RIS322035 Vervolgvragen Betaalbare warmte onder druk
Tekst van het document
RIS-nummer: 322035
Schriftelijke vragen: Vervolgvragen Betaalbare warmte onder druk Indieners: Noud Dumoulin, Haagse VVD Datum: 16 april 2025 Aan de voorzitter van de gemeenteraad, In de beantwoording van de schriftelijke vragen “Betaalbare warmte onder druk” (RIS321550) stelt het college in reactie op vraag 2 dat de gemeente Den Haag en Hagenaars geen geld hoeven te investeren in het WarmtelinQ-project. Daarmee gaat het college voorbij aan de vraag of het project onvoorspelbare (financiële) gevolgen kan hebben voor Hagenaars. Volgens de website van WarmtelinQ spelen eventuele toegenomen kosten ‘indirect een rol in de rekening voor stadswarmte’. De aanlegkosten worden doorberekend aan warmteleveranciers die dat kunnen doorberekenen aan de eindgebruiker. Het maximale tarief is nu nog gekoppeld aan de gasprijzen, maar dat wordt met de Wet collectieve warmte waarschijnlijk gekoppeld aan gemaakte kosten, plus een redelijk tarief. Niet voor niets stelt de Raad van State over dit deel van het wetsvoorstel: “Niet te veel betalen, is echter niet hetzelfde als betaalbare tarieven voor gebruikers”. Naar aanleiding hiervan en overeenkomstig art. 30 van het Reglement van orde stelt raadslid Noud Dumoulin, Haagse VVD, de volgende vragen: 1.
Ziet het college net als de Haagse VVD en de Raad van State risico’s in de betaalbaarheid van warmte in Den Haag op het moment dat het maximale tarief gekoppeld gaat worden aan gemaakte kosten plus een redelijk tarief? Graag een toelichting.
2. Gegeven de mogelijkheid om kosten door te berekenen en het (beoogde) loslaten van de koppeling aan de gasprijs, is het college het met de Haagse VVD eens dat hogere aanlegkosten van WarmtelinQ wel degelijk een risico vormen voor de betaalbaarheid van warmte van Hagenaars? Zo ja, hoe wil het college dat risico beheersen? Zo nee, waarom niet? In de beantwoording laat het college weten de Miljoenennota af te wachten om te kijken of het Rijk zal bijspringen in de kostenstijging en dus hoe de stijgende kosten worden verdeeld. 3. Is het college het met de Haagse VVD eens dat het college geen afwachtende houding zou moeten aannemen, maar juist nu zou moeten lobbyen om de belangen van Hagenaars te behartigen en besluitvorming van het Rijk en de Miljoenennota te beïnvloeden in deze kwestie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is de inzet van het college? In de beantwoording op vragen 5 en 6 stelt het college onder andere dat Hagenaars een aantrekkelijk bod krijgen neergelegd in hun keuze voor een warmtenet, dit voor ruim 100.000 woningen een goede optie is en dat stijgende kosten van een bestaand warmtenet voor de rekening van de gebruikers zijn. Het college gaat niet in op de vraag met hoeveel aansluitingen rekening is gehouden specifiek voor WarmtelinQ en waar en wanneer die gerealiseerd zijn.
Dit is relevant voor een deel van de business case van WarmtelinQ en de prijs die aangesloten huishoudens gaan betalen. 4. Kan het college alsnog aangeven hoeveel huishoudens via WarmtelinQ van warmte kunnen worden voorzien, waar in Den Haag deze staan, wanneer de gemeente ‘een aantrekkelijk bod’ gaat doen en wanneer de warmtenetten gerealiseerd zouden moeten zijn? Graag een toelichting op de
status van alle plannen voor de aanleg van (nieuwe) warmtenetten als uitwerking van de Transitievisie Warmte, ook als deze nog niet van de grond zijn gekomen. 5. Beoogt het college om met WarmtelinQ (een deel van) de bestaande warmtenetten van warmte te voorzien? Zo ja, wat betekent dat voor de kosten voor Hagenaars die nu al zijn aangesloten op één van die warmtenetten op het moment dat nog geen nieuwe warmtenetten en aansluitingen zijn gerealiseerd? 6. Wat zijn de financiële gevolgen voor de nu al aangesloten Hagenaars als het beoogde aantal huishoudens niet wordt aangesloten en hoe worden de prijzen in dat geval betaalbaar gehouden? Graag een toelichting. Eerder dit jaar heeft het college de raad geïnformeerd over de voortgang van WarmtelinQ (RIS321088). Hierin wordt onder andere gesteld dat het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor de werkzaamheden in Leidschenveen-Ypenburg. Ook geeft het college aan dat het een voorschrift ‘onherroepelijk provinciaal inpassingsplan’ heeft toegevoegd. Dit zorgt ervoor dat de aanleg niet kan starten nu partijen van buiten Den Haag bezwaar hebben gemaakt over delen van het tracé die buiten Den Haag liggen. 7.
Kan het college een update geven van de juridische stand van zaken rond het project, inclusief een globale schatting van juridische kosten? Hoe groot acht het college de kans dat de bezwaren gegrond worden verklaard en dat dit gevolgen heeft voor de aanleg op Haags grondgebied, op basis van eerdere procedures over de aanleg van WarmtelinQ naar Den Haag en/of naar Leiden?
8. Kan het college aangeven of dit voorschrift en de daaruit volgende vertraging leidt tot hogere kosten voor de aanleg? Indien dat het geval is, hoe hoog zijn de meerkosten en door wie worden die betaald? Zo niet, waarom niet? 9. Is de gemeente op deze manier mede oorzaak van hoger oplopende aanlegkosten? Graag een toelichting. 10. Kan de gemeente aansprakelijk worden gesteld voor hogere aanlegkosten als deze zijn gemaakt vanwege door het college gestelde aanvullende voorwaarden? Graag een toelichting. 11. In de brief schrijft het college dat het voorschrift moet voorkomen dat een houtopstand wordt gekapt. Kan het college toelichten hoeveel bomen gekapt zouden moeten worden voor dit project en hoe waarschijnlijk het is dat deze bomen niet meer gekapt hoeven te worden door het voorschrift? Kan het college tevens aangeven of de optie is overwogen om nieuwe bomen te planten, waardoor groen wordt gecompenseerd en de aanleg door zou kunnen gaan? 12. Is het college het met de Haagse VVD eens dat de raad geïnformeerd moet worden over (geschatte en/of verwachte) kosten als het college een besluit neemt over een dergelijk voorschrift als (blijkt dat) deze mogelijk grote financiële gevolgen heeft voor de gemeente Den Haag en Hagenaars? Graag een toelichting.
Noud Dumoulin, Haagse VVD