RIS322429 Nadere toelichting inzake de afdoening van de motie Samen sterk klein versterkt groot in welzijnsaanpak (RIS321649)
Tekst van het document
Typ tekstTyp tekstTyp tekst
Co Engberts Wethouder van Volkshuisvesting, Welzijn, Wijken en Zuidwest Mariëlle Vavier Wethouder van Armoede, Inclusie, Zorg en Internationale Zaken
dienst: dienstcode
Retouradres: Postbus 12600, 2500 DJ Den Haag
Ons kenmerk
Aan de voorzitter van de commissie Samenleving
DPZ/10903349 RIS322429 Contactpersoon
Inge de Nijs Dienst
Dienst Publiekszaken Afdeling
DPZ Bureau SeW en Team Graffiti Telefoonnummer
14070 Datum
E-mailadres
13 juni 2025
inge.denijs@denhaag.nl
Onderwerp
Nadere toelichting inzake de afdoening van de motie ‘Samen sterk: klein versterkt groot in welzijnsaanpak’ (RIS321649)
Geachte voorzitter, Het raadslid Assad heeft op grond van artikel 32 van het Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad een verzoek om inlichtingen ingediend. Het verzoek luidt als volgt: In de afdoening van de motie ‘Samen sterk: klein versterkt groot in welzijnsaanpak’ (RIS321649) wordt het volgende gesteld: “Concreet betekent dit dat de gemeente binnen de subsidietender wél kan eisen dat organisaties samenwerken met andere relevante organisaties in de wijk, maar de keuze van welke specifieke partijen dit zijn, in juridische zin niet verplicht kan worden gesteld. Eveneens betekent dit dat het voor de gemeente níet mogelijk is om welzijnsorganisaties te verplichten om de activiteiten van derden op te nemen in hun begroting.” Bij deze passage ontbreekt echter een juridische onderbouwing. Tijdens het debat van 15 mei jl. is de wethouder gevraagd deze alsnog vóór de raadsvergadering van 22 mei aan te leveren. De wethouder heeft dit geweigerd. Daarom verzoek ik alsnog om: 1. De bestaande juridische onderbouwing van de hierboven geciteerde passage. 2. Informatie over de totstandkoming van deze onderbouwing (bijvoorbeeld intern juridisch advies, externe adviezen of jurisprudentie waarop is gebaseerd). 3. Daarbij aan te geven wanneer de juridische onderbouwing is ingewonnen.
Het college bericht uw raad naar aanleiding daarvan als volgt: Tijdens de vergadering van de commissie samenleving op 15 mei jl. heeft het college reeds toegezegd dat de gevraagde juridische onderbouwing voor de zomer zou worden verstrekt.
Gemeente Den Haag
Spui 70 Den Haag
Postbus 12600 2500 DJ Den Haag
Telefoonummer 14070 www.denhaag.nl
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DPZ/10903349
Alvorens over te gaan tot de inhoudelijke beantwoording van de vragen hecht het college eraan eerst onderstaande context te schetsten: Het college wil nogmaals benadrukken dat de subsidieregeling voor professioneel welzijnswerk géén onderscheid maakt tussen kleine en grote welzijnsorganisaties (zie ook de afdoening van de motie ‘Samen sterk: klein versterkt groot in welzijnsaanpak’, RIS3216490). De subsidieregeling biedt juist een gelijk speelveld en geeft alle partijen die het welzijnswerk kunnen uitvoeren de mogelijkheid subsidie aan te vragen. Wel moeten de partijen die een subsidie willen aanvragen aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen. Dit is omdat het professionele welzijnswerk in de subsidieregeling centraal staat. In het verlengde daarvan meent het college ook dat het onderscheid dat tussen kleine en grote organisaties wordt gemaakt onterecht is. Het college spreekt in elk geval niet over ‘kleine’ organisaties, maar van specialistische organisaties. Met specialistisch wordt bijvoorbeeld bedoeld dat organisaties gespecialiseerd zijn in een specifiek gebied of voor een specifieke doelgroep. Het college erkent waarde van de vele welzijnsactiviteiten in de stad, ongeacht de omvang van de organisaties die zich hiervoor inzetten.
Daarbij is samenwerking tussen deze organisaties van essentieel belang om de maatschappelijke opgaven waar we in deze stad voor staan, het hoofd te bieden en de sociale basis te versterken. In de afdoening van de moties “Haagse lokaliteit in het welzijnsbeleid” (RIS321650) heeft het college u geïnformeerd welke aanvullende mogelijkheden er zijn voor gerichte investeringen in activiteiten voor specifieke doelgroepen, thema’s en/of gebieden door middel van aanvullende subsidieregelingen. Verder is van belang dat het college, om invulling te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer “Werk aan welzijn, onderzoek naar het sturen op doelbereik bij welzijnssubsidies” (RIS315975), zeer zorgvuldig te werk is gegaan bij het opstellen van de subsidieregeling. Zo heeft het college als eerste stap een extern onderzoek laten uitvoeren naar de best passende financieringsmethodiek voor het professioneel welzijnswerk. De resultaten van dit onderzoek zijn op 11 juni 2024 met de commissie Samenleving gedeeld (RIS319210). Hierin is de raad voor wat betreft het professioneel welzijnswerk geïnformeerd over het besluit van het college te kiezen voor een subsidietender en niet te kiezen voor een opdracht (RIS319210).
Er is expliciet gekozen voor een subsidie in plaats van een opdracht om een bepaalde vrijheid aan de welzijnsorganisaties te geven om de activiteiten op een passende wijze uit te voeren. Zo staat in de commissiebrief ‘Keuze nieuwe financieringsmethodiek professioneel welzijn’ hierover het volgende: We hechten sterk aan de professionaliteit van de welzijnsorganisaties en haar welzijnsmedewerkers. De gemeente geeft de ambities en doelstellingen aan (het “wat”) en welzijnsorganisaties geven aan met welke acties en interventies ze dit gaan bereiken (het “hoe”). Het vakmanschap van welzijn hoort thuis in de handen van de welzijnsprofessionals en welzijn is nadrukkelijk geen verlengstuk van de gemeente. De onafhankelijkheid van de professionele welzijnsorganisaties is belangrijk vanwege de outreachende netwerkrol in het hele netwerk en noodzakelijk in het kader van het opbouwwerk, het jongerenwerk en onze onafhankelijke clientondersteuning ten opzichte van de formele indicatiestelling. […]
2/5
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DPZ/10903349
Dan blijven de opties subsidietender en inkoop over. Allebei passen ze goed op de inhoudelijke uitgangspunten wanneer gekozen wordt voor een kwaliteitsgedreven opzet en selectieproces, passend bij het DNA Den Haag en onze stadsdelen. Een subsidietender en inkoop lijken op elkaar. Gezien de inhoudelijke transities (paragraaf 5) zijn we nu (nog) niet goed genoeg in staat om voor alle ambities een “inkoop-proof” programma van eisen te maken waarbij de resultaten in de uitvoering cijfermatig volledig objectiveerbaar zijn. Voor 2026 en 2027 past een subsidietender het beste. Met een subsidietender kunnen we goed sturen op de ambities en de impact in de stad en de principes van kwaliteit, rust en continuïteit goed borgen. Daarbij zijn er voldoende mogelijkheden om dit op de schaal van het stadsdeel te organiseren. Ad 1. Juridische onderbouwing van geciteerde passage Subsidie en opdracht In artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht is een definitie van subsidie opgenomen. Uit die definitie blijkt dat er sprake is van subsidie als aan vier voorwaarden is voldaan: het moet gaan om (1) een aanspraak op financiële middelen, (2) door een bestuursorgaan verstrekt, (3) met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager en (4) anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.
Uit de definitie blijkt dat de activiteiten van de aanvrager centraal staan. Subsidie biedt een gemeente dus mogelijkheden om bepaalde maatschappelijke activiteiten te stimuleren of te ondersteunen. Kenmerkend hierbij is dat de gesubsidieerde organisatie zelf bepaalt hoe de uitvoering van deze activiteiten wordt vormgegeven binnen de kaders van de subsidieregeling. De gemeente stuurt op het eindresultaat. Dat ligt anders bij een opdracht. In artikel 7:400 van het Burgerlijk Wetboek is een definitie van een overeenkomst van opdracht opgenomen en in die definitie gaat het juist om de werkzaamheden die de opdrachtnemer op aangeven van de opdrachtgever verricht. Bij een opdracht is de gemeente opdrachtgever en kan de gemeente dus niet alleen sturen op het eindresultaat, maar ook op de wijze van uitvoering om tot dit eindresultaat te komen. In de praktijk kan subsidieverlening en de betaling voor goederen of diensten dicht tegen elkaar aan liggen. Toch is het van belang een onderscheid te maken, omdat bij een subsidie het kader voor subsidies uit de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is en bij een opdracht het kader voor opdrachten uit het Burgerlijk wetboek, maar ook de regels over aanbestedingen.
Verplichting om samenwerking aan te gaan De keuze van het college voor een subsidietender brengt met zich mee dat de nadere uitwerking gebonden is aan de spelregels die van toepassing zijn op een subsidie. Hieruit volgt dat de nadruk bij het verstrekken van subsidie moet liggen op wélke activiteiten er moeten worden uitgevoerd en niet op hóe dit moet worden gedaan. Naarmate preciezer is uitgewerkt hoe de activiteiten moeten worden uitgevoerd, is het risico groter dat geoordeeld wordt dat er sprake is van een opdracht.
3/5
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DPZ/10903349
In de motie ‘Samen sterk: klein versterkt groot in welzijnsaanpak’ (RIS321649) wordt niet enkel verzocht om samenwerking te verplichten, maar ook om te verplichten op welke wijze er wordt samengewerkt; namelijk door het opnemen van activiteiten en werkzaamheden van deze initiatieven op de begroting van de professionele welzijnsorganisaties. Dat laatste heeft ingrijpende gevolgen voor de uitvoering (het “hoe”) van de activiteiten en de bedrijfsvoering van welzijnsorganisatie. Naar aanleiding daarvan achten de betrokken juristen het risico reëel dat het uitvoeren van het verzoek in de motie leidt tot de conclusie dat er een aanbesteding nodig is. Dit zou ook een groot risico voor de rechtmatigheid van de subsidieverstrekking betekenen. Er is voor gekozen om dat risico niet te nemen. De keuze voor een subsidieregeling is immers juist gemaakt om de kwaliteit, rust en continuïteit goed te borgen. Discussies en wellicht procedures over de vraag of hier sprake is van een subsidie of toch van inkoop dragen hier niet aan bij en kunnen tot vertraging leiden in het proces en tot onrust bij de welzijnsorganisaties en inwoners. Ad 2. Totstandkoming juridische onderbouwing Het college is bij de totstandkoming van de subsidieregeling uiterst zorgvuldig te werk gegaan.
Zoals reeds gemeld is eerst een extern onderzoek uitgevoerd naar de best passende financieringsmethodiek voor het professioneel welzijnswerk. Vervolgens is een externe wetgevingsjurist, met zeer ruime ervaring met het opstellen van subsidieregelingen, gevraagd de subsidieregeling in samenspraak met de betrokken beleidsdirecties en in afstemming met concern JZ te schrijven. Daarbij is bovendien een uitgebreide analyse gemaakt om tot een goede structuur voor de subsidieregeling te komen en de juiste afwegingen te maken als het op de omschrijving van de activiteiten, de weigeringsgronden, de tendercriteria en de verplichtingen aankomt. Tot slot zijn op ambtelijk en bestuurlijk niveau alle input en standpunten betrokken en afgewogen. Voor de reactie op de motie ‘Samen sterk: klein versterkt groot in welzijnsaanpak’ is opnieuw advies ingewonnen bij de externe wetgevingsjurist die als expert bij het opstellen van de regeling betrokken is. Dit advies is vervolgens ook weer voorgelegd aan een jurist met deze vakkennis binnen de gemeente.
Beide juristen houden vast aan het standpunt dat op basis van de bij ad 1 genoemde artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en het Burgerlijk Wetboek zij het risico reëel achten dat als de gemeente niet alleen eisen gaat stellen over welke activiteiten moeten worden uitgevoerd, maar ook in vergaande mate over de wijze waarop dat dient te gebeuren, de subsidie te veel op een opdracht gaat lijken. Jurisprudentie Bij dit standpunt is door de betrokken juristen rekening gehouden met de jurisprudentie die er over het onderscheid tussen een subsidie en een opdracht is en dus de criteria die daarbij een rol spelen. Het gaat dan in het bijzonder om een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 9 juli 2008 (ECLI:NL:CBB:2008:BD8180) en twee uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1073) en 23 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2016:803). Ad 3. Nadere toelichting proces totstandkoming In de commissie Samenleving van 15 mei jl. heeft de raad gesproken over de commissiebrief inzake Subsidieregeling professioneel welzijnswerk 2026-2027 Den Haag 2025 (RIS321728). In deze brief wordt de raad meegenomen in de herkomst van de regeling:
4/5
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DPZ/10903349
De nieuwe subsidieregeling voor professioneel welzijnswerk is een uitwerking van de eerder vastgestelde beleidskaders uit het beleidsplan Professioneel Welzijnswerk ‘Versterken en Verbinden’ (RIS310647), het addendum betreffende de actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025 – 2027 (RIS321267) en het collegebesluit vaststelling uitgangspunten en gebieds- en perceelverdeling subsidietender Professioneel Welzijnswerk 2026-2027 (RIS321277). Tevens geeft de nieuwe subsidieregeling invulling aan de aanbevelingen uit het Rekenkamerrapport ‘Werk aan Welzijn’ (RIS531975), waar het belang van een transparante en objectieve verdeling van middelen en het goed meten van resultaten wordt benadrukt. Zoals in de inleiding is aangegeven heeft u in juni 2024 de brief “Keuze financieringsmethodiek professioneel welzijn” (RIS319210) ontvangen met daarin de keuze toegelicht voor een subsidietender. Vanaf september 2024 is gewerkt aan het uitwerken van de subsidietender in een regeling. Dit is een zorgvuldig proces geweest, waarin zoals toegelicht onder ad 2. verschillende juristen en beleidsafdelingen betrokken zijn geweest. Ook is de raad uitgenodigd voor een werkbespreking om haar inbreng op de regeling te geven. Hier is geen gebruik van gemaakt. De regeling is op 1 april door het college vastgesteld.
Tot slot De Haagse welzijnsorganisaties hebben dit jaar voor het eerst te maken met een subsidietender voor professioneel welzijnswerk, waar zij voorafgaande jaren zeker waren van hun jaarlijkse subsidie. Het uitschrijven van een tender en het daarmee creëren van een open speelveld brengt onzekerheid met zich mee. Dit heeft impact op deze organisaties en de welzijnswerkers die er werkzaam zijn. Het college heeft daarom eerst gekozen voor een tweejarige tender als strategische tussenstap met als uitgangspunt rust, continuïteit en kwaliteit voor inwoners, en ruimte voor doorontwikkeling en innovatie in het Haagse welzijnsaanbod. Het college heeft toegezegd dat dit proces geëvalueerd zal worden. Alle ervaringen, ook de aandachtspunten die leven in uw raad, zullen hierin meegenomen worden. Met vriendelijke groet, de wethouder van Volkshuisvesting, Wijken, Welzijn en Zuidwest Co Engberts de wethouder van Armoede, Inclusie, Zorg en Internationale zaken Mariëlle Vavier
5/5