CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS321455 Bijlage 3 Advies van de Adviescommissie bezwaarschriften inzake Stationsweg 6 en 10B

Gemeenteraad 13 maart 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college met betrekking tot Beslissing op bezwaar inzake verzoek om herziening omgevingsplan ter plaatse van de Stationsweg 6 en 10b (RIS321455)1.810 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Adviescommissie bezwaarschriften Ons kenmerk

B.3.24.2481.001

Advies aan burgemeester en wethouders Bezwaarschrift van: Bestreden besluit:

[naam] Stationsweg 6 en 10B (niet in behandeling nemen verzoek correctie omgevingsplan)

Den Haag 19 december 2024, Samenvatting Bij brief van 17 april heeft bezwaarmaker ten aanzien van de panden aan de Stationsweg 6 en 10b verzocht om een wijziging van het omgevingsplan met betrekking tot de functieaanduidingen ‘maatschappelijk’ en ‘kantoor’. Het college heeft (op verzoek van de gemeenteraad) bij brief van 17 juni 2024 besloten om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Bezwaarmaker kan als huurder van (een deel van) het pand geen formele aanvraag indienen om het bestemmingsplan te wijzigen. Daarnaast is namens het college aangegeven dat er geen aanleiding bestaat om het plan op de door bezwaarmaker gewenste wijze te wijzigen. De commissie meent dat bezwaarmaker wel als belanghebbende kan worden aangemerkt, zodat het verzoek onterecht buiten behandeling is gesteld. Echter in het verzoek van bezwaarmaker om het bestemmingsplan te wijzigen, heeft het college in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien om een nieuw (gewijzigd) bestemmingsplan vast te stellen. Het bestreden besluit kan met overneming van de motivering in dit advies in stand blijven. De commissie adviseert dan ook om de bezwaren ongegrond te verklaren. Tot slot merkt de commissie op dat de gemeenteraad het besluit op bezwaar zal moeten nemen.

Inleiding Bij besluit van 17 juni 2024 is door het college besloten om de aanvraag tot wijziging van de bestemming van de panden aan de Stationsweg 6 en 10b niet in behandeling te nemen. Bij brief van 28 juli 2024 heeft [naam] (hierna: bezwaarmaker), woonachtig op het adres Stationsweg 6B, hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Namens het college is op de bezwaren gereageerd door middel van een verweerschrift d.d. 20 september 2024. De commissie heeft hiervan kennisgenomen. Hoorzitting Op 2 oktober 2024 heeft de Adviescommissie bezwaarschriften (hierna: de commissie) een hoorzitting gehouden. Het verslag van deze hoorzitting treft u hierbij aan. De commissie baseert haar advies op het procesdossier en de overige, bij de partijen bekende stukken.

JBZ.2024.02481.001

2

Overwegingen van de commissie a.

Samenvatting van het bezwaarschrift

De bezwaren die bezwaarmaker in het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting naar voren heeft gebracht, komen samengevat op het volgende neer: 1.

2. b.

Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan verkeerden de bewoners in de veronderstelling dat de bestemming “kantoor” zou worden gewijzigd in de bestemming “maatschappelijk”. Bezwaarmaker verzoekt daarom om de bestemmingen te wijzigen, zodanig dat de bestemming maatschappelijk gaat gelden voor de gehele bedrijfsruimte op Stationsweg 6 en dat de functieaanduiding “kantoor” beperkt wordt tot de bedrijfsruimte op Stationsweg 10b. Bezwaarmaker kan zich niet vinden in het feit dat hij geen belanghebbende zou zijn. Als bestuurslid van de bewonerscommissie meent hij wel als belanghebbende te moeten worden aangemerkt. Waar gaat het in dit geval om?

Primair is aan de orde de vraag of het college op juiste gronden heeft besloten om de aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan niet in behandeling te nemen. Daarnaast zal de commissie beoordelen of het college aanleiding had moeten zien om het omgevingsplan op de door bezwaarmaker gewenste wijze te wijzigen. c.

Inhoudelijke beoordeling bezwaren

Met betrekking tot deze bezwaren en het bestreden besluit overweegt de commissie als volgt. Bij brief van 17 april heeft bezwaarmaker ten aanzien van de panden aan de Stationsweg 6 en 10b verzocht om een wijziging van het omgevingsplan met betrekking tot de functieaanduidingen ‘maatschappelijk’ en ‘kantoor’, zodanig dat de bestemming maatschappelijk gaat gelden voor de gehele bedrijfsruimte op Stationsweg 6 en dat de functieaanduiding “kantoor” beperkt wordt tot de bedrijfsruimte op Stationsweg 10b. Volgens bezwaarmaker zijn de gegevens in de BAG (Basisadministratie Adressen en Gebouwen) en BGT (Basisadministratie Grootschalige Topografie) de geometrie van beide aanduidingen in het bestemmingsplan Stationsbuurt onjuist. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Stationsbuurt’ heeft het pand de bestemming “Gemengd-1” en de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 2”. De voorzijde van het pand (de plint) heeft de functieaanduiding “maatschappelijk”, terwijl de gronden aan de achterzijde van het pand de functieaanduiding “kantoor” hebben. Het bestemmingsplan is op 1 oktober 2015 vastgesteld en daarna onherroepelijk geworden. Het bestemmingsplan is bij het inwerkingtreden van de Omgevingswet onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan.

Bij brief van 17 juni 2024 heeft het college (op verzoek van de gemeenteraad) besloten om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Bezwaarmaker kan, aldus het college, als huurder van (een deel van) het pand geen formele aanvraag indienen om het bestemmingsplan te wijzigen. Daarnaast is namens het college aangegeven dat er geen aanleiding bestaat om het omgevingsplan op de door bezwaarmaker gewenste wijze te wijzigen. De commissie zal in dit verband eerst de vraag beantwoorden of het college op juiste gronden heeft mogen besluiten om het verzoek van betrokkene niet in behandeling te nemen. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (zie uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:948, rechtsoverweging 7 en uitspraak van 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2625) geoordeeld dat een weigering om (gewijzigd) bestemmingsplan vast te stellen gelijk moet worden gesteld met een besluit, waartegen bezwaar en beroep openstaat, ook als hieraan een

JBZ.2024.02481.001

3

verzoek van een niet-belanghebbende ten grondslag ligt. Voor het oordeel dat een verzoeker belanghebbende is bij de weigering om het bestemmingsplan te herzien, is voldoende dat hij of zij eigenaar is van het naastgelegen perceel. Bezwaarmaker is geen eigenaar, maar huurder en bewoner van het naastgelegen pand. Hoewel het in deze zeer de vraag is of dat voldoende is om bij een verzoek als het onderhavige als belanghebbende te worden aangemerkt, komt de commissie, zoals ook in het verweerschrift is aangegeven, tot de conclusie dat het verzoek van bezwaarmaker ten onrechte buiten behandeling is gesteld. Het bezwaar van bezwaarmaker slaagt op dit punt. De commissie zal nu de vraag beantwoorden of het college aanleiding had moeten zien om het omgevingsplan (bestemmingsplan) gewijzigd vast te stellen op de wijze die bezwaarmaker voorstelt. De commissie heeft in dit verband kennisgenomen van het primaire besluit alsook van het verweerschrift waarin het standpunt van de gemeente is verwoord. Los van het feit dat het bevoegde bestuursorgaan op grond van vaste rechtspraak beleidsruimte heeft om al dan niet tot een wijziging van de toepasselijke ruimtelijke regelgeving over te gaan, stelt de commissie vast dat het geldende bestemmingsplan Stationsbuurt op 1 oktober 2015 is vastgesteld en 6 weken later onherroepelijk is geworden.

Daarnaast neemt de commissie kennis van het feit dat op 30 juni 2023 een omgevingsvergunning is verleend aan Kerk en Co voor het verbouwen en gebruiken van het in geding zijnde pand, conform het toepasselijke bestemmingsplan. De rechtbank heeft over deze omgevingsvergunning geoordeeld dat deze op goede gronden is verleend. Hoewel de omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is, kunnen hier thans wel rechten aan worden ontleend. Naar het oordeel van het college hebben de eigenaar (Staedion) en de huidige huurder (Kerk en Co) rechten opgebouwd op het perceel Stationsweg 6 en 10b en voor het college weegt het belang van deze betrokkenen om het (legale) gebruik voort te zetten zwaarder dan het belang van bezwaarmaker. De commissie ziet in het voorgaande geen aanleiding om te menen dat het college niet in redelijkheid tot weigering van het verzoek kan komen, een en ander gelet op de beleidsruimte die het heeft. Voor zover de stelling van bezwaarmaker, dat er sprake zou zijn van een fout in het bestemmingsplan, al juist is en de gemeenteraad (destijds bij de vaststelling van het bestemmingsplan) een vergissing heeft gemaakt, betekent dat niet dat dit nu moet leiden tot het aanpassen van de verbeelding (kaart). Met het oog op de rechtszekerheid kan alleen in zeer uitzonderlijke situaties worden aangenomen dat een bestemmingsplan een kennelijke misslag bevat.

Het belang van de rechtszekerheid vereist dat van de planregels moet worden uitgegaan. Daarbij speelt ook het tijdsverloop een rol, omdat aan de rechtszekerheid meer gewicht toekomt naarmate er meer tijd is verstreken. Sinds de vaststelling van het bestemmingsplan zijn bijna 10 jaar verstreken. De gemeenteraad heeft nooit aanleiding gezien om een wijziging aan te brengen in de planologische mogelijkheden van het perceel (Vergelijk Rechtbank MiddenNederland, 14 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:684, rechtsoverweging 28). In het verlengde hiervan, en gelet op wat bezwaarmaker verder heeft aangevoerd, merkt de commissie in navolging van het college op dat het gebruiksdoel in de BAG niet gelijk hoeft te zijn aan de planologische bestemming. De BAG registreert het vergunde gebruiksdoel van een bestaand verblijfsobject, hetgeen iets anders is dan de mogelijkheden die een bestemmingsplan wellicht kan bieden door de bestemming die op een bepaald perceel rust. Uit het stelsel van de Wet BAG vloeit voort dat het bestemmingsplan voor de afbakening van verblijfsobjecten geen relevant aspect is (zie: Rechtbank Rotterdam, 21 september 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:7257, rechtsoverweging 6.2 en AbRvS, 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1980) Op grond van het voorgaande meent de commissie dat het verzoek om wijziging van het bestemmingsplan op juiste gronden is genomen.

Met toevoeging van de in bezwaar namens de gemeente aangedragen motivering kan het bestreden besluit in stand blijven. Bevoegdheid raad bij het nemen van de beslissing op bezwaar

JBZ.2024.02481.001

4

Tot slot merkt de commissie nog het volgende op. Op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad de bevoegdheid tot het wijzigen van delen van het omgevingsplan delegeren aan het college. Dit vindt plaats via een zogeheten delegatiebesluit. Op grond van artikel 1, aanhef en onder f, van het Delegatiebesluit omgevingsplan Den Haag 2023, heeft de gemeenteraad besloten om de bevoegdheid tot vaststelling dan wel wijziging van het omgevingsplan te delegeren aan het college, voor zover het betreft het nemen van besluiten om niet tot aanpassing van het omgevingsplan over te gaan. Dit geldt echter niet voor de bevoegdheid om op een bezwaar te beslissen. Op grond van artikel 10:3, derde lid, van de Awb wordt mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift of een verzoek als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, niet verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Het mandaat van de raad aan het college om namens hem een verzoek om planherziening af te wijzen voorziet er niet in en ook artikel 10:3, derde lid, van de Awb staat eraan in de weg dat het college in bezwaar beslist over de weigering het bestemmingsplan te herzien. Die bevoegdheid is voorbehouden aan de raad (AbRvS, 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3004, rechtsoverweging 8.2).

Dit betekent dat de gemeenteraad zelf de beslissing op het bezwaar zal moeten nemen. Advies De commissie is van oordeel dat bezwaarmaker wel belanghebbende is, zodat het verzoek ten onrechte buiten behandeling is gesteld, maar dat dit verzoek, met de in bezwaar aangedragen motviering, kan worden afgewezen. De Adviescommissie bezwaarschriften, secretaris,

vice-voorzitter,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15190625/1