CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS321136 Beantwoording SV over Toepassing art. 9 Leidraad geheimhouding

Commissie Bestuur 26 november 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Beantwoording schriftelijke vragen inzake Toepassing leidraad geheimhouding (SP, CU-SGP, PvdD)1.472 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Datum

BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE VRAGEN

27 januari 2025 Ons kenmerk Onderwerp

Antwoord van het college op de vragen van het raadslid mevrouw Arp, mevrouw Klokkenburg en de heer Van den Bos luidend: ‘Toepassing van de leidraad geheimhouding’

BSD/10845687 RIS321136

Het raadslid mevrouw Arp, mevrouw Klokkenburg en de heer Van den Bos hebben op 14 januari 2025 een brief met daarin 9 vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht. Overeenkomstig artikel 30 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt. De fracties van de SP, ChristenUnie/SGP en de Partij voor de Dieren hebben vragen over de wijze waarop de leidraad geheimhouding door het college toegepast en in het bijzonder artikel 9 van deze leidraad. Artikel 9 van de leidraad luidt: Artikel 9 Verstrekken geheime informatie die met de raad is gedeeld Het college of de burgemeester kan geheime informatie, ook nadat deze informatie onder geheimhouding is verstrekt aan de raad, aan anderen verstrekken. Daarbij geldt als randvoorwaarde dat verstrekking noodzakelijk is in het kader van het dagelijks bestuur van de gemeente (bijvoorbeeld wanneer de informatie gedeeld moet worden in het kader van een rechtszaak of ten behoeve van een onderzoek door de rekenkamer of de accountantsdienst). 1.

Kan het college nader onderbouwen wat er bedoeld wordt met de randvoorwaarde dat verstrekking noodzakelijk is in het kader van het dagelijks bestuur van de gemeente? Beperkt deze noodzaak zich tot lopende rechtszaken en onderzoeken, of zijn er ook andere (veelvoorkomende) aanleidingen denkbaar?

Op grond van art. 88, lid 6, Gemeentewet kan de raad regels vaststellen over het verstrekken van informatie ten aanzien waarvan een verplichting tot geheimhouding is opgelegd door het college, de burgemeester of een commissie en die tevens aan de raad is verstrekt. Op grond van deze bepaling heeft de raad art. 9 van de Leidraad geheimhouding vastgesteld. Daarbij is aansluiting gezocht bij het gestelde in de memorie van toelichting bij art. 88, lid 6, Gemeentewet. Daarin is aangegeven dat het college bevoegd is geheime informatie met anderen te delen als dat voor het dagelijks bestuur noodzakelijk is. Dit betekent dat het college verplicht is om te zorgen dat steeds adequaat wordt gereageerd op alle aangelegenheden die typisch tot de dagelijkse bestuurs- en beheertaken behoren. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat explicitering in de vorm van meer uitgewerkte taken niet goed mogelijk is. Uit het vorenstaande volgt dat de noodzaak zich in ieder geval niet beperkt tot de in art. 9 Leidraad geheimhouding genoemde voorbeelden.

Naast de in de Leidraad geheimhouding genoemde voorbeelden (delen van informatie in het kader van een rechtszaak of ten behoeve van een onderzoek door de rekenkamer of de accountantsdienst) is denkbaar dat bijvoorbeeld incidenteel informatie met derden wordt gedeeld in een casus met direct omwonenden wanneer dat in dat concrete geval, gelet op alle betrokken belangen, noodzakelijk is uit een oogpunt van behoorlijk bestuur.

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DPZ/10843342

2.

Kan het college aangeven hoe artikel 9 sinds het aannemen van het Voorstel van het college inzake vaststellen de Leidraad geheimhouding Den Haag (RIS315570) is toegepast? Kan het college eveneens vertrouwelijk de raad informeren welke geheime informatie sinds het vaststellen van deze leidraad met anderen is gedeeld en om welke redenen?

Zie het antwoord op vraag 1. Er wordt niet bijgehouden welke geheime informatie sinds het vaststellen van deze Leidraad met anderen is gedeeld en om welke reden(en). Daarbij is van belang dat de noodzaak tot het delen van geheime informatie met derden slechts zeer incidenteel aan de orde is. 3.

Komt het voor dat het college besluit op basis van artikel 9 geheime informatie te delen met individuele burgers? Zo ja, in wat voor situaties is dit denkbaar?

Zie het antwoord op vraag 1 en 2. 4.

Kan het college toelichten of en zo ja wat voor juridisch onderscheid er is in het delen van informatie met individuen van wie vanwege hun functie (bijvoorbeeld advocaat) geheimhouding verlangd kan worden, en het delen van informatie met inwoners (niet in de rol van een bepaalde functie)? Hoe gaat het college met dit onderscheid om?

Juridisch gezien bestaat er een onderscheid in het delen van informatie met individuen van wie vanwege hun functie (bijvoorbeeld advocaat) geheimhouding verlangd kan worden, en het delen van informatie met inwoners. Een geheimhouder (bijvoorbeeld advocaat) heeft een beroepsgeheim. Op basis daarvan moet hij alle informatie die met hem is gedeeld geheim houden (waaronder dus ook stukken waarop geheimhouding rust). De plicht om geheime informatie geheim te houden op grond van het beroepsgeheim, geldt niet voor bijvoorbeeld een inwoner. Zie hierna onder 5 en 6 voor het antwoord op de vraag of inwoners/instanties gehouden zijn tot geheimhouding. 5.

Kan het college aangeven welke afspraken worden gemaakt met instanties aan wie het college op basis van artikel 9 geheime informatie verstrekt? Kunnen zij juridisch verplicht worden tot geheimhouding en gebeurt dit ook?

Bij overheidsinstanties geldt dat zij op grond van het ambtsgeheim van hun medewerkers verplicht zijn tot geheimhouding. Verder borgt artikel 2:5 Awb hier dat vertrouwelijke gegevens vertrouwelijk blijven. Op grond van deze bepaling is een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, verplicht tot geheimhouding van die gegevens. Waar het gaat om instanties die niet tot de overheid behoren – bijvoorbeeld onderzoeksbureaus - met wie het college op basis van artikel 9 geheime informatie deelt, worden contractuele afspraken gemaakt rond geheimhouding. Aan die contractuele afspraken zijn boeteclausules verbonden. 6.

Klopt het dat we individuele burgers in principe niet kunnen verplichten tot geheimhouding wanneer informatie met hen wordt gedeeld op basis van artikel 9 en slechts een indringend beroep op hen kunnen doen om deze informatie niet verder te verspreiden? Kan het college haar antwoord toelichten?

Op grond van artikel 89, lid 2, Gemeentewet wordt een verplichting tot geheimhouding in acht genomen door allen die van de informatie kennis dragen. Dat geldt dus ook voor burgers. Daarom wordt bij deze groep ook steeds een indringend beroep gedaan om deze informatie niet verder te verspreiden.

2/3

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DPZ/10843342

In de toekomst zal, indien geheime informatie wordt gedeeld met een burger in verband met het dagelijks bestuur van de gemeente, expliciet op de verplichting tot geheimhouding worden gewezen. 7.

In hoeverre is er, wanneer geheime informatie die op basis van artikel 9 met anderen wordt gedeeld toch in het publieke domein belandt, nog sprake van geheime informatie? Kan het college een juridische duiding geven van een dergelijke situatie? Kan hierbij worden ingegaan op de situatie waarin de anderen (met wie de informatie is gedeeld) geen juridische verplichting tot geheimhouding hebben?

Een verplichting tot geheimhouding duurt voort totdat het bevoegde orgaan besluit de geheimhouding op te heffen. Het verstrekken van informatie uit geheime stukken is geen besluit tot opheffing van de geheimhouding. Dit betekent dat het verstrekken van informatie uit geheime stukken niet tot gevolg heeft dat de geheimhouding is opgeheven. 8.

Erkent het college dat er een ingewikkelde situatie kan ontstaan wanneer geheimhouding van bepaalde informatie is opgelegd aan de raad en de raad dus niet in de openbaarheid het debat hierover kan voeren, maar deze informatie vervolgens (deels) in het publieke domein terecht komt ten gevolge van toepassing van artikel 9, met maatschappelijke discussies tot gevolg? Hoe voorkomt het college dat er een grijs gebied ontstaat met betrekking tot geheimhouding?

Ja. Zie verder hiervoor onder 7. Relevant is nog dat bij het noodzakelijk delen van informatie met derden uit een oogpunt van behoorlijk bestuur, de groep met wie de informatie wordt gedeeld zo beperkt mogelijk wordt gehouden. Verder wordt alleen die informatie uit geheime stukken gedeeld die uit een oogpunt van behoorlijk bestuur essentieel is voor de betrokken groepen. Overige informatie uit geheime stukken, die dus wel bekend is bij de raad, wordt uitdrukkelijk niet gedeeld. 9.

Is het college bereid de raad standaard vertrouwelijk te informeren wanneer er een beroep wordt gedaan op artikel 9 van de leidraad geheimhouding, voorzien van een onderliggende argumentatie? Is het college bereid met een procesvoorstel hiervoor te komen? Zo nee, waarom niet?

Art. 89, lid 2, Gemeentewet bepaalt dat een verplichting tot geheimhouding in acht wordt genomen door allen die van de informatie kennis dragen. Deze verplichting wordt extra geborgd wanneer de informatie wordt gedeeld met geheimhouders, overheidsinstanties of contractspartners. Het college is bereid om de raad vertrouwelijk te informeren in de incidentele situaties waarbij geheime informatie op grond van artikel. 9 Leidraad geheimhouding wordt gedeeld met overige partijen. De wijze waarop we de raad informeren betreft maatwerk en willen we laten afhangen van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Een procesvoorstel lijkt daarom niet nodig. Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de burgemeester, Ilma Merx

Jan van Zanen

3/3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15086665/1