CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS321267 Bijlage 1 2024-12-17-Advies-04-Adviescommissie-Welzijn

Gemeenteraad 13 maart 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025-2027 (RIS321267)1.474 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Adviescommissie Welzijn Gemeente Den Haag Aan: B&W Den Haag t.a.v. wethouder Martijn Balster Betreft: Opmerkingen naar aanleiding van het Beleidskader sociale basis en actualisatie van de nota Professioneel welzijnswerk 2021-2024

Den Haag, 17 december 2024

Advies #4 – Reken je niet op voorhand rijk met de sociale basis Op 4 december 2024 heeft er een overleg plaats gevonden tussen de Adviescommissie Welzijn en wethouder Balster en betrokken ambtenaren. Onderwerp van gesprek waren de vorderingen met betrekking tot het Beleidskader sociale basis en actualisatie van de nota Professioneel welzijnswerk 2021-2024. De commissie kijkt terug op een vruchtbaar gesprek, maar meent er goed aan te doen om een aantal opmerkingen nog eens expliciet te maken zodat deze in de politieke afronding en in de komende discussies over de toekomst van het welzijnswerk meegenomen kunnen worden. Dat is belangrijk omdat de komende twee jaar het inhoudelijke fundament moet worden gelegd, waarop de gemeente langdurige en duurzame betrekkingen aangaat met aanbieders van professioneel welzijnswerk. Met betrekking tot het Beleidskader sociale basis wil de Adviescommissie de volgende opmerkingen mee geven. .1. De sociale basis is niet iets wat vanuit het stadhuis tot stand gebracht is of wordt. Het kan niet gezien worden als direct resultaat van gemeentelijk beleid. De sociale basis is er al. Zij is veelvormig, krijgt in de wijken van de gemeente steeds andere kleuren en accenten.

De kracht en omvang is vaak afhankelijk van de bijzondere inzet van burgers of van de inventieve wisselwerking tussen informele initiatieven en formele organisaties of van bewonersinitiatieven met betrekking tot ervaren problemen of ambities. Met andere woorden: de sociale basis is een waarde op zich die van onderop, vanuit de samenleving, vanuit de leefwereld van bewoners tot stand komt en waarvan het de kunst is dat het beleid, ‘de systeemwereld’, daar ruimte voor biedt, het faciliteert, het initiatief – voor zover het bijdraagt aan publieke doelen – laat groeien. .2. Dat betekent ook dat de – vaak impliciete – beleidsverwachting dat een sterke sociale basis een factor van betekenis is in het oplossen van sociaal-maatschappelijke vraagstukken met betrekking tot bijvoorbeeld de dubbele vergrijzing, het groeiend (jeugd)zorggebruik en het toenemende personeelstekort in de zorg op zijn minst gerelativeerd en in ieder geval getemperd moet worden. Een sterke sociale basis is wel degelijk van betekenis voor de samenleving en het kunnen omgaan met voorkomende maatschappelijke vraagstukken, maar alleen als de kernwaarden ervan, zoals hiervoor benoemd, wordt gekoesterd en ondersteund en niet 1

afhankelijk is van wisselende beleidsambities. Reken je dus niet op voorhand rijk met de sociale basis. Bovendien: zodra bewoners het idee hebben dat ze ingeschakeld worden voor het oplossen van specifieke problemen die mede voortkomen uit eerdere beleidskeuzes of het tekortschieten van instanties, groeit het ongenoegen en wantrouwen. Het is zaak om dat waar mogelijk te voorkomen. Dat er een grens is aan wat de overheid kan oplossen en een grens aan wat bijvoorbeeld gezondheidszorg en jeugdzorg kan fixen, is evident. Het is belangrijk dat de politiek het maatschappelijk debat over de consequenties daarvan gaat voeren. Dat zal nationaal moeten gebeuren, maar uiteraard ook binnen gemeenten. Burgers zullen daarvoor niet weglopen en waar mogelijk meewerken aan alternatieven. Maar dat is een proces dat tijd vergt en in kleine stappen gaat. Decennialang heeft de overheid een (zorg)stelsel neergezet waar burgers, organisaties en instanties zich naar zijn gaan gedragen. Het geeft ons inziens geen pas via beleidsnota’s te suggereren dat de werkelijkheid ineens een andere is. .3. Wel relevant is de vraag hoe de sociale infrastructuur in een gebied er uit moet zien die een zo vruchtbaar mogelijke voedingsbodem creëert om initiatieven van onderop, om de sociale basis te laten groeien en bloeien.

Dan gaat het bijvoorbeeld over fysieke ontmoetingsplekken (inclusief gemeentelijk vastgoed), om de aard en inzet van sociale professionals, om financiële ondersteuning, maar ook om reële zeggenschap van bewoners over hun eigen leefomgeving. Die punten vragen om een heldere en scherpe visie van de gemeente, zodat daar in de toekomst door de verschillende diensten en instanties ook echt op geacteerd kan worden. Het voorliggende beleidskader is hier naar de mening van de Adviescommissie nog onvoldoende richting gevend. Wij komen hier bij punt 5 op terug. .4. Sinds een aantal jaren is er in Den Haag een beweging op gang gebracht om op basis van gebiedsgerichte data, input van instanties en meningen van zowel betrokken professionals als bewoners wijkagenda’s te formuleren. Dat zijn brede agenda’s die zich uitstrekken over meerdere domeinen, zoals veiligheid, het sociale domein, wonen en de fysieke leefomgeving. Het zijn nog agenda’s die eerder toebehoren aan (gemeentelijke) instanties dan dat deze gedragen wordt door bewoners.

De uitdaging voor de toekomst is om op basis van een creatieve inzet van beschikbare data de toekomstagenda de uitkomst te laten zijn van een beraad waarin wijkbewoners, in samenspraak met wijkprofessionals en vertegenwoordigers van in de wijk werkzame instanties een toekomstagenda formuleren die niet alleen gedragen wordt door de wijk, maar ook het gevoel van gezamenlijkheid en eensgezindheid versterkt. Dat is bepaald geen eenvoudige opgave, maar er is een beweging in het land gaande om dergelijke vormen van burgerberaden tot op het niveau van buurten en wijken tot stand te brengen. Zo’n soort ambitie zou niet misstaan in een beleidskader over de sociale basis en zeker ook in het gebiedsgerichte welzijnswerk dat na de belangrijke aanbesteding in 2026 voor een lange periode onderdeel gaat uitmaken van de sociale infrastructuur. .5. Tot slot. De Adviescommissie Welzijn heeft in een eerder advies er al voor gepleit het welzijnswerk te zien als een basisvoorziening. In het advies van 21 september 2021 schreven wij: ‘(…) het welzijnswerk als een onmisbaar onderdeel van wat je de sociale infrastructuur/basis van Den Haag zou kunnen noemen.

Het betreft een basisfunctie die nodig is om bewoners van Den Haag te ondersteunen om met elkaar op een betrokken en vreedzame wijze samen te leven, om in hun directe omgeving en in de stad hun weg te vinden en waar nodig hulp en begeleiding te krijgen als mensen tegen problemen aanlopen. Vergelijk het met de huisartszorg of met het onderwijs, ook voorzieningen waarvan het voortbestaan niet om de paar jaar ter discussie wordt gesteld of in de 2

aanbieding wordt gedaan. Overigens is daarmee de kous niet af, want op de erkenning volgt de noodzaak om de rol van het welzijnswerk binnen de sociale infrastructuur preciezer te bepalen. De adviescommissie ziet het als een opgave voor de komende jaren om daar in de vervolgstappen meer helderheid in te scheppen en zal daar haar deskundigheid graag voor inzetten.’ Wij brengen deze opmerking in herinnering, omdat de preciezere bepaling van de rol van het welzijnswerk als onderdeel van de sociale basisinfrastructuur voor zover wij kunnen overzien nog steeds op zich laat wachten. Er is geen scherp zicht over hoeveel opbouwwerkers je eigenlijk ten minste nodig hebt in een wijk/gebied? Wat je van hen wel (en wat niet) mag verwachten? Over hoeveel jongerenwerkers nodig zijn in verhouding tot het aantal jongeren in een wijk? Of over de verhouding tussen de inzet van straatcoaches en jongerenwerkers? Of over waar je precies jongerenwerkers inzet (en waar niet of minder)? Een heldere visie op wat er nodig is aan professionele inzet in een gedefinieerd gebied maakt het voor aanbieders inzichtelijker waar en wat zij moeten leveren en voor burgers helderder waar ze op kunnen rekenen. Die zekerheid is overigens niet strijdig met het beleidsadagium van ongelijk investeren in gelijke kansen.

Op basis van een gelijke verdeling van een deel van de middelen over verschillende stadsdelen kan daar bovenop een deel toegekend worden op basis op basis van specifieke opgaven die extra inzet vergen. Dat is niet iets nieuws: in het onderwijs kunnen scholen met een hoog percentage kinderen met leerachterstand ook rekenen op extra personele middelen. Nederland kent zelfs een lange traditie van extra investeren in gebieden waar problemen zich opstapelen, van probleemaccumulatiegebieden in de jaren tachtig tot de aandachtswijken en vogelaarwijken zo’n 15 jaar geleden. Ongelijk investeren in gelijke kansen is juist heel goed realiseerbaar als de basisfunctie, dus wat ten minste nodig is, op een gelijke wijze over de stadsdelen is verspreid. De Adviescommissie wil deze opmerkingen meegeven aan de gemeente, omdat er de komende jaren een vertrouwenwekkend fundament moet worden gelegd op basis waarvan voor een langere periode van tenminste acht jaar een relatie wordt aangegaan met aanbieders van professioneel welzijnswerk. Dat vraagt om een concretisering van de gemeentelijke visie op professioneel welzijnswerk, scherper dan dat in 2021 het geval was, zodat toekomstige aanbieders deze beter inzichtelijk en operationeel kunnen maken.

Wij adviseren de gemeente dan ook om de noodzaak van deze concretisering op te nemen in de actualisatie van de visie op het welzijnswerk en de totstandkoming daarvan tot inzet te maken van de tussentijdse afspraken met de aanbieders. Namens de Adviescommissie Welzijn, Rutger Hageraats, voorzitter a.i. Jos van der Lans, secretaris

3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15129503/1