RIS321314 Bijlage Portefeuilleroutekaart voor verduurzaming
Tekst van het document
Portefeuilleroutekaart voor verduurzaming
Centrale Vastgoedorganisatie gemeente Den Haag – 21 februari 2025
Foto: Jurriaan Brobbel
1 Inhoud 1
Inhoud ............................................................................................................................1
2
Inleiding ..........................................................................................................................3
3
2.1
Doelstellingen .........................................................................................................4
2.2
Portefeuilleroutekaart als instrument......................................................................4
2.3
Uitvoeringsplan als concreet programma ................................................................4
2.4
De opdracht ............................................................................................................4
Historie gemeentelijke vastgoedportefeuille ....................................................................5 3.1
4
Stand van zaken verduurzaming tot op heden .........................................................6
Ambitie en Scope .............................................................................................................7 4.1
Gebouwen die verduurzaamd moeten worden zitten in basisportefeuille ................7
4.2
Gebouwen die we nu kunnen verduurzamen zitten in kernportefeuille ...................8
4.3
Een gebouw is duurzaam genoeg als dit ‘Paris Proof’ is ...........................................9
4.4
Ambitieniveau....................................................................................................... 10
4.5
We volgen het tempo zoals in het Klimaatakkoord is vastgelegd............................ 11
1
De opgave in CO2 ........................................................................................................... 12
5
5.1
Terugkijken........................................................................................................... 12
5.2
Het jaar 2023 als vertrekpunt ............................................................................... 13
5.3
De opgave ............................................................................................................. 13
We moeten versnellen met een uitvoeringsplan ............................................................. 15
6
6.1
Er worden al verschillende projecten uitgevoerd ................................................... 15
6.2
We hebben meer projecten nodig die het verschil maken ...................................... 16
6.3
Investeren ............................................................................................................. 17
6.4
Budgetteren .......................................................................................................... 17
6.5
Wat te doen met de overige panden ...................................................................... 18
Verduurzamen naast uitvoeringsplan gaat door............................................................. 19
7
7.1
Drie extra speerpunten verduurzamingswerkzaamheden ...................................... 19
7.2
Bijhouden en bijstellen.......................................................................................... 20
8
Organisatie .................................................................................................................... 21
9
Extra aandachtspunten ................................................................................................. 22 9.1
Mutaties en de routekaart ..................................................................................... 22
9.2
Relatie tot andere routekaarten ............................................................................. 22
9.3
Omgang met circulariteit, klimaatadaptatie, etc .................................................... 22
9.4
Relatie met de CO2-prestatieladder ....................................................................... 23
9.5
Nieuwbouw en grootschalige renovatie ................................................................. 23
10
Vervolg; het opstellen van het uitvoeringsplan ......................................................... 24
11
Bijlages.......................................................................................................................... 25 11.1
Bijlage A: Geplande projecten tot en met 2030 ..................................................... 26
11.2
Bijlage B: Intensivering op lopende projecten vanaf 2024 tot en met 2030 ........... 27
11.3
Bijlage C: Verduurzamingsprojecten op volgorde (€/kg CO2) ............................... 28
11.4
Bijlage D: Enkele scenario’s .................................................................................. 29
2
2 Inleiding Verduurzaming van het gemeentelijk vastgoed is al lange tijd onderdeel van het vastgoedbeleid. In het jaar 2012 is daarvoor de onderhoudsplanning van het gemeentelijke vastgoed opgewaardeerd tot een Duurzame Meerjaren Onderhouds Planning (D-MJOP). In 2018 is voor het eerst een concreet doel voor het verduurzamen van het gemeentelijk vastgoed vastgesteld door de raad1. Aansluiten op de natuurlijke onderhoudsmomenten (koppelkansen), waar dan ook in de te verduurzamen vastgoedportefeuille, is de strategie die hieruit voortkwam. De inzet is het zoveel mogelijk energie/CO2 besparen, met nadruk op ‘snelle winst’- en ‘geen spijt-’maatregelen. Dit type maatregelen was in het begin van het verduurzamingsproces (nog) ruim aanwezig. Het voordeel van deze aanpak is dat er snel andere maatregelen of zelfs een ander gebouw gekozen konden worden. Als nadeel bleek dat snelle en korte termijnbeslissingen arbeidsintensief zijn, en tot gevolg hebben dat complexe opgaves vaak naar achteren geschoven werden. Met de opgedane ervaring en een structurele aanpak kan het verduurzamen van eigen vastgoed naar een hoger niveau gebracht worden, met een ruimer opgezet programma en een eerder gepland, beter controleerbaar uitvoeringsproces.
Bovendien moet de gemeente (als grote vastgoedeigenaar) ook vastleggen hoe, en bewaken dat, de doelstellingen van het nationaal Klimaatakkoord voor de verduurzaming van het gemeentelijk vastgoed gehaald worden. De aansluiting op het onderhoud (koppelkansen) blijft het ritme aangeven voor de verduurzamingsopgave. Tegelijkertijd maken we de nodige versnelling inzichtelijk. In de ‘Portefeuilleroutekaart voor verduurzaming’ geven we aan waarom deze door de gemeente opgesteld moet worden (hoofdstuk 2). Het gemeentelijk vastgoed is een grote maar beperkte groep van gebouwen waar we tot nu toe ook verduurzaamd hebben (hoofdstuk 3). Voor het bepalen van de opgave stellen we vast hoe we de verduurzamingsdoelstellingen van de gemeente en het Rijk specifiek en meetbaar maken voor het Haags gemeentelijk vastgoed (hoofdstuk 4). Met deze meetlat kunnen we bepalen hoe groot de opgave is waar we nu voor staan (hoofdstuk 5). Deze opgave kan op verschillende manieren met extra projecten worden ingevuld (hoofdstuk 6). Deze extra projecten, samen met de bestaande verduurzamingsaanpak maakt het werken aan een duurzame vastgoedportefeuille compleet voor de komende jaren (hoofdstuk 7), 1
‘Verduurzamen gemeentelijk vastgoed’(RIS 299200)
3
vraagt ook op een deels aangepaste organisatie (hoofdstuk 8) en aandacht voor aangrenzende (beleids)gebieden waarmee een belangrijke relaties zijn (hoofdstuk 9). Tenslotte zijn er meerdere mogelijkheden om ons doel in 2030 te bereiken met het starten van verschillende extra verduurzamingsprojecten. Het vervolg op deze portefeuilleroutekaart is dan ook het maken van de beste keuze daarin met het opstellen van het uitvoeringsprogramma tot en met 2030.
2.1 Doelstellingen In het coalitieakkoord 2023 – 2026 ‘Haags Akkoord’ (RIS316672) wordt vastgehouden aan de ambitie om klimaatneutraal te zijn in 2030. Op die manier zet de gemeente maximaal in op de uitvoering van landelijk klimaatbeleid en duurzaamheidsmaatregelen. Dit betekent dat de verduurzaming van het gemeentelijk vastgoed wordt geïntensiveerd om hier voldoende aan bij te dragen. Het betreft hier al het eigen maatschappelijk vastgoed, zowel dat de gemeente zelf gebruikt als het vastgoed dat zij verhuurt aan (maatschappelijke) organisaties. Vanuit het nationaal Klimaatakkoord wordt van de gemeente, als grote vastgoedeigenaar, verlangd dat zij uiterlijk in 2050 over een (nagenoeg) energie neutrale vastgoedportefeuille beschikt. Deze doelstelling (95% CO2-reductie) heeft een tussendoel in 2030: 55% CO2 reductie ten opzichte van 1990. Naarmate de tijd voortschrijdt worden kaders scherper en komen termijnen dichterbij. Dat dwingt de gemeente om de verduurzaming gestructureerd en integraal aan te pakken. De portefeuilleroutekaart voor verduurzaming gemeentelijk vastgoed en het nog op te stellen uitvoeringsplan bieden het perspectief hiervoor.
2.2 Portefeuilleroutekaart als instrument De gemeente Den Haag heeft zich aan het nationaal Klimaatakkoord. Dat is niet vrijblijvend zoals (maatschappelijke) organisaties telkens met succes door de rechter laten toetsen. Het uitwerken en instellen van de portefeuilleroutekaart voor verduurzaming van het eigen vastgoed is dat dus ook niet. Door een portefeuilleroutekaart op te stellen krijgt de gemeente Den Haag inzicht in wat er nodig is om de verduurzaming te realiseren. De gemeente dient een verduurzamingsplan voor haar totale bezit op te stellen aansluitend op de Sectorale routekaart voor gemeentelijk maatschappelijk vastgoed (VNG, 2020). De routekaart geeft inzicht in waar gemeenten nu staan met het gemeentelijk vastgoed. Maar ook hoe daarna op een kosteneffectieve manier kunnen toewerken naar CO2-arm en aardgasvrij vastgoed. Gemeenten moeten elke vier jaar aangeven hoe zij dit aanpakken binnen de eigen vastgoedportefeuille. De portefeuilleroutekaart schetst dus een beeld van de route naar het einddoel, maar verbindt dit ook aan de korte termijn door een concreet uitvoeringsplan op te leveren, dat tenslotte met monitoring en evaluatie telkens wordt bijgestuurd.
2.3 Uitvoeringsplan als concreet programma De portefeuilleroutekaart geeft ons inzicht in de totale omvang van onze uitdaging en de manier hoe we deze zo effectief mogelijk kunnen aangaan voor al onze gebouwen. Uiteindelijk is de vraag: “Wat gaan we doen en wanneer?” Daarvoor is het goed om ook concrete korte termijn doelen te introduceren. De meest voor de hand liggende is die het nationaal Klimaatakkoord ons geeft in het jaar 2030. Het eerste programma waarmee we concreet aangeven wat we gaan doen in welke gebouwen om de klimaatdoelstelling te halen in 2030 noemen we het ‘Uitvoeringsplan 2030’. Het opstellen van dit uitvoeringsplan is het vervolg op de portefeuilleroutekaart.
2.4 De opdracht Medio 2023 heeft het college de opdracht gegeven om de portefeuilleroutekaart voor verduurzaming vorm te geven en het eerste uitvoeringsplan samen te stellen. In december 2023 is via de brief aan de raad ‘Stand van zaken portefeuilleroutekaart voor verduurzaming gemeentelijk vastgoed’ (RIS317367) de voortgang besproken. Aangekondigd is daar dat de portefeuilleroutekaart met daaraan gekoppeld het voorstel voor het eerste uitvoeringsplan voor de komende vijf jaar aan de raad gepresenteerd zal worden. In dit document is de routekaart uitgewerkt en zijn de mogelijkheden opgenomen waaruit het Uitvoeringsplan 2030 kan worden samengesteld.
4
3 Historie gemeentelijke vastgoedportefeuille Op 31 december 2023 bestond de vastgoedportefeuille van de gemeente Den Haag uit 1.271 objecten, bestaande uit 768 panden en 503 percelen grond. Van de panden zijn 670 in eigendom van de gemeente en 98 panden zijn gehuurd door de gemeente of in bruikleen gegeven aan de gemeente. Voor de verduurzamingsopgave wordt in eerste instantie uitgegaan van de gehele gebouwenportefeuille (exclusief gronden) verdeeld over twaalf beleidsportefeuilles en een overhead portefeuille.
Gebouwen per beleidsprogramma weergegeven. 03 - Duurzaamheid, Milieu en Energietransitie 05 - Cultuur en Bibliotheek 06 - Onderwijs 07 - Werk en Inkomen 08 - Zorg, welzijn, jeugd en volksgezondheid 09 - Buitenruimte 10 - Sport 11 - Economie 12 - Mobiliteit 13 - Stadsontwikkeling en Wonen 14 - Stadsdelen, Integratie en Dienstverlening 15 - Financiën Overhead
8 80 109 19 83 82 39 6 110 121 32 24 55
768 Tabel 1: Gemeentelijke vastgoedportefeuille per begrotingsprogramma (hoofd en zelfstandige gebouwen)
5
3.1 Stand van zaken verduurzaming tot op heden Circa 150 gemeentelijke gebouwen zijn, tot nu toe verduurzamingsmaatregelen getroffen of in uitvoering. De opgave, gemeten in CO2-reductie ten opzichte van 1990 (uitgangspunt van het klimaatakkoord), of de stand richting een Paris Proof2-vastgoedportefeuille was echter niet bekend. Daar staat tegenover dat een strategie is gehanteerd van maximale energie/CO2 besparing met de beschikbare middelen. Ook heeft de aanpak zich gericht op het voldoen aan wet- en regelgeving; waar bijvoorbeeld een ‘energielabel C’ verplicht werd voor gebouwen met een kantoorfunctie, voldoet de gemeente hier inmiddels aan. Budgetten sinds 2019 Met de volgende eigen bijdragen hebben we de verduurzaming van het gemeentelijk vastgoed gefinancierd: • 2019: €7 mln. “rendabel3” inclusief financieringskosten • 2019: €3 mln. “onrendabel” inclusief financieringskosten • 2020: €3 mln. “onrendabel” inclusief financieringskosten • 2021: €20 mln. in 2021 (Eneco) exclusief financieringskosten • 2021: €1 mln. Bijdrage DMJOP (Eneco) • 2019 t/m 2023: €4 mln. vanuit onderhoudsreserve • 2025: circa €11,5 mln. voortkomend uit €0,6 mln. structurele middelen • 2026: circa €9,5 mln. voortkomend uit €1,1 mln. structurele middelen • 2027: circa €11,5 mln. voortkomend uit €1,7 mln.
structurele middelen Alle bovengenoemde budgetten zijn opgenomen in diverse jaarschijven van programma 3 ‘Duurzaamheid, Milieu en Energietransitie’. Dat betekent dat deze niet direct toegewezen zijn aan het vastgoed behorende bij een specifiek beleidsprogramma. Budgetten worden tot nu toe, toegewezen aan panden die het, het hardst nodig hebben, beoordeeld vanuit het perspectief van CO2-uitstoot. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld middelen Integrale Huisvestingsplannen (IHP); deze zijn exclusief gekoppeld aan een beleidsprogramma zoals onderwijs, cultuur of sport en gericht op ontwikkelingen in het gebruik van de gebouwen. Naast de bovenstaande budgetten wordt er de rijkssubsidie Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed (Dumava) ingezet. Deze is toegekend in 2022, 2023 en 2024 voor diverse projecten. Voor sportpanden in eigendom van de gemeente is tenslotte vanuit de Eneco-middelen €3 miljoen besteed aan verduurzaming. Duurzame nieuwbouw en grootschalige renovatie waren niet met deze middelen gefinancierd. Een ‘Bijna EnergieNeutraal Gebouw’ (BENG) en/of ‘van het aardgas af’ waren de norm en dienden de middelen daarvoor onderdeel uit te maken van de toegewezen projectbudgetten. Er is sinds 2019 veel verduurzaamd aan gemeentelijk gebouwen. Later in deze routekaart zullen we zien dat er een versnelling is in de afname van CO2 vanaf dat moment.
Maar ook zullen we zien dat het niet snel genoeg gaat en er een hogere versnelling gewenst is.
2
Zie ook hoofdstuk 4.3 ‘Een gebouw is duurzaam genoeg als deze ‘Paris Proof’ is’
3
Rendabel budget: betreft kredietfaciliteit dat gedurende de afschrijvingstijd met extra huurinkomsten wordt afgelost. Deze wordt gebruikt als de voordelen als energiekosten door huurder worden voldaan.
6
4 Ambitie en Scope Voor het versnellen van de verduurzaming van het gemeentelijk vastgoed aan de hand van de portefeuilleroutekaart leggen we vaste welke gebouwen daarin worden opgenomen. Binnen deze groep gebouwen moeten we een prioriteit bepalen; welke gebouwen worden als eerste aangepakt. Ook beantwoorden we de vragen welk resultaat we verwachten en hoeveel tijd we voor deze gebouwen nemen.
4.1 Gebouwen die verduurzaamd moeten worden zitten in
basisportefeuille Om te bepalen welke gebouwen verduurzaamd moeten worden, gebruiken we de methode die door de VNG is toegepast bij het opstellen van de Sectorale Routekaart Maatschappelijk Vastgoed voor gemeenten (2020). Basisportefeuille De Sectorale Routekaart definieert de te verduurzamen basisportefeuille met drie stappen. Deze basisportefeuille vormt de grondslag voor de portefeuilleroutekaart voor verduurzaming. 1. Is het een gebouw (geen grond)? ➢ De gemeente beschikt over 1.271 gebouwen: circa 1,8 mln. m² BVO4 2. Is het volledig eigendom (juridisch en economisch, geen huur)? ➢ De gemeente heeft 670 gebouwen in volle eigendom: circa 1 mln. m² BVO (figuur 1 ‘Alle eigendom, alle functies’)
4
Bruto VloerOppervlakte; de som van de vloeroppervlakte van alle bouwlagen, gemeten langs de buitenomtrek van het gebouw.
7
Figuur 1: Alle eigendom, alle functies
3. Heeft het gebouw een maatschappelijke functie, te weten; • Welzijn, • Cultuur, • Sport, • Ambtelijke huisvesting, • Onderwijs, • Overig maatschappelijk vastgoed5? ➢ Dit maatschappelijk vastgoed van de gemeente betreft 459 gebouwen: 0,8 mln. m² BVO (figuur 2 ‘alle eigendom, maatschappelijke functies’)
Figuur 2: alle eigendom, maatschappelijke functies
4.2 Gebouwen die we nu kunnen verduurzamen zitten in kernportefeuille Nu is gedefinieerd welke gebouwen in aanmerking komen voor verduurzaming is het belangrijk te bepalen in welke volgorde dat moet gebeuren. Het ligt voor de hand om het jaartal van het belangrijk meetmoment 5
De functie ‘Overig maatschappelijk vastgoed’ is niet evident toewijsbaar aan onderwijs, cultuur, welzijn, sport of ambtelijke huisvesting maar beoordelen we wel als maatschappelijk. NB: Er vallen dus ook functies buiten de basisportefeuille omdat er geen maatschappelijke functie aan toe te kennen is zoals bijvoorbeeld commerciële bedrijfsruimtes, parkeren, wonen en winkels. De beoordeling van de niet evident toewijsbare maatschappelijke functies hangt samen met de opvatting over de kerntaken van de gemeente. In deze routekaart oordelen wij hier niet over.
8
uit het nationaal Klimaatakkoord te gebruiken; 2030. In de komende vijf jaren moeten we extra projecten opstarten én afronden om te komen tot de benodigde CO2-reductie6. Met extra projecten moeten we snel, grote stappen zetten. Sommige gebouwen lenen zich daar meer voor dan andere. De onderstaande stappen geven weer hoe de meeste geschikte gebouwen (als voorselectie) zijn gekozen. Kernportefeuille Zolang we kunnen kiezen, hebben gebouwen waarvan we zeker weten dat deze in de toekomst nog worden gebruikt onze voorkeur. Dit de kernportefeuille genoemd. • We stellen de grens op (grotendeels) ongewijzigd gebruik in de komende 10 jaar (zowel programmatisch als technisch). • Het is een randvoorwaarde dat een gebouw in de kernportefeuille zit om in aanmerking te komen voor versnelde verduurzaming. Daarnaast moeten we impact maken. • We passen daarom het criterium ‘oppervlakte is groter dan 2.500 m2 BVO’ toe om tot een groep gebouwen te komen waaruit we keuzes maken voor verduurzaming tot en met 2030. Dit heeft een aantal redenen: o De potentie om CO² te besparen (in absolute zin) is veel groter bij gebouwen van enige omvang. Het past daarom bij een kosteneffectieve aanpak: per vierkante meter is meer winst te behalen voor hetzelfde geld (meest economische inspanning). o Te veel projecten verlagen de kans op succesvolle (tijdige) realisatie.
Dit heeft te maken met de gemeentelijke besluitvorming, capaciteit van de eigen uitvoeringsorganisatie, maar ook de krappe bouwmarkt. Om het doel van 2030 te halen moeten voor het Uitvoeringsplan 2025-2030 dus vooral grote gebouwen gekozen worden. De voorselectie bevat 60 gebouwen die zowel kernportefeuille zijn als een grote impact kunnen maken op het halen van het tussendoel van 2030. Deze 60 gebouwen omvatten samen 0,5 mln. m2 BVO: dat is circa tweederde van het gemeentelijk maatschappelijk vastgoed en laat zien dat hiermee een grote slag te slaan is.
4.3 Een gebouw is duurzaam genoeg als dit ‘Paris Proof’ is De gemeente Den Haag heeft als ambitie om klimaatneutraal te zijn in 2030. De uitstoot van broeikaskassen moet met 95% dalen tot 2050 ten opzichte van 1990 in alle sectoren van onze maatschappij (dit op basis van het nationaal Klimaatakkoord). We willen in Den Haag ook dat gebouwen in 2040 klimaatneutraal zijn. Ook de gemeentelijke gebouwen moeten daar dus hun aandeel bijdragen. Wat we dan precies verwachten met onze gebouwen is daarmee niet direct duidelijk. Als het gebouw energieneutraal wordt, bedoelen we dan een ENG7 of een NOM-gebouw8? En welke aandeel mogen we verwachten van het verduurzamen van onze energie- en warmtebronnen? Kortom, hiervoor hebben we een methode nodig: • waarmee het duidelijk is of een gebouw voldoende bijdraagt aan het halen van de doelstellingen, • waarmee we snel kunnen bepalen hoe een gebouw ervoor staat wat betreft energieverbruik, • die ook rekening houdt het gebruik van het gebouw, • waarmee we voor de toekomst per gebouw een duidelijk en meetbaar doel stellen en • waarmee we de voortgang kunnen volgen. De meeste geschikte methode is de Paris Proof-norm9, ontwikkeld met de Weii-indicator10 als meetinstrument. Hiermee meten we het werkelijke energieverbruik (met de energiemeters van het gebouw)
6
CO2 (koolstofdioxide) is niet het enige broeikasgas dat opwarming van de aarde veroorzaakt maar in de vastgoedportefeuille veruit de belangrijkste. We beschouwen de opgave voor broeikassen daarom gelijk aan de opgave voor CO2. 7 ENG (EnergieNeutraal Gebouw) is de overtreffende trap van BENG (Bijna EnergieNeutraal Gebouw). De BENG-eis maar ook energielabels (allen gebaseerd op NTA8800, de methode voor de bepaling van de energieprestatie van gebouwen) gaan uit van een standaard gebruik voor een beperkt aantal typen gebruik. Een zuinige bedrijfsvoering heeft dus geen invloed op het energielabel of de BENG-eis. 8 Nul-Op-de-Meter; Het gebouw gebruikt jaarlijks evenveel energie van energienetten als dat het terug levert. Gebruik en omstandigheden zijn mede bepalend voor het resultaat. 9 De Paris Proof-norm is ontwikkeld door het Dutch Green Building Counsel, de landelijke maatschappelijke organisatie die zich inzet om de gebouwde omgeving in hoog tempo toekomstbestendig te maken. In deze norm is bepaald welk aandeel gebouwen dienen te nemen in de totale vermindering van broeikasgassen. Er wordt, afhankelijk van het gebouwtype en de grootte van het gebouw, nog maar een kleine hoeveelheid (duurzame opgewekte) energie toegestaan. Als ook dat niet nodig is, spreken we over een werkelijk energieneutraal gebouw (WENG).
Naast het toepassen van de norm is het ook mogelijk om de Paris Proof commitment aan te gaan. Meer dan honderd partijen (waaronder de gemeente Rotterdam) hebben dit inmiddels gedaan. 10
Werkelijke Energie Intensiteit Indicator (in kilowattuur per vierkante meter gebruiksoppervlak per jaar).
9
en bepalen wat het maximaal mag zijn. Het verschil daartussen toont de verduurzamingsopgave voor dat gebouw. De optelsom laat zien wat er bereikt moet worden voor al het gemeentelijk maatschappelijk vastgoed. Een gebouw dat voldoet11 aan de Paris Proof-norm voldoet doorgaans ook aan de renovatiestandaard12, gebaseerd op energielabels. Energielabels blijven belangrijk voor het aantonen dat bepaalde wettelijke eisen gehaald zijn, zoals het energielabel C voor kantoren of het voldoen aan de renovatiestandaard bij informatieplichtige gebouwen 13. Energielabels zijn echter niet praktisch14 om de voortgang van het verduurzamen te volgen. Daarnaast is het ook minder geschikt; zuinig of onzuinig gebruik van het gebouw speelt geen rol in de bepaling van een energielabel. We gebruiken energielabels wel als eindtoets wanneer van een gebouw wordt gesteld dat deze inmiddels Paris Proof is gemaakt. Een gebouw moet ten minste aan de renovatiestandaard voldoen.
4.4 Ambitieniveau Er zijn verschillende ambitieniveau’s voor de verduurzamingsopgave van het gemeentelijk vastgoed te definiëren. In deze keuzes komt de ambitie tot uitdrukking maar ook de voorkeur voor een bepaalde type gebouwen of adressen. Met de opgave en het gekozen ambitieniveau zetten we de eerste stap richting een concreet Uitvoeringsplan 2030. We onderscheiden drie hoofdniveau's: 1.
We doen niets extra. Er is hier dan geen doelstelling. De resultaten van al lopende of geplande projecten dragen wel bij aan het CO2-reductiedoel (zie paragraaf 6.1 ‘Er worden al verschillende projecten uitgevoerd’). De gemeente voldoet daarmee niet aan de eisen van het Klimaatakkoord maar maakt ook geen extra kosten.
2. We voldoen aan het (aangescherpt) Klimaatakkoord. Ook hierin nemen we de resultaten mee van de projecten die al gepland zijn. We vullen dit aan met ‘versnellingsprojecten’ om de doelstelling uit het Klimaatakkoord in 2030 te halen. 3. We volgen de hoogste ambitie. De hele klimaatopgave moet daarbij in 2030 zijn afgerond en in dat jaar zijn alle gemeentelijke gebouwen bijna energieneutraal (een CO2-reductie van 95%). Dit geldt dus voor alle gebouwen in de basis portefeuille (in totaal 459). Ambitieniveaus 1 en 3 zijn de extremen wat betreft het te kiezen ambitieniveau. We kiezen deze niet want deze zijn of niet wenselijk, of niet realistisch.
11
Voor verschillende gebruikstypes zijn verschillende maximale verbruiken bepaald, bijvoorbeeld 210 kWh/m²/jr voor een zwembad en 70 kWh/m²/jr voor een bijeenkomstgebouw zoals een museum. 12 De renovatiestandaard is een vrijwillige richtlijn voor de energieprestatie van utiliteitsgebouwen, opgesteld door het Rijk. Om de klimaatdoelen te halen moeten gebouwen duurzamer worden. Na 2030 wordt er een verplichte eindnorm bepaald waaraan de energieprestaties van alle gebouwen moeten voldoen in 2050. De renovatiestandaard is voor gebruikstypes bepaald met een minimum energielabel, bijvoorbeeld A++ voor een sportgebouw of A+++ voor een bijeenkomstgebouw zoals een museum. 13 Een informatieplichtig gebouw heeft een verbruik boven een drempelwaarde (50.000 kWh en/of 25.000 m³ gas of het equivalent voor andere energiedragers). Eigenaren van een dergelijk pand moeten (wet milieubeheer) het Rijk informeren over de duurzaamheid van het gebouw (de informatieplicht). Alle maatregelen die binnen 5 jaar terug te verdienen zijn, moeten vervolgens worden uitgevoerd (de besparingsplicht). Bij het voldoen aan de renovatiestandaard vervallen de voorgaande plichten. 14 Een energielabel moet telkens opnieuw worden opgesteld door een gecertificeerd (BRL9500) energieadviseur.
10
4.5 We volgen het tempo zoals in het Klimaatakkoord is vastgelegd Het nationaal Klimaatakkoord stelt dat de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met 55% gedaald moet zijn ten opzichte van 1990. In 2050 zelfs met 95%. Het vorige kabinet heeft de ambitie voor 2030 naar 60% CO2reductie bijgesteld, om het gevraagde doel ook daadwerkelijk te halen. De gemeente Den Haag heeft de ambitie uitgesproken om gebouwen in de stad uiterlijk in 2040 klimaatneutraal te maken. Daarmee heeft de gemeente een hoger CO2-besparingsdoel dan het nationaal Klimaatakkoord. Versnelling heeft wel een aantal uitdagingen als gevolg: • Uitvoeringscapaciteit, te weinig mensen in de uitvoering: Eigen ervaring en die van de G5 gemeenten leert ons dat we goed rekening moeten houden met de beschikbaarheid van adviseurs, aannemers en installateurs voor het uitvoeren van (verduurzamings)werkzaamheden. De capaciteit schiet momenteel in de praktijk ruim tekort en de verwachting is dat dit voorlopig aanhoudt. • Gebouwen zijn in gebruik, de dienstverlening wordt minder door alle werkzaamheden: We vragen aan huurders/gebruikers hun werkzaamheden aan te passen zodat de verduurzaming kan plaatsvinden. Zij hebben de tijd nodig om hun werk anders in te richten of om zelfs tijdelijke huisvesting te zoeken. Daarnaast dient het vastgoed een maatschappelijk functie. Deze kan voor een periode gehinderd worden of zelfs wegvallen.
Als bijvoorbeeld meerdere zwembaden tegelijk vóór 2030 verduurzaamd worden, kan het zwemmen in gemeentelijke zwembaden een tijd beperkt worden met een effect op beleidsdoelstellingen op dat vlak. • Innovatie, nieuwe kansen komen met de tijd: Met versnellen kunnen we minder gebruik maken van nieuwe en innovatieve oplossingen. Maar ook het aansluiten op duurzame netwerken wordt makkelijker als er in de loop der tijd steeds meer worden aangelegd. • Financieel, de jaarlijkse kosten lopen op: Op basis van algemene kengetallen15 kunnen uitspraken gedaan worden over totale kosten op basis van vierkante meters. Deze kostenindicaties geven een beeld van de investeringen gedurende de komende 25 jaar. Het ligt voor de hand dat dezelfde uitgaves, maar dan verdeeld over 5 jaar, tot hogere jaarlijkse kosten leidt. Deze kosten worden echter nog eens circa 20% hoger door het missen van natuurlijke vervangmomenten. Er zijn namelijk gebouwen die op basis van hun leeftijd en technische staat sowieso vernieuwd worden. Hoe korter echter de uitvoeringsperiode, hoe kleiner het aandeel van deze ‘natuurlijke’ momenten. In deze portefeuilleroutekaart en het nog op te stellen Uitvoeringsplan 2030 richten we ons op een reductie van broeikasgassen in het jaar 2030 zoals gesteld in het nationaal Klimaatakkoord en nemen daarin de bijgestelde ambitie naar 60% van het Rijk mee.
Dit is de minimumreductie die behaald moet worden. Tenslotte stellen we onze ambitie voor het tempo na 2030 ook vast. In 2040 dient 95% bereikt te zijn (zie ook hoofdstuk 6.3 ‘Ambitieniveau’).
15
zie bijvoorbeeld VNG (2020). Openbaar via de website: https://www.waarstaatjegemeente.nl/
11
5 De opgave in CO2 Om tot concrete maatregelen te komen is een scherper beeld nodig van de hoeveelheid CO2 die we moeten verminderen.
5.1 Terugkijken De CO2-uitstoot van het maatschappelijk vastgoed van de gemeente in 1990 is niet bekend. Dat geldt overigens voor nagenoeg alle grote gebouweigenaren in Nederland. Voor een vergelijking met het referentiejaar 1990 wordt om die reden een bredere analyse gebruikt, op basis van onderstaande data van het CBS.
Figuur 3: Emissie kooldioxide (CO2) per sector
12
Het CBS heeft berekend dat de gebouwde omgeving een daling van de CO2-uitstoot van circa 40% heeft laten zien, ten opzichte van het jaar 1990.
Figuur 4: Procentuele daling CO²-uitstoot (1990 – 2050)
Uitgaande van deze algemene gegevens betekent de CO2-reductiedoelstelling tot 2050 als resterende doelstelling 55% is ten opzichte van waar we nu staan. Met het belangrijke jaar 2030 als doelstelling, kan op die manier een concreet reductiedoel voor de periode heden tot 2030 worden geformuleerd; deze periode moet 20% CO2-reductie opleveren ten opzichte van ons huidige vertrekpunt.
5.2 Het jaar 2023 als vertrekpunt Als basis voor de portefeuilleroutekaart is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de werkelijke energieverbruikgegevens van het jaar 202316, voor de gebouwen in de basisportefeuille (in totaal 459). Voor circa 80% van het gebouwoppervlak zijn energiegegevens bekend. De overige gebouwen (20% oppervlak van totaal) zijn gemodelleerd naar het beeld van de verkregen gegevens van andere panden. Het verder verzamelen van gegevens over de overige gebouwen wordt onderdeel van de uitvoering van de portefeuilleroutekaart en dient ter voorbereiding op het uitvoeringsplan na 2030. Naast de energieverbruiksgegevens over 2023 hebben we zoveel mogelijk gegevens over het jaar 2019 verzameld, zodat we een beeld kunnen schetsen van de resultaten van de verduurzamingsmaatregelen die sinds dat moment door de gemeente getroffen zijn.
5.3 De opgave In 2030 wil de gemeente in het vastgoed in eigen bezit ten minste 60% CO2-reductie hebben behaald. Daarnaast stelt de gemeente dat 204o het jaar moet zijn waarin het einddoel, 95% CO2 is gehaald. Het onderstaande figuur toont het pad van CO2-reductie dat de gemeente zichzelf stelt met haar doelstellingen voor al het gemeentelijk maatschappelijk vastgoed.
16
Jaarafrekeningen met daarin het jaar 2023 zijn de meest recente gegevens die onze huurders/gebruikers thans kunnen verstrekken.
13
Figuur 5: Extrapolatie CO²-uitstoot (1990 – 2040) basisportefeuille Met het huidige energieverbruik in kaart en de doelstelling om aan de reductie van broeikassen (volgens het nationaal Klimaatakkoord) te voldoen, is een reductie van 22,27 mln. kg CO2 nodig in 2040 waarvan 9,06 mln. kg CO2-reductie gerealiseerd moet zijn in 2030. Een deel van de reductie moet gerealiseerd worden door zuiniger gebruik en inkoop van duurzame energie. 5,43 mln. kg CO2 is toe te rekenen aan de gebouwen17. Omdat er niet veel tijd rest, zetten we 20% hoger in. Zo wordt het doel niet direct gemist bij het optreden van vertragingen of andere tegenslagen.
Om de doelstelling 2030 te halen is het reductiedoel via de energieprestatie van gebouwen 6,52 mln. kg CO2.
Het werkelijk energieverbruik per gebouw in 2018/2019 is geïnventariseerd en de daarmee samenhangende uitstoot van broeikasgassen is berekend. Er is een zichtbare versnelling opgetreden. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het structurele verduurzamen van het gemeentelijk vastgoed sinds 2018/2019 (effectuering ‘Voorstel van het college inzake Verduurzamen gemeentelijk Vastgoed’ (RIS299200) maar ook het bewuster omgaan met het gebruik, met de recente energiecrisis als waarschijnlijke oorzaak.
17
Het energieverbruik van een gebouw is niet alleen afhankelijk van de energetische kwaliteit van het gebouw zelf. Duurzaam gebruik is eveneens van grote invloed. Daarnaast maakt het voor de uitstoot van broeikasgassen veel uit of de energie voor een gebouw uit elektriciteit of aardgas gewonnen wordt (of hoe bijvoorbeeld de elektriciteit wordt opgewekt). Met de Paris Proof-norm leiden we af wat het energieverbruik van de gebouwde omgeving redelijkerwijs nog mag zijn in 2040. Als we deze energiebesparing omslaan naar reductie in broeikasgassen blijft er een deel van de afgelegde route over die we moeten invullen met zuiniger gebruik en verstandige keuze van energievormen. Dit deel is 8,92 mln. kg CO 2 groot in 2040. Het aandeel daarvan in 2030 is 3,63 mln. kg CO2 groot.
14
6 We moeten versnellen met een uitvoeringsplan Het uitvoeringsplan richt zich op het jaar 2030 en – met het ambitieniveau 2 – op een besparingsdoel van 60% CO2 reductie in dat jaar. Om die gewenste hoeveelheid CO2 te besparen hebben we de opbrengst van projecten waar al toe besloten is. Sommigen van deze projecten kunnen nog ambitieuzer worden uitgevoerd maar ook kunnen (of moeten) nieuwe projecten worden geïnitieerd. Er zijn meerdere mogelijkheden. In dit hoofdstuk omschrijven we de verschillende onderdelen waaruit gekozen kan worden om tot het uitvoeringsplan te komen in vervolg op deze portefeuilleroutekaart.
6.1 Er worden al verschillende projecten uitgevoerd Op dit moment zijn er diverse projecten in gemeentelijke gebouwen gepland tot en met 2030. Ook al is verduurzaming niet altijd het primaire doel van de ingreep, de gebouwen zullen na realisatie al een stuk duurzamer kunnen functioneren. Deze CO2-besparing kunnen we in mindering brengen op de totale opgave tot en met 2030. Het is dus van belang dat de verduurzamingsambities van deze projecten concreet worden gemaakt én dat de projecten uiterlijk in 2030 uitgevoerd moeten zijn. Bijkomend voordeel is dat deze projecten al van dekking zijn voorzien. De inventarisatie van lopende projecten is uitgevoerd en het zijn er 30 stuks (zie Bijlage A: ‘Geplande projecten tot en met 2030’). Tot deze projecten is besloten en is financiering voorhanden. Volgens de betrokken projectleiders zijn de projecten uiterlijk in 2030 afgerond. De lopende projecten zullen na afronding de uitstoot van CO2 naar verwachting met 2,24 mln. kg laten dalen. Voorwaarde is de tijdige uitvoering en het werkelijk behalen van de voorgenomen CO2-reductie.
Om de doelstelling 2030 te halen moeten we, via de energieprestatie van gebouwen, nog 4,28 mln. kg CO2 reduceren.
15
Er zijn dus gebouwen waar al projecten in voorbereiding tot uitvoering zijn. Vaak is verduurzaming ook een onderdeel van de werkzaamheden, echter niet altijd of niet voldoende. Voor een aantal gebouwen is er de mogelijkheid om alsnog verduurzaming of meer verduurzaming op te nemen in het project en zien we daarom opnieuw terug, maar dan in voorstellen voor intensivering.
6.2 We hebben meer projecten nodig die het verschil maken Intensiveren op bestaande projecten (koppelkansen) In een aantal projecten zien we de mogelijkheid om met een hogere ambitie meer besparing te bereiken. Het uitgangspunt daarbij is: gebruik dit investeringsmoment om het gebouw meteen Paris Proof te maken. Deze ambitie moet echter wel in te passen zijn in een lopend project. Als dat het geval is, dan wordt het lopende project onderdeel van het Uitvoeringsplan 2030. De dekking voor de aanvullende ambitie is onderdeel van de investering. Om deze aanpak te illustreren hierbij het voorbeeld van het Kunstmuseum. Voor dit gebouw staat de vervanging van de installaties op het programma en daar zijn ook de financiële middelen voor. Tegelijkertijd vormt dit ook het moment om het museum verder te verduurzamen, zelfs Paris Proof te maken. De extra maatregelen omschrijven we en de extra investering daarvoor nemen we op in een aanvullend verduurzamingsvoorstel als onderdeel van het Uitvoeringsplan 2030. In bijlage B ‘Intensivering op lopende projecten vanaf 2024 tot en met 2030’ zijn de mogelijkheden voor intensivering opgesomd. Met het uitvoeren van deze versnelling op lopende projecten zal de uitstoot van broeikasgassen naar verwachting met 3,04 mln. kg CO2 dalen.
Toevoegen van nieuwe projecten Om het CO2-besparingsdoel van 2030 te bereiken, is intensiveren op bestaande projecten alleen niet voldoende. Er moeten nieuwe verduurzamingsprojecten worden toegevoegd. Van de 60 meest impactvolle gebouwen zien we voor 23 gebouwen kansen tot het introduceren van nieuwe verduurzamingsprojecten. Samen met de mogelijkheden tot intensivering op bestaande projecten hebben we in totaal 27 mogelijke gebouwen (zie bijlage C ‘Verduurzamingsprojecten op volgorde (€/kg CO2)’). Deze gebouwen zijn daarvoor nu niet allemaal nodig maar moeten uiteindelijk wel allemaal verduurzaamd worden. Afwegen van scenario’s Op dit moment in de verduurzamingsopgave valt nog wat te kiezen; met welke gebouwen, als extra verduurzamingsprojecten, kunnen we het tussendoel van 2030 bereiken. Hiervoor introduceren we enkele18 scenario's, bestaande uit een optelsom van verschillende projecten (zie bijlage D: Enkele scenario’s): • meeste impact op de CO2-reductie ➢ Gebouwen worden op volgorde van totale CO2-opbrengst gerangschikt met als voordeel dat panden met een maximale impact op de opgave ook bovenaan komen te staan. ➢ Onzuinige en vooral grote gebouwen komen hier duidelijk naar voren ➢ Met 9 panden wordt de beoogde CO2-reductiedoelstelling bereikt. • meeste CO2-reductie per vierkante meter ➢ Gebouwen worden op volgorde van CO2-opbrengst per m2 gerangschikt.
De meest voordelige vierkante meters krijgen u prioriteit. ➢ Doordat in bijzonder het Kunstmuseum een hoge prijs vraagt per m2 valt deze buiten de selectie. Om dit te compenseren worden diverse gebouwen, met een lagere prijs per m 2 toegevoegd. De totale prijs is daardoor fors meer dan die van de andere scenario’s ➢ Met 24 panden wordt de beoogde CO2-reductiedoelstelling bereikt. • meeste CO2-reductie per geïnvesteerde euro ➢ Gebouwen worden op volgorde van CO2-opbrengst per te investeren € gerangschikt. Het rendement van de investering op het behalen van de doelstelling krijgt prioriteit. ➢ Opvallend is dat sporthal Leidschenveen en afvalbrengstation De Werf op basis van dit criterium zich positiever onderscheiden en onderdeel zijn van de selectie. De CabFab valt juist buiten de selectie. ➢ Met 10 panden wordt de beoogde CO2-reductiedoelstelling bereikt.
18
In deze routekaart introduceren we drie scenario’s die ons relevante inzichten kunnen verschaffen. Er zijn andere scenario’s met andere criteria mogelijk.
16
Aan elke van deze scenario’s zitten voor- en nadelen maar er zijn een aantal gebouwen die ‘hoog’ eindigen in elke variant. Het ligt dus voor de hand om deze sowieso in het Uitvoeringsplan 2030 op te nemen. Het betreft: • Kunstmuseum • Museon • Zwembad Zuiderpark • Stadhuis • Kessler Stichting De La Reyweg • Sportcomplex De Houtzagerij • Afvalbrengstation De Werf Deze moeten dan aangevuld worden met extra gebouwen waarmee de klimaatdoelstelling voor 2030 wordt bereikt. Hier kan ook rekening gehouden worden met criteria met de verdeling over (1) beleidsprogramma’s, (2) type gebouwen, (3) een inschatting van mogelijkheden om tot afspraken over uitvoering te komen 19 en (4) verdeling over de stad. Een afweging daarbij is of er bredere meerwaarde is van een investering doordat een werk-met-werkkans samen met investeringen uit andere beleidsprogramma's kan worden gepakt. Voor het Uitvoeringsplan 2030 ligt het voor de hand om ons vervolgens vooral te richten op de investering per gewonnen kilo CO2. Zolang er goedkopere opties daarin zijn, is het verstandig deze prioriteit te geven. Duurdere opties kunnen namelijk in de toekomst mogelijk goedkoper worden door te wachten op een koppelkans met onderhoud of een investering om andere reden. Het heeft de voorkeur de grens op €50 per kilo CO2 te stellen zolang daarmee de doelstelling voor 2030 niet in gevaar komt.
De bovenstaande lijst kan vervolgens bijvoorbeeld aangevuld worden met: • CabFab kleinschalige bedrijvigheid • Stadsdeelkantoor Laak • Hoofdwerkplaats Zilverstraat DHW • Enkele extra sportfaciliteit(en) met lage investering (per kilo CO2)20 De meeste nieuwe projecten zijn vrij in te plannen Voor het Kunstmuseum, Museon, Zwembad Zuiderpark en het Stadhuis wordt aangesloten op (of geïntensiveerd op) op een al lopend project. Daarbij is het moment van uitvoering niet meer vrij te kiezen. Voor de overige gebouwen is dat anders. Natuurlijk moet de planning wel aansluiten bij de exploitant van het gebouw. Een gebouw is tenslotte in gebruik. Wenselijk is de uitvoering zoveel mogelijk te spreiden zodat de interne organisatie en marktpartijen effectief ingezet kunnen worden. In het meest gunstige geval wordt een project in 2025 voorbereid en in 2026 uitgevoerd. Projecten van omvang hebben echter vaak meer voorbereidings- en uitvoeringstijd nodig.
6.3 Investeren Met gebruik van het werkelijk energiegegevens kan een inschatting gemaakt worden van CO2-reductie wanneer we het gebouw Paris Proof maken. Op basis van gebouwkenmerken geven we ook inzicht in de kosten (zie bijlage C ‘Verduurzamingsprojecten op volgorde (€/kg CO2)’) op basis van landelijke kenmerken, geverifieerd met de resultaten van eigen verduurzamingsprojecten sinds 2019. Deze kosten omvatten alleen de investering ten behoeve van CO2-reductie door beperking van energieverbruik. Met deze verduurzamingswerkzaamheden is het ook wenselijk om circulaire, klimaatadaptieve, natuurinclusieve en/of functionele maatregelen mee te nemen (zie ook hoofdstuk 9.3 ‘Omgang met circulariteit, klimaatadaptatie, etc’). Om daar bij voorbaat ruimte voor te scheppen is een extra reservering opgenomen ter waarde van 10%. Alle projecten leveren een energiewinst op. Slechts bij extern verhuurde panden is een verrekening van deze energiewinst via het huurcontract mogelijk. Intern gebruikte panden (ambtenarenhuisvesting, sporthallen, zwembaden, etcetera) profiteren ook van een daling in energieuitgaven. Deze komen ten goede aan de gemeentelijke begroting. De 9 tot 24 extra projecten kosten tussen circa €94 mln. tot circa €126 mln. Deze kosten zijn niet opgenomen in de programmabegroting 2024-2028.
6.4 Budgetteren Bestaande middelen Verduurzamen van gebouwen gebeurt sinds 2019 in het kader van beleidsprogramma 3 (Duurzaamheid, Milieu en Energietransitie). In de begroting voor 2026 tot en met 2028 is structurele investeringsruimte 19
Deze mogelijkheden gaan over de wenselijkheid, aard en planning van werkzaamheden en de overeenstemming tussen huurder en gemeente (als gebouweigenaar, beleidsmaker of stadsbestuur). 20 Stadion ADO, Sporthal Leidschenveen, Zwembad De Waterthor, Sporthal Oranjeplein, Sporthal Transvaal, Sporthal Houtrust
17
voor verduurzaming van het gemeentelijk vastgoed gecreëerd. Daarvan is circa €28 mln, beschikbaar om in zetten voor het Uitvoeringsplan 2030. Een deel van het maatschappelijk vastgoed kan bovendien beschikken over verduurzamingsmiddelen toegekend aan ‘integrale huisvestingsplannen’. Deze middelen zijn voor het grootste deel al verdeeld onder al lopende activiteiten. Subsidies Voor verduurzaming van maatschappelijk vastgoed heeft het rijk subsidie beschikbaar gesteld (Dumava). Jaarlijks, tot en met 2030 wordt deze subsidie opengesteld. De bijdrage aan een integraal verduurzamingsproject bedraagt thans 30% van de kosten met een maximum van €1,5 mln.
6.5 Wat te doen met de overige panden In 2040 moet de vastgoedportefeuille Paris Proof zijn. Dat betekent dus dat de impactvolle panden, nu niet gekozen voor het Uitvoeringsplan 2030, na 2030 aan bod komen. Daarnaast is er nog een voorraad van voornamelijk kleinere panden die ook verduurzaamd moeten worden. Gedurende de uitvoering van het Uitvoeringsplan 2030 worden de werkelijke energieverbruiken van de hele basisportefeuille gevolgd. De resultaten (wat betreft CO2-reductie) van het Uitvoeringsplan 2030 (en alle andere duurzame initiatieven en acties) houden we daarmee in beeld. Nieuwe eisen, innovaties en wensen worden meegenomen in het bijstellen van de portefeuilleroutekaart. De bijgestelde routekaart is het uitgangspunt voor het volgende uitvoeringsplan; • normaliter voor de duur van vier jaar (dus Uitvoeringsplan 2034), • met een koppeling aan al lopende projecten of groot onderhoud, • wanneer nodig door toevoeging extra projecten en • aangepast aan de grotere hoeveelheid projecten in kleinere gebouwen.
18
7 Verduurzamen naast uitvoeringsplan gaat door Met het nog op te stellen Uitvoeringsplan 2030 wordt de doelstelling van ten minste 60% CO2-reductie ten opzichte van 1990 voor de gemeentelijke gebouwen zeker gesteld. Het programma zoals we deze uitvoeren sinds 2019 kan daarnaast worden voortgezet. We zijn ingericht op het ‘werk maken met werk’. Bovendien is er dan de mogelijkheid om toch kleinere projecten op te pakken. Ook al is de impact ten opzichte van het geheel gering, voor de individuele huurder/gebruiker is deze vaak wel heel groot.
7.1 Drie extra speerpunten verduurzamingswerkzaamheden Benutten van koppelkansen Het gaat hier om meestal kleinere projecten waar de verduurzamingslag wordt gekoppeld aan relevant onderhoud. We zien op dit moment kansen voor 47 panden. Daarvan zijn er 17 in voorbereiding voor oplevering in 2025. Dit beeld kan jaarlijks veranderen (afhankelijk van de onderhoudsplanning). Met een jaarlijks taakstellend budget van €5 mln. (vanaf 2026) kan de hoeveelheid werkzaamheden zoals we dat kennen van de periode tussen 2019 en 2024 op peil gehouden worden. Voor deze werkzaamheden moeten subsidies zoals Dumava ook gebruikt worden. Daarnaast moet met de huurder/gebruiker overeengekomen21 worden om de besparing aan energielasten te kunnen gebruiken voor een deel rendabele investering. Standaard maatregelen onderhoud (D-MJOP) Het betreft hier drie maatregelen die te allen tijde genomen moeten worden, ook al is er geen specifiek verduurzamingsproject gaande. • Na-isolatie daken bij vervanging dakbedekking. • Voor enkel of standaard dubbel glas, HR++-glas plaatsen. • Bij vervangen aardgasketel indien mogelijk kiezen voor een hybride verwarming maar altijd het waterzijdig afregelen van verwarmingsinstallatie. 21
Het oplossen van de ‘split incentive’ gebeurt door het aanpassen van het huurcontract. Hier moeten huurder en verhuurder elkaar dus in vinden.
19
Jaarlijks telt dit gemiddeld op tot een extra investering van rond de €0,5 mln. Ook hier kunnen aanvullende subsidies gebruikt worden. Extra inzet op zonnepanelen Ook op gebouwen waar niet verduurzaamd wordt, kan vaak zonne-energie geoogst worden. Het identificeren van mogelijkheden voor het plaatsen van zonnepanelen blijft van belang. Dit zijn doorgaans rendabele projecten. Zonnepanelen kunnen ook geplaatst worden door buurtenergiecoöperaties. Deze blijven we (technisch) ondersteunen op onze daken.
7.2 Bijhouden en bijstellen Controle prestatie bestaande projecten Zoals aangegeven in paragraaf 6.2 ‘Er worden al verschillende projecten uitgevoerd’ zijn er diverse projecten in diverse stadia van uitvoering waarin een duurzaam doel is opgenomen. Dit doel moet dan ook worden gehaald. Is het beter, dan schept het ruimte. Maar is het slechter dan moet er verdergaand worden verduurzaamd in andere gebouwen zodat de doelstelling van 2030 alsnog wordt gehaald. Doorontwikkeling portefeuilleroutekaart voor verduurzaming In de portefeuilleroutekaart is energie de bepalende factor in het tempo en doelstelling. Andere aandachtsgebieden (circulariteit, natuurinclusiviteit, klimaatadaptatie, (drink-)water) moeten in het project opgelost worden. Ook voor deze aandachtsgebieden worden doelstellingen binnen de gemeente Den Haag of nationaal geformuleerd. Deze worden uiteindelijk taakstellend en moeten in de verdere verdieping van de routekaart worden toegevoegd. Energiegegevens De verduurzamingsresultaten worden gemeten aan de hand van werkelijke energiegegeven die jaarlijks een update krijgen. Daar het merendeel van de energiecontracten in handen van huurders/gebruikers zijn, moeten deze handmatig worden verkregen en verwerkt. Het voornemen is deze werkelijke energiegegevens meer geautomatiseerd te verkrijgen.
Monitoren externe invloeden op routekaart (portefeuillesturing) Naast de uitvoering van de extra projecten, zijn ook mutaties (aankoop/verkoop) in het vastgoedbezit van invloed op de resultaten. Ook kan gewijzigd gebruik zorgen voor een ander energieverbruik en daarmee het halen van de doelen in 2030. Mogelijk moet er dan tussentijds worden bijgestuurd. Wetgeving De Energy Efficiency Directive en in het bijzonder de uitwerking van de richtlijn ‘Energy Performance of Buildings Directive IV’ zijn aangenomen in Europa maar nog niet doorvertaald in Nederlandse wetgeving. Een aantal doelstellingen dat verwacht wordt van publieke instanties zijn: bijdrage aan 1,9% besparing op finaal energiegebruik, 3% renovatieverplichting naar BENG (vanaf 2025) en minimumnormen voor energieprestaties voor utiliteitsgebouwen (het uitfaseren slechtst presterende gebouwen). Bewustwording energiezuinig gebruik Huurders waarbij verduurzaamd wordt, worden ook aangesproken op wat zij zelf kunnen doen. De rest van onze huurders nu verder niet. Hun gedrag is echter wel van invloed op onze doelstellingen. Wij moeten de alle huurders en gebruikers van onze gebouwen dus helpen waar nodig voor de reductie van broeikasgassen en een lagere energierekening
20
8 Organisatie Wanneer we het verduurzamingsprogramma alleen plannen vanuit het (al geplande) onderhoud maken we gebruik maken we gebruik van een koppelkans. Vanuit de onderhoudsopgave is er al een projectleider werkzaamheden aan het voorbereiden/uitvoeren. Deze kan doorgaans de extra verduurzamingsmaatregelen ook begeleiden. De bouwopgave gaat echter verder dan dat door het initiëren van extra verduurzamingprojecten onafhankelijk van het onderhoudsmoment. We beschouwen de duurzame bouwopgave niet als een verzameling van losse projecten. Een integrale aanpak biedt namelijk verschillende voordelen. Ten eerste kan expertise beter gedeeld worden. Hoewel de gebouwen verschillen, kunnen de uitdagingen gelijk zijn. Ten tweede is de voorbereidings- en bouwtijd kort en is daarom de benadering van de markt van belang. Daar zijn meer mogelijkheden voor met (deels) integrale opdrachtverstrekking. In de kostenberekeningen voor het verduurzamen van gebouwen in deze portefeuilleroutekaart zijn projectafhankelijke externe adviseurs (ontwerper/architect, constructeur, etcetera) opgenomen. De eigen organisatie moet wel aangepast worden. Voor de uitvoering van de portefeuilleroutekaart voor verduurzaming en het uitvoeringsplan zijn er extra taken voor de gemeentelijke organisatie te omschrijven op projectniveau en overkoepelend niveau.
Projectniveau Projecten worden vanuit de Centrale Vastgoedorganisatie begeleid. Afhankelijk van het aantal projecten moeten deze werkzaamheden een plaats krijgen in de vastgoedorganisatie. Overkoepeld niveau Deze werkzaamheden vallen uiteen in: • Integraal programmamanagement • Financiële ondersteuning • Overkoepeld beleid en strategie (voor het verder ontwikkelen routekaart) • Monitoren op energieverbruik (het binnenhalen en verwerken van verbruiksgegevens)
21
9 Extra aandachtspunten 9.1 Mutaties en de routekaart Het voldoen aan de klimaatdoelstelling kan verder weg komen te liggen als onzuinige gebouwen in langdurig gebruik worden genomen. Van belang is dat elke toevoeging van een onzuinig gebouw aan de basisportefeuille direct van invloed is op de opgave tot en met 2030. Een nieuw gebouw in de basisportefeuille moet daarom ten minste Paris Proof zijn, of Paris Proof gemaakt worden. De kosten hiervoor dienen dus bij een voorgenomen aankoop/in gebruikname betrokken te worden.
9.2 Relatie tot andere routekaarten Portefeuilleroutekaarten voor verduurzaming zijn ook op te stellen voor andere gebouwportefeuilles waar de gemeente grote invloed op heeft. Vooral scholen en sportfaciliteiten zijn belangrijk. De systematiek van bepaling waar een gebouw vandaan komt, waar het nu staat en waar het naartoe moet gaan, is dezelfde. Daarnaast kan met een inventarisatie van de voorgenomen investeringen beoordeeld worden of de ontwikkelingen snel genoeg de gewenste kant op gaan. Bovendien kan gemonitord worden wat de voortgang is. Er is echter een beperking. Functioneel vormen scholen en sportfaciliteiten twee groepen maar het zijn geen twee gebouwportefeuilles. De samenstelling van een portefeuille voor verduurzaming is beperkt tot de eigenaar van die gebouwen. Die kan namelijk beslissen om de ambitie te onderschrijven en waar te maken. Het eigendom van scholen en sportfaciliteiten is versnipperd. Integrale afweging en besluitvorming is daardoor heel moeilijk. Wel kan de gemeente met de voorgestelde systematiek oordelen waar de aandacht en ondersteuning op gericht moet worden voor het meeste effect. De resultaten kunnen bij elkaar worden opgeteld om een beeld te krijgen (en te houden) over al het maatschappelijk vastgoed waar de gemeente de meeste invloed op heeft.
9.3 Omgang met circulariteit, klimaatadaptatie, etc Gebouwen in het Uitvoeringsplan 2030 maken impact op het gebied van energie en daarmee CO2-reductie. Deze selectie wordt verder uitgewerkt tot uitvoeringsprojecten op gebouwniveau. Hierin kunnen ook andere
22
eisen worden opgenomen. Denk daarbij aan circulariteit, klimaatadaptieve maatregelen, natuurinclusiviteit, drinkwatergebruik, vereisten voor mobiliteit (bijvoorbeeld extra elektrische capaciteit en laadvoorzieningen voor ons wagenpark) en aanpassingen in de functionaliteit. Deze extra eisen moeten per project gewogen worden, inhoudelijk maar ook wat betreft de financiering daarvan. Het invoegen van deze extra eisen is onderdeel van het uitvoeringstraject.
9.4 Relatie met de CO2-prestatieladder Naast de portefeuilleroutekaart heeft de gemeente de CO2-prestatieladder opgesteld, monitort de gemeente deze en heeft daar doelen aan verbonden. De CO2-prestatieladder richt zich op de bedrijfsvoering van de gemeente. Het is deels breder dan de opgave die we uitwerken met de portefeuilleroutekaart voor verduurzaming. Het verbruik van ons wagenpark en de uitstoot dankzij dienstreizen is bijvoorbeeld onderdeel van de CO2-prestatieladder en niet van de portefeuilleroutekaart. De portefeuilleroutekaart richt zich dan weer op al ons maatschappelijk vastgoed in eigendom, ook de gebouwen waar de gemeente niet de bedrijfsvoering doet (het merendeel). Er is een gezamenlijk belang van waaruit samengewerkt wordt. De CO2-prestatieladder leidt tot een zuiniger gebruik van (een deel van) onze gebouwen dat zich vertaalt in betere prestaties in de portefeuilleroutekaart. Andersom kunnen keuzes in de portefeuilleroutekaart een zuinigere gemeentelijke bedrijfsvoering mogelijk maken.
9.5 Nieuwbouw en grootschalige renovatie Met verduurzaming bieden we een oplossing voor een erfenis uit het verleden. Aan de gemeente de taak om in de toekomst een dergelijke opgave op het gebied van CO2 te voorkomen. Met een nieuw gebouw (danwel grootschalig gerenoveerd) zijn veel meer mogelijkheden om CO2 te besparen. Van een nieuw gebouw mag je dus ook meer verwachten. In Paris Proof-termen praten we over dan een Werkelijk Energie Neutraal Gebouw (WENG: 0 kWh/m2/jr). In tegenstelling tot BENG en ENG (conform NTA8800) wordt hier ook de te verwachten hoeveelheid energie dat hoort bij de specifieke functie meegewogen. Het maakt tenslotte uit of in het nieuwe gebouw een zwembad of een kantoor wordt gevestigd. Het adagium is in deze: ‘Bouw duurzaam of bouw niet’.
23
10 Vervolg; het opstellen van het uitvoeringsplan De gemeente wenst en moet aan de afspraken van het klimaatakkoord voldoen, ook voor het gemeentelijk vastgoed. Die ambitie kunnen we waarmaken, en meer, door in 2030 60% minder CO2-uitstoot te hebben en in 2040 het einddoel van 95% te halen. De eerste mijlpaal, 60%, moet al in vijf jaar zijn bereikt. Daarvoor gaan we sneller verduurzamen dan we tot nu toe hebben gedaan. Gezien de korte tijd kunnen we niet te veel projecten kiezen dus moet elk extra project impact maken. Met het extra verduurzamen van 9 tot 24 grote gebouwen kunnen we die eerste mijlpaal bereiken. De middelen hiervoor zijn helaas voor het grootste deel niet beschikbaar in bestaande programma’s. Er is een werkbare route naar eerst 2030 en daarna 2040 waarin de doelstellingen voor het gemeentelijk vastgoed gehaald kunnen worden, meerdere zelfs. In de komende maanden worden de mogelijkheden verder uitgewerkt zodat er voor het Uitvoeringsplan 2030 een definitieve selectie van gebouwen, met daarin concrete omschreven projecten, kan worden gepresenteerd. Aan de hand van deze concrete projecten leggen we de kosten en financieringsmogelijkheden verder vast en stellen een investeringsvoorstel samen. Naast de gewenste versnelling gaan we ook door met verduurzamen zoals we dat sinds 2019 doen, ook in 2025 door. Er wordt dan in totaal aan 37 gebouwen gewerkt.
24
11 Bijlages
25
11.1 Bijlage A: Geplande projecten tot en met 2030 Zie paragraaf 6.1 ‘Er worden al verschillende projecten uitgevoerd’ (pagina 15)
26
11.2 Bijlage B: Intensivering op lopende projecten vanaf 2024 tot en met 2030 Zie paragraaf 6.2 ‘We hebben meer projecten nodig die het verschil maken - Intensiveren op bestaande projecten’ (pagina 16)
Object 1 Kunstmuseum intensivering 2 Museon intensivering 3 Zwembad Zuiderpark intensivering 4 Stadhuis (inclusief forum/bibliotheek) intensivering
Verschil CO² (KG) -715.627 -358.672 -566.683 -1.398.056
-3.039.038
27
11.3 Bijlage C: Verduurzamingsprojecten op volgorde (€/kg CO2) Zie paragraaf 6.2 ‘We hebben meer projecten nodig die het verschil maken - Toevoegen van nieuwe projecten’ (pagina 16) Verduurzamingsprojecten op volgorde van laagste prijs per kilo CO 2 (€/kg CO2) Object
Verschil CO2 (KG) Kosten
Reservering Overig Totaal kosten
Rendabel
Onrendabel
€/kg CO2 Cumulatief €
Cumulatief CO2
1 Zwembad Zuiderpark intensivering
-566.683 €
4.989.000,00 €
498.900,00 €
5.487.900,00 €
-
€
5.487.900,00 €
8,80 €
5.487.900,00
2 Museon intensivering
-358.672 €
4.324.000,00 €
432.400,00 €
4.756.400,00 €
864.800,00 €
3.891.600,00 €
12,06 €
9.379.500,00
-925.355
3 Sportcomplex De Houtzagerij toevoeging
-376.198 €
4.611.000,00 €
461.100,00 €
5.072.100,00 €
-
€
5.072.100,00 €
12,26 €
14.451.600,00
-1.301.552
4 Kessler Stichting De La Reyweg toevoeging
-183.164 €
2.284.000,00 €
228.400,00 €
2.512.400,00 €
456.800,00 €
2.055.600,00 €
12,47 €
16.507.200,00
-1.484.716
5 Afvalbrengstation De Werf toevoeging
-88.758 €
1.663.000,00 €
166.300,00 €
1.829.300,00 €
-
€
1.829.300,00 €
18,74 €
18.336.500,00
-1.573.474
6 Kunstmuseum intensivering
-715.627 €
17.000.000,00 €
1.700.000,00 €
18.700.000,00 €
3.400.000,00 €
15.300.000,00 €
23,76 €
33.636.500,00
-2.289.101
7 Stadion (ADO) toevoeging
-450.000 €
11.308.000,00 €
1.130.800,00 €
12.438.800,00 €
2.261.600,00 €
10.177.200,00 €
25,13 €
43.813.700,00
-2.739.101
8 Sporthal Leidschenveen toevoeging
-64.013 €
1.662.000,00 €
166.200,00 €
1.828.200,00 €
-
€
1.828.200,00 €
25,96 €
45.641.900,00