappelijke regelingen risicoanalyses/prioritering vaak op een hoger schaalniveau worden bepaald. • Toetsing van financiële en personele middelen: Dit is complex, omdat elke gemeente eigen budgettaire en organisatorische overwegingen heeft.
Daarnaast ook jaarlijkse fluctuaties in benodigde/beschikbare middelen (bijvoorbeeld door wetgeving of tijdelijke projecten), waardoor het niet altijd in meerjarig beleidskaders is opgenomen. Bovendien, in kleinere gemeenten is organisatie klein en, vervullen medewerkers meerdere rollen. Hierdoor is het lastig om formatie 1-op-1 terug te leiden naar de VTH-keten, aangezien deze taken slechts een deel van werkzaamheden uitmaakt. • Algemeen verschillende werkwijzen tussen gemeenten: Bijvoorbeeld: Sommige gemeenten stellen prioriteiten en capaciteit pas vast in het jaaruitvoeringsprogramma, wat afwijkt van de aanpak in de U&H-strategie. Bijvoorbeeld: Sommige gemeenten hebben VTH bijna volledig uitbesteed aan de Omgevingsdienst en voeren zelf geen evaluatie uit (dit wordt door OD gedaan); een klein deel van de taken blijft in huis, maar wordt niet altijd nog zelf geëvalueerd. • Andere niet opgenomen criteria brengen ook uitdagingen met zich mee: criteria zoals afstemming tussen bestuursorganen, samenwerking met strafrechtelijke instanties, uitvoeringsorganisatie, bereikbaarheid en werkprocessen. Eveneens complex is bestuurlijk draagvlak voor bestuurlijke afstemming met ketenpartners zoals de omgevingsdienst of veiligheidsregio, door uiteenlopende belangen, prioriteiten en juridische kaders.
3. Wat ontbreekt er in het pilotvoorstel? • Complexiteit van gemeenten (verschil stad/dorp; klein/middel/groot) en maatwerk: Dit wordt niet altijd weerspiegeld in de huidige beoordelingscriteria. Gemeenten verschillen in vraagstukken, uitdagingen, werkzaamheden, taakverdeling, en beschikbare middelen. Grotere gemeenten hebben vaak complexere vraagstukken, terwijl kleinere gemeenten meer lokale uitdagingen hebben. Laat staan de verschillen in de complexiteit van interne administratieve processen tussen gemeenten. Maatwerk is nodig. Er is behoefte aan beoordelingscriteria die rekening houden met lokale omstandigheden. • Specifiek de beoordeling van (financiële en personele) middelen is complex en lastig te standaardiseren, en vraagt om maatwerk: Het beoordelen van financiële en personele middelen is moeilijk te standaardiseren; verschillende budgettaire en organisatorische keuzes maakt. Dit vraagt om een flexibele afweging/benadering; maatwerk. • Koppeling met milieutaken/basistaken: Het zou waardevol zijn om te onderzoeken of milieutaken een rol kunnen spelen binnen IBT-O. *In pilot voorstel nu opgenomen nadruk te leggen op thuisen plustaken en niet de basis/milieutaken. • Kwaliteitscriteria: Bij het beoordelen van de beschikbare en benodigde personele middelen dient niet alleen de kwantiteit, maar ook de kwaliteit en effectiviteit van deze capaciteit worden meegewogen.
Als capaciteit wordt meegenomen vraagt dit nadere uitwerking en toelichting in relatie tot de kwaliteitscriteria. • Samenhang met landelijke ontwikkelingen; waaronder regionale beleidscyclus en afspraken kwaliteitscriteria.
Bijlage 2 Nadere Uitwerking Pilot IBT Omgevingsrecht op Basis van Gemeentelijke Input Dit document biedt een nadere uitwerking van de pilot Interbestuurlijk Toezicht (IBT) op het omgevingsrecht, gebaseerd op de input van gemeenten tijdens de sessie van 18 februari. Niet alle antwoorden zijn op dit moment beschikbaar; sommige zullen tijdens de pilot verduidelijkt worden. De werkbaarheid van de onderdelen wordt geëvalueerd. 1. Financiële en beschikbare middelen Uitkomst uit de sessie 18/02: Gemeenten gaven aan dat het beoordelen van financiële en personele middelen complex is, gezien de grote diversiteit tussen gemeenten. Aanpak in de pilot IBT-O: Omdat het om een pilot gaat,k wordt het procescriterium uit artikel 13.10 van het Omgevingsbesluit opgenomen als een beoordelingscriteria in de pilot. Dit stelt gemeenten en provincies in staat om in de praktijk te ontdekken wat wel of niet werkt, waar de knelpunten liggen en waarom. Het criterium verduidelijkt de relatie tussen ambitie en uitvoering, en biedt inzicht in of de beschikbare capaciteit in balans is met de gestelde doelen. Bij disbalans kan dit aanleiding geven tot inhoudelijke gesprekken. Het doel is niet om te sturen op de hoeveelheid of kwaliteit van de middelen, maar om de onderbouwing en samenhang van beleid en middelen te toetsen.
Daarmee richt het criterium op: • Aanwezigheid: Zijn benodigde en beschikbare middelen expliciet gemaakt in de beleidsstukken (zoals in de U&H-strategie en/of begroting)? • Samenhang: Is er een logische onderbouwde relatie tussen beleidsdoelen, prioriteiten en de beschikbare inzet? De provincie zal een werksessie om voorbeelden te delen en praktische handvatten te bieden. Hiermee onderzoeken we hoe deze criteria in de praktijk toegepast kunnen worden. 2. Autonomie van gemeenten Uitkomst uit de sessie 18/02: Er bestaat bezorgdheid dat het IBT de gemeentelijke autonomie zou kunnen ondermijnen, vooral bij criteria zoals prioriteitstelling en doelstellingen. Uitwerking in pilot: Volgens de Wet revitalisering generiek toezicht (Wrgt) richt het IBT zich uitsluitend op de wettelijke medebewindstaken van gemeenten. Autonome taken (zoals het bepalen van doelstellingen of prioriteitstelling) vallen buiten de reikwijdte van dit toezicht. Om de gemeentelijke autonomie te waarborgen, richt het toezicht in deze pilot op de procesmatige aspecten van beleid en uitvoering. Het doel is om inzicht te krijgen in de aanwezigheid, onderbouwing en uitwerking van beleid, zonder inhoudelijke keuzes te beoordelen.
Daarbij ligt de focus op: • Aanwezigheid: Zijn de onderdelen (prioriteiten, doelstellingen en risicoanalyse) opgenomen in de beleidsstukken? • Transparantie: Is het duidelijk hoe deze onderdelen tot stand zijn gekomen? Zijn ze onderbouwd? • Samenhang: Sluiten deze onderdelen op elkaar aan? Sluiten ze aan op bestuurlijke keuzes? Voor de verdere uitwerking van de toetsing van de beoordelingscriteria in de Pilot IBT omgevingsrecht zie pagina 5-6 van dit document. 3. Relatie met milieutaken (basistaken) Uitkomst uit de digitale sessie: Sommige gemeenten vinden de focus van de pilot op thuis- en plustaken niet logisch, omdat deze taken sterk verweven kunnen zijn met milieutaken. Hoe wordt hiermee omgegaan? Uitwerking/voorstel: In het pilotvoorstel is gekozen om de focus te leggen op thuis- en plustaken. De basistaken (milieutaken) worden uitgevoerd door omgevingsdiensten, die al onder toezicht staan via een gemeenschappelijke regeling, naast het toezicht van de gemeenteraad op het college. Thuis- en plustaken hebben echter geen vergelijkbaar ‘tweedelijns toezicht’, daarom richt de pilot zich specifiek op deze taken.
1
De pilot IBT-omgevingsrecht onderzoekt of complicaties ontstaan wanneer thuis- en plustaken verweven zijn met basistaken, en onderzoekt ook of de basistaken (milieutaken) in de toekomst opgenomen kunnen worden in de inhoudelijk toetsing1. Dit sluit aan bij het doel van de pilot: kijken of een flexibele en inhoudelijke benadering met nieuwe criteria geschikt is voor het IBT omgevingsrecht. Het zou waardevol om gemeenten met verweven thuis-, plus- en basistaken op te nemen in de groep van 12 gemeenten voor de inhoudelijke toetsing, als casus. 4. Kwaliteitscriteria Vraag/opmerking volgend uit de sessie 18/02: Naast kwantiteit zou de relatie tot de kwaliteit en effectiviteit van personele middelen toegelicht moeten worden. Hoe verhoudt het IBT omgevingsrecht en de pilot zich tot de kwaliteitscriteria, die voorwaarden stellen voor een professionele uitvoering van VTH? Antwoord: Het IBT (en de pilot IBT omgevingsrecht) ziet alleen toe op wettelijke medebewindstaken. Voor de thuistaken geldt momenteel geen wettelijke verplichting om regels voor de kwaliteit te stellen, maar wel een zorgplicht (art. 18.20 Omgevingswet). Voor basistaken, uitgevoerd door omgevingsdiensten, is er wel een verplichting om regels vast te stellen over de kwaliteit (art. 18.23 Omgevingswet).
In het PZH Uitvoeringsprogramma Generiek Interbestuurlijk Toezicht 2024 is als indicator meegenomen of gemeenten beschikken over een vastgestelde Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht. De kwaliteitscriteria zelf zijn geen indicator. Veelal wordt de modelverordening gebruikt. Afhankelijk van de reikwijdte van de vastgestelde verordening gelden kwaliteitsregels (i.e. kwaliteitscriteria) voor thuistaken en/of basis- en plustaken2. Hoewel er wettelijke mogelijkheden zijn voor toezicht op de uitvoering van de kwaliteitsverordening en criteria, worden die op dit moment niet benut3. Het IBT omgevingsrecht richt zich nu op andere wettelijke vereisten. Specifiek focust de pilot f op procescriteria voor het sluiten van de VTH-beleidscyclus en de randvoorwaarden hiervoor, namelijk beschikbare en benodigde middelen, niet op de kwaliteit (kwaliteitscriteria). 5: Samenhang met landelijke samenwerkingsafspraken Vraag uit de sessie 18/02: Hoe verhoudt het pilotvoorstel zich tot landelijke afspraken, zoals die over de regionale beleidscycli, Kwaliteitscriteria 3.0 en de VTH-coördinatietaak van GS? En specifiek: hoe sluit de pilot aan op landelijke ontwikkelingen binnen het IBP VTH, waaronder IBT onder regie van IPO/ILT (#37)? Deze vraag is gesteld nav het VTH Open House van IenW op 17-02.
Antwoord: Na afronding van het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH-stelsel (IBP VTH) zijn landelijke samenwerkingsafspraken ondertekend door VNG, IPO, UvW, ODNL, JenV en IenW. Deze afspraken moeten zorgen voor borging van de behaalde resultaten en een structureel vervolg. De ZuidHollandse pilot IBT Omgevingsrecht is niet in strijd met de landelijke afspraken. De pilot speelt vooral in op regionale behoeften, namelijk het versterken van de meerwaarde van het van het IBT-instrument. De relatie met landelijke thema’s wordt hieronder toegelicht: •
Regionale beleidscyclus (#3 en #29 bijlage 1 van de samenwerkingsafspraken): De regionale VTH-beleidscyclus beoogt de efficiënte inzet van omgevingsdiensten op basis van een risicoanalyse, met als doel de grootste impact voor de leefomgeving. Deze beleidscyclus richt
1
In sommige gemeenten zijn thuis- en plustaken verweven met basistaken, in andere gescheiden. De pilot is niet bedoeld om hierin te veranderen, aangezien dit binnen de autonomie van gemeenten ligt. Er een wettelijke verplichting om ze op een specifieke wijze te organiseren. 2 Artikel 2 van de modelverordening bepaalt op welke taken de verordening van toepassing is: op eigen uitvoering (thuistaken) en/of uitvoering in opdracht van B&W of GS (basis- en plustaken). Artikel 5 stelt dat, afhankelijk van de reikwijdte, de actuele landelijke kwaliteitscriteria gelden. Een specifieke versie (zoals kwaliteitscriteria 2.0 of 3.0) wordt niet genoemd. 3 Volgens de Nota van Wijziging Wet VTH (Kamerstukken II 2014–2015, 33872, nr. 8) kan de provincie toezicht houden op naleving van de kwaliteitsverordening, en nagaan of gemeenten jaarlijks rapporteren over naleving van hun kwaliteitsverordening. Of dit nog geldt onder de Omgevingswet, is onduidelijk. Wel kan de provincie vanuit haar toezichttaak controleren of de personeelsformatie voor uitvoering en handhaving is vastgelegd (art. 13.9, lid 2a Omgevingsbesluit). Dit is echter niet direct gekoppeld aan de kwaliteitscriteria. De toezichthouder kan dus enkel verifiëren of taken en verantwoordelijkheden zijn vastgelegd, niet of ze voldoen aan kwaliteitsnormen.
2
zich op de taken die bij omgevingsdiensten zijn belegd4.Het interbestuurlijk toezicht (IBT) betreft per definitie toezicht van één bevoegd gezag op een ander bevoegd gezag. Daarmee houdt het IBT geen direct toezicht op omgevingsdiensten, maar kan deze indirect wel controleren, vooral bij een sterk verwevenheid van thuistaken met plus-/ en basistaken (zie “3: relatie tot milieutaken”). •
Kwaliteitscriteria 3.0 (#5 en 6 bijlage 1 van de samenwerkingsafspraken): De kwaliteitscriteria 3.0 zijn momenteel nog niet wettelijk verplicht, maar worden door de meeste omgevingsdiensten al toegepast. Volgens de landelijke samenwerkingsafspraken is het de bedoeling dat het ministerie van IenW de Kwaliteitscriteria 3.0 in de toekomst breder van toepassing zal verklaren. Wanneer en hoe dit wettelijk wordt geregeld, is nog niet bekend. Volgens dezelfde landelijke samenwerkingsafspraken heeft de VNG een actieve rol in de implementatie van de kwaliteitscriteria 3.0. Gemeenten kunnen voor vragen over toepassen van de kwaliteitscriteria op de thuistaken terecht bij de VNG.
•
VTH-Coördinatie taak van GS: Dit is niet expliciet opgenomen in de samenwerkingsafspraken omdat er al wettelijke verplichting ligt, maar er loopt momenteel een verkenning onder regionale VTH-partners naar de invulling van de coördinatierol van GS. GS hebben op grond van de Omgevingswet (artikelen 18.26 en 18.27) de wettelijke taak om binnen de provincie de afstemming en samenwerking op het gebied van VTH te bevorderen. Deze coördinatietaak is gericht op versterking van het stelsel via overleg, kennisdeling en gezamenlijke kwaliteitsverbetering met gemeenten, omgevingsdiensten en andere partners. Deze rol staat los van het IBT dat zich richt op de toetsing van wettelijke medebewindstaken door gemeenten. IBT is formeel van aard, met een beoordelende rol en – indien nodig – juridische interventiemogelijkheden. Vanuit de provincie wordt een scheiding van rollen gehandhaafd. Uitkomsten van de lopende verkenning naar de invulling van de coördinatietaak van GS worden buiten het IBT-traject gedeeld.
•
IBT (#37 in bijlage 1 van de samenwerkingsafspraken; onder regie van IPO/ILT): Momenteel loopt er een landelijk onderzoek naar hoe het interbestuurlijk toezicht (IBT) op het omgevingsrecht door provincies versterkt kan worden, als onderdeel van het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH (IBP VTH). Het doel van dit onderzoek is het IBT-instrument effectiever en slagvaardiger te maken. De resultaten kunnen op termijn leiden tot aanpassingen in de uitvoering van IBT door de twaalf provincies, maar ervaring leert dat dergelijke aanpassingen vaak een langdurig proces zijn. Daarom kiest Zuid-Holland ervoor om alvast een pilot te starten om de aanpak van het IBT omgevingsrecht te verbeteren, met de verwachting dat het onderzoek op korte termijn niet zal leiden tot veranderingen.
6: Informatieplicht aan de raad: wettelijke basis Vraag: Waar in de wet staat dat de raad nog moet worden geïnformeerd? Dit staat niet in de Omgevingswet/Omgevingsbesluit. Antwoord: De Omgevingswet en het Omgevingsbesluit bevatten geen expliciete verplichting om de gemeenteraad te informeren over beleid of besluiten. Deze informatieplicht komt echter uit de Gemeentewet, artikelen 169 (voor het college van B&W) en 180 (voor de burgemeester). 7: Eenduidigheid thuistaken Vraag: De thuistaken waren onder de Wabo duidelijk. Is er van de thuistaken onder de Omgevingswet ook een eenduidig beeld? Wat valt onder de fysieke leefomgeving? Antwoord: Op dit moment is er nog geen volledig eenduidig beeld van de thuistaken onder de Omgevingswet. Waar onder de Wabo duidelijk was welke taken bij de gemeente hoorden, is dit onder de Omgevingswet complexer, mede doordat het begrip "fysieke leefomgeving" ruimer is gedefinieerd. Daarnaast speelt mee dat de implementatie van de wet nog in ontwikkeling is, en dat ook het rijk en betrokken uitvoeringsorganisaties nog bezig zijn met de nadere uitwerking van taakverdelingen en verantwoordelijkheden. In de praktijk betekent dit dat er op dit moment nog sprake is van enige interpretatieverschillen. 4
Volgens de handreiking regionale beleidscyclus is de basis voor de regionale beleidscyclus te vinden in artikel 12.5, lid 2, Omgevingswet: “De bestuursorganen die deelnemen in een omgevingsdienst stellen gezamenlijk een uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie vast voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.12, eerste lid.”
3
IenW heeft wel een circulaire gepubliceerd over het basistakenpakket, deze is te vinden via IPLO | Toelichting circulaire basistakenpakket. 8: Verschillen tussen provincies in IBT-aanpak Vraag: Hoe zit het met verschillen tussen het interbestuurlijk toezicht tussen provincies? Antwoord: Provincies hebben beleidsvrijheid bij het uitvoeren van interbestuurlijk toezicht (IBT) op het omgevingsrecht, wat leidt tot verschillen in aanpak. De Wet revitalisering generiek toezicht biedt een uniform kader, maar provincies vullen dit op eigen wijze in, afhankelijk van lokale context, bestuurlijke verhoudingen en beschikbare capaciteit. Sommige provincies kiezen voor een thematische benadering, andere voor structurele monitoring. 9: Uitbreiding VTH-beleid naar andere thema’s Vraag: Is het mogelijk om de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (VTH-beleid) en uitvoeringsprogramma uit te breiden naar andere thema’s, zoals veiligheidsvraagstukken en APV-gerelateerde zaken? Antwoord: Ja, de uitvoerings- en handhavingsstrategie (U&H-strategie) en uitvoeringsprogramma’s kunnen worden uitgebreid naar andere thema's, zoals veiligheidsvraagstukken en APV-gerelateerde zaken. De wet schrijft niet voor dat een U&H-strategie alleen geldt voor VTH-taken (Omgevingsbesluit art. 13.5).
Bevoegde gezagen hebben de ruimte om deze breder in te richten, zolang het aansluit bij de bredere doelstellingen van wet- en regelgeving. Er zijn geen wettelijke beperkingen, en sommige gemeenten passen dit al toe om de werkdruk te verlichten en het beleid efficiënter te maken. 10: Uitbreiding VTH-beleid naar andere thema’s Vraag: Waar komen de termijnen vandaan die de provincie hanteert ihkv IBT-omgevingsrecht? Staan deze in wet- en regelgeving? Antwoord: Er staan geen exacte termijnen in de wet- en regelgeving, maar termijnindicatoren worden ingezet om de voortgang van de VTH-cyclus gewaarborgd ten behoeve van een strategische en efficiënte uitvoering. Er zijn wel een aantal referenties naar termijnen in de wet. Hiermee is rekening gehouden bij de bepaling van de termijn indicatoren. Deze verwijzingen zijn: • Omgevingsbesluit, artikel 13.8, eerste lid: Bestuursorganen moeten jaarlijks een uitvoeringsprogramma opstellen, waarin wordt aangegeven welke werkzaamheden uit de uitvoerings- en handhavingsstrategie het komende jaar uitgevoerd worden. Hoewel er geen specifieke datum wordt genoemd, kan het logisch zijn om het programma vóór het begin van het nieuwe kalender- of begrotingsjaar vast te stellen. • Gemeentewet, artikel 110: Hierin staat dat het beleid of beleidsverslag maximaal vier jaar herzien moet worden.
Dit verplicht niet om het beleid volledig opnieuw op te stellen, maar zorgt ervoor dat beleid periodiek geüpdatet wordt, al hoeft dat niet te leiden tot een compleet nieuw beleidsplan. • Gemeentewet, artikel 200: Het college de vastgestelde jaarrekening en het jaarverslag vóór 15 juli van het jaar na het begrotingsjaar aan gedeputeerde staten moet sturen.
4
Nadere uitwerking toetsing van beoordelingscriteria voor de Pilot IBT Omgevingsrecht Provincie Zuid-Holland Onderstaande tabel geeft een nadere uitwerking van de toetsing van beoordelingscriteria voor de pilot Interbestuurlijk Toezicht (IBT) Omgevingsrecht. Procescriteria
Uitvoerings- en Handhavingsstrategie
Strategische beleidskaders:
beleidscyclus VTH
Onderwerp/ thema
Beoordelingscriterium
Uitvoerings- en Handhavingsstrategie
Is er een Uitvoerings- en Handhavingsstrategie vastgesteld?
Uitvoerings- en Handhavingsstrategie
Is het beleid actueel en afgestemd op actualiteiten (o.a. actuele wet- en regelgeving)?
Horizontale verantwoording/ controle met termijnindicator
Wordt binnen twee maanden na de vaststelling of verlenging van de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie alle benodigde informatie aan de raad verstrekt (voor het uitvoeren van haar controlefunctie)?
Doelstellingen
Wordt gemotiveerd aangegeven welke doelen worden gesteld voor uitvoering en handhaving en zijn deze concreet, meetbaar, realistisch en tijdgebonden geformuleerd?
Prioriteitstelling
Wettelijk kader
indien aanwezig Art. 13.5 lid 1 Omgevingsbesluit Art. 110 Gemeentewet verplicht herziening van beleid/beleidsverslag binnen vier jaar. Art. 13.11 lid 2 Omgevingsbesluit stelt dat de U&H-strategie, indien noodzakelijk, wordt aangepast op basis van de evaluatierapportage. Art. 60, 160, 169 (voor het college) en artikel 180 (voor de Burgemeester) van de Gemeentewet leggen informatieplicht vast. De termijn van twee maanden is intern vastgesteld om duidelijkheid te verschaffen en transparantie (ook richting de raad) te bevorderen. Art. 13.5 lid 1 Omgevingsbesluit
Wordt gemotiveerd aangegeven welke werkzaamheden met het oog op die doelen zullen worden verricht?
Art. 13.5 lid 1 Omgevingsbesluit
Vloeien de doelen voort uit de prioriteitenstelling en/of uit bestuurlijke keuzes (raadsprogramma/ coalitieakkoord/ college)?
Art. 13.6, lid 1, onder a, Omgevingsbesluit
Biedt de U&H-strategie inzicht in de prioriteitenstelling voor het verrichten van de werkzaamheden?
Art. 13.6, lid 1, onder a Omgevingsbesluit De prioritair thema’s volgen uit de ruimtelijke-fysieke domeinen opgenomen in de Handboek Wet revitalisering generiek toezicht
Wordt hierbij in elk geval aandacht besteed aan milieu en constructieve veiligheid van bouwwerken? Middelen
Zijn de benodigde en beschikbare financiële en personele middelen voor het bereiken van de doelen en voor het verrichten van de werkzaamheden inzichtelijk gemaakt in de U&Hstrategie en in de begroting gewaarborgd?
Art. 13.10 aanhef en onder a Omgevingsbesluit
Toetsing Ja Nee Ja Nee
Ja Nee
Nee = Doelstellingen ontbreken en/of deze zijn niet SMART Gedeeltelijk = Ja er zijn doelen opgenomen, maar deze zijn enigszins SMART Ja = Doelen zijn SMART geformuleerd Nee Gedeeltelijk = enigszins/ koppeling summier Ja = volledig/ diepgaand Nee Gedeeltelijk = Duidelijk voor enkele doelen Ja = Het is duidelijk waaruit de doelen voortvloeien Nee = geen prioriteiten gesteld Gedeeltelijk = wel prioriteiten gesteld, maar het is onduidelijk waarop deze gebaseerd zijn Ja = prioriteiten gesteld, wijze waarop is duidelijk toegelicht en risicoanalyse is gebruikt. Nee Gedeeltelijk = De beschikbare middelen zijn opgenomen, maar de benodigde middelen ontbreken, of de benodigde middelen zijn opgenomen maar het is onduidelijk hoe deze zijn bepaald. Ja
5
Uitvoeringsprogramma Evaluatierapportage
Monitoring en evaluatie:
Beleidsdoorwerking in uitvoering:
Uitvoeringsprogramma
Termijnindicator vaststelling uitvoeringsprogramma
Hebben de bestuursorganen de uitvoerings- en handhavingsstrategie uitgewerkt in een uitvoeringsprogramma, waarin wordt aangegeven welke van de werkzaamheden uit deze strategie het jaar zullen worden verricht? Is het uitvoeringsprogramma door het bestuursorgaan vóór 1 april vastgesteld in het jaar waarop het betrekking heeft?
Horizontale verantwoording/ controle met termijnindicator
Wordt (informatie over) het uitvoeringsprogramma vóór 15 juli aan de raad verstrekt in het jaar waarop het programma betrekking heeft?
Evaluatierapportage
Rapporteert het bestuursorganen jaarlijks over de mate waarin de uitvoering van het uitvoeringsprogramma heeft plaatsgevonden en de mate waarin deze uitvoering heeft bijgedragen aan het bereiken van doelen? Is de evaluatierapportage door het bestuursorgaan vóór 15 juli vastgesteld in het jaar dat volgt op het jaar waarop de evaluatie betrekking heeft?
Termijnindicator vaststelling evaluatierapportage
Horizontale verantwoording/ controle met termijnindicator
Wordt (informatie over) het evaluatie rapportage vóór 1 oktober aan de raad verstrekt in het jaar dat volgt op het jaar waarop de evaluatie betrekking heeft?
Tot slot, een ander beoordelingscriterium dat geen procescriterium is. Onderwerp/thema Beoordelingscriterium Beschikt de gemeente over een vastgesteld (Kwaliteits)Verordening Uitvoering en kwaliteitsverordening die gebaseerd is op de Handhaving Omgevingsrecht Omgevingswet?
Art. 13.8 lid 1 Omgevingsbesluit
Ja Nee
Termijnindicatoren zijn vastgesteld en worden ingezet om de voortgang van de beleidscyclus te borgen. Bovendien zijn de activiteiten voor het uitvoeringsprogramma eerder al deels bepaald, aangezien de begroting en legestarieven eerder bekend zijn.
Ja Nee
Hoewel de wet geen exacte termijnen voorschrijft, staat er wel een haakje in artikel 13.8, eerste lid, van het Omgevingsbesluit, waarin staat: "De bestuursorganen […] werken jaarlijks de uitvoerings- en handhavingsstrategie uit in een uitvoeringsprogramma, waarin wordt aangegeven welke werkzaamheden […] het komende jaar zullen worden verricht." Art. 60, 160, 169 (voor het college) en artikel 180 (voor de Burgemeester) van de Gemeentewet leggen informatieplicht vast. De termijn van 15 juli is intern vastgesteld om duidelijkheid te verschaffen en transparantie (ook richting de raad) te bevorderen. De termijn komt overeen met de termijn voor de evaluatierapportage en met de termijn in artikel 200 van de Gemeentewet. Art. 13.11, lid 1, Omgevingsbesluit
Termijnindicatoren zijn intern vastgesteld en worden ingezet om de voortgang van de beleidscyclus te borgen. Deze termijn van 15 juli komt overeen met artikel 200 van de Gemeentewet, waarin staat dat het college de jaarrekening en het jaarverslag vóór 15 juli van het jaar na het begrotingsjaar aan gedeputeerde staten moet sturen. Art. 60, 160, 169 (voor het college) en artikel 180 (voor de Burgemeester) van de Gemeentewet leggen informatieplicht vast.
Ja Nee
Nee Gedeeltelijk = Summier, wel of werkzaamheden zijn behaald, niet of de doelen ook zijn bereikt. Ja Ja Nee
Ja Nee
De termijn van 15 juli is intern vastgesteld om duidelijkheid te verschaffen en transparantie (ook richting de raad) te bevorderen.
Wettelijk kader
Toetsing
Art. 18.20, lid 3 en art 18.23 Omgevingswet)
Ja Nee
6