CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS322180 Bijlage 4 Advies governance

Gemeenteraad 9 oktober 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Oprichting stichting Zorginnovatiehub (RIS322180)26.103 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

5 alinea's met “heffing”: 160 190 194 232 257

VOOR INTERNE DISCUSSIEDOELEINDEN

I

INLEIDING

1

De gemeente Den Haag heeft ons, PwC Nederland (PwC) en BarentsKrans Coöperatief U.A. (BarentsKrans), gevraagd te adviseren over de juridische vormgeving van de Zorginnovatiehub Den Haag en over aandachtspunten op het gebied van aanbestedingsrecht, staatssteun en fiscaliteit.

2

In dit memo hebben wij kort samengevat de verschillende (politieke) keuzes opgenomen die voorliggen voor de verdere vormgeving van de Zorginnovatiehub.

3

Wat ons betreft zijn de beslispunten: (a)

welke rechtsvorm heeft de voorkeur: de stichting of de coöperatie?

(b)

welke mate van sturing wenst de gemeente te verkrijgen, zowel contractueel als op basis van governance?

(c)

treedt de gemeente op als verhuurder aan de Zorginnovatiehub en, zo ja, hoe wordt omgegaan met de hoogte van de huurkosten, in het licht van de staatssteunregelgeving en de Wet Markt en Overheid?

II

STICHTING VERSUS COÖPERATIE

4

Om de aansprakelijkheid van de gemeente en de partners te beperken, adviseren wij om een separate entiteit op te richten voor de Zorginnovatiehub. Wat ons betreft zijn de stichting en de coöperatie daarvoor de meest voor de hand liggende rechtsvormen. Stichting

5

De stichting kenmerkt zich doordat zij geen winstoogmerk heeft en geen leden kent. Aan partners kunnen in de statuten benoemings- of goedkeuringsrechten worden toegekend, maar verdere invloed van de partners in de governance is zeer beperkt. Deze rechten mogen niet zo ver gaan dat zij lijken op rechten die aan leden in een vereniging worden toegekend, gelet op het ledenverbod. Met partners kan door de stichting een partnerovereenkomst worden aangegaan, waarin (contractuele) rechten en verplichtingen van de partners kunnen worden vastgelegd.

6

Wij verwachten dat de oprichting van de stichting door de gemeente een minder lange doorlooptijd kent bij de verschillende partners, dan de oprichting van een coöperatie. Verder zijn de besluitvormingsprocessen van een stichting na oprichting (vermoedelijk) minder complex dan het geval is in een structuur met leden of aandeelhouders. Coöperatie

7

Een coöperatie kent leden. Partners kunnen lid worden. Als lid hebben partners stemrecht in de algemene ledenvergadering waardoor de leden benoemings- of goedkeuringsrechten en overige

1

VOOR INTERNE DISCUSSIEDOELEINDEN

lidmaatschapsrechten hebben. Op deze wijze kunnen zij invloed uitoefenen op het beleid van de coöperatie. 8

Een coöperatie is complexer dan een stichting in de opzet en aansturing: de oprichting van - en participatie in een coöperatie vereist (naar wij aannemen) een langer intern besluitvormingsproces bij de partners en na oprichting vindt besluitvorming plaats door alle partners. Enkele partners hebben ook al te kennen gegeven dat de coöperatie voor hen geen optie is. Omdat een coöperatie uit gaat van ledenparticipatie, vereist dit een bepaalde mate van actieve betrokkenheid van de partners. Absenteïsme of geen respons van de leden bij de algemene ledenvergadering, kan besluitvorming frustreren.

9

Bij de oprichting van een coöperatie verkrijgen de gemeente en partners als lid direct een financieel - en zeggenschapsbelang in de coöperatie. Aan de zijde van de gemeente leidt dit ertoe dat de entiteit kwalificeert als verbonden partij.

10

Voor een nader overzicht van de juridische verschillen tussen de stichting en de coöperatie verwijzen wij naar de schematische weergave in Bijlage A. Vennootschapsbelasting (Vpb)

11

Bij de keuze voor een coöperatie is sprake van integrale Vpb-plicht. Dit betekent dat het volledige fiscale resultaat van de Zorginnovatiehub wordt belast met Vpb. Per datum van oprichting moet een fiscale openingsbalans worden opgesteld. Ook moet jaarlijks een fiscale winst-en-verliesrekening worden opgesteld en een aangifte Vpb worden ingediend. Bij de keuze voor een stichting verwachten wij op basis van de ontvangen informatie dat het standpunt kan worden ingenomen dat de Zorginnovatiehub één cluster van activiteiten verricht en hiervoor niet Vpb-plichtig is, vanwege het ontbreken van structurele financiële overschotten. De keuze voor een stichting ten opzichte van een coöperatie leidt in dat geval tot een administratief voordeel. Immers, er hoeft geen fiscale openingsbalans, fiscale winst-en-verliesrekening en jaarlijkse aangifte Vpb te worden opgesteld. Wel moet de stichting jaarlijks de Vpb-plicht blijven monitoren.

12

Om de uiteindelijke Vpb-positie van de stichting te kunnen vaststellen is het belangrijk om in de komende jaren de daadwerkelijke financiële resultaten te monitoren. Bij keuze voor een stichting zijn verschillende risico’s en aandachtspunten van belang. Voor een nadere toelichting hierop verwijzen naar Bijlage B. ANBI

13

De inbreng van vermogen in een stichting kan belast zijn met schenkbelasting. Aangezien wij begrijpen dat ter zake van alle te ontvangen gelden door de Zorginnovatiehub een tegenprestatie wordt verwacht, achten wij het risico op een belaste schenking gering. Mocht toch sprake zijn van belaste schenkingen, dan kan voor de inbreng van middelen door het Rijk, Provincies en gemeenten mogelijk een beroep worden gedaan op de schenkbelastingvrijstelling voor verkrijgingen van algemeen nut beogende instellingen (ANBI).

2

VOOR INTERNE DISCUSSIEDOELEINDEN

14

De inbreng van gelden door leden in een coöperatie is niet belast met schenkbelasting.

15

Een stichting kan de ANBI-status verkrijgen. Voor een coöperatie is dit op basis van haar rechtsvorm niet mogelijk. Indien de ANBI-status relevant is, dan dient derhalve gekozen te worden voor de stichting. Wij merken op dat nader onderzocht dient te worden of de stichting aan alle voorwaarden voor de ANBI-status zal voldoen. Annotatie van de gemeente: welke rechtsvorm heeft de voorkeur: de stichting of de coöperatie? Een stichting lijkt beter te passen bij de doelen van de Zorginnovatiehub. Wij beogen namelijk geen winst of voordeel voor de leden, maar werken gezamenlijk aan een doel. Daarnaast vraagt innovatie om wendbaarheid: er zullen partners aansluiten en afhaken en ook de koers zal regelmatig herijkt moeten worden. Een stichting biedt minder barrières voor partners om in te stappen of af te haken én maakt de besluitvorming gemakkelijker. Doordat een coöperatie kwalificeert als verbonden partij, worden de administratieve lasten verhoogd. Partners zouden het ook als bezwaarlijk kunnen ervaren om in te stappen in een organisatie met zo’n formeel bestuurlijk belang van de gemeente. Tenslotte zijn sommige subsidies (bijvoorbeeld de Stimuleringsregeling Thuis- en Ouderenzorg) alleen beschikbaar voor stichtingen, niet voor coöperaties.

Daarbinnen moeten goede afspraken worden gemaakt met de Belastingdienst over de Vpb en verkend worden of een ANBI-status van toegevoegde waarde is.

III

GEWENSTE MATE VAN STURING

16

De gemeente kan invloed uitoefenen op de Zorginnovatiehub door middel van contractuele afspraken met de Zorginnovatiehub en door de inrichting van de governance. Wij bespreken hierna welke consequenties de keuze voor een sturingsmechanisme heeft. Sturen door middel van contractuele afspraken

17

De gemeente kan grip houden op de Zorginnovatiehub door middel van het sluiten van afdwingbare overeenkomsten. Via die overeenkomsten kunnen opdrachten worden gegeven aan de Zorginnovatiehub die, zo nodig, kunnen worden afgedwongen. Als de gemeente een afdwingbare overeenkomst sluit met de Zorginnovatiehub is de kans groot dat het gaat om een overeenkomst die conform de Aanbestedingswet 2012 moet worden gegund. Of sprake is van een aanbestedingsplicht kan worden bepaald aan de hand van het schema van Bijlage C.

18

Als sprake is van een aanbestedingsplicht, moet in beginsel een openbare aanbestedingsprocedure worden georganiseerd voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. Als de gemeente dit nalaat, loopt zij de risico’s dat marktpartijen (i) een bodemprocedure tot vernietiging van de overeenkomst aanhangig maken en/of (ii) een schadeactie jegens de gemeente instellen wegens een ‘gemiste kans’ om de opdracht te winnen.

19

Mogelijk zijn echter uitzonderingen van toepassing waardoor opdrachten zonder voorafgaande aanbesteding kunnen worden gegund. Zo zijn opdrachten voor (wetenschappelijk) onderzoek en

3

VOOR INTERNE DISCUSSIEDOELEINDEN

ontwikkeling in beginsel uitgezonderd van de aanbestedingsplicht. Daarnaast hoeft een opdracht ook niet openbaar aanbesteed te worden als, vanwege technische redenen, er maar één mogelijke opdrachtnemer voorhanden is. De opdracht kan in dat geval – na eventuele onderhandelingen – direct gegund worden. De gemeente moet de gunning van de opdracht dan wel openbaar aankondigen. Sturing door middel van governance bij stichting 20

Omdat de stichting geen leden kent, moet de wijze van invloed en bijbehorende rechten voor de gemeente (en/of de partners) rechtstreeks in de statuten worden vastgelegd. Voor de nadere uitwerking dient bepaald te worden welke mate van invloed en sturing de gemeente wenst te verkrijgen binnen de stichting.

21

Bij de stichting kan de grip worden ingevuld door de mate van invloed op (i) benoeming van bestuurders en commissarissen, (ii) bestuursbesluiten met betrekking tot uitvoering van het programma en (iii) bestuursbesluiten met betrekking tot de juridische structuur.

22

In Bijlage D hebben wij visueel de verschillende gradaties van grip bij de stichting laten zien: variërend van zeer hoog tot laag. De mate van invloed en sturing kan ervoor zorgen dat de stichting kwalificeert als verbonden partij. 1 Verder kan een zeer hoge mate van invloed ertoe leiden dat de gemeente als feitelijk beleidsbepaler wordt gezien. Ook kan dit van invloed zijn op de eventuele kwalificatie als bestuursorgaan. Wij vragen ons af of dat wel wenselijk is. Sturing door middel van governance bij de Coöperatie

23

Bij een coöperatie gaan de leden over de grip op het bestuur, de raad van commissarissen en de coöperatie. De gemeente kan dan in de algemene ledenvergadering stemrecht uitoefenen. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden in stemrecht (hoeveel stemmen heeft ieder lid), waarbij aan de gemeente meer stemrecht toegekend kan worden.

24

Bij de coöperatie ligt de vraag voor: hoeveel stemrecht wil de gemeente in de algemene vergadering. Wil zij meer stemrecht dan de andere leden, gelijke hoeveelheid stemrecht als de andere leden of minder stemrecht dan de andere leden. Wij hebben deze vraag visueel weergegeven in Bijlage E.

25

De mate van sturing die de gemeente wenst te krijgen, hangt ook samen met het commitment dat zij van de partners wil vragen. Als de partners wordt gevraagd om zich voor een bepaalde periode te committeren en financiële (of andere) bijdragen te leveren, dan kunnen wij ons voorstellen dat daar voor de partners ook een bepaalde mate van sturing tegenover staat.

1

BK Noot: voor de kwalificatie als verbonden partij is zowel een bestuurlijk als ook een financieel belang vereist. De mate van sturing en invloed heeft gevolgen voor het bestuurlijk belang.

4

VOOR INTERNE DISCUSSIEDOELEINDEN

Kwalificatie van de Zorginnovatiehub als aanbestedende dienst 26

27

28

Gelet op de aard en activiteiten van de Zorginnovatiehub, is er een mogelijkheid dat de Zorginnovatiehub moet worden aangemerkt als een aanbestedende dienst. De criteria daarvoor zijn als volgt: (a)

de entiteit is een rechtspersoon;

(b)

die specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard (het algemeen belangcriterium); en

(c)

die merendeels door aanbestedende diensten wordt gefinancierd, beheerd of gecontroleerd (het afhankelijkheidscriterium).

Op basis van de beschikbare informatie, lijkt het erop dat aan de eerste twee criteria is voldaan. Of aan het afhankelijkheidscriterium wordt voldaan, is afhankelijk van de keuzes die worden gemaakt over de sturing van de Zorginnovatiehub. (a)

Als de gemeente de meerderheid van het bestuur van de Zorginnovatiehub kan benoemen of de besluitvorming over opdrachtverlening van de Zorginnovatiehub kan beïnvloeden, kwalificeert de Zorginnovatiehub als aanbestedende dienst.

(b)

De Zorginnovatiehub kwalificeert ook als aanbestedende dienst als de activiteiten voor meer dan 50% met openbare financiering worden bekostigd. Daarbij merken wij op dat alleen sprake is van openbare financiering als gelden ter beschikking worden gesteld zonder dat daar een specifieke (contractuele) tegenprestatie tegenover staat. Betalingen die door een aanbestedende dienst worden gedaan in ruil voor het uitvoeren van afdwingbare opdrachten worden niet aangemerkt als openbare financiering.

Of de Zorginnovatiehub moet worden aangemerkt als een aanbestedende dienst, kan worden bepaald aan de hand van het schema van Bijlage C.

5

VOOR INTERNE DISCUSSIEDOELEINDEN

Annotatie van de gemeente: welke mate van sturing wenst de gemeente te verkrijgen, zowel contractueel als op basis van governance? Indien er gekozen wordt voor een stichting adviseren wij om minder dan de helft van de leden van de Raad van Toezicht voor te dragen (twee van de vijf of één van de drie) om zo te voorkomen dat de Zorginnovatiehub een verbonden partij wordt. Mogelijk kan daarmee ook voorkomen worden dat de Zorginnovatiehub kwalificeert als aanbestedende dienst. Deze inrichting past bij hoe wij ons tot de partners willen verhouden: voor nu aanjager, maar op termijn slechts één van de vele partijen met een opgave en een belang. Een te stevige grip op de juridische entiteit geeft weinig ruimte aan de andere partners om gezamenlijk invulling te geven aan de opgave. Dit geldt ook voor de inrichting van het stemrecht in een coöperatie. Gezien de aanzienlijke investeringen die de gemeente doet, zou het bij een stichting gerechtvaardigd zijn om additionele grip uit te oefenen door afspraken te maken over consultatie bij bijzondere besluiten. Daarnaast kan de gemeente participeren in de adviesraad. Sturing vindt ook plaats door voor activiteiten gebruik te maken van opdrachtverstrekking in plaats van subsidie (denk hierbij aan beheer van de iZi woning of het aanbieden van start-up begeleiding).

Omdat het succes van een stichting staat of valt bij de directeur-bestuurder (en zijn/haar draagvlak bij de partners), adviseren wij om de partners een belangrijke rol te geven in de profielschets.

IV

STAATSSTEUN

29

PwC heeft geadviseerd of het staatssteunrecht en de Wet Markt en Overheid van toepassing zijn op de relatie tussen de gemeente (en andere overheden) en de Zorginnovatiehub. Het staatssteunrecht is van toepassing als er sprake is van economische activiteiten van de Zorginnovatiehub. Vastgesteld is dat de beoogde activiteiten van de Zorginnovatiehub in meerderheid bestaan uit economische activiteiten. Er is verder alleen sprake van staatssteun als de economische activiteiten van de Zorginnovatiehub met publieke middelen worden gesteund, die de Zorginnovatiehub een niet-marktconforme voordeel geven. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een investerings- of exploitatiesubsidie.

30

Voor het advies is aangenomen dat de gemeente zelf investeert in het pand aan de Leyweg (verbouwkosten circa €1.000.000). Belangrijk is voorafgaand aan deze investering zorgvuldige afspraken te maken met de eigenaar van het pand aan de Leyweg, om indirecte staatssteun voor de eigenaar te voorkomen en de doelmatigheid van de investeringen zo veel als mogelijk te waarborgen. Dit is ook noodzakelijk als de Zorginnovatiehub (gesubsidieerd) als huurder deze investering zelf zou doen.

31

Ten aanzien van het pand aan de Leyweg heeft de gemeente momenteel twee opties in overweging. •

Optie 1 houdt in dat de gemeente optreedt als verhuurder richting de Zorginnovatiehub. Kiest de gemeente hiervoor, dan moet nader worden onderzocht of het voor de gemeente

6

VOOR INTERNE DISCUSSIEDOELEINDEN

mogelijk is een marktconforme huurprijs in rekening te brengen. Indien een marktconforme huurprijs mogelijk blijkt, dan is het staatssteunrecht niet van toepassing. Wel moet de gemeente vervolgens voldoen aan de gedragsregels van de WM&O. Belangrijkst hierbij is dat Den Haag in de huurprijs voor de faciliteiten minimaal de integrale kosten moet verrekenen. Gezien de voorgenomen investeringen van de gemeente in het pand, is het aannemelijk dat doorberekening van deze investeringskosten in de integrale kostprijs leidt tot een huurprijs die boven marktconform ligt. Als een marktconforme huurprijs en integrale kostprijs niet wenselijk (of mogelijk) is en de gemeente de Zorginnovatiehub hierin tegemoet wil komen, kan dit bijvoorbeeld door middel van een exploitatiesubsidie. In dat geval is het staatssteunrecht hoogstwaarschijnlijk van toepassing. •

In optie 2 draagt de gemeente de huurovereenkomst aan de toekomstig exploitant van de Zorginnovatiehub. Als de gemeente deze optie kiest, is het staatssteunrecht alleen van toepassing als de gemeente een bijdrage doet aan de Zorginnovatiehub voor investeringen in/exploitatie van de Zorginnovatiehub.

32

In de gevallen dat het staatssteunrecht van toepassing is bij één van bovengenoemde opties, adviseren wij u de steun te verstrekken op grond van artikel 27 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV). Toepassing van een staatssteunrechtvaardiging achten wij nodig, omdat het exploiteren van een innovatiehub doorgaans moet worden aangemerkt als economische activiteit. De AGVV biedt een laagdrempelige werkwijze om steun te verstrekken aan de Zorginnovatiehub.

33

Als wordt voldaan aan de voorwaarden van de AGVV kan de gemeente steun verlenen voor de huurlasten van de Zorginnovatiehub en is er sprake van geoorloofde staatssteun. Een belangrijk aandachtspunt is dat de Zorginnovatiehub aan de gebruikers een marktconforme vergoeding moet vragen, om te voorkomen dat zij indirecte staatssteun ontvangen. Er kunnen dus geen kunstmatig lage tarieven door de Zorginnovatiehub worden berekend. Ook moet worden gelet op de maximale steunintensiteit van 50%. Dat betekent dat de gemeente slechts de helft van de op grond van de AGVV subsidiabele exploitatiekosten mag steunen. Minstens 50% van die kosten moet zodoende uit private middelen worden bekostigd. Dit hoeven niet per se eigen middelen van de Zorginnovatiehub te zijn. Ook bijdragen van andere ondernemingen, of bijvoorbeeld een banklening kunnen worden aangemerkt als private middelen.

34

Of steun voor de projectactiviteiten van de Zorginnovatiehub ook leidt tot staatssteun, is vooral afhankelijk van of de projectactiviteiten economisch of niet-economisch zijn. Economische activiteiten zijn activiteiten die in concurrentie op de markt worden aangeboden. Op basis van ons onderzoek concluderen wij dat de toekomstige activiteiten van of in de Zorginnovatiehub over het algemeen economisch van aard zijn. Ook aan de andere staatssteuncriteria wordt voldaan. Steun voor die activiteiten leidt zodoende tot staatssteun. Dit is naar onze mening geen groot probleem,

7

VOOR INTERNE DISCUSSIEDOELEINDEN

omdat er in deze context voldoende mogelijkheden zijn om deze steun in overeenstemming met het staatssteunrecht te brengen. 35

Voor een nadere toelichting verwijzen wij naar onze eerdere memo’s van 17 september 2024 (PwC) en van 25 juni 2024, 21 augustus 2024 en 12 september 2024 (BarentsKrans). Deze memo’s zijn ter informatie opgenomen in Bijlage F.

Annotatie van de gemeente: treedt de gemeente op als verhuurder aan de Zorginnovatiehub en, zo ja, hoe wordt omgegaan met de hoogte van de huurkosten, in het licht van de staatssteunregelgeving en de Wet Markt en Overheid? Door voor de komende paar jaar te kiezen voor optie 1 – onderhuren aan de Zorginnovatiehub blijven de Regiodeal middelen bij de gemeente staan in plaats van dat deze overgedragen te moeten worden. Daarmee houdt de gemeente meer grip en dit lijkt ook makkelijker voor staatssteun. Optie 2 is namelijk alleen te realiseren met overdracht van de middelen, omdat de Zorginnovatiehub in eerste instantie zelf nog onvoldoende kaspositie heeft voor het huurcontract. Binnen optie 1 moet een marktconforme en integrale kostprijs worden gerekend in het kader van staatssteun. Daar is niet op begroot: er is een ingrijpende verbouwing nodig en in de eerste jaren is er sprake van een opstartperiode, waarbij nog niet alle ruimtes verhuurd zijn. Om het verschil tussen de aanhuurprijs en integrale kostprijs te verrekenen, adviseren we een exploitatiesubsidie voor de periode van het huurcontract. Dit lijkt mogelijk binnen staatssteunregels. Vanaf 2026/2027 kan het huurcontract alsnog overgedragen worden indien gewenst, ervan uitgaande dat de Regiodeal middelen dan gebruikt zijn en de Zorginnovatiehub voldoende kaspositie heeft.

Dan moet de (on)mogelijkheid van een integrale kostprijs opnieuw worden bekeken.

***

8

VOOR INTERNE DISCUSSIEDOELEINDEN

BIJLAGE A STICHTING VERSUS COOPERATIE

Oprichting Typisch kenmerk

Kapitaalvereiste Betrokken organen

stichting notariële akte Rechtspersoon gericht op bereiken bepaald doel. Alles staat in het teken van het bereiken van het doel Geen (1) bestuur (2) eventueel: raad van toezicht

Mogelijkheid van invloed partners

De stichting kent een ledenverbod. Aan partners kunnen benoemingsrechten toegekend worden (benoeming bestuur / raad van toezicht), maar verdere invloed is zeer beperkt.

Inrichtingsvrijheid

Grote inrichtingsvrijheid, mits passend bij doel van stichting en ledenverbod Partners kunnen alleen op basis van een contract een overeenkomst aangaan met de stichting (1) schenkingen / bijdragen (2) inkomsten uit onderneming Niet mogelijk: verbod tot uitkering aan oprichters of leden van bestuur / raad van toezicht. Partners hebben geen directe relatie tot de stichting, dus ook geen aansprakelijkheid.

Toe- en uittreding partners Financiering Winstuitkering of terugbetaling van inleg Aansprakelijkheid

Benodigde documentatie Gebruikelijk voor samenwerking tussen zorgorganisaties?

(1) akte van oprichting Gebruikelijk indien geen winst wordt beoogd en invloed partners beperkt is

coöperatie notariële akte Rechtspersoon met coöperatieve gedachte, gericht op stoffelijk voordeel voor leden, winst mag Geen (1) bestuur (2) algemene ledenvergadering (optioneel: ledenraad) (3) eventueel: raad van toezicht Partners kunnen lid worden. Als lid hebben partners stemrecht in de ledenvergadering. Aan leden kunnen rechten in statuten worden toegekend. Het is mogelijk om met een ledenraad te werken: in dat geval kiezen alle leden een beperkte groep leden aan wie stemrechten en goedkeuringsrechten toekomen. Bij de coöperatie worden nadere afspraken tussen leden overeenkomen in een ledenovereenkomst. Grote inrichtingsvrijheid. Beperkte wettelijke voorschriften Het bestuur / de algemene vergadering besluit over toetreding van nieuwe leden (geen notaris nodig) (1) contributie (2) inkomsten uit onderneming (bij coöperatie) Bij coöperatie: dividenduitkering / terugbetaling inleg op ledenrekening wel mogelijk Coöperatie: aansprakelijk voor betalen contributie / verplichte stortingen op basis van ledenovereenkomst. Bij coöperatie is het mogelijk verdere aansprakelijkheid overeen te komen (wettelijke aansprakelijkheid (WA) of beperkte aansprakelijkheid (BA).

Gebruikelijk is om aansprakelijkheid totaal uit te sluiten (UA) (1) akte van oprichting (2) ledenovereenkomst Coöperatie: erg gebruikelijk indien een onderneming wordt uitgeoefend en uitgebreidere ledenafspraken worden gemaakt. Ook gebruikelijk bij grotere aantallen leden en frequentere toe- en uittreding leden

9

VOOR INTERNE DISCUSSIEDOELEINDEN

BIJLAGE B FISCALE ASPECTEN ZORGINNOVATIEHUB

10

Memo Aan:

Gemeente Den Haag

Van:

PwC PS Tax & Legal (Edwin Sarkinovic en Willem Kluck)

Datum:

12 september 2024

Betreft: Fiscale aspecten “Zorginnovatiehub Den Haag” Geachte mevrouw Krom, Beste Charlotte, Gemeente Den Haag (''gemeente'' of ''Den Haag'') is voornemens om in samenwerking met een aantal partners de Zorginnovatiehub (''Hub'') op te richten. De doelstelling van de Hub is het versnellen van de zorginnovatie in Den Haag om op die manier de zorg toekomstbestendig te houden en de kansen die technologie hierin biedt te verzilveren. Het stimuleren van een brede samenwerking tussen de verschillende partners is de kern van de Hub. De Hub wordt een centrum waar zorgtechnologie wordt verkend, onderzocht en geïmplementeerd. Het betreft een fysieke locatie waar zorg, welzijn, onderzoek, onderwijs en bedrijvigheid samenkomen. Daarnaast is ook sprake van een inhoudelijk programma om de samenwerking tussen de partners te stimuleren en de zorginnovatie te versnellen. Op dit moment is er nog geen uitsluitsel over de rechtsvorm en de wijze waarop de Hub bekostigd wordt. De gemeente heeft in dit kader aan PwC ("ons" of "wij”) gevraagd om de fiscale en juridische aandachtspunten (staatssteunrecht en Wet Markt en Overheid) in kaart te brengen. Tegelijkertijd werkt BarentsKrans aan een juridische analyse waarin wordt geadviseerd over de keuzes voor de rechtsvorm van de Hub.

De gemeente heeft ten aanzien van de fiscaliteit de volgende vragen aan ons voorgelegd: ● Wat zijn de fiscale aandachtspunten bij de keuze voor de rechtsvorm van de Hub? Wij gaan hierbij in op de aandachtspunten en belastingpositie van de rechtsvormen die zijn benoemd in de eerste verkenning, te weten een stichting (voorkeur) en een coöperatie. ● Wat zijn de fiscale aandachtspunten van de overdracht van de middelen en het huurcontract van gemeente Den Haag naar de Hub? Hierbij gaan wij ook in op de fiscale aandachtspunten ten aanzien van de beoogde activiteiten die worden verricht door de nieuwe entiteit. In onze notitie (QuickScan fiscale en juridische aspecten ‘‘Zorginnovatiehub Den Haag”) van 27 augustus 2024 beschrijven wij de fiscale aandachtspunten met betrekking tot de keuze voor de rechtsvorm en overdracht van de middelen op hoofdlijnen. Hierin beschrijven wij dat voor een keuze tussen de rechtsvorm stichting en coöperatie vastgesteld moet worden of de stichting Vpb-plichtig zal zijn, of de partnerbijdrage een btw-belaste vergoeding is en of ter zake van de ontvangen gelden schenkbelasting verschuldigd is.

PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs N.V., Thomas R. Malthusstraat 5, 1066 JR Amsterdam, Postbus 90358, 1006 BJ Amsterdam T: 088 792 00 20, F: 088 792 96 40, www.pwc.nl

‘PwC’ is het merk waaronder PricewaterhouseCoopers Accountants N.V. (KvK 34180285), PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs N.V. (KvK 34180284), PricewaterhouseCoopers Advisory N.V. (KvK 34180287), PricewaterhouseCoopers Compliance Services B.V. (KvK 51414406), PricewaterhouseCoopers Pensions, Actuarial & Insurance Services B.V. (KvK 54226368), PricewaterhouseCoopers B.V. (KvK 34180289) en andere vennootschappen handelen en diensten verlenen. Op deze diensten zijn algemene voorwaarden van toepassing, waarin onder meer aansprakelijkheidsvoorwaarden zijn opgenomen. Op leveringen aan deze vennootschappen zijn algemene inkoopvoorwaarden van toepassing. Op www.pwc.nl treft u meer informatie over deze vennootschappen, waaronder deze algemene (inkoop)voorwaarden die ook zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Amsterdam.

In deze notitie werken wij de fiscale aandachtspunten met betrekking tot de keuze voor de rechtsvorm en de overdracht van de middelen nader uit. Wij gaan hierbij in op de gevolgen op het gebied van de vennootschapsbelasting (“Vpb”), omzetbelasting en schenkbelasting. Ten behoeve van de leesbaarheid hebben wij hierna een managementsamenvatting opgenomen. Vervolgens treft u de nadere fiscale uitwerking aan. In de bijlage hebben wij een overzicht van de gehanteerde feiten en omstandigheden opgenomen.

1. Managementsamenvatting In het onderstaande schema worden de fiscale aspecten schematisch weergegeven: Stichting

Coöperatie

Vpb-positie

Mogelijk geen Vpb-plicht, afhankelijk van clustering activiteiten en gerealiseerde financiële resultaten

Integrale Vpb-plicht

Schenkbelasting

Waarschijnlijk geen schenkbelasting

Geen schenkbelasting

ANBI-status

Mogelijk ANBI-status

Geen ANBI-status mogelijk

Btw

In principe geen verschillen voor de btw-heffing, wel mogelijk voor de partnerbijdrage (met een beperkt belang).

Vennootschapsbelasting ●

●

Een stichting en een coöperatie worden voor de Vpb verschillend behandeld. ○

Een stichting is Vpb-plichtig indien en voor zover zij met haar (clusters van) activiteiten een onderneming drijft. Slechts de (clusters van) activiteiten van de Hub die Vpb-plichtig zijn, worden belast met Vpb.1

○

Een coöperatie is integraal belastingplichtig voor de Vpb. Dit betekent dat het volledige fiscale resultaat van de Hub wordt belast met Vpb. Per datum van oprichting moet een fiscale openingsbalans worden opgesteld. Ook moet jaarlijks een fiscale winst-en-verliesrekening worden opgesteld en een aangifte Vpb worden ingediend.

Bij de keuze voor een stichting verwachten wij op basis van de ontvangen informatie dat het standpunt kan worden ingenomen dat de Hub één cluster van activiteiten verricht en hiervoor niet Vpb-plichtig is, vanwege het ontbreken van structurele financiële overschotten. De keuze voor een stichting ten opzichte van een coöperatie leidt in dat geval tot een administratief voordeel. Immers, er hoeft geen fiscale openingsbalans, fiscale winst-en-verliesrekening en jaarlijkse aangifte Vpb te worden opgesteld. Wel moet de stichting jaarlijks de Vpb-plicht blijven monitoren.

1

Het Vpb-tarief bedraagt 19% over de eerste EUR 200.000 aan fiscale winst en 25,8% over het meerdere (2024)

Pagina 2 van 14

Om de uiteindelijke Vpb-positie van de stichting te kunnen vaststellen is het belangrijk om in de komende jaren de daadwerkelijke financiële resultaten te monitoren. ●

Bij keuze voor een stichting zijn de volgende risico’s en aandachtspunten van belang: ●

Het risico bestaat dat de Hub zodanig wordt ingericht dat sprake is van verschillende (cluster van) activiteiten, dan wel dat de Belastingdienst een andere mening is toegedaan over de clusters van activiteiten die de Hub verricht. In dat geval ontstaat het risico dat slechts een Vpb-last ontstaat ter zake van de winstgevende (clusters van) activiteiten. Mocht deze situatie zich voordoen, dan is de keuze voor een coöperatie gunstiger. Bij een coöperatie is immers sprake van een integrale Vpb-plicht en kunnen de resultaten behaald met de verschillende (deel)activiteiten tegen elkaar worden afgezet. Het voornoemde risico kan worden verkleind door bij de inrichting van de Hub met de indicatoren voor clustering rekening te houden.

●

Als in enig jaar op basis van de daadwerkelijk behaalde financiële resultaten toch blijkt dat sprake is van structurele financiële overschotten, dan is de Hub vanaf dat moment in elk geval Vpb-plichtig. Het risico bestaat dat de Hub de financiële verliezen uit de periode waarin nog geen sprake was van Vpb-plicht (vanwege het behalen van negatieve resultaten), niet mag verrekenen met fiscale winsten. Dit leidt tot een financieel nadeel ten opzichte van de keuze voor een coöperatie. Bij een coöperatie is immers sprake van een integrale Vpb-plicht en kan onder voorwaarden verliesverrekening plaatsvinden. Om dit risico te mitigeren raden wij aan de financiële resultaten van de stichting nauwkeurig te monitoren. Als blijkt dat in de toekomstige jaren toch financiële overschotten worden verwacht/behaald, dan kan het interessant zijn om vanaf oprichting het standpunt in te nemen dat sprake is van Vpb-plicht. Dit moet op dat moment nader worden beoordeeld.

●

Het risico bestaat dat als de stichting vanaf oprichting Vpb-plichtig blijkt, dat het in te brengen startkapitaal belast wordt met Vpb. Dit risico doet zich ook voor bij de coöperatie. Wij merken op dat de leden onbelast vermogen in de coöperatie kunnen inbrengen, waardoor dit Vpb-risico kan worden voorkomen. Of dit risico bij een stichting kan worden voorkomen, moet nader worden onderzocht.

●

Als wordt gekozen voor de rechtsvorm stichting dan raden wij aan om de clustering van activiteiten en de Vpb-plicht met de Belastingdienst af te stemmen. Op die manier wordt zekerheid verkregen over de Vpb-positie van de Hub.

Schenkbelasting ●

2

De inbreng van vermogen in een stichting kan belast zijn met schenkbelasting.2 Aangezien wij begrijpen dat ter zake van alle te ontvangen gelden door de Hub een tegenprestatie wordt verwacht, achten wij het risico op een belaste schenking gering. Mocht toch sprake zijn van belaste schenkingen, dan kan voor de inbreng van middelen door het Rijk, Provincies en gemeenten mogelijk een beroep worden gedaan op de schenkbelastingvrijstelling voor verkrijgingen van algemeen nut beogende instellingen.

Het tarief bedraagt 30% over verkrijgingen tot EUR 152.368 en 40% over het meerdere (2024)

Pagina 3 van 14

●

De inbreng van gelden door leden in een coöperatie is niet belast met schenkbelasting.

●

Een stichting kan de ANBI-status verkrijgen. Voor een coöperatie is dit op basis van haar rechtsvorm niet mogelijk. Indien de ANBI-status relevant is, dan dient derhalve gekozen te worden voor de stichting. Wij merken op dat nader onderzocht dient te worden of de stichting aan alle voorwaarden voor de ANBI-status zal voldoen.

Btw ●

De heffing van btw is rechtsvormneutraal. De invulling van de exacte activiteiten van de Hub zal doorslaggevend zijn voor de btw-belastbaarheid. Per activiteit zal de Hub moeten beoordelen of zij een prestatie tegen vergoeding verricht (is sprake van een ‘voor wat hoort wat’?).

●

De eventuele btw die de Hub bij de gemeente of partners met een aftrekrecht in rekening brengt, hoeft niet tot een kostenverhoging te leiden voor deze partijen. De eventuele btw die de Hub bij partners met een beperkt aftrekrecht in rekening brengt, werkt wel kostenverhogend voor deze partners. Partners met een beperkt aftrekrecht zullen vooral zorg- en onderwijsinstellingen zijn.

●

De partnerbijdrage is een btw-belaste prestatie als tegenover de ontvangst van de partnervergoeding (al dan niet in natura) een afdwingbare prestatie staat. Aan de hand van de afspraken met de partners moet worden vastgesteld of hier sprake van is. De partnerbijdrage kan bij een coöperatie buiten de btw-heffing vallen, wanneer deze wordt vormgegeven als een kapitaalstorting. In het geval van een btw-belaste partnervergoeding zou dit kostenverhogende btw voorkomen bij partners die geen (of een beperkt) recht hebben op aftrek van inkoop-btw. Het gaat hier om een beperkt belang van EUR 2.100 per partner per jaar (op basis van de begroting).

●

De btw op kosten die de Hub in rekening gebracht krijgt, kan zij in aftrek brengen voor zover deze rechtstreeks toerekenbaar is aan de btw-belaste prestaties van de Hub (bijvoorbeeld het uitvoeren van beleid voor de gemeente). Er bestaat geen recht op aftrek van btw op kosten die toerekenbaar zijn aan de btw-vrijgestelde activiteiten van de Hub (bijvoorbeeld de btw-vrijgestelde verhuur). De btw op kosten die toerekenbaar zijn aan zowel btw-belaste als btw-vrijgestelde prestaties van de Hub, kan zij overeenkomstig haar pro-rata in aftrek brengen. Het pro-rata is de omzetverhouding van al de Hub haar btw-belaste en btw-vrijgestelde omzet. Voor het vaststellen van het recht op aftrek van btw op pandgebonden kosten, bestaan er afzonderlijke regels.

●

De overdracht van de huurovereenkomst aan de Hub door de gemeente is niet belast met btw.

2. Fiscale gevolgen vennootschapsbelasting In de vennootschapsbelasting ("Vpb") worden een stichting en een coöperatie anders behandeld. Voor een algemene uiteenzetting van deze verschillen verwijzen wij naar onze notitie van 27 augustus 2024. Hierna beschrijven wij de fiscale gevolgen van de keuze voor een stichting en een coöperatie. Voorts beschrijven wij enkele risico's en aandachtspunten.

2.1.

Gevolgen stichting

Een stichting is Vpb-plichtig indien en voor zover zij met haar (clusters van) activiteiten een onderneming drijft.

Pagina 4 van 14

Toelichting activiteit Het uitgangspunt is dat per activiteit moet worden vastgesteld of sprake is van Vpb-plicht. Uit de fiscale rechtspraak volgt dat deze beoordeling dient plaats te vinden op het niveau van de kleinste deelbare activiteit. Als activiteiten onlosmakelijk verbonden zijn of bij voldoende verwevenheid is sprake van één cluster van activiteiten. De Vpb-positie wordt in dat geval op clusterniveau beoordeeld. Voor de beoordeling of activiteiten geclusterd moeten worden zijn de volgende indicaties relevant: ● de ruimtelijke vormgeving; ● de aard van de activiteiten; ● de organisatorische, economische en/of financiële verwevenheid.

Indicatoren die hierbij een rol spelen zijn onder andere: ● de activiteiten worden aangestuurd door dezelfde direct leidinggevende; ● het doel van de activiteit (doelgroep en maatschappelijke functie); ● de activiteiten zijn (uitsluitend) ondersteunend aan de hoofdactiviteit; ● de activiteiten zijn herkenbaar als verbonden activiteiten (er is sprake van een product/dienst); ● bedrijfsmiddelen zijn functioneel aan dezelfde activiteiten toe te rekenen; ● de activiteiten zijn fysiek verweven; ● de activiteiten zijn feitelijk onlosmakelijk verbonden.3 Uit onze bespreking van 28 augustus 2024 begrijpen wij dat alle activiteiten van de Hub gericht zijn op het behalen van dezelfde doelstelling, namelijk het versnellen van de zorginnovatie in Den Haag. Daarnaast kan naar onze mening het standpunt worden ingenomen dat de Hub herkenbaar is als verbonden activiteit; dit blijkt bijvoorbeeld uit de door ons ontvangen informatie over de Hub waarin de activiteiten van de Hub gezamenlijk worden omschreven en waaruit blijkt dat de activiteiten gezamenlijk zijn gericht op dezelfde doelstelling. Een ander aanknopingspunt is het feit dat de activiteiten zullen plaatsvinden op één duidelijk herkenbare fysieke locatie en dat de financiële begroting op totaalniveau is opgesteld, waarbij geen onderscheid per werkzaamheid wordt gemaakt.

Wij begrijpen ook dat het de verwachting is dat het onderbrengen van de activiteiten op dezelfde fysieke locatie bijdraagt aan het behalen van de doelstelling. Wij begrijpen bijvoorbeeld dat enkel deelnemers van de Hub in aanmerking komen voor een huurovereenkomst én dat in de huurprijs een bijdrage is begrepen vanwege voordelen die worden verkregen als gevolg van deelname aan de Hub. Op basis van het voorgaande zijn wij van mening dat er aanknopingspunten zijn om het standpunt in te nemen dat ter zake van de werkzaamheden van de Hub sprake is van één cluster van activiteiten. Wij merken op dat de beoordeling of sprake is van één of meerdere clusters van activiteiten uiteindelijk moet plaatsvinden op basis van de uiteindelijke inrichting van de Hub. Voorts merken wij op dat de Belastingdienst de clustering van activiteiten kritisch beoordeelt en alle relevante feiten en omstandigheden meeweegt in haar beoordeling. Toelichting Vpb-positie Als gesteld kan worden dat sprake is van één cluster van activiteiten, dient op clusterniveau te worden getoetst of sprake is van een onderneming voor de Vpb. Hiervan is sprake als wordt voldaan aan ieder van de volgende drie voorwaarden: (1) er is een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal, (2) er wordt deelgenomen aan het economische verkeer en dit gebeurt (3) met het oogmerk winst te behalen.

3

SVLO-Handreiking Vennootschapsbelasting en het gemeentelijk grondbedrijf d.d. 6 november 2015.

Pagina 5 van 14

Onze huidige inschatting is dat aan de voorwaarden 1 (duurzame organisatie van kapitaal en arbeid) en 2 (deelname economisch verkeer) wordt voldaan.4 Beoordeeld moet worden of sprake is van een winstoogmerk. Het winstoogmerk is in de fiscale rechtspraak geobjectiveerd en moet worden beoordeeld aan de hand van gerealiseerde en/of verwachte financiële overschotten. Hierbij is relevant of met een (geclusterde) activiteit naar verwachting over meerdere jaren bezien positieve resultaten behaald kunnen worden. Een enkel winstjaar is in zijn algemeenheid niet voldoende om van structurele overschotten te spreken. Om te beoordelen of sprake is van structureel financiële overschotten wordt in de praktijk doorgaans beoordeeld of in een periode van drie tot vijf aaneengesloten jaren sprake is van een (per saldo) positieve financiële resultaten. Hierbij geldt geen grensbedrag. Uit de door ons ontvangen totaalbegroting blijkt dat op het moment van oprichting een startbudget worden ingebracht, in de jaren 2023 tot en met 2025 op totaalniveau sprake lijkt van aanloopverliezen en dat vanaf het jaar 2026 positieve financiële resultaten worden verwacht. Tijdens onze bespreking van 28 augustus 2024 is echter aangegeven dat de stellige verwachting bestaat dat de Hub in de jaren vanaf 2026 eveneens geen structurele positieve overschotten zal behalen.

Mocht dat het geval zijn, dan zal geen sprake zijn van een winstoogmerk. Als in de jaren vanaf 2023 geen structurele financiële overschotten worden behaald, dan is de Hub niet Vpb-plichtig. In dat geval hoeft de Hub geen fiscale openingsbalans op te stellen en niet jaarlijks een aangifte Vpb in te dienen. Wel moet de stichting jaarlijks haar Vpb-plicht blijven monitoren. Overigens merken wij op dat het risico bestaat dat bij de beoordeling van het winstoogmerk rekening moet worden gehouden met het ingebrachte startkapitaal. Mogelijk kan hierbij het standpunt worden ingenomen dat deze gelden mogen worden geëlimineerd bij de beoordeling van het winstoogmerk, dan wel dat de gelden mogen worden verdeeld over meerdere jaren bij het beoordelen van het winststreven. Dit moet nader worden uitgezocht. Wij merken op dat als de Hub toch structureel financiële overschotten zal behalen, vanaf dat moment sprake is van Vpb-plicht. Het gevolg van de Vpb-plicht is dat de stichting een fiscale openingsbalans en jaarlijks een fiscale winst-en-verliesrekening en een aangifte Vpb moet opstellen. Fiscale verliezen zijn, gedurende de Vpb-plichtige periode, één jaar terug en onbeperkt voorwaarts verrekenbaar met winsten (per jaar tot ten minste EUR 1 miljoen, eventueel verhoogd met 50% van de belastbare winst).

Om de uiteindelijke Vpb-positie van de stichting te kunnen vaststellen is het belangrijk om in de komende jaren de daadwerkelijke financiële resultaten te monitoren. Mocht in de komende periode de verwachting ontstaan dat de Hub vanaf enig moment structureel financiële overschotten zal behalen, dan vernemen wij dat graag. Risico’s en aandachtspunten Hieronder beschrijven wij enkele relevante risico’s en aandachtspunten. ●

Risico dat sprake is van verschillende (cluster van) activiteiten

4

Wij merken op dat gesteld kan worden dat er geen sprake is van deelname economisch verkeer als slecht binnen de eigen kring wordt gepresteerd. Hiervan is sprake indien het niet eenvoudig is om toe te treden tot de groep van deelnemers. Aangezien wij begrijpen dat het eenvoudig is om deelnemer van de Hub te worden verwachten wij dat geen sprake zal zijn van een besloten groep. Desalniettemin raden wij aan dit op een later moment nader te beoordelen.

Pagina 6 van 14

Wij merken op dat de Hub zodanig kan worden ingericht dat sprake is van verschillende (cluster van) activiteiten, dan wel dat de Belastingdienst een andere mening is toegedaan over de (clusters van) activiteiten die de Hub verricht. In dat geval dient per (geclusterde) activiteit te worden getoetst of sprake is van een onderneming voor de Vpb. In deze situatie zal ten aanzien van de (geclusterde) activiteiten waarmee structureel verliezen worden behaald geen sprake zijn van Vpb-plicht. Ten aanzien van activiteiten waarmee structureel financiële overschotten worden behaald zal dit waarschijnlijk wel het geval zijn. In deze situatie kan het positieve fiscale resultaat behaald met de Vpb-plichtige activiteiten niet worden afgezet tegen het negatieve resultaat van de niet-Vpb-plichtige activiteiten. Het nadeel is derhalve dat slechts een Vpb-last ontstaat ter zake van de winstgevende (clusters van) activiteiten. Mocht deze situatie zich voordoen, dan is de keuze voor een stichting vanuit Vpb-optiek minder gunstig dan de keuze voor een coöperatie. Bij een coöperatie is immers sprake van integrale Vpb-plicht. Voor een nadere toelichting verwijzen wij naar paragraaf 2.2. Aangezien voor de vraag of de activiteiten kunnen worden geclusterd, de feitelijke situatie relevant is, raden wij aan om bij de inrichting van de Hub met de indicatoren voor clustering rekening te houden.

Hiermee kan naar onze mening het voornoemde risico worden verkleind. ●

Aanloopverliezen niet verrekenbaar Uit de totaalbegroting blijkt dat in de jaren 2023 tot en met 2025 op totaalniveau sprake lijkt van aanloopverliezen van in totaal EUR 1.282.487 en dat vanaf het jaar 2026 positieve financiële resultaten worden verwacht. Als in enig jaar op basis van de daadwerkelijk behaalde financiële resultaten blijkt dat sprake is van het behalen van structurele overschotten, dan is de Hub vanaf dat moment in elk geval Vpb-plichtig. In dat geval bestaat het risico dat de Hub de financiële verliezen in de periode daaraan voorafgaand niet mag verrekenen. Dit leidt tot een financieel nadeel ten opzichte van de keuze voor een coöperatie. Bij een coöperatie is immers sprake van integrale Vpb-plicht. Voor een nadere toelichting verwijzen wij naar paragraaf 2.2. Mocht derhalve de verwachting bestaan dat de Hub in de toekomst toch structureel financiële overschotten zal behalen, dan kan het interessant zijn om vanaf oprichting het standpunt in te nemen dat reeds sprake is van Vpb-plicht. Hierdoor kunnen de aanloopverliezen ten laste van het fiscale resultaat worden gebracht. In dat geval moet wel met bepaalde formaliteiten rekening worden gehouden.5 Wel merken wij op dat de Belastingdienst hierop kritisch kan zijn. Wij raden aan om de financiële resultaten van de stichting nauwlettend te monitoren.

Als blijkt dat in de toekomstige jaren toch financiële overschotten worden verwacht/behaald, dan vernemen wij dat graag.

●

Wij merken op dat de uiteindelijke fiscale gevolgen afhankelijk zijn van de wijze waarop 1) de stichting wordt ingericht en of sprake is van één cluster van activiteiten, en 2) de door de Hub daadwerkelijk te behalen financiële resultaten. Wij raden derhalve aan om bij de inrichting van de Hub met de voornoemde indicatoren voor clustering rekening te houden en de financiële resultaten te monitoren.

5

In de jaren waarin de aanloopverliezen worden behaald is bij de stichting in principe een algemene vrijstelling van toepassing. Het is derhalve relevant om in een dergelijk geval de Belastingdienst middels een brief te verzoeken de vrijstelling in de Vpb niet toe te passen.

Pagina 7 van 14

●

2.2.

Wij raden aan om de Vpb-positie van de Hub af te stemmen met de Belastingdienst. Op die manier kan zekerheid worden verkregen over de Vpb-positie van de Hub.

Gevolgen coöperatie

Een coöperatie is op basis van haar rechtsvorm integraal Vpb-plichtig. Dit betekent dat het volledige financiële resultaat van de Hub wordt belast met Vpb. Indien de coöperatie een positief jaarlijks resultaat behaalt, is 19% Vpb verschuldigd over de eerste EUR 200.000 aan fiscale winst en 25,8% over het meerdere (tarief 2024). Fiscale verliezen zijn één jaar terug en onbeperkt voorwaarts verrekenbaar met winsten (per jaar tot ten minste EUR 1 miljoen, eventueel verhoogd met 50% van de belastbare winst). Wij merken op dat een coöperatie per datum van oprichting een fiscale openingsbalans moet opstellen en jaarlijks een fiscale winst-en-verliesrekening en aangifte Vpb moet opstellen. Wij begrijpen dat het in te brengen startbudget niet afkomstig is van de leden, waardoor deze inbreng onderdeel uitmaakt van het fiscale resultaat waarover Vpb verschuldigd is. Wij merken op dat de leden onbelast vermogen in de coöperatie kunnen inbrengen, waardoor dit Vpb-risico kan worden voorkomen. Wij merken tevens op dat ontvangen subsidies onderdeel kunnen zijn van het fiscale resultaat en daarmee belast kunnen zijn met Vpb. Meer specifiek is dit het geval, indien de subsidie kwalificeert als een zogenaamde ‘exploitatiesubsidie'. Mogelijk kan de Vpb-last over deze gelden worden verdeeld over meerdere jaren, dit moet nader worden uitgezocht.

Wij merken op dat dit tevens geldt voor een stichting die integraal Vpb-plichtig is. Wij verwijzen voor onze overige aandachtspunten met betrekking tot de coöperatie naar hetgeen is opgemerkt in onze notitie van 27 augustus 2024.

3. Fiscale gevolgen btw Zoals beschreven in onze notitie van 27 augustus 2024 levert het onderscheid tussen de rechtsvorm stichting of coöperatie vanuit btw-optiek geen belangrijke verschillen op. Bij het bespreken van de mogelijke btw-gevolgen ziet het begrip 'samenwerkingsverband' hierna zowel op de stichting als de coöperatie. Onderstaand geven wij de mogelijke btw-gevolgen aan voor de overdracht van de activiteiten van gemeente Den Haag aan het samenwerkingsverband, de partnerbijdragen, het huurcontract en de subsidie. Uitoefening van activiteiten Wij begrijpen dat bepaalde activiteiten die de gemeente nu verricht, straks door het samenwerkingsverband zullen worden verricht. De gemeente zal hiervoor een vergoeding betalen aan het samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband zal waarschijnlijk kwalificeren als btw-ondernemer, omdat het de verwachting is dat zij prestaties gaat verrichten in het economisch verkeer. Als sprake is van prestaties tegen vergoeding (of ruilprestaties), dan kan btw-heffing optreden. Dit is onder andere het geval als zij beleidsmatige activiteiten aan de gemeente gaat verrichten en hiervoor een vergoeding berekent. Elk van de potentiële prestaties moet getoetst worden op hun btw-gevolgen. Btw-heffing kan ook optreden als een subsidie wordt verkregen en deze als een vergoeding voor een prestatie kwalificeert.

Dit zal moeten worden beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden.

Pagina 8 van 14

Bij een kwalificatie van de prestatie als btw-belast bestaat recht op aftrek van de voorbelasting (hierna ‘inkoop-btw) op de kosten die toerekenbaar zijn aan deze prestatie. De inkoop-btw toerekenbaar aan btw-vrijgestelde prestaties is niet aftrekbaar. De inkoop-btw die toerekenbaar is aan zowel btw-belaste als btw-vrijgestelde prestaties (‘algemene kosten’), kan het samenwerkingsverband pro-rata (verhouding belaste:vrijgestelde omzet) in aftrek brengen. Het pro-rata wordt berekend op basis van alle omzet die de Hub kent. Voorbeeld De Hub huurt een projectmanager in (belast met btw). Deze inkoop-btw kan de Hub in aftrek brengen als de projectmanager zich volledig bezighoudt met btw-belaste prestaties. Denk hierbij aan de uitvoering van beleidsprojecten die de Hub tegen een btw-belaste vergoeding uitvoert voor de gemeente of een van de partners. Mocht de projectmanager zich ook bezighouden met btw-vrijgestelde activiteiten, bijvoorbeeld de organisatie van de verhuur van het onroerend goed, dan kan de inkoop-btw volgens de Hub haar pro-rata in aftrek worden gebracht. Subsidie Vanwege het vrijgevige karakter is een subsidie normaal gesproken niet belast met btw, omdat er geen verplichting tegenover staat, waarvan de subsidieverstrekker profiteert. De gemeente zal de subsidiebeschikking gedeeltelijk overdragen.

Om vast te stellen of btw moet worden berekend, zal moeten worden getoetst of het samenwerkingsverband een tegenprestatie verricht. Deze tegenprestatie kan bijvoorbeeld bestaan uit het uitvoeren van beleid in opdracht van de gemeente. Huurcontract De overdracht van een huurovereenkomst heeft geen btw-gevolgen. De verhuur van onroerend goed door het samenwerkingsverband is in de hoofdregel vrijgesteld van btw. Dit is anders als partijen kiezen (‘opteren’) voor een btw-belaste verhuur. Dit is uitsluitend mogelijk als de huurder het onroerend goed voor meer dan 90% gebruikt voor btw-belaste prestaties. Per huurder moet worden beoordeeld of kan worden geopteerd. Zorgpartijen en gemeenten kunnen over het algemeen niet opteren voor een btw-belaste huur, omdat zij niet voor 90% btw-belaste prestaties verrichten vanuit het gehuurde. Het voordeel van een btw-belaste verhuur is dat de toerekenbare inkoop-btw (op bijvoorbeeld onderhoudskosten van het onroerend goed) voor het samenwerkingsverband aftrekbaar is. Andersom geldt dat de btw op de kosten van het btw-vrijgesteld verhuurde onroerend goed, niet in aftrek kan worden gebracht. Dit is relevant voor het vaststellen van de hoogte van de huur. Voorbeeld Het onroerend goed wordt door de Hub verhuurd aan zorgpartijen, aan de gemeente en aan start-ups. Daarnaast gebruikt de Hub een deel zelf.

Over het algemeen zal niet kunnen worden geopteerd voor btw-belaste verhuur aan de zorgpartijen en de gemeente, omdat zij vanuit het gehuurde niet voor meer dan 90% btw-belaste activiteiten verrichten. Voor start-ups (die bijvoorbeeld innovatieve producten of software ontwikkelen) is opteren voor een btw-belaste verhuur naar verwachting wel een mogelijkheid. De Hub maakt kosten die toerekenbaar zijn aan het onroerend goed, namelijk schoonmaakkosten (die afzonderlijk met btw worden doorberekend aan de huurder) en onderhoudskosten (die zijn verdisconteerd in de huur). ● De btw op de schoonmaakkosten van de verhuurde ruimten kan de Hub volledig in aftrek brengen, omdat deze rechtstreeks toerekenbaar zijn aan de btw-belaste serviceprestatie aan de huurders. De btw op de schoonmaakkosten van de eigen ruimten is aftrekbaar volgens het pro-rata van de Hub (zie kopje uitoefening activiteiten).

Pagina 9 van 14

●

De btw op de onderhoudskosten kan de Hub in aftrek brengen volgens haar algehele pro-rata (zie kopje uitoefening activiteiten) of op basis van een werkelijk gebruik berekening als dit een beter beeld geeft van het gebruik van de onderhoudskosten. Bij een werkelijke gebruik berekening van een onroerende zaak wordt vaak aangesloten bij de verhouding van de vierkante meters verhuurbaar vloeroppervlakte dat btw-belast of btw-vrijgesteld kan worden verhuurd.

Wij raden aan bij het sluiten van de huurovereenkomsten vast te stellen of kan worden geopteerd voor een btw-belaste verhuur en te beoordelen wat de btw-behandeling is van servicekosten die in rekening worden gebracht. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld wat de gevolgen zijn voor de aftrek van inkoop-btw op toerekenbare kosten. Partnerbijdragen De partnerbijdrage is een btw-belaste prestatie als tegenover de ontvangst van deze (in natura) vergoeding een prestatie bestaat. ● Van een prestatie voor de partner is sprake als zij een voordeel geniet, bijvoorbeeld in de vorm van promotie of reclame. ● Van een prestatie voor de partner is geen sprake als de prestatie van het samenwerkingsverband zich uitsluitend richt op het algemene belang – in dit geval de zorgsector als geheel. Wij raden aan om in de partnerovereenkomsten te beoordelen of een tegenprestatie6 verricht door het samenwerkingsverband bestaat. Dit is naar onze mening niet het geval als de partner geen prestatie kan afdwingen van het samenwerkingsverband en de betaling met name wordt gedaan omdat zij het doel van de Hub (zorginnovatie in de regio Den Haag) willen ondersteunen. Indien blijkt dat de partnerbijdrage een vergoeding voor een btw-belaste vormt, kan deze btw mogelijk kostenverhogend werken voor partners die geen of een beperkt recht op aftrek van voorbelasting hebben.

Indien de partnerbijdrage als kapitaalstorting in een coöperatie zou worden gestort, voorkomt dit kostenverhogende btw bij de partners. Dit kan een voorkeur geven voor de rechtsvorm coöperatie, echter gegeven de hoogte van de partnerbijdrage (EUR 10.000 - EUR 2.100 aan btw - per partner volgens de begroting), is de financiële impact gering voor de partners. Partners met een beperkt recht op aftrek van inkoop-btw zijn partners die btw-vrijgestelde prestaties verrichten. Het verrichten van zorg en onderwijs zijn voorbeelden van btw-vrijgestelde prestaties. Een aantal voorbeelden van partners met een beperkt aftrekrecht zijn: Haagse Hogeschool, Tzorg, HMC, Haga Ziekenhuis, Rabobank en Saffier. Wellicht ten overvloede merken wij nogmaals op dat de partnerbijdrage niet belast is met btw, als de partners voor de betaalde vergoeding geen afdwingbare tegenprestatie ontvangen. Of dit het geval is, dient beoordeeld te worden aan de hand van de afspraken die worden gemaakt met de partners. Gevolgen gemeente Op het moment dat het samenwerkingsverband btw-belaste prestaties verricht voor de gemeente, dan zal het samenwerkingsverband btw in rekening brengen aan de gemeente. Deze inkoop-btw vormt geen kostenpost voor de gemeente als recht op aftrek bestaat via haar btw-aangifte of als recht bestaat op een bijdrage uit het BTW-Compensatiefonds (hierna ‘BCF' of ‘btw-compensatie’).

6

Het begrip tegenprestatie in de schenkbelasting en omzetbelasting verschillen van elkaar.

Pagina 10 van 14

● ●

De inkoop-btw kan de gemeente in aftrek brengen op haar btw-aangifte, indien deze toerekenbaar is aan btw-belaste prestaties van de gemeente. Gezien de activiteiten van de Hub en de gemeente, zal naar verwachting geen recht bestaat op aftrek van inkoop-btw. Voor de inkoop-btw die de gemeente in rekening gebracht krijgt voor haar niet-ondernemersactiviteiten (bijv. voor overheidstaken of uitvoering van publiekbeleid) heeft zij recht op een bijdrage uit het BCF. De bijdrage vanuit het BCF wordt uitgesloten wanneer de ingekochte prestatie: 1) wordt verstrekt aan een of meer individuele derden; of 2) btw-vrijgesteld zou zijn geweest indien een btw-ondernemer deze activiteit had verricht.

Op dit moment bestaat nog geen duidelijkheid over de exacte prestaties die het samenwerkingsverband gaat verrichten voor de gemeente. Wel is duidelijk met welk doel het samenwerkingsverband wordt opgericht, namelijk om de zorginnovatie in de regio Den Haag een impuls te geven. Onze verwachting is daarom dat de btw die het samenwerkingsverband in rekening brengt op de uitvoering van het beleid van de gemeente kan worden gecompenseerd via het BTW-Compensatiefonds.

4. Fiscale gevolgen schenkbelasting 4.1.

Gevolgen stichting

Geen belaste schenking Het inbrengen van vermogen in een stichting kan als belaste schenking worden aangemerkt. Hiervan is sprake indien wordt voldaan aan de volgende drie (cumulatieve) voorwaarden: 1. De schenker verarmt; 2. De begiftigde verrijkt; en, 3. Er is sprake van een bevoordelingsbedoeling. Wij merken op dat per financiële stroom moet worden beoordeeld of hiervan sprake is. Wij begrijpen uit ons overleg van 28 augustus 2024 dat ten aanzien van de ontvangen gelden door de Hub geen sprake is van een bevoordelingsbedoeling, omdat ter zake van alle vergoedingen een tegenprestatie wordt verwacht. In dat geval kan naar onze mening het standpunt worden ingenomen dat geen sprake is van een belaste schenking. Vrijstelling in de schenkbelasting Mocht de Belastingdienst toch van mening zijn dat sprake is van een belaste schenking, dan kan mogelijk een beroep worden gedaan op de vrijstelling voor verkrijgingen van een algemeen nut beogende instelling (“ANBI”) of de vrijstelling voor verkrijgingen door een ANBI. Verkrijging van een ANBI Een schenking die wordt ontvangen van een ANBI is vrijgesteld van schenkbelasting, voor zover deze schenking (nagenoeg) geheel is geschied in het algemeen belang. Dit dient per schenking te worden beoordeeld. Wij begrijpen dat de Hub gelden ontvangt van het Rijk, Provincie en de gemeente.

Deze publiekrechtelijke entiteiten kwalificeren op basis van de wet als ANBI. De vraag die vervolgens opkomt is of deze schenkingen zijn verkregen in het algemeen belang. Hierbij moet worden getoetst of de schenkingen in lijn zijn met de doelstelling van de schenker. Naar onze mening kan het standpunt worden ingenomen dat hiervan sprake is. Daarmee kan naar onze mening een beroep worden gedaan op de vrijstelling in de schenkbelasting. Dit standpunt kan worden voorgelegd aan de Belastingdienst, zodat hierover zekerheid wordt verkregen.

Pagina 11 van 14

Verkrijging door een ANBI Een stichting kan ook zelf als ANBI kwalificeren. Als de stichting een ANBI-status heeft, dan zijn schenkingen aan deze stichting vrijgesteld van schenkbelasting als aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt te zijn geschied in het algemeen belang. Om als ANBI te kunnen kwalificeren moet aan verschillende voorwaarden zijn voldaan. Een belangrijke voorwaarde is dat de activiteiten van de stichting voor ten minste 90% rechtstreeks het algemeen belang dienen. Op basis van de wet kwalificeren onder andere ‘gezondheidszorg’, ‘onderwijs, wetenschap en onderzoek’ en ‘welzijn’ als algemeen nuttig. Deze categorieën zijn mogelijk van toepassing op de Hub. Naar onze mening dient echter nader bepaald te worden of het algemeen belang rechtstreeks wordt gediend. Het is niet voldoende dat het algemeen belang slechts als bijkomend effect van de activiteiten wordt gediend. Wij merken op dat wij positieve ervaringen hebben met het verkrijgen van de ANBI-status voor stichtingen die vergelijkbare activiteiten als de Hub verrichten. Voorts merken wij op dat aan het verkrijgen van de ANBI-status meer voorwaarden zijn verbonden. Wij bespreken dit graag met u. Overige overwegingen ten aanzien van de ANBI-status Een stichting kan, onder voorwaarden, de ANBI-status verkrijgen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15578883/1