RIS322092 Wie het eerst meldt bepaalt het demonstratierecht
Tekst van het document
RIS-nummer: 322092
Schriftelijke vragen: Wie het eerst meldt, bepaalt het demonstratierecht? Indiener: Yousef Assad, Marije Mostert en Marieke van Doorn, D66
Datum: 29 april 2025
Aan de voorzitter van de gemeenteraad, Op 23 januari 2025 protesteerden Oeigoeren, Tibetanen en Chinese dissidenten vreedzaam in Den Haag tegen het bezoek van de Chinese vicepremier Ding Xuexiang aan premier Schoof. Uit een reconstructie van NRC1 blijkt dat deze demonstranten door de gemeente op ruime afstand van het Catshuis zijn geplaatst, buiten zicht- en gehoorsafstand van de Chinese delegatie. Tegelijkertijd werd een pro-Chinese demonstratie wél toegestaan bij de hoofdingang van het Catshuis, zichtbaar en hoorbaar voor de pers en het gezelschap van de vicepremier. De pro-Chinese demonstratie werd georganiseerd door een studentenvereniging met aantoonbare banden met de Chinese ambassade, en werd al aangemeld vóór het bezoek van de vicepremier officieel bekend was gemaakt. Ondertussen werd aan de Oeigoerse en Tibetaanse demonstranten niet alleen een zicht- en hoorlocatie ontzegd, maar ook de mogelijkheid geweigerd zich bij andere vreedzame demonstranten aan te sluiten. Op het moment dat enkele demonstranten alsnog in zicht kwamen, werden zij door de politie met een busje en zoeklicht teruggedreven — zonder dat sprake was van agressie of wanordelijkheid.
Daarnaast beschrijft het artikel hoe demonstranten stelselmatig worden gefilmd door onbekenden met een vermoedelijke link naar de Chinese staat en hoe dat leidt tot angst, zelfcensuur en mogelijke repercussies voor familieleden in China. Ook dit gebeurde op 23 januari. Dit werpt de vraag op in hoeverre Den Haag demonstranten daadwerkelijk beschermt tegen transnationale intimidatie, en of de gemeente zich voldoende inspant om hun vrijheid en veiligheid te waarborgen. Overeenkomstig art. 30 van het Reglement van orde stellen de raadsleden Yousef Assad (D66), Marije Mostert (D66) en Marieke van Doorn (D66) de volgende vragen. D66 vindt dat het demonstratierecht nooit mag worden ondermijnd. Zeker niet wanneer het gaat om groepen die zelf slachtoffer zijn van een repressief regime. Een zichtbare en hoorbare plek om te demonstreren hoort niet afhankelijk te zijn van voorkennis, invloed of inschikkelijkheid, maar van het recht om gehoord te worden. Juist Den Haag moet dat actief beschermen. 1.
Kan de burgemeester aangeven of het klopt dat de pro-Chinese demonstratie van de ACSSNL bij het Catshuis op 23 januari is aangemeld vóórdat het bezoek van de Chinese vicepremier openbaar was gemaakt? Hoe is deze demonstratie bij de gemeente bekend geworden en via welk kanaal is deze aangemeld?
2. Klopt het dat de Oeigoerse en Tibetaanse demonstranten pas later hun demonstratie hebben aangemeld? Op basis van welke afwegingen is besloten om de locatie van de Oeigoerse en
1
Hoe kritische demonstranten tijdens Chinees bezoek aan Den Haag uit het zicht verdwenen - NRC
Tibetaanse demonstranten te verplaatsen naar een plek op ruim 400 meter afstand van het Catshuis? 3. Hoe is daarbij het internationaal erkende uitgangspunt van zichtbaarheid en hoorbaarheid (“within sight and sound”) meegewogen, welk belang is daaraan toegekend, en op welke wijze is daar naar het oordeel van de burgemeester recht aan gedaan? 4. Is de burgemeester van mening dat de locatie bij het World Forum voldeed aan het internationaal aanvaarde uitgangspunt dat demonstranten hun boodschap “within sight and sound” van het doelwit moeten kunnen uiten? 5.
Welke rol speelde het ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’-principe bij deze besluitvorming?
6. Erkent de burgemeester dat dit principe ongeschikt is wanneer het leidt tot systematische uitsluiting van minderheden of kritische groepen van zichtlocaties? Zo ja, waarom is dit principe in dit geval gehanteerd? Zo nee, waarom niet? 7.
Hoe reflecteert de burgemeester op het oordeel van Amnesty International dat een overheid actief moet voorkomen dat demonstranten door vroege aanmelding een relevante demonstratielocatie kunnen blokkeren?
8. Hoe reflecteert de burgemeester, terugkijkend, op het feit dat op 23 januari door vroege aanmelding een zichtlocatie is geblokkeerd en dat een groep vreedzame demonstranten niet zichtbaar en hoorbaar heeft kunnen demonstreren richting hun beoogde doelwit? Acht de burgemeester dat hiermee recht is gedaan aan het demonstratierecht zoals bedoeld in nationale en internationale normen 9. Is de burgemeester bereid voortaan actief beleid te voeren om te voorkomen dat vroege aanmeldingen van demonstraties leiden tot het blokkeren van relevante zichtlocaties voor andere groepen? Zo nee, waarom niet? 10. Heeft de burgemeester overwogen of, en zo ja waarom, het wenselijk was dat de ene groep demonstranten (in dit geval de pro-Chinese demonstratie) direct zichtbaar en hoorbaar kon zijn voor de delegatie, terwijl een andere groep demonstranten (de kritische demonstranten) dat niet kon? Indieners merken hierbij op dat het hen niet gaat om de inhoud van de demonstraties, maar om het beginsel dat beide groepen in gelijke mate recht hebben op een zicht- en hoorlocatie. 11.
Klopt het dat verzoeken van Oeigoerse en Tibetaanse demonstranten om hun protest dichter bij het Catshuis te mogen houden zijn geweigerd? Wat was hiervoor de onderbouwing? Klopt het dat ook het verzoek is afgewezen van de Oeigoerse en Tibetaanse demonstranten om zich aan te sluiten bij een andere vreedzame demonstratie (zoals die van Falun Gong)? Wat was hiervoor de onderbouwing? 12. Kan de burgemeester aangeven of de politie op 23 januari aanwijzingen heeft gehad voor dreigend geweld of wanordelijkheid vanuit de kritische demonstranten? 13. Klopt het dat de politie gebruik heeft gemaakt van een busje, luidspreker en zoeklicht om demonstranten fysiek terug te dringen van de route van de Chinese vicepremier, ook toen zij zich vreedzaam opstelden? 14. Heeft de burgemeester de locatiekeuze en het optreden van de politie op 23 januari geëvalueerd? Zo nee, waarom niet, en is de burgemeester bereid dit alsnog te doen in het licht
van het uitgangspunt dat demonstraties zichtbaar en hoorbaar moeten kunnen zijn voor hun doelwit? Is de burgemeester bereid deze evaluatie te delen met de raad? 15. Waarom is gekozen voor precies deze locatie (hoek Churchilllaan/World Forum) voor de kritische demonstranten? Zijn ook alternatieven onderzocht die dichter bij het Catshuis lagen en zicht boden? Heeft de gemeente getoetst of de gekozen locatie effectief was voor de uitoefening van het demonstratierecht en wat kwam hieruit? 16. Heeft de burgemeester overwogen om de latere aanmelders alsnog dichter bij het Catshuis te faciliteren, gelet op de inhoud en aard van hun protest? 17. Kan de burgemeester aangeven of de gemeente of politie voorafgaand aan 23 januari contact heeft gehad met het kabinet of de Rijksvoorlichtingsdienst over de geplande demonstraties? Zo ja, welk invloed heeft dit gehad op de besluitvorming? 18. Heeft de Chinese ambassade bezwaar gemaakt tegen zichtbare protesten van Oeigoeren, Tibetanen of Falun Gong in de nabijheid van de delegatie? 19. Is bij de gemeente of politie bekend dat demonstranten structureel worden gefotografeerd en gefilmd door onbekenden tijdens protesten gericht tegen de Chinese overheid? Heeft de gemeente ooit onderzoek laten doen naar de aanwezigheid van Chinese ‘waarnemers’ of ‘influencers’ bij demonstraties in Den Haag? 20.
Wordt er gemonitord of en hoe buitenlandse actoren het demonstratieklimaat in Den Haag beïnvloeden? 21. Kan de burgemeester aangeven of de gemeente of de politie aanwijzingen heeft dat deze beelden worden gedeeld met of gebruikt door personen of instanties die gelieerd zijn aan de Chinese overheid? 22. Hoe beoordeelt de burgemeester de impact hiervan op het demonstratieklimaat in Den Haag, met name voor activisten van Oeigoerse, Tibetaanse of Chinese afkomst? 23. Welke maatregelen treft de burgemeester om demonstranten te beschermen tegen deze vorm van transnationale repressie en intimidatie? 24. Worden demonstranten geïnformeerd over hun rechten en over hoe zij zich kunnen beschermen tegen identificatie of intimidatie? 25. Heeft de burgemeester signalen ontvangen dat demonstranten afzien van deelname uit angst voor repercussies voor hun familie in het buitenland? 26. Is de burgemeester zich ervan bewust dat sommige demonstranten vanwege risico’s voor familie in het buitenland hun deelname aan protesten beperken of anonimiseren? Herkent dat dit een chilling effect kan hebben op het demonstratierecht? 27. Is er contact met organisaties zoals Amnesty of lokale diaspora-organisaties over bescherming van deze groepen tijdens demonstraties? 28.
Welke concrete stappen neemt de burgemeester om structureel veilige deelname mogelijk te maken voor groepen die doelwit zijn van transnationale repressie?
29. Wat doet het college om de algemene veiligheid van Oeigoerse, Tibetaanse en andere Chinese dissidente groepen in Den Haag te beschermen, ook buiten demonstraties om? 30. Op welke wijze werkt het college samen met maatschappelijke organisaties, onderwijsinstellingen en andere partners om de veiligheid van deze groepen structureel te waarborgen? Yousef Assad Marije Mostert Marieke van Doorn D66