RIS322179 Bijlage 2 Rapport AFCCQ 2024
Tekst van het document
Onderzoek Den Haag Seniorvriendelijke Stad Ouderenpanel 2024 Integrale Rapportage
INHOUD 1
Inleiding
7
2
Methodologie
8
2.1. Ontwikkeling vragenlijst stadsenquête en validatie
9
2.2. Rekrutering respondenten stadsenquête
11
Analyse van de data over seniorvriendelijk Den Haag
14
3.1. Scores seniorvriendelijkheid algemeen
15
De Haagse Hogeschool
3.2. Vergelijkbaarheid van de scores
15
Johanna Westerdijkplein 75
3.3. Ontwikkeling van de seniorvriendelijkheid van Den Haag
16
2521 EH Den Haag
3.4. Inzicht in de verschillen per domein
16
www.dehaagsehogeschool.nl
3.5. Clusteranalyse 2024
16
3.6. Analyse van de leeftijdsvriendelijke domeinen per cluster (2020-2022 vs. 2024)
18
Auteurs:
3.7. Conclusie en aanbevelingen seniorvriendelijkheid
18
Duurzaamheid
20
© 2025 De Haagse Hogeschool
J. Dikken
J. van Hoof
3
4.
4.1. Analyse duurzaamheid onder ouderen algemeen
21
4.2. Verdiepende analyse van duurzaamheid en invloedrijke factoren
23
Bevindingen top-up vragen SOC 2024
26
Deze studie is uitgevoerd als onderdeel van het project:
5.1 Gezondheid en welzijn
27
van 19 februari 2024 tot en met 31 december 2025. Dit project is gefinancierd
In samenwerking met Kennisplatform Seniorvriendelijk Den Haag Den Haag, april 2025
5.
Werkplaatsen Sociaal Domein Samenwerking Zorg Sociaal voor de periode
5.2 Wonen en woonomgeving
31
5.3 Mobiliteit en vervoer
35
door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Subsidienummer
5.4 Gemeentelijke dienstverlening en ondersteuning
40
Conclusies en aanbevelingen
44
6.1. Seniorvriendelijkheid van Den Haag
45
6.2. Duurzaamheid
45
6.3. Top-up vragen SOC 2024
46
90002047.
Vormgeving: Beautiful Minds
6
ISBN 9789083519111
3
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
Figuren Figuur 1:
Tabellen Heatmap van scores op de 9 seniorvriendelijke domeinen in Den Haag.
15
Tabel 1:
Demografische gegevens respondenten 2020-2022-2024.
Figuur 2: Gemiddelde scores per domein uitgesplitst naar cluster. Achtergronden in rood en groen markeren respectievelijk de lage en hoge scorezones.
17
Figuur 3:
Verschillen tussen clusters in cohort 2020-2022 en cohort 2024.
19
Figuur 4:
Duurzaamheidsscores op domeinen en totaal.
21
Figuren 5a en 5b:
SOC vragen rondom voeding.
28
Figuren 6a en 6b:
SOC vragen rondom vallen.
29
Figuur 7:
SOC-vraag naar bereidheid om meer digitale vaardigheden te willen leren.
30
Figuur 8:
SOC vraag “Wilt u de komende jaren in uw huidige woning blijven wonen?”
31
Figuur 9:
SOC vraag “Redenen om niet in de huidige woning te blijven wonen.”
32
Figuur 10:
“Ja/Nee antwoorden op woonvragen.”
32
Figuur 11:
“Beoordeling van verschillende woningtypen door respondenten.”
33
Figuur 12:
“Beoordeling van woonvoorkeuren door respondenten.”
34
Figuur 13:
SOC-vraag “Voelt u zich veilig in uw eigen buurt?”
35
Figuren 14a en 14b:
SOC-vragen rondom thema Openbaar vervoer.
36
Figuur 15:
SOC-vraag hoe bereikbaar de woning is met het openbaar vervoer.
37
Figuren 16a t/m 16d:
SOC-vragen rondom gebruik van (Wmo) taxi’s.
38
Figuur 18: SOC-vraag “Hoe waarschijnlijk gaat u in de komende 12 maanden een invalidenparkeerplek aanvragen?”
39
Figuur 19:
SOC-vraag “Ik weet wie de ouderenwerker is in mijn wijk of buurt.”
40
Figuur 20:
SOC-vraag “Weet u waar het wijkcentrum of buurthuis is in uw wijk of buurt?”
41
Figuur 21: “Kunt u, als u hulp nodig heeft, een ouderenwerker in het wijkcentrum. makkelijk bereiken?”
41
Figuur 22: SOC-vraag “Is de hulp die u kan krijgen van de mensen van het wijkcentrum. Figuur 23:
voor u voldoende?”
42
SOC-vraag waar ouderen heen gaan voor informatie of hulp.
43
4
5
9
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
1 INLEIDING
Sinds 2015 is de gemeente Den Haag lid van het Global Network for Age-Friendly Cities and Communities van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Hiermee committeert de stad zich aan een structureel proces van evaluatie en verbetering om een leeftijdsvriendelijke leefomgeving te creëren. Dit betekent dat Den Haag zich inzet om de fysieke en sociale omgeving zodanig vorm te geven dat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig en actief kunnen blijven deelnemen aan de samenleving. Sinds 2020 wordt voor het Ouderenpanel gebruikgemaakt van de Age-Friendly Cities and Communities Questionnaire (AFCCQ), een gevalideerd instrument dat verschillende domeinen van leeftijdsvriendelijkheid meet, zoals huisvesting, sociale participatie, werk en inkomen, gezondheid en duurzaamheid. De inzichten uit dit onderzoek vormden een belangrijke basis voor beleid en actieplannen om de stad verder te verbeteren voor haar oudere inwoners. In 2022 werd een tweede meting uitgevoerd, waarbij opnieuw werd gekeken naar de ervaren leeftijdsvriendelijkheid van de stad. Naast de AFCCQ werden ook aanvullende vragen gesteld over stedelijke diensten, mobiliteit en duurzaamheid.
De resultaten lieten zien dat de stad vooruitgang had geboekt op sommige domeinen, maar dat er ook uitdagingen bleven bestaan, met name voor ouderen in kwetsbare posities, zoals mensen met een chronische aandoening, mobiliteitsproblemen of een lagere sociaaleconomische status. Dit was een bijzondere periode, waar dataverzameling in de uitloop van de COVID-pandemie plaatsvond. De rapportage die nu voor u ligt, presenteert de resultaten van de derde meting in 2024. Dit onderzoek biedt een actueel beeld van hoe ouderen in Den Haag de stad ervaren, welke ontwikkelingen zich hebben voorgedaan sinds de vorige meting en waar nog verdere verbeteringen nodig zijn. Het onderzoek richt zich niet alleen op de algemene AFCCQ-domeinen, maar dit keer zijn er ook vragen gesteld betreffende duurzaamheid en specifieke vragen die tot stand zijn gekomen op basis van inbreng van de Stedelijke Ouderencommissie (SOC). Met deze rapportage biedt de gemeente Den Haag niet alleen een monitoringstool om beleid te evalueren, maar ook een praktisch instrument om de seniorvriendelijkheid van de stad verder te versterken. De bevindingen en aanbevelingen in dit rapport helpen om gerichte interventies te ontwikkelen, zodat ouderen in Den Haag in de toekomst nog beter kunnen wonen, werken en leven in een stad die hen ondersteunt in alle levensfasen.
6
7
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
2 METHODOLOGIE
2.1 Ontwikkeling vragenlijst stadsenquête en validatie
Om de leeftijdsvriendelijkheid van Den Haag en de leefomstandigheden van haar oudere inwoners in kaart te brengen, zijn in 2024 twee gevalideerde vragenlijsten gebruikt: de Age-Friendly Cities and Communities Questionnaire (AFCCQ) en de SustainABLE-16. Daarnaast heeft de Stedelijke Ouderencommissie (SOC) verdiepende vragen opgesteld om aanvullende inzichten te verkrijgen over de ervaren seniorvriendelijkheid van de stad.
2.1.1. De Age-Friendly Cities and Communities Questionnaire (AFCCQ)
De AFCCQ is een internationaal gevalideerd meetinstrument dat speciaal is ontwikkeld om de leeftijdsvriendelijkheid van steden en gemeenschappen te beoordelen. De vragenlijst is gebaseerd op het raamwerk van seniorvriendelijke steden dat in 2007 is opgesteld door de WHO en dat acht domeinen identificeert die bijdragen aan een seniorvriendelijke stad: • Huisvesting • Sociale participatie • Respect en sociale inclusie • Burgerparticipatie en werkgelegenheid • Communicatie en informatie • Gemeenschaps- en gezondheidsdiensten • Buitenruimten en gebouwen • Vervoer • Financiële situatie (additioneel domein) In Den Haag wordt de AFCCQ sinds 2020 gebruikt als kerninstrument om de voortgang op deze domeinen te meten. De resultaten van 2024 bieden waardevolle inzichten in hoe ouderen de stad ervaren en hoe deze ervaringen zich in de tijd ontwikkelen. De AFCCQ meet niet alleen de toegankelijkheid van de stad, maar ook hoe veilig, inclusief en ondersteunend de omgeving wordt ervaren door oudere bewoners. Met deze vragenlijst wordt een breed spectrum aan factoren onderzocht, variërend van fysieke infrastructuur tot sociale verbondenheid. De AFCCQ is bijgevoegd in bijlage 1.
2.1.2. De SustainABLE-16 vragenlijst
In 2024 is voor het eerst de SustainABLE-16 vragenlijst toegevoegd aan de monitor. Deze vragenlijst, ontwikkeld door Dikken et al. (2023), meet hoe ouderen denken over en omgaan met duurzaamheid in hun dagelijks leven. Dit is van belang omdat de duurzaamheidsagenda steeds prominenter wordt in gemeentelijk beleid en ouderen een cruciale rol spelen in de transitie naar een duurzamere samenleving. De SustainABLE-16 vragenlijst omvat drie hoofddomeinen: • Duurzaam gedrag – zoals energiebesparing, afvalscheiding en bewuste consumptie. • Financiële middelen in relatie tot duurzaamheid – de mogelijkheid van ouderen om te investeren in duurzame maatregelen zoals isolatie en groene energie. • Overtuigingen over duurzaamheid – de mate waarin ouderen zich verantwoordelijk voelen voor milieuvriendelijk handelen.
8
9
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
Uit eerder onderzoek blijkt dat oudere mensen vaak al een duurzame levensstijl hanteren, bijvoorbeeld door minder energie te verbruiken of bewuster met hulpbronnen om te gaan. Echter, financiële drempels en fysieke beperkingen kunnen belemmerend werken bij het verduurzamen van hun leefomgeving. De inzichten uit de SustainABLE-16 helpen de gemeente Den Haag om beleid te ontwikkelen dat beter aansluit bij de wensen en mogelijkheden van senioren op dit gebied. De SustainABLE-16 vragenlijst is bijgevoegd in bijlage 2.
2.1.3. Verdiepende vragen van de Stedelijke Ouderencommissie (SOC)
Naast de gevalideerde vragenlijsten heeft de Stedelijke Ouderencommissie (SOC) aanvullende vragen opgesteld die specifiek ingaan op de beleving en ervaringen van senioren in Den Haag (opgenomen in bijlage 3)). Deze vragen, hoewel niet gevalideerd, bieden waardevolle context en verdieping op verschillende thema’s, zoals: • Wonen • Transport • Dienstverlening van de gemeente • Overig: Voeding, Digitale vaardigheden, Veiligheid, Valpreventie Doordat de SOC deze vragen opstelt, waarbij Gemeente Den Haag heeft meegelezen, sluit dit onderzoek direct aan bij de actuele vraagstukken en behoeften die onder ouderen in Den Haag leven. De antwoorden bieden beleidsmakers de kans om gericht en lokaal maatwerkbeleid te ontwikkelen, gebaseerd op de echte ervaringen van senioren. Door het combineren van de AFCCQ, SustainABLE-16 en de SOC-vragen ontstaat een rijk en gedetailleerd beeld van hoe Den Haag zich als seniorvriendelijke en duurzame stad ontwikkelt. De gevalideerde vragenlijsten geven een robuust en wetenschappelijk onderbouwd beeld, terwijl de SOC-vragen verdieping bieden op thema’s die ouderen zelf als relevant beschouwen. Met deze aanpak heeft de gemeente een sterk fundament om haar beleid verder vorm te geven en Den Haag nóg leefbaarder te maken voor haar oudere inwoners.
2.2. Rekrutering respondenten stadsenquête
De data gebruikt in het vragenlijstonderzoek is een steekproef van thuiswonende ouderen (65 jaar en ouder) wonend in de gemeente Den Haag (Tabel 1). In januari 2024 waren er in totaal 566.731 inwoners in de gemeente Den Haag (https://denhaag.incijfers.nl/jive) (https://denhaag.incijfers.nl/mosaic/nl-nl/kerncijfers-ocw/kerncijfers-ocw) (DHIC/GDH/DPZ, 2024), waarvan ongeveer 86.199 inwoners van 65 jaar en ouder wat neerkomt op 15.2% van de stedelijke bevolking. Hiervan waren er 66.168 tussen 65 en 79 jaar oud, en 20.031 bewoners 80 jaar en ouder. De gemiddelde leeftijd van inwoners van de gemeente is slechts 39,4 jaar. Van de groep 65 jaar en ouder woont bijna 95,5% zelfstandig, oftewel ruim 81.000 inwoners. Van de 75-plussers is dit 92,4%. Met een foutenmarge van 5% en een betrouwbaarheidsniveau van 95% betekent dit dat er in totaal 383 respondenten nodig waren om een representatieve steekproefgrootte te hebben. Verdere inclusiecriteria van de steekproef waren - idealiter – dat ruim 30% van de steekproef een migratieachtergrond zou hebben (volgens de definities van CBS - CBS). Daarnaast werd er gestreefd naar een normale verhouding tussen mannen en vrouwen (voor Den Haag is dat 45% man en 55% vrouw). De deelnemers kwamen uit alle stadsdelen ondanks dat ouderen niet gelijkmatig over Den Haag zijn verspreid.
Daarnaast werd gestreefd naar een representatieve verdeling over de leeftijdscohorten (65-69 (±30%); 70-74 (±28%) en 75+ (±42%)), evenals het aandeel van de bevolking dat in een huis woont dat ofwel gehuurd wordt of in eigendom is (58% was eigendom van de bewoner, en 42% was gehuurd) (Lijzenga et al, 2018). Tot slot hebben we gestreefd naar inclusie van mensen die: al dan niet samenwonen in één huis; zorg ontvangen; het hebben van chronische aandoeningen; en/of het gebruik van een rollator/rolstoel. Voor 2024 hebben we geen criteria opgesteld, wel hebben we gekeken of de respondenten vergelijkbaar waren met de deelnemers van uit 2022 en 2020. In 2024 is de rekrutering als opdracht verstrekt aan Dimensus. Er zijn 2.250 inwoners van 65 jaar en ouder (geen bovengrens) willekeurig getrokken uit een groep van 51.367 huishoudens van inwoners van 65 jaar en ouder. Dit zijn niet alle inwoners van 65 jaar en ouder, want het gaat hier om huishoudens gezien er ontdubbeld is op adresniveau. Na verwerking van de mutaties zijn er 1.824 personen aangeschreven. Hierop hebben in totaal 538 mensen deelgenomen, en dat is een kwart meer dan de steekproeven uit 2020 en 2022. Verschillen in respondenten tussen 2020 en 2022 waren minimaal.
Significant waren type onderwijs (met meer lager opgeleide deelnemers in 2022), meer alleenstaande ouderen in 2022 en meer mensen die een chronische aandoening hadden in 2022. Ondanks deze verschillen blijft de steekproef van 2024 representatief op stadsniveau kijkend naar de stratificatieparameters. Omdat er een groep heeft deelgenomen met een iets hogere sociaaleconomische status in 2024, verklaart dit mogelijk de wat hogere scores op de AFCCQ-domeinen.
EEN STERK FUNDAMENT OM DEN HAAG NÓG LEEFBAARDER TE MAKEN VOOR HAAR OUDERE INWONERS.
10
11
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
Tabel 1: Demografische gegevens respondenten 2020-2022-2024. 2020 (n=393)
2022 (n=391)
2024 (n=512)
Geslacht
2020 (n=393)
2022 (n=391)
2024 (n=512)
Type woning
Man
n = 190 (48%)
171 (44%)
229 (45%)
Koopwoning
n = 234 (60%)
219 (56%)
299 (58.4%)
Vrouw
n = 203 (52%)
205 (52%)
279 (54.8%)
Sociale huurwoning
n = 111 (28%)
104 (27%)
136 (26.6%)
1 (0.2%)
Particuliere huurwoning
n = 48 (12%)
62 (16%)
52 (10.2%)
15 (4%)
3 (0.6%)
missing
-
6 (1%)
23 (4.5%)
74.9 (6.1)
75.2 (7.1)
73.3 (5.5)
Samenwonend met een partner (%)
n = 217 (55%)
166 (42%)
281 (54.9%)
65–69
n = 92 (24%)
97 (25%)
145 (28.3%)
missing
-
5 (1%)
14 (2.7%)
70–74
n = 119 (30%)
112 (29%)
150 (29.3%)
Ontvangt zorg (%)
75+
n = 182 (46%)
160 (40%)
203 (39.6%)
missing
22 (6%)
14 (2.7%)
Ander missing Leeftijd Gemiddelde (standaardafwijking)
missing Geboorteland* Geboren in Nederland
n = 335 (85%)
315 (81%)
429 (83.8%)
Suriname/Antillen
n = 28 (7%)
-
-
Overig
n = 30 (8%)
62 (15%)
68 (13.3%)
14 (4%)
15 (2.9%)
missing Opleidingsniveau Laag (niveau 0-3)
122 (31%)
137 (35%)
84 (16.4%)
Medium level (niveau 4-5)
99 (25%)
29 (8%)
180 (35.2%)
Hoog (niveau 6-8)
172 (44%)
165 (42%)
230 (44.9%)
60 (15%)
18 (3.5%)
50.3 (24.4)
51.4 (23.7)
missing Aantal jaren wonend in Den Haag Gemiddelde (standaardafwijking)
51.7 (22.8)
12
Leeft met één of meer chronische aandoeningen (%)
n = 105 (27%)
16 (3.1%) n = 192 (49%)
missing Gebruikt rollator of rolstoel (%)
92 (18.0%)
n = 61 (16%)
missing Problemen met geheugen en denkfuncties
-
148 (38%)
188 (36.7%)
7 (2%)
20 (3.9%)
76 (19%)
58 (11.3%)
8 (2%)
24 (4.7%)
-
(Vrijwel) nooit
327 (63.9%)
Af en toe
143 (27.9%)
Regelmatig
21 (4.1%)
Vaak
4 (0.8%)
missing
17 (3.3%)
Score kwaliteit van leven
7.79 (1.1)
13
7.76 (1.1)
7.92 (1.1)
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
3
3.1. Scores seniorvriendelijkheid algemeen
De heatmap (Figuur 1) toont de gemiddelde scores van verschillende domeinen binnen de gemeente over de jaren 2020, 2022 en 2024. Een positief aspect van deze gegevens is dat alle domeinen een gemiddelde score boven nul hebben, wat betekent dat geen enkel domein als negatief wordt ervaren. Dit geeft aan dat inwoners in het algemeen positief staan tegenover de onderzochte aspecten van seniorvriendelijkheid in de stad.
ANALYSE VAN DE DATA OVER SENIORVRIENDELIJK DEN HAAG Figuur 1: Heatmap van scores op de 9 seniorvriendelijke domeinen in Den Haag.
3.2. Vergelijkbaarheid van de scores
Om een eerlijke vergelijking tussen de verschillende domeinen mogelijk te maken, zijn alle scores op een gestandaardiseerde wijze geconverteerd. Hierdoor kunnen we de relatieve prestaties van verschillende categorieën met elkaar vergelijken. Dit betekent bijvoorbeeld dat een hoger cijfer voor huisvesting daadwerkelijk een betere score weerspiegelt ten opzichte van sociale participatie, en dat deze niet beïnvloed wordt door verschillende meetschalen of interpretaties.
14
15
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
3.3. Ontwikkeling van de seniorvriendelijkheid van Den Haag
Naast de afzonderlijke domeinen is ook gekeken naar de algehele beoordeling van seniorvriendelijkheid in de stad. Hier zien we een positieve ontwikkeling: 2020: 16,9 (n=393) 2022: 16,9 (n=396) 2024: 18,7 (n=512) De algemene score is in 2024 gestegen ten opzichte van de voorgaande jaren, wat aangeeft dat senioren de stad als vriendelijker ervaren. Dit kan een indicatie zijn dat beleidsmaatregelen en initiatieven op het gebied van seniorvriendelijkheid effect hebben gehad, of dat de beperkingen die ouderen ervoeren in het kader van COVID-19 beleid zijn weggeëbd.
3.4. Inzicht in de verschillen per domein
Hoewel alle scores positief zijn, zijn er duidelijke verschillen tussen de verschillende domeinen. Zo scoort huisvesting consistent hoger dan sociale participatie, wat aangeeft dat er op het gebied van huisvesting relatief meer tevredenheid is. Tegelijkertijd laat de score van sociale participatie, zien dat er wellicht nog ruimte is voor verbetering op het gebied van het betrekken van senioren bij sociale activiteiten en gemeenschapsinitiatieven.
3.5. Clusteranalyse 2024
Uit de analyse van de scores per domein per cluster blijkt dat de ervaren leeftijdsvriendelijkheid van de stad in 2024 aanzienlijk verschilt tussen de verschillende groepen inwoners (Figuur 2). We hanteren dezelfde benamingen als in 2022: • Cluster 1: Ouderen met geldzorgen; • Cluster 2: Ouderen met mobiliteitsproblemen en ziekten; • Cluster 3: De tevreden Nederlander; • Cluster 4: Het hogere echelon.
Figuur 2: Gemiddelde scores per domein uitgesplitst naar cluster. Achtergronden in rood en groen markeren respectievelijk de lage en hoge scorezones. Figuur 2 toont een duidelijke stijgende lijn: inwoners in Cluster 1 ervaren de laagste leeftijdsvriendelijkheid, terwijl deze door Cluster 4 juist het hoogst wordt gewaardeerd. Dit wijst op een sterke relatie tussen sociaaleconomische positie en de mate waarin de omgeving als ondersteunend en toegankelijk wordt ervaren. De domeinen huisvesting en sociale inclusie laten de grootste verschillen tussen de clusters zien. Inwoners in hogere clusters hebben duidelijk betere toegang tot geschikte woonomstandigheden en een sociaal netwerk, wat hun algehele waardering voor de stad verhoogt. Daarnaast spelen transport en financiële situatie een cruciale rol; inwoners die meer financiële zekerheid hebben en beter gebruik kunnen maken van vervoersmogelijkheden ervaren hun omgeving als veel leeftijdsvriendelijker. Domeinen zoals transport en buitenruimte en gebouwen vertonen minder grote verschillen tussen de clusters. De resultaten maken duidelijk dat Cluster 1 te maken heeft met structurele achterstanden, vooral op het gebied van sociale participatie en toegang tot voorzieningen. Voor deze groep kunnen extra beleidsmaatregelen nodig zijn om uitsluiting en sociaal isolement te voorkomen.
Daarnaast blijkt dat financiële zekerheid van groot belang is voor de ervaren leeftijdsvriendelijkheid. Een toegankelijke stad begint bij een goede financiële stabiliteit onder ouderen.
16
17
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
3.6. Analyse van de leeftijdsvriendelijke domeinen per cluster (2020-2022 vs. 2024)
Figuur 3 laat de scores zien per domein van leeftijdsvriendelijkheid voor vier verschillende clusters van bewoners, waarbij de ontwikkelingen tussen de cohorten 2020-2022 en 2024 worden vergeleken. De groepsgrootte van de clusters verschil met name bij Cluster 1. Over het algemeen blijven de trendlijnen per cluster grotendeels gelijk tussen de twee cohorten. Dit duidt erop dat de verschillen in scores marginaal zijn en waarschijnlijk eerder te verklaren zijn door variaties in de steekproef dan door grote structurele veranderingen in leeftijdsvriendelijkheid. Dit betekent dat de positie van de clusters in de stad over de jaren heen grotendeels hetzelfde blijft, zonder drastische verbeteringen of verslechteringen. Bij Cluster 2 valt met name op dat de eerdere negatieve scores voor Buitenruimten en gebouwen en Transport nu net positief zijn. De beperkte verschillen suggereren dat de stad redelijk stabiel blijft in de ervaren leeftijdsvriendelijkheid, maar ook dat er wellicht weinig vooruitgang wordt geboekt in het verkleinen van ongelijkheden tussen clusters. Met name Cluster 1 blijft structureel achter. Hoewel deze verschuivingen klein zijn, blijft het aan te bevelen om kwetsbare groepen goed te monitoren en gerichte ondersteuning te bieden waar nodig.
3.7. Conclusie en aanbevelingen seniorvriendelijkheid
De positieve trend in de algehele seniorvriendelijkheidsscore laat zien dat de stad op de goede weg is. Het feit dat alle domeinen een groene score hebben, bevestigt dat de stad over het algemeen als positief wordt ervaren. Toch zijn er verschillen tussen de domeinen, en deze kunnen als input dienen voor beleidsvorming. Een gerichte aanpak op domeinen zoals sociale participatie kan helpen om de seniorvriendelijkheid verder te verbeteren en de positieve trend in de komende jaren voort te zetten.
Figuur 3: Verschillen tussen clusters in cohort 2020-2022 en cohort 2024.
18
19
ONDERZOEK DEN HAAG SENIORVRIENDELIJKE STAD 2020
4
4.1. Analyse duurzaamheid onder ouderen algemeen
In deze analyse kijken we naar de verdeling van vier kernvariabelen die inzicht geven in duurzaam gedrag, financiële positie, overtuigingen en duurzaamheidstotalen binnen de onderzochte populatie (Figuur 4). Deze inzichten helpen bij het identificeren van trends en verschillen, wat waardevol is voor de ontwikkeling van gerichte beleidsmaatregelen.
DUURZAAMHEID
Figuur 4: Duurzaamheidsscores op domeinen en totaal.
De resultaten laten zien dat de verdeling van gedragingen (schaal -12 tot +12) een lichte neiging heeft naar de positieve kant. De meeste respondenten bevinden zich rond de nulwaarde, wat aangeeft dat een groot deel een neutrale houding heeft ten aanzien van duurzaam gedrag. Toch is er een oververtegenwoordiging van mensen met positieve scores, wat erop wijst dat meer respondenten zich daadwerkelijk duurzaam gedragen dan niet. Bij de variabele financiële positie (schaal -6 tot +6) is zichtbaar dat de meeste respondenten een positieve score hebben, met een piek rond score 3. Dit suggereert dat een groot deel van de ondervraagden zichzelf in een stabiele financiële situatie bevindt. Tegelijkertijd zijn er ook respondenten met negatieve scores, wat erop duidt dat een deel van de groep financiële beperkingen ervaart. Dit kan een belangrijke factor zijn in de mate waarin mensen in staat zijn om duurzaam gedrag te vertonen. De overtuigingen over duurzaamheid, gemeten op een schaal van -14 tot +14, laten een bredere spreiding zien. De meerderheid van de respondenten heeft een positieve score, wat betekent dat zij duurzaamheid als waardevol beschouwen. Toch zijn er ook mensen die negatief scoren, wat duidt op een minder overtuigde groep. Dit verschil laat zien dat niet iedereen duurzaamheid als vanzelfsprekend beschouwt en dat er ruimte is voor verdere bewustwording en educatie.
20
21
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
De variabele duurzaamheid totaal heeft de grootste spreiding, met scores tussen -32 en +32. De piek ligt aan de positieve kant, wat erop wijst dat een groot deel van de respondenten duurzaamheid belangrijk vindt en actief bezig is met duurzame keuzes. Toch zijn er ook negatieve scores aanwezig, wat betekent dat er groepen zijn die minder betrokken zijn bij duurzaamheid of zich er juist tegen afzetten. Uit deze analyse blijkt dat duurzaamheid over het algemeen positief wordt gewaardeerd, maar dat er verschillen bestaan tussen houding, gedrag en financiële mogelijkheden. Hoewel veel respondenten duurzame overtuigingen hebben, vertaalt dit zich niet altijd in concreet gedrag. Dit kan deels worden verklaard door de invloed van financiële positie; mensen met een minder gunstige financiële situatie lijken minder duurzaam gedrag te vertonen, mogelijk vanwege economische drempels. Voor de gemeente bieden deze resultaten waardevolle aanknopingspunten voor beleid. Om duurzame keuzes te stimuleren, kan worden ingezet op bewustwording bij de groep met minder sterke overtuigingen. Daarnaast kunnen financiële prikkels of subsidies ervoor zorgen dat duurzaam gedrag toegankelijker wordt voor mensen die daar nu financiële barrières voor ervaren.
Ook is het van belang om te onderzoeken hoe neutraal of licht negatief gedrag kan worden omgebogen naar actieve duurzaamheid, bijvoorbeeld door kleine gedragsinterventies of het wegnemen van praktische obstakels. Al met al laat de analyse zien dat duurzaamheid en duurzaam gedrag in de populatie grotendeels positief worden ervaren, maar dat er nog ruimte is voor verbetering. Met gerichte beleidsmaatregelen kan de gemeente bijdragen aan een verdere verduurzaming van het gedrag van haar inwoners.
4.2. Verdiepende analyse van duurzaamheid en invloedrijke factoren
Voor dit onderzoek is gebruikgemaakt van backward regressie analyse, een statistische methode om de belangrijkste voorspellers van duurzaamheid te identificeren. Bij backward regressie wordt gestart met een model waarin alle mogelijke voorspellers zijn opgenomen die zijn uitgevraagd in de vragenlijst, zoals leeftijd, geslacht, opleidingsniveau en financiële situatie. Vervolgens worden in een stapsgewijs proces de minst significante variabelen verwijderd, totdat alleen de factoren overblijven die daadwerkelijk een statistisch significante bijdrage leveren aan het verklaren van duurzaamheid. Deze methode biedt twee belangrijke voordelen. Ten eerste verhoogt het de efficiëntie, doordat overbodige variabelen worden geëlimineerd en het model compacter en overzichtelijker wordt. Ten tweede zorgt het voor een betrouwbaarder model, omdat alleen de factoren behouden blijven waarvan het effect waarschijnlijk niet op toeval berust. Dit wordt bepaald op basis van de significantiewaarde (p-waarde). Een p-waarde kleiner dan 0.05 wordt als statistisch significant beschouwd, wat betekent dat de invloed van deze factor met grote waarschijnlijkheid werkelijk bestaat. Daarnaast wordt gekeken naar de bèta-coëfficiënt (β), die aangeeft hoe sterk de invloed van een bepaalde factor is. Hoe hoger de bèta-waarde, hoe groter de impact op duurzaamheid.
Door deze statistische aanpak kunnen we vaststellen welke sociaaleconomische en demografische kenmerken de verschillende aspecten van duurzaamheid het sterkst beïnvloeden en waar beleidsmatige kansen liggen. De volgende secties bespreken de resultaten een over de totaal score, en daarna voor ieder domein: gedrag, financiële positie, en overtuigingen.
4.2.1. Duurzaamheid totaal scores
Uit de regressieanalyse blijkt dat meerdere sociaaleconomische en demografische factoren een significante invloed hebben op de duurzaamheidsscore. De sterkste voorspeller is het opleidingsniveau (β = 0.249, p < 0.001). Hoger opgeleiden scoren aanzienlijk hoger op duurzaamheid, wat mogelijk verklaard kan worden door een grotere kennis over duurzaamheid en betere financiële mogelijkheden om duurzame keuzes te maken.
DUURZAAMHEID EN DUURZAAM GEDRAG IN DE POPULATIE GROTENDEELS POSITIEF WORDEN ERVAREN, MAAR DAT ER NOG RUIMTE IS VOOR VERBETERING.
22
Naast opleiding speelt ook de financiële situatie een cruciale rol in duurzaam gedrag (p < 0.001). Mensen met een betere financiële positie rapporteren een hogere duurzaamheidsscore. Daarnaast blijkt dat de ervaren seniorvriendelijkheid van de stad een positieve invloed heeft op duurzaamheid (p = 0.003). Dit suggereert dat een stad die als toegankelijk en prettig wordt ervaren door ouderen, ook bijdraagt aan duurzamer gedrag en een bewustere levensstijl. Demografische factoren spelen eveneens een rol. Vrouwen scoren significant hoger op duurzaamheid dan mannen (β = -0.119, p = 0.004), wat erop wijst dat vrouwen over het algemeen meer duurzame keuzes maken. Daarnaast blijkt dat mensen die niet in Nederland geboren zijn een hogere duurzaamheidsscore rapporteren dan autochtone Nederlanders (β = 0.104, p = 0.014). Leeftijd heeft een kleine, maar significante negatieve invloed (β = -0.083, p = 0.048), wat betekent dat jongere generaties iets duurzamer handelen dan oudere generaties. Ook de woonsituatie blijkt van invloed te zijn op duurzaamheid. Mensen die in een huurwoning wonen, scoren lager dan huiseigenaren (β = -0.124, p = 0.004). Dit kan worden verklaard door de beperktere mogelijkheden tot duurzame investeringen in huurwoningen.
Opvallend is dat het gebruik van een mobiliteitshulpmiddel (zoals een rollator of rolstoel) samenhangt met een hogere duurzaamheidsscore (β = 0.110, p = 0.010). Dit zou kunnen duiden op een bewustere omgang met de directe leefomgeving en een efficiënter gebruik van middelen.
23
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
4.2.2. Duurzaam gedrag
Uit de regressieanalyse blijkt dat verschillende factoren van invloed zijn op duurzaam gedrag. Herkomst speelt een significante rol (β = 0.101, p = 0.037), waarbij mensen die niet in Nederland geboren zijn hoger scoren op duurzaam gedrag dan autochtone Nederlanders. Daarnaast blijkt dat het gebruik van een mobiliteitshulpmiddel een sterke voorspeller is van duurzaam gedrag (β = 0.159, p = 0.001). Dit suggereert dat mensen die bijvoorbeeld een rollator of rolstoel gebruiken, zich bewuster lijken te gedragen op het gebied van duurzaamheid. Ook geheugenproblematiek hangt samen met duurzaam gedrag (β = 0.102, p = 0.037). Dit betekent dat mensen die vaker cognitieve uitdagingen ervaren, iets vaker duurzaam gedrag rapporteren. Hoewel dit een interessante bevinding is, is verdere studie nodig om de onderliggende mechanismen beter te begrijpen.
De ervaren seniorvriendelijkheid van de stad is eveneens een belangrijke voorspeller (β = 0.160, p = 0.001). Dit suggereert dat een stad waarin ouderen zich prettig en ondersteund voelen, bijdraagt aan een positieve houding ten opzichte van duurzaamheid. Herkomst blijkt ook een rol te spelen (β = 0.111, p = 0.008), waarbij mensen die niet in Nederland geboren zijn, hogere duurzaamheidsovertuigingen rapporteren. Daarnaast zijn er enkele negatieve voorspellers. Geslacht heeft een significante invloed (β = -0.137, p < 0.001), waarbij vrouwen meer belang hechten aan duurzaamheid dan mannen. Dit patroon zien we vaker terug in onderzoek. Ook woningtype (β = -0.122, p = 0.004) speelt een rol: huurders hechten minder waarde aan duurzaamheid dan huiseigenaren. Dit kan te maken hebben met een lagere controle over duurzame investeringen in huurwoningen.
4.2.3. Financiële positie
Financiële positie binnen duurzaamheid wordt sterk beïnvloed door meerdere factoren, waarbij financiële situatie gemeten in de AFCCQ de meest dominante voorspeller is (β = 0.583, p < 0.001). Daarnaast speelt de ervaren seniorvriendelijkheid van de stad als geheel AFCCQ score een belangrijke rol (β = 0.169, p < 0.001). Dit wijst erop dat mensen die de stad als meer seniorvriendelijk ervaren, ook een betere financiële positie rapporteren in de SustainABLE-16 vragenlijst. Het opleidingsniveau blijkt eveneens een significante voorspeller (β = 0.132, p < 0.001). Hoger opgeleiden scoren structureel hoger op financiële duurzaamheid, wat mogelijk te verklaren is door betere toegang tot werkgelegenheid en hogere inkomensniveaus. Woningtype speelt een negatieve rol (β = -0.110, p = 0.001), waarbij huurders een minder gunstige financiële positie hebben dan huiseigenaren. Dit sluit aan bij eerdere inzichten dat woningbezit financiële stabiliteit kan bevorderen, terwijl huurders vaak te maken hebben met minder mogelijkheden voor duurzame investeringen. Opvallend is dat mensen met een chronische ziekte of aandoening iets hoger scoren op financiële duurzaamheid (β = 0.093, p = 0.006). Dit kan te maken hebben met inkomensvoorzieningen of een bewustere omgang met financiële middelen vanwege gezondheidsuitgaven.
Verder blijkt dat leeftijd een negatieve relatie heeft met financiële duurzaamheid (β = -0.087, p = 0.008), wat betekent dat oudere mensen een iets minder gunstige financiële positie rapporteren. Daarnaast blijkt dat mensen die een lagere ervaren kwaliteit van leven rapporteren, ook een iets lagere financiële duurzaamheid scoren (β = -0.077, p = 0.040), wat suggereert dat financiële onzekerheid samenhangt met een lagere ervaren levenskwaliteit.
4.2.4. Overtuigingen
Duurzame overtuigingen – de mate waarin mensen duurzaamheid als belangrijk beschouwen – worden door verschillende sociaaleconomische en contextuele factoren beïnvloed. De sterkste voorspeller is het opleidingsniveau (β = 0.354, p < 0.001). Dit betekent dat hoger opgeleiden significant vaker duurzaamheid als belangrijk beschouwen. Dit sluit aan bij eerdere onderzoeken die aantonen dat hoger opgeleiden beter toegang hebben tot informatie over duurzaamheid en vaker betrokken zijn bij milieubewuste initiatieven. Ook de financiële situatie speelt een significante rol (β = 0.169, p = 0.001). Mensen met een stabiele financiële positie hechten meer waarde aan duurzaamheid, wat erop wijst dat financiële zekerheid ruimte schept om bewust duurzame keuzes te maken.
24
25
ONDERZOEK DEN HAAG SENIORVRIENDELIJKE STAD 2020
5 BEVINDINGEN TOP-UP VRAGEN SOC 2024
Onderstaande paragrafen beschrijven de resultaten van de top-up vragen die zijn gesteld aan de respondenten die deelnamen aan het veldonderzoek. Niet op iedere vraag hebben alle mensen antwoord gegeven, wat maakt dat aantallen die gepresenteerd worden kunnen wisselen. Er zijn vier thema’s uitgevraagd, te weten: 1. Gezondheid en welzijn 2. Wonen en woonomgeving 3. Mobiliteit en vervoer 4. Gemeentelijke dienstverlening en ondersteuning Oproep: In de komende delen worden resultaten gepresenteerd van antwoorden die door Haagse ouderen zijn gegeven. Aanbevelingen die hieruit volgen behoren soms tot het werkdomein van Gemeente Den Haag, maar de gemeente kan niet alle uitdagingen - die zich soms ook achter de voordeur voltrekken - oplossen. Nog vaker kunnen ouderen of maatschappelijke organisaties zelf met deze actiepunten aan de slag. Seniorvriendelijkheid van Den Haag is namelijk een gezamenlijke opgave.
5.1 Gezondheid en welzijn
Moeilijkheden en problemen bij gezond eten Uit de enquête blijkt dat het merendeel van de ouderen in Den Haag (385 respondenten) het makkelijk vindt om zelf gezond eten klaar te maken. Daarentegen ervaart een kleinere groep dit als een uitdaging: 82 respondenten geven aan dat het soms moeilijk is, terwijl 19 respondenten dit vaak moeilijk vinden. Slechts 6 respondenten geven aan dat het erg moeilijk is. Dit suggereert dat de meeste ouderen zelfstandig in staat zijn gezond te eten, maar dat er toch een aanzienlijke groep is die obstakels ervaart. Bij het verder onderzoeken van de specifieke problemen die ouderen ervaren bij gezond eten, wordt duidelijk dat financiële barrières een belangrijke rol spelen. Voor 36 respondenten is gezond eten “te duur”, wat dit de meest genoemde uitdaging maakt. Daarnaast geeft een deel van de respondenten aan dat ze niet graag alleen eten (14 respondenten) of dat ze hulp nodig hebben met boodschappen doen (10 respondenten). Andere genoemde obstakels zijn het gebrek aan informatie (6 respondenten) en de afhankelijkheid van familie voor hulp (6 respondenten). Wat verder opvalt, is dat 38 respondenten aangeven geen problemen te ervaren, zelfs als ze gezond eten als moeilijk beschouwen. Dit kan erop wijzen dat er specifieke omstandigheden zijn waarin ouderen gezond eten als uitdaging ervaren, maar hier geen structurele hinder van ondervinden.
Deze resultaten benadrukken de noodzaak voor de gemeente om zowel financiële ondersteuning als sociale initiatieven te overwegen. Het verlagen van kosten voor gezonde voeding, gecombineerd met programma’s die sociale eenzaamheid aanpakken en praktische hulp bieden, kan ouderen helpen een gezondere levensstijl te behouden.
26
27
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
Figuren 5a en 5b: SOC vragen rondom voeding
Figuren 6a en 6b: SOC vragen rondom vallen
Valincidenten en angst om te vallen bij ouderen De survey brengt belangrijke inzichten naar voren over valincidenten en de angst om te vallen onder ouderen. Uit de resultaten blijkt dat 131 respondenten (ongeveer een kwart) aangaven na hun 65e te zijn gevallen op een manier die leidde tot langdurige klachten. Daarentegen gaf de meerderheid van de respondenten (355) aan geen dergelijke ervaring te hebben gehad, terwijl een kleine groep (12 respondenten) twijfelde of dit voor hen van toepassing was. Wat betreft de angst om te vallen, gaf 161 respondenten aan dat ze soms angst hebben om te vallen. Dit maakt het de meest voorkomende categorie. Daarnaast ervaarden 148 respondenten deze angst zelden, terwijl 146 respondenten aangaven nooit angst te hebben om te vallen. Een kleinere groep ervaart deze angst frequent: 25 respondenten gaven aan vaak of heel vaak angst te hebben om te vallen. Deze resultaten laten zien dat een aanzienlijke groep ouderen te maken heeft met angst om te vallen, wat kan bijdragen aan een verminderde bewegingsvrijheid en sociale isolatie. De resultaten benadrukken het belang van valpreventieprogramma’s en ondersteuning voor ouderen die kampen met angst. Voorlichting, aanpassingen in de leefomgeving en fysieke training kunnen helpen om het risico op vallen en de bijbehorende angst te verminderen.
Bereidheid om digitale vaardigheden te verbeteren Uit de enquête blijkt dat 121 respondenten graag meer willen leren over het gebruik van een computer, telefoon of tablet. Dit vertegenwoordigt een belangrijke groep ouderen die gemotiveerd is om hun digitale vaardigheden te verbeteren. Tegelijkertijd geeft een meerderheid van de respondenten (301) aan geen behoefte te hebben aan verdere scholing op dit gebied. Daarnaast is er een kleinere groep van 82 respondenten die aangeeft te twijfelen of zij hier interesse in hebben.
28
29
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
5.2 Wonen en woonomgeving
De Survey laat zien dat de meerderheid van de ouderen in Den Haag de komende jaren in hun huidige woning wil blijven wonen. Van de respondenten geeft 414 aan tevreden te zijn met hun huidige situatie, terwijl slechts 36 respondenten aangeven te willen verhuizen en 54 twijfelen. Dit toont aan dat veel ouderen zich comfortabel voelen in hun woning, maar dat er ook een groep is die te maken heeft met barrières of overwegingen om te verhuizen.
Figuur 7: SOC-vraag naar bereidheid om meer digitale vaardigheden te willen leren. Deze resultaten wijzen erop dat hoewel het grootste deel van de ouderen geen verdere behoefte heeft aan digitale ondersteuning, er toch een substantiële groep is die hier baat bij kan hebben. Gemeentelijke initiatieven zoals laagdrempelige cursussen of digitale inloopspreekuren kunnen helpen om deze doelgroep te ondersteunen. Dit draagt niet alleen bij aan zelfredzaamheid, maar ook aan sociale inclusie in een steeds digitaler wordende samenleving.
Figuur 8: SOC vraag “Wilt u de komende jaren in uw huidige woning blijven wonen?” Bij de redenen waarom ouderen niet in hun huidige woning willen blijven, staat bovenaan dat de woning te groot is geworden (15 respondenten). Andere redenen zijn dat de woning te veel aanpassingen nodig heeft (11 respondenten), niet geschikt is voor ouderen (7 respondenten), of te duur wordt (6 respondenten). Slechts een klein deel (9 respondenten) gaf andere (uiteenlopende) redenen om niet in hun huidige woning te blijven wonen. Een aantal mensen geeft aan dat hun woning niet meer voldoet aan hun behoeften, zoals een woning die te veel onderhoud vergt, waaronder slecht onderhouden liften door de woningcorporatie. Andere respondenten hebben te maken met specifieke ongemakken, zoals een hinderlijke warmtepomp van buren die constant geluid produceert of een tuin die te veel onderhoud vraagt. Verkeersdrukte wordt ook als storend aangegeven. Daarnaast geven individuen aan dat fysieke beperkingen een rol spelen, zoals te veel trappen of het ontbreken van een toegankelijke woning, waardoor een overstap naar een 55+ woning aantrekkelijker wordt. Een enkeling benoemd sociale factoren, zoals onvriendelijke buren of negatieve ervaringen met geweld in de buurt.
Enkele respondenten geven aan dat ze juist naar een andere leefomgeving, zoals het platteland, willen verhuizen of dat hun toekomstplannen afhangen van hun gezondheid. Deze diverse argumenten laten zien dat er geen uniforme reden is binnen deze groep, maar dat persoonlijke en praktische overwegingen de boventoon voeren. Deze resultaten benadrukken dan ook de behoefte aan aanpasbare en betaalbare woningen, specifiek gericht op de levensfase van ouderen.
30
31
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
Wat betreft de beoordeling van verschillende woningtypen, blijken gelijkvloerse woningen en appartementen in seniorencomplexen het meest aantrekkelijk. Woongroepen en aanleunwoningen worden minder positief beoordeeld. Dit onderstreept de voorkeur van ouderen voor zelfstandigheid en gemak, waarbij collectieve woonvormen minder populair zijn in deze steekproef. Het is van belang dat nieuwe woningontwikkelingen hierop inspelen door de nadruk te leggen op toegankelijke en functionele woningen. Het beeld van het minder populair zijn van een woongroep gaat echter wel gepaard met lange wachtlijsten voor woongroepen en de relatieve populariteit van deze woonvorm.
Figuur 9: SOC vraag “Redenen om niet in de huidige woning te blijven wonen.” Wanneer gevraagd naar de geschiktheid van hun woning bij hulpbehoevendheid, gaf een groot deel van de respondenten aan dat hun woning geschikt is. Toch lijkt er een kloof te bestaan in bewustzijn of ondersteuning rondom woningaanpassingen. Veel ouderen overwegen geen aanpassingen aan hun woning, en een aanzienlijk deel van hen is niet op de hoogte van de mogelijkheid om een verhuisconsulent in te schakelen. In de sociale huursector is het in sommige gevallen mogelijk om ondersteuning te krijgen bij het verhuizen door een doorstroommakelaar. Ook ouderenwerkers bieden hulp wanneer dit nodig is. Er ligt een mogelijke een kans voor de gemeente om meer informatie en hulp te bieden bij het toekomstbestendig maken van woningen.
Figuur 11: “Beoordeling van verschillende woningtypen door respondenten.”
Figuur 10: “Ja/Nee antwoorden op woonvragen.”
32
33
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
De woonomgeving blijkt ook een cruciale rol te spelen in het woonplezier van ouderen. De nabijheid van familie en vrienden, goed openbaar vervoer, en winkels/restaurants wordt als zeer belangrijk ervaren. Daarnaast wordt ook veel waarde gehecht aan een groene omgeving en voldoende parkeergelegenheid. Deze voorkeuren benadrukken het belang van een integrale aanpak in stadsplanning, waarin sociale verbinding, mobiliteit en een prettige leefomgeving centraal staan.
Figuur 12: “Beoordeling van woonvoorkeuren door respondenten.” Ervaren veiligheid in de eigen buurt Uit de enquête blijkt dat de meeste ouderen zich overwegend veilig voelen in hun eigen buurt. 170 respondenten geven aan zich altijd veilig te voelen, terwijl 254 respondenten aangeven zich meestal veilig te voelen. Samen vormt dit een duidelijke meerderheid van de ondervraagden. Een kleinere groep ouderen ervaart echter enige onzekerheid over de veiligheid: 78 respondenten geven aan dat ze zich soms wel, soms niet veilig voelen. Slechts een beperkt aantal respondenten voelt zich meestal niet veilig (6) of heeft geen mening over de veiligheid in hun buurt (1 respondent). Deze resultaten tonen aan dat hoewel de algemene veiligheidsbeleving hoog is, er bij een minderheid van de ouderen ruimte is voor verbetering. Gemeentelijke initiatieven zoals het vergroten van sociale cohesie, betere straatverlichting en buurtwachten kunnen bijdragen aan een nog hoger veiligheidsgevoel, vooral voor degenen die onzekerheid ervaren.
34
Figuur 13: SOC-vraag “Voelt u zich veilig in uw eigen buurt?”
5.3 Mobiliteit en vervoer
Afhankelijkheid en Gebruik van het Openbaar Vervoer Uit de survey blijkt dat een meerderheid van de respondenten (68,3%) niet afhankelijk is van het openbaar vervoer. Slechts 29,1% geeft aan wel afhankelijk te zijn, terwijl 2,6% aangeeft dit niet te weten. Wat betreft het gebruik van het openbaar vervoer, maakt 33,9% van de respondenten er nooit gebruik van, terwijl 50,4% het één of twee keer per week gebruikt. Een kleiner deel, 11,9%, reist drie tot zes keer per week, en slechts 3,8% gebruikt het openbaar vervoer meer dan zes keer per week. Dit suggereert dat openbaar vervoer voor een relatief grote groep incidenteel of af en toe wordt gebruikt, terwijl intensief gebruik minder vaak voorkomt.
35
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
Bereikbaarheid van de Woning met Openbaar Vervoer De bereikbaarheid van woningen met het openbaar vervoer wordt door een meerderheid van de respondenten als positief ervaren. Maar liefst 65,4% geeft het cijfer 5 (heel goed bereikbaar) en 23,6% beoordeelt de bereikbaarheid met een 4. Een kleine groep beoordeelt de bereikbaarheid met een lager cijfer: 8,1% geeft een 3, 2,6% een 2, en slechts 0,3% beoordeelt het met een 1 (helemaal niet bereikbaar). Dit wijst erop dat openbaar vervoer over het algemeen goed toegankelijk is voor de meeste respondenten, hoewel er enkele verbeterpunten zijn voor specifieke situaties.
Figuur 15: SOC-vraag hoe bereikbaar de woning is met het openbaar vervoer.
Figuren 14a en 14b: SOC-vragen rondom thema Openbaar vervoer.
36
37
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
Taxi’s Het gebruik van reguliere taxi’s onder senioren is beperkt, met slechts 9,8% van de respondenten die hier gebruik van maken. De meerderheid gebruikt een taxi 1-2 keer per week, wat wijst op een incidentele behoefte aan deze vorm van vervoer. Het gebruik van Wmo-taxi’s is nog beperkter, met slechts 5,4% van de respondenten die hiervan gebruik maken. Ook hier geldt dat het gebruik voornamelijk beperkt blijft tot 1-2 keer per week. Deze resultaten laten zien dat taxi’s, zowel regulier als via de Wmo, slechts een kleine rol spelen in het vervoerspatroon van de ondervraagde senioren.
Autobezit en verwachting van invalidenparkeerplek aanvragen Uit de enquête onder 512 respondenten blijkt dat een meerderheid (67,8%) van de ondervraagde ouderen nog een eigen auto bezit. Daarentegen geeft 32,2% van de respondenten aan geen eigen voertuig meer te hebben. Dit wijst op een significante groep binnen de oudere bevolking die afhankelijk is van andere vervoersopties, zoals openbaar vervoer, fietsen of hulp van derden. Daarnaast werd gevraagd in hoeverre men verwacht binnen de komende 12 maanden een invalidenparkeerplaats aan te vragen. Van de 243 respondenten die een geldige score gaven, gaf 77,4% aan dat zij dit ‘helemaal niet waarschijnlijk’ vinden. Slechts een kleine groep (10,7%) acht de kans ‘heel erg waarschijnlijk’. Opvallend is dat een aanzienlijk aantal respondenten (52,5%) de vraag heeft overgeslagen of aangaf geen mening te hebben. Dit kan duiden op een beperkte bekendheid met de regeling, een afwachtende houding, of een groep ouderen die de vraag als niet relevant voor hun situatie beschouwt.
Figuur 17: SOC-vraag Rijdt u nog een eigen auto?
Figuren 16a t/m 16d: SOC-vragen rondom gebruik van (Wmo) taxi’s.
Figuur 18: SOC-vraag “Hoe waarschijnlijk gaat u in de komende 12 maanden een invalidenparkeerplek aanvragen?”
38
39
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
5.4 Gemeentelijke dienstverlening en ondersteuning
Bekendheid en ervaring met ouderenwerkers en wijkcentra De survey geeft waardevolle inzichten in de bekendheid met en ervaring van ouderen met wijkcentra en ouderenwerkers. Over het algemeen blijkt dat er nog ruimte is voor verbetering in de zichtbaarheid en toegankelijkheid van deze voorzieningen. Een overgrote meerderheid van de respondenten (441) weet niet wie de ouderenwerker in hun wijk of buurt is. Slechts 21 respondenten geven aan bekend te zijn met de ouderenwerker, terwijl 34 respondenten dit niet zeker weten. Dit benadrukt dat ouderenwerkers meer zichtbaar en toegankelijk gemaakt zouden kunnen worden. Ouderenwerkers komen vaak in beeld als er een hulpvraag is, zoals via huisartsen of Servicepunten XL, of via een brief die ouderen krijgen bij hun 75ste levensjaar. Ouderenwerkers helpen ouderen die moeite hebben met vraagstukken rondom het ouder worden en dit niet zelf of met hun netwerk kunnen oplossen. Het is daarom van belang dat ouderen het wijkcentrum kennen, zodat ze weten waar ze hulp kunnen aanvragen als dit nodig is, zoals ondersteuning door een ouderenwerker.
Wanneer gevraagd of de respondenten weten waar het wijkcentrum of buurthuis zich bevindt, geeft een meerderheid (338) aan dat zij hiervan op de hoogte zijn. Toch weet een aanzienlijke groep (119 respondenten) dit niet, terwijl 47 respondenten hier twijfels over hebben. Dit wijst op een gebrek aan bekendheid met de fysieke locatie van belangrijke voorzieningen.
Figuur 20: SOC-vraag “Weet u waar het wijkcentrum of buurthuis is in uw wijk of buurt?”
Figuur 19: SOC-vraag “Ik weet wie de ouderenwerker is in mijn wijk of buurt.”
Wat betreft de ervaren toegankelijkheid van ouderenwerkers, geeft een relatief kleine groep (79 respondenten) aan dat zij gemakkelijk contact kunnen opnemen met een ouderenwerker in het wijkcentrum. Daarentegen geven 46 respondenten aan dat dit moeilijk is, en een grote meerderheid (374 respondenten) maakt überhaupt geen gebruik van deze dienst. Dit laat zien dat ouderenwerkers, zelfs wanneer ze bekend zijn, niet altijd gemakkelijk bereikbaar zijn voor ouderen die hulp nodig hebben.
Figuur 21: “Kunt u, als u hulp nodig heeft, een ouderenwerker in het wijkcentrum makkelijk bereiken?”
40
41
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
Tot slot werd gevraagd of de hulp die beschikbaar is via het wijkcentrum als voldoende wordt ervaren. Slechts 29 respondenten vinden de hulp toereikend, terwijl 12 respondenten aangeven dat dit niet het geval is. Een overweldigende meerderheid (453 respondenten) maakt echter geen gebruik van deze hulpdiensten, wat wellicht een mismatch tussen het aanbod en behoeften van ouderen aangeeft. Ouderen met een concrete zorgvraag maar met een sterk netwerk, gebruiken het wijkcentrum waarschijnlijk niet als dienst.
Figuur 23: SOC-vraag waar ouderen heen gaan voor informatie of hulp. Figuur 22: SOC-vraag “Is de hulp die u kan krijgen van de mensen van het wijkcentrum voor u voldoende?” Conclusie De resultaten onderstrepen de noodzaak om ouderen beter te informeren over en toegang te bieden tot ouderenwerkers en wijkcentra. Een gerichte campagne om de zichtbaarheid van deze voorzieningen te vergroten, gecombineerd met laagdrempelige toegang en beter afgestemde diensten, kan bijdragen aan het welzijn en de zelfstandigheid van ouderen in de stad.
Deze gegevens onderstrepen het belang van digitale toegankelijkheid en het onderhouden van sociale netwerken. Tegelijkertijd wijst het beperkte gebruik van wijkcentra en ouderenwerkers erop dat deze voorzieningen mogelijk onvoldoende bekend of toegankelijk zijn, wat aansluit bij de eerder gesignaleerde lage zichtbaarheid van ouderenwerkers. Aangetekend dient te worden dat welzijnswerk inzet op zichtbaarheid van wijkcentra en niet op de individuele ouderenwerkers per se.
Waar gaan ouderen heen voor informatie of hulp? De resultaten van de enquête laten zien dat internet en familie en vrienden de meest gebruikte bronnen zijn voor ouderen die op zoek zijn naar informatie of hulp. 305 respondenten maken gebruik van internet, terwijl 304 respondenten vertrouwen op hun familie en vrienden. Daarentegen wordt slechts in beperkte mate gebruik gemaakt van het wijkcentrum of de ouderenwerker (48 respondenten) en kranten of folders (101 respondenten). Opvallend is dat 37 respondenten aangeven geen gebruik te maken van een van deze opties.
42
43
ONDERZOEK DEN HAAG SENIORVRIENDELIJKE STAD 2020
6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
6.1. Seniorvriendelijkheid van Den Haag
De gegevens over de seniorvriendelijkheid van Den Haag laten een overwegend positieve ontwikkeling zien in de seniorvriendelijkheid van de stad tussen 2020 en 2024. De algehele score is gestegen, en alle domeinen worden gemiddeld positief beoordeeld. Vooral het domein huisvesting toont een consistente verbetering, terwijl sociale participatie en buitenruimte en gebouwen relatief lager scoren. Dit benadrukt dat, hoewel de algemene trend positief is, er nog ruimte is voor verbetering in bepaalde aspecten van seniorvriendelijkheid. Aanbevelingen: - Verdere stimulering van sociale participatie - De daling in 2022 en slechts lichte stijging in 2024 tonen aan dat sociale participatie een aandachtspunt blijft. Gerichte initiatieven zoals ontmoetingsruimtes, laagdrempelige activiteiten en digitale ondersteuning voor ouderen kunnen de betrokkenheid verhogen. - Investeren in buitenruimte en gebouwen - De relatief lage score op dit domein wijst op verbeterpotentieel in de toegankelijkheid en inrichting van openbare ruimten. Dit kan door middel van veiligere wandelroutes, betere verlichting en zitplekken in openbare ruimten. - Vasthouden aan succesvolle huisvestingsmaatregelen - Huisvesting scoort hoog en blijft stijgen, wat suggereert dat eerdere maatregelen effectief waren.
Dit momentum kan worden benut door meer levensloopbestendige woningen te realiseren en senioren te ondersteunen bij woningaanpassingen. - Verbetering van transport en mobiliteit- De stijging in de transportscore in 2024 is positief, maar verdere investeringen in toegankelijk en duurzaam vervoer kunnen de mobiliteit van ouderen verder verbeteren. Dit kan door betere OV-voorzieningen en uitbreiding van gedeelde vervoersopties voor senioren. - Gerichte communicatie en informatievoorziening - De score op communicatie en informatie stijgt, maar er is ruimte voor verdere verbetering. Het toegankelijker maken van gemeentelijke informatie, bijvoorbeeld door digitale ondersteuning en begrijpelijke taal, kan bijdragen aan een inclusieve seniorvriendelijke stad.
6.2. Duurzaamheid
Uit de analyse blijkt dat sociaaleconomische en demografische factoren een sterke invloed hebben op duurzaamheid. Hoger opgeleiden en financieel stabiele inwoners scoren hoger op duurzaamheid, terwijl huurders en financieel kwetsbare groepen achterblijven. Ook blijkt dat ervaren seniorvriendelijkheid bijdraagt aan duurzaam gedrag en dat vrouwen en inwoners met een migratieachtergrond over het algemeen duurzamer handelen. Aanbevelingen: - Duurzaamheidseducatie – Vergroot kennis over duurzaamheid via laagdrempelige voorlichtingsprogramma’s in wijken en scholen. - Financiële ondersteuning – Stimuleer duurzame investeringen door subsidies en leningen, met speciale aandacht voor huurders en lagere inkomensgroepen. - Seniorvriendelijke duurzaamheid – Verbeter de toegankelijkheid en leefbaarheid van de stad om duurzaam gedrag onder ouderen te bevorderen. - Inclusief duurzaamheidsbeleid – Betrek diverse bevolkingsgroepen bij duurzaamheidsinitiatieven en ondersteun initiatieven in buurten met een lage duurzaamheidsscore. - Duurzame woningmarkt – Werk samen met woningcorporaties om energiebesparende maatregelen in huurwoningen te stimuleren en huurders meer zeggenschap te geven over verduurzaming.
44
45
INTEGRALE RAPPORTAGE MONITOR SENIORVRIENDELIJKE STAD DEN HAAG
6.3. Top-up vragen SOC 2024
De analyse van de top-up vragen binnen het onderzoek biedt waardevolle inzichten in de ervaren leefbaarheid, mobiliteit, gezondheid en gemeentelijke ondersteuning voor ouderen in Den Haag. De resultaten laten zien dat ouderen overwegend tevreden zijn met hun woonomgeving en mobiliteit, maar dat er specifieke aandachtspunten zijn rondom gezondheid, valpreventie, digitale vaardigheden en sociale participatie. Daarnaast blijkt dat veel ouderen weinig bekendheid hebben met ouderenwerkers en wijkcentra, wat duidt op verbeterpunten in de gemeentelijke dienstverlening. Aanbevelingen: - Gezonde voeding toegankelijker maken o Aangezien financiële barrières het meest genoemde obstakel zijn voor gezond eten, kan de gemeente inzetten op betaalbare en toegankelijke gezonde voedingsinitiatieven, zoals subsidies voor gezonde maaltijden of kortingsregelingen voor verse producten. o Sociale eetinitiatieven, zoals gezamenlijke maaltijden in wijkcentra of ‘aanschuiftafels’, kunnen eenzaamheid verminderen en gezonde voeding stimuleren. - Gerichte valpreventieprogramma’s o Gezien de aanzienlijke groep ouderen met angst om te vallen en het hoge aantal valincidenten, is een continuering van valpreventieprogramma’s essentieel. Gemeente Den Haag biedt al 2 jaar zo’n programma aan.
o Dit kan via voorlichtingscampagnes, aangepaste beweegprogramma’s en het stimuleren van woningaanpassingen om valrisico’s te verkleinen. - Digitale inclusie vergroten o De enquête toont aan dat een substantieel aantal ouderen bereid is om hun digitale vaardigheden te verbeteren. De gemeente kan dit ondersteunen met laagdrempelige cursussen, digitale inloopspreekuren en begeleiding via bibliotheken en wijkcentra. o Samenwerkingen met vrijwilligers en maatschappelijke organisaties kunnen bijdragen aan een bredere ondersteuning van ouderen op digitaal gebied. - Toekomstbestendige woningen en ondersteuning bij verhuizen o Veel ouderen willen in hun huidige woning blijven wonen, maar sommige ervaren barrières zoals hoge onderhoudskosten of een gebrek aan aanpassingen. De gemeente kan voorlichting geven over woningaanpassingen en de inzet van verhuiscoaches stimuleren. o De ontwikkeling van meer levensloopbestendige woningen, met een focus op toegankelijkheid en betaalbaarheid, kan bijdragen aan een duurzame woonsituatie voor senioren. - Verbetering van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van gemeentelijke diensten o De lage bekendheid met ouderenwerkers en wijkcentra benadrukt dat hier nog werk te verrichten is. Dit kan onder meer door betere communicatie via lokale media, huis-aan-huisfolders en digitale platforms.
o Daarnaast kan het verlagen van drempels voor hulpvragen, bijvoorbeeld door spreekuren en proactieve huisbezoeken, ouderen beter ondersteunen bij het vinden van passende hulp en activiteiten.
46
Adresgegevens Johanna Westerdijkplein 75 2521 EN Den Haag
dehaagsehogeschool.nl