CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS320299 Deel 1 goede ruimtelijke onderbouwing Loevesteinlaan

Gemeenteraad 14 november 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Verklaring van geen bedenkingen omgevingsvergunning woontorens Loevesteinlaan 355 (RIS320299)34.362 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Ruimtelijke onderbouwing Project Status Projectnummer Kenmerk Datum Auteur Controle

Loevesteinlaan 355 5.2 21070 21070.5.2.RO 4 juni 2024 T.J. de Baare BSc LL.B K.A. van Duijn MSc

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 2

INHOUDSOPGAVE 1 2

3

4

5

6

Inleiding Projectbeschrijving

5 6

Projectlocatie Projectplan Vigerend bestemmingsplan

6 7 10

Ruimtelijk beleid

11

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

11 13 18 18

Omgevingsaspecten

36

Stedenbouwkundige motivering Motivering behoefte / Ladder voor duurzame verstedelijking Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bezonning Wind Bodem Externe veiligheid Geluid Luchtkwaliteit Natuur Verkeer en parkeren Water (Vormvrije) m.e.r-beoordeling

36 38 41 43 45 45 49 50 52 53 54 59 61 66

Beschrijving uitvoerbaarheid

67

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

67 67

Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid

70

Bijlage 1 – Archeologie (kenmerk: 2209_LOE22b_Loevesteinlaan_def) Bijlage 2 – Bezonning (kenmerk:4795.117.ur.rwi) Bijlage 3 – Windonderzoek (versie 1.1 & 1.2) Bijlage 4 – Bodemonderzoek (kenmerk: 21292SBD) Bijlage 5 – Akoestisch onderzoek (kenmerk:4795.068.ur.mek) Bijlage 6 – Quickscan Flora en Fauna (kenmerk: dBe21018rapQS-DH-Loevestein) Bijlage 7 – Vervolgonderzoek Vleermuizen (kenmerk: vervolgonderzoek vleermuizen Loevesteinlaan 355 EcoNiche-2021-11-10) Bijlage 8 – Stikstofdepositierapportage Onderzoek stikstofdepositie (MBH Consult 11-7-2023) AERIUS_projectberekening bouwfase jaar 1, S6Np1EQFx8g7 AERIUS_projectberekening bouwfase jaar 2, RjRjFjo3QdtM

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 3

AERIUS_projectberekening bouwfase jaar 3, RxfLjDRk9pbL AERIUS_projectberekening bouwfase jaar 4, S64dCXqfwb19 AERIUS_projectberekening gebruiksfase Rww1ZVAbTi5K Bijlage 9 - Parkeerbalans (kenmerk:240410 Loevesteinlaan 355 parkeertelling) Bijlage 10 – Natuurinclusief bouwen (kenemrk: 221012 1433 natuurinclusief bouwen) Bijlage 11 – Watersleutel (v08.pdf) Bijlage 12 – Lozingstabellen (kenmerk: 4795.106.pdf.wco) Bijlage 13 – Akkoord Dunea Bijlage 14 – Aanmeldnotitie M.e.r. (kenmerk: 230222 – Aanmeldnotitie Loevesteinlaan)

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 4

1

INLEIDING In opdracht van Stebru heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de gewenste herontwikkeling van het leegstaande zorgcomplex van Florence Zorg gelegen aan de Loevesteinlaan 355 te Den Haag. Het huidige gebouw zal worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw bestemd voor zorg, wonen en commerciële functies. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan, moet een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan, de zogenoemde Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Voorliggende rapportage betreft de GRO, waarin het project aan de hand van zowel ruimtelijke als milieutechnische aspecten wordt gemotiveerd.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 5

2

PROJECTBESCHRIJVING PROJECTLOCATIE Het voormalig woonzorgcentrum van Florence is gelegen aan de Loevesteinlaan 355 te Den Haag. Het Zuiderpark is aan de oostzijde van de projectlocatie gelegen. Ten noorden loopt de Fluitenbergstraat, ten zuiden de Dalverveenstraat. Tussen beide straten, direct tegen het bestaande gebouw van Florence aangebouwd, bevindt zich een wooncomplex van woningbouwvereniging Haagwonen. Achter dit wooncomplex is de Tamarschool gelegen, direct aan de Maartensdijklaan. De directe omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit woningbouw. Sinds 2015 is het pand niet meer in gebruik als zorginstelling en wordt het vastgoed antikraak bewoond. Kadastraal is de locatie bekend onder nummer 3083 sectie AW van de kadastrale gemeente ‘s-Gravenhage. Binnen de projectlocatie zijn woningen en zorgwoningen gelegen. Figuur 1. Luchtfoto projectlocatie (bron: QGIS, eigen bewerking).

De projectlocatie bevindt zich in de wijk Morgenstond-Oost, aan de Loevesteinlaan direct aan het Zuiderpark. De wijk is opgezet volgens het structuurplan van Willem Dudok uit 1949. De wijk Morgenstond is aangelegd in de voormalige polder Eskamp. De orthogonale hoofdstructuur van de wijk wordt gevormd door de Leyweg, de Loevesteinlaan, de Hengelolaan en de Melis Stokelaan. Een groene, secundaire hoofdstructuur wordt gevormd door de Maartensdijklaan, de Hengelolaan en de groene zone aan de Melis Stokelaan.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 6

PROJECTPLAN In de huidige situatie is het leegstaand zorgcomplex van Florence Zorg gelegen aan de Loevesteinlaan 355. Het beoogd plan betreft vervangende nieuwbouw. Het huidige zorggebouw zal worden gesloopt en vervangen voor nieuwbouw voor zorg en wonen. Voor de herontwikkeling is op 11 december 2018 door het college van burgermeester en wethouders een kavelpaspoort vastgesteld (RIS301350), waarin de uitgangspunten van het plan zijn vastgelegd. In het kavelpaspoort is het volgende opgenomen: Bij de herontwikkeling van deze locatie komt een uitgebreid zorgprogramma en woningbouw:  120 zorgwoningen met gemeenschappelijke ruimten en ruimten voor ontmoeten, begeleiding behandeling en ondersteunende diensten.  Minimaal 50 betaalbare woningen. De herontwikkeling past binnen de stedenbouwkundige visie voor deze locatie, waarbij verdichting en extra woningbouw mogelijk is. Het faciliteren van deze ontwikkeling past bij de Woonvisie 2030. Het deel van de locatie dat grenst aan de Loevesteinlaan kan een hoog bouwvolume krijgen. Het beoogd programma waar voorliggend initiatief in voorziet, wijkt in enkele onderdelen af van het kavelpaspoort en behelst de realisatie van 144 zorgunits in 4 bouwlagen (stedelijke laag) en twee woongebouwen met 19 bouwlagen. In de woongebouwen worden in totaal 298 woningen gerealiseerd.

Op de begane grond in de plint van het gebouw worden de toegangen naar de woongebouwen, de entree van Florence en verschillende ruimtes voor commerciële en commercieel-maatschappelijke plintfuncties gerealiseerd. Het gaat om circa 630 m2 (GBO) plintfuncties, die nader ingevuld kunnen worden. Het beoogd programma is conform het vrije programma zoals dat is opgenomen in het kavelpaspoort. In het kavelpaspoort is het volgende omschreven: “Vrij woonprogramma ten behoeve van maximalisatie van het gebruik van de gehele locatie. Realisatie van (vrije sector) woningen en aanvullende ruimte voor maatschappelijke functies; ruimtes voor een wijkfunctie zoals een eerste lijns zorgcentrum ofwel AHOED en voor commerciële ruimtes, zoals een apotheek en kantoor- en werkruimtes. Het programma dat middels voorliggende ruimtelijke onderbouwing mogelijk gemaakt dient te worden geeft invulling aan dit vrije programma zoals dat is vastgelegd in het kavelpaspoort. In het kavelpaspoort is een maximale bouwhoogte van 70 meter aangegeven. Het nader uitgewerkte ontwerp heeft echter een bouwhoogte van 73 meter (bovenkant dakvloer), een afwijking van 4,3%. De dakrand van het gebouw ligt op 73,8 meter hoogte.

De hoogte van de laatste verdiepingsvloer ligt wel net onder de 70 meter, zodat er per toren 19 verdiepingen worden gerealiseerd, boven op het commerciële programma in de plint en het zorgprogramma in 4 lagen. Tot een vloerhoogte onder 70 meter geldt een ander brandveiligheidsregime dan daarboven. Dat is de achterliggende reden waarom in het kavelpaspoort het richtinggevende getal van 70 meter is aangegeven. De bouwhoogte van het plan op deze locatie is stedenbouwkundig gerelateerd aan het reeds gerealiseerde gebouw ‘Pharos’. Dat gebouw heeft een bouwhoogte van 73 meter met de dakrand op 73,5 meter. Het plan voorziet ook in hetzelfde aantal bouwlagen als Pharos (24). Daarmee vindt het op een logische manier aansluiting op de omgeving. Voor de hele straatwand aan het Zuiderpark levert het een evenwichtig beeld op. Op het terrein worden, deels op het maaiveld, deels op een parkeerdek, in totaal 144 autoparkeerplaatsen gerealiseerd. Tevens wordt op de begane grond een fietsenstalling gerealiseerd voor 976 fietsparkeerplaatsen voor bewoners (waarvan 596 in een laag rek) en 12 voor het personeel van Florence.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 7

Naast de entree van Florence is plek voor scootmobielen en e-bikes met een oppervlakte van 14 m2. Naast beide entreepartijen van de woontorens is ruimte gereserveerd voor 12 scootmobielen (in totaal dus 24). In de plint is tevens ruimte voor containers en opslag voorzien. Figuur 2. Overzicht locatie bestaande toestand.

Figuur 3. Overzicht locatie nieuwe toestand.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 8

Figuur 4. Overzicht projectlocatie bestaand.

Figuur 5. Overzicht/ impressie projectlocatie nieuwe toestand.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 9

VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Bestemmingsplan “Morgenstond” Het vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan “Morgenstond”, vastgesteld op 25 juni 2015 door de raad van de gemeente Den Haag. De projectlocatie heeft de bestemming ‘Maatschappelijk – 1’, met de functieaanduiding ‘gezondheidszorg’. De gehele projectlocatie kent de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. De gronden parallel aan de Loevesteinlaan kennen de dubbelbestemming ‘Leiding – Water’ en deze reikt tevens tot binnen de projectlocatie. Binnen de maatschappelijke bestemming geldt een bouwvlak, waarvan de bouwhoogte uiteenloopt van 4 tot en met 22 meter. De gronden parallel aan de Fluitenbergstraat kennen de functieaanduiding ‘parkeerterrein’. Figuur 6. Uitsnede bestemmingsplankaart (www.ruimtelijkeplannen.nl geraadpleegd op 3 februari 2022)

De voor ‘Maatschappelijk – 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen I (welzijnsvoorzieningen, educatieve, sociaal-medische, levensbeschouwelijke voorzieningen, bibliotheken) en ter plaatse van de functieaanduiding ‘gezondheidszorg’ [gz], tevens een apotheek. Tevens vigeert ter plaatse van de onderzoeklocatie het bestemmingsplan “Parapluherziening (fiets)parkeren”, vastgesteld op 20 september 2018. Toets aan bestemmingsplan “Morgenstond” De ontwikkeling met vervangende nieuwbouw is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Als gevolg van het initiatief wordt de maximale bouwhoogte overschreden. Tevens wordt de bebouwing buiten het bestaande bouwvlak voorzien. Daarnaast geldt dat binnen de vigerende bestemming ‘Maatschappelijk – 1’ geen woningen zijn toegestaan. Om de genoemde strijdigheden weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, wordt een procedure doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 10

3

RUIMTELIJK BELEID RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 7. Afwegen met de NOVI. Bron: Nationale Omgevingsvisie.

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 11

van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling Uit de uitwerking van prioriteit 3 (Sterke en gezonde steden en regio’s) volgt onder andere dat sprake dient te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling en dat het woningaanbod moet aansluiten bij de vraag. Daarnaast is één van de beleidskeuzes (beleidskeuze 3.3.) onder prioriteit 3 “Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio, toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op ruimte- en mobiliteitsefficiënte wijze ingepast. Het woningaanbod in de regio’s sluit daarbij aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse”.

Onderhavig plan sluit aan op prioriteit 3 en de beleidskeuze door woningen te realiseren binnen het bestaand stedelijk gebied, conform een programma waar grote behoefte naar bestaat en is afgestemd op de vraag (zie ook paragraaf 3.1.4.1). Verder worden in de NOVI onder andere de nationale belangen “Waarborgen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving” (4) en “Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte” (5) benoemd. In onderhavig plan wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke aspecten en inpassing van het plan zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (fysieke leefomgeving) wordt gerealiseerd, zie hiervoor hoofdstuk 4. De opgave bij Nationaal belang 5 is het vergroten van de woningvoorraad in een fijne leefomgeving om te voorzien in de huidige behoefte aan woningen. De ontwikkeling draagt bij aan de woningbehoefte naar zowel appartementen als zorgstudio’s binnen de gemeente. 3.1.1.2 Conclusie De ontwikkeling die middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden is niet in strijd met een van de 21 nationale belangen. Beleid voor deze specifieke locatie dan wel ontwikkeling wordt daarom overgelaten aan de provincie en de gemeente.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. 3.1.2.1 Conclusie Het Barro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.

Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 12

voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld.

PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie Zuid – Holland Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld: 1. Naar een klimaatbestendige delta Het inrichten van de fysieke leefomgeving op een manier waarop deze klimaatbestendig blijft. Voorbeelden daarvan zijn: meer ruimte bieden aan water en het rekening houden met de impact van klimaatverandering bij nieuwe ruimtelijke projecten. 2. Naar een nieuwe economie: the next level De stap naar een circulaire economie in 2050, met grote gevolgen voor onder andere het haven-industrieel complex en de glastuinbouw. Er wordt ingezet op bijvoorbeeld digitalisering en een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving. 3. Naar een levendige meerkernige metropool De stap naar een gezonde, sociale en duurzame samenleving. Er moet een fors aantal woningen worden gerealiseerd en de woonvoorraad dient te worden verduurzaamd.

Ook zullen steden met elkaar verbonden moeten worden tot één metropolitaan gebied. In dit gebied zullen we moeten inzetten op het versterken van het leef- en vestigingsklimaat. 4. Energievernieuwing Zuid-Holland wil de fossiele bronnen vervangen door hernieuwbare bronnen. Er worden maatregelen genomen om energie te besparen en het gebruik van aardgas drastisch te verminderen. Ook wordt ingezet op innovatie: nieuwe mogelijkheden voor energiegebruik uit wind, zon, biomassa, water en aardwarmte. 5. Best bereikbare provincie De provincie moet optimaal verbonden zijn en blijven met regionale, landelijke en internationale centra. Er worden verkeersknelpunten aangepakt en de mobiliteitssector kan schoner worden gemaakt en verduurzamen. Ook wordt ingezet op OV, gebruik van de fiets en vervoer over water. 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Een groene leefomgeving draagt bij aan een gezonde leefstijl van de inwoners van de provincie, maar het landschap en de biodiversiteit staat ook onder druk door het groeiend aantal inwoners, economische ontwikkeling en klimaatverandering. De kwaliteit van de leefomgeving kan worden versterkt door natuur, water, recreatie, landbouw, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden.

Daarnaast wordt vanuit twaalf samenhangende opgaven de zorg voor een goede omgevingskwaliteit ingevuld. Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 13

Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: 

  

De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is.

In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling. 

Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied.

Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 14

Figuur 8. Ontwikkelingen Omgevingsvisie Zuid – Holland.

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Bestaand stads- en dorpsgebied De provincie wil bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), ofwel de bebouwde ruimte, beter benutten. De provincie verstaat daaronder: ‘het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet nieuwe stedelijke ontwikkeling primair plaatsvinden binnen het BSD. Bodem- en watersysteem De Omgevingsvisie omvat het wettelijk verplichte regionale waterplan (artikel 4.4 van de Waterwet (Ww).

Klimaatverandering, toenemende verzilting, inklinking en het veranderend ruimtegebruik (ook in de ondergrond) vergen aanpassingen van en keuzes in het bodem- en watersysteem, die in veel gevallen invloed hebben op de ruimtelijke ordening. 3.2.1.1 Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling voorziet in vervangende nieuwbouw van het leegstaande zorgcomplex. Als gevolg van het initiatief worden 144 zorgstudio’s gerealiseerd in de stedelijke laag, een commerciële plint en in totaal 298 woningen verdeeld over twee woontorens. De projectlocatie is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgezicht. De directe omgeving van de projectlocatie bestaat voornamelijk uit woningbouw en maatschappelijke bestemmingen. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling een inpassing betreft passend bij de aard en schaal van de omgeving. 3.2.1.2 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie Zuid – Holland.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 15

Omgevingsverordening Zuid-Holland Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. De relevante regels worden hieronder nader toegelicht. Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Alleen als binnen BSD geen ruimte is voor een specifieke stedelijke ontwikkeling kan een nieuw uitleglocatie buiten BSD in gebruik worden genomen.

De Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is hierbij van toepassing. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstelijking ook opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze Ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. De Ladder zoals opgenomen in het Bro is een motiveringseis voor de toelichting van het bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Om een vrijblijvend karakter te vermijden, heeft de ladder zoals opgenomen in de verordening daarom niet alleen betekenis voor de toelichting van het bestemmingsplan maar ook voor de inhoud. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen van de Omgevingsverordening Zuid-Holland gaat in op de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het artikel luidt als volgt: 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b.

indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Stedelijke ontwikkelingen Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 16

3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling Er zijn diverse regels uit de Omgevingsverordening waar de voorgenomen ontwikkeling aan moet voldoen. Een samenvatting van deze regels met de relevante voorwaarden voor de voorgenomen ontwikkeling is onderstaand weergegeven. Artikel 6.9 Voor toetsing aan de provinciale regels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit is vooral de ruimtelijke impact van een ontwikkeling van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. In artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit van de Omgevingsverordening is opgenomen aan welke voorwaarden een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. In geval van het type ontwikkeling 'inpassing' (zie ook 3.2.1 Provinciale omgevingsvisie) speelt de ontwikkeling zich af op het niveau van een kavel. Bestaande structuren en kwaliteiten veranderen niet tot nauwelijks en er wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, zoals eerder beschouwd in voorgaande paragraaf.

Artikel 6.35 In artikel 6.35a van de omgevingsverordening staat dat er rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: A. wateroverlast door overvloedige neerslag; B. overstroming; C. hitte; D. droogte; alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling. Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. In paragraaf 3.4.10 van voorliggende rapportage wordt nader ingegaan op het aspect duurzaamheid. Vooruitlopend op deze paragraaf kan geconcludeerd worden dat de woningen worden gasloos uitgevoerd. Het gebouw en de verschillende gebruiksfuncties binnen het gebouw voldoen aan de beleidskaders voor duurzaam bouwen uit het Bouwbesluit en de daaraan gekoppelde energieprestatie. Waar nodig en eventueel extra mogelijk worden op de daken van het gebouw zonnepanelen toegepast. De energieopwekkingsinstallatie, welke geleverd en geëxploiteerd wordt door Eneco, zal zowel verwarming/warm tapwater als comfortkoeling leveren aan het gebouw.

In paragraaf 4.13 wordt nader ingegaan op wateroverlast en overstromingen, maar vooruitlopend hierop kan geconcludeerd worden dat op grond van de stresstestkaart ‘Extreme neerslag’ van de gemeente, blijkt dat slechts dat minimale delen van de projectlocatie aangemerkt zijn als gevoelig voor wateroverlast. Door de locatie te vergroenen en te voorzien in een vertraagde afvoer van hemelwater verbeterd deze situatie ten opzichte van de bestaande toestand. Het een en ander wordt nader beschreven in paragraaf 4.13 van onderhavige rapportage. Artikel 6.10 Indien sprake is van een stedelijke ontwikkeling, dient eveneens te worden voldaan aan artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen van de Omgevingsverordening. Bij een stedelijke ontwikkeling in het bestaand stads- en dorpsgebied dient in de toelichting van het bestemmingsplan ingegaan te worden op de ladder voor duurzame verstedelijking. Bij de onderbouwing van de ladder voor duurzame verstedelijking kan verwezen worden naar een regionale visie waar de behoefte van de stedelijke ontwikkeling al is gemotiveerd. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstelijking, zoals opgenomen in het Bro, ook opgenomen in de verordening om het provinciaal belang bij de toepassing van de ladder te benadrukken. Indien de

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 17

ontwikkeling niet binnen bestaand stads- of dorpsgezicht kan worden voorzien kan gebruik worden gemaakt van de aangewezen locaties in het Programma ruimte. Op grond van de provinciale Omgevingsverordening dient ingegaan te worden op de Ladder voor duurzame verstedelijking. Daarbij dient zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. In paragraaf 4.2 wordt nader op de Ladder ingegaan. 3.2.2.2 Conclusie Er wordt voldaan aan artikel 6.9, 6.10 en 6.35 van de Omgevingsverordening. Geconcludeerd kan worden dat de Omgevingsverordening geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

REGIONAAL BELEID Regionale Woonvisie Haaglanden 2017 – 2021 De Haaglandengemeenten vormen al jaren een gezamenlijke woningmarktregio. De regionale samenwerking op het gebied van 'wonen' is na het opheffen van het Stadsgewest Haaglanden voortgezet middels een bestuurlijke tafel Wonen met de negen Haaglandengemeenten. Aan de hand van een gezamenlijk woningbouwprogramma willen de gemeenten zo goed en efficiënt mogelijk inspelen op zowel de kwalitatieve als kwantitatieve woningbehoeften van de regio Haaglanden. Een vast uitgangspunt daarbij is het zoveel mogelijk realiseren van de woonopgaven binnen bestaand stedelijke gebieden. Dit omwille van het in stand kunnen houden van de specifieke groene en blauwe kwaliteiten van de regio, die in belangrijke mate bijdragen aan het prettige woonklimaat van Haaglanden. Qua toekomstige omvang van de regionale woningvoorraad streven de gemeenten er gezamenlijk naar om te voldoen aan de tot 2025 volgens de provinciale prognose (2016) verwachte behoefte van ruim 50.000 nieuwe woningen. Gemeenten kijken daartoe met name ook naar de mogelijkheden die leegstaande kantoren en leegstand op verouderde bedrijventerreinen biedt om nieuwe woningen toe te voegen. Daarnaast zal uiteraard ook nieuwbouw van woningen plaatsvinden. 3.3.1.1 Relatie tot ontwikkeling Het voorgenomen initiatief voorziet in een woningbouwontwikkeling.

Het beoogd programma behelst onder andere de realisatie van 144 zorgstudio’s en 298 appartementen binnen het bestaand stedelijk gebied. 3.3.1.2 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het initiatief dat middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden, in lijn is met de regionale woonvisie Haaglanden.

GEMEENTELIJK BELEID Structuurvisie Den Haag 2020 De Structuurvisie Den Haag 2020 “Wéreldstad aan Zee” beschrijft de toekomstvisie van Den Haag op de ruimtelijke ontwikkeling van de stad in regionaal perspectief tot het jaar 2020 (Rv 197 - 2005; RIS 129201). De ambitie is om van Den Haag een Wéreldstad aan Zee te maken door de sterke kwaliteiten van Den Haag te benutten: een internationale stad, een stad aan zee, een multiculturele stad en een monumentale residentie. De structuurvisie gaat uit van een lichte groei van het aantal inwoners (nu ca 500.000) en een groei van het aantal arbeidsplaatsen in 2020. Dat betekent dat er ca 40.000 woningen moeten worden toegevoegd in de bestaande stad, door verdichting. In de structuurvisie wordt de Wéreldstad aan Zee vorm gegeven door

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 18

ontwikkelingen in vijf kansenzones (het Centrum, de Lijn 11-zone, de Internationale Kustzone, de Vliet/A4zone en de Schakelzone Lozerlaan). 3.4.1.1 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is niet gelegen in één van bovenstaande kansenzones. De Haagse Structuurvisie streeft naar groei van het inwoneraantal van de stad als draagvlak voor grootstedelijke voorzieningen en voor een goede economische, sociale en culturele ontwikkeling. Hiervoor zal het aantal woningen moeten groeien. Middels voorliggend initiatief wordt hieraan bijgedragen. 3.4.1.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de Structuurvisie Den Haag 2020 “Wéreldstad aan Zee”.

Agenda Ruimte voor de stad De Agenda Ruimte voor de stad (RIS295016, door de raad vastgesteld op 15 december 2016) is het richtinggevend document voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad en als zodanig de ruimtelijke onderlegger voor de nog op te stellen Omgevingsvisie die, wanneer de nieuwe Omgevingswet van kracht wordt, ook voor gemeenten verplicht gesteld is. Voor de Agenda Ruimte voor de Stad zijn vier transitie opgaven van belang: de ontwikkeling naar een nieuwe economie, de vraag om een inclusieve en veerkrachtige samenleving, de roep om slimme stadsontwikkeling en de opgave voor de overheid om in dit proces organiserend vermogen te tonen en ruimte te bieden voor maatschappelijk initiatief. Met behulp van negen principes voor stedelijke ontwikkeling wordt in de Agenda Ruimte voor de Stad aangegeven hoe de ontwikkelingen gestuurd wordt:   

Kwaliteit van het proces door samen stad maken waar mogelijk ruimte aan initiatiefnemers, daarbij hoort ook experimenteerruimte die belangrijk is voor innovatie en dynamiek in de stad en ruimtelijke keuzen om antwoorden te bieden op de stedelijke en regionale opgaven. Ruimtelijke kwaliteit, zoals groen, cultuurhistorisch erfgoed en de buitenruimte, omdat die in belangrijke mate bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving en het economisch vestigingsklimaat. Kwaliteit door integrale samenhang met sociaal-maatschappelijke opgaven, zoals de opgave om sociaaleconomische differentiatie, functiemenging en ruimte voor wijkeconomie te bevorderen in wijken waar dat nodig is gelet op bijvoorbeeld werkeloosheid.

Het belang van veel lopende projecten wordt met deze agenda benadrukt. Goede uitvoering met ook oog voor de tijdelijke situatie vraagt een enorme inzet. Daarnaast zullen op basis van deze agenda nieuwe locaties in ontwikkeling worden gebracht. Het betreft zowel het in ontwikkeling brengen van de zachte planvoorraad als nieuwe locaties op basis van deze agenda. Ook zijn er een aantal grotere strategische ontwikkelingen geagendeerd in deze agenda. De ruimtelijke opgaven voor Den Haag en de regio zijn in het kort:  Ruimte voor stedelijk wonen, om de groei van de bevolking te faciliteren  Ruimte voor aantrekkelijke groene buitenruimte, van belang voor de kwaliteit van de leefomgeving  Ruimte voor (nieuwe) economie en toerisme, ter versterking van het economische vestigingsklimaat  Ruimte voor duurzame mobiliteit en  Ruimte voor energietransitie en klimaatadaptatie, nodig voor de ambitie om de stad in 2040 klimaatneutraal te zijn. Op het gebied van stedelijk wonen kan worden gesteld dat in de periode tot 2025 in de stad voldoende plancapaciteit aanwezig moet zijn voor het bouwen van 2000 tot 2500 woningen per jaar. In de Agenda Ruimte voor de stad zijn voor de verschillende Haagse stadsdelen verkenningen gemaakt waarin ambities zijn opgenomen.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 19

3.4.2.1 Relatie tot ontwikkeling Voor stadsdeel Escamp, waar de projectlocatie onderdeel van uitmaakt, blijkt uit de stadsdeelverkenning dat er een behoefte aan groenstedelijk wonen en herstructurering (sloop-nieuwbouw) is waarbij 125% terug gebouwd wordt. Het voorgenomen initiatief behelst vervangende nieuwbouw en voorziet in een woonprogramma dat zowel uit zorgstudio’s als reguliere appartementen bestaat. Op de begane grond is ruimte voor commerciële functies. Er is binnen de gemeente grote behoefte aan woningen, waar voorliggend initiatief specifiek in voorziet. 3.4.2.2 Conclusie Het voorgenomen initiatief dat middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden is in lijn met de Agenda ruimte voor de stad.

Haagse Hoogbouw Eyeline en Skyline De nota "Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline" is een uitwerking van de Agenda Ruimte voor de Stad, vastgesteld door de raad in december 2016. Met de nota wordt gevolg gegeven aan het dictum bij het raadsbesluit (RIS295016) over de Agenda Ruimte voor de Stad en vervangt de Agenda voor de Haagse Verdichting uit 2009 (RIS159469), voor zover het hoogbouw betreft. Aanleiding voor de nota 'Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline' zijn de ruimtelijke opgaven uit de Agenda Ruimte voor de Stad. In de Agenda heeft Den Haag gekozen om die groei binnenstedelijk op te vangen en de verdichting te concentreren bij OV-knooppunten en concentraties van voorzieningen. Daarnaast vragen actuele ontwikkelingen en initiatieven om nieuwe regels en kaders voor hoogbouwontwikkelingen in Den Haag. De inzet is om de 'skyline' van Den Haag te verbinden met de belevingskwaliteit van de stad op ooghoogte en de buitenruimte ter plekke: de 'eyeline'. Hoogbouw is geen doel op zich, maar een middel om strategisch om te gaan met de beperkte ruimte die de stad nog heeft. Doel is de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid van de stad op de lange termijn te waarborgen en het vestigingsklimaat te versterken.

Door te intensiveren en door hogere bebouwing mogelijk te maken kan de stad de groei van het aantal inwoners faciliteren en voldoende en geschikte woon- en werkruimte bieden, met bijbehorende voorzieningen, nu en in de toekomst. Er is sprake van hoogbouw bij 50 meter of hoger. De nota geeft stadsbrede ambities en regels aan voor hoogbouwontwikkelingen; o.a. t.a.v. wonen, microklimaat en mobiliteit. In de nota worden tevens intensiveringsgebieden aangegeven waar mogelijk hoogbouw kan worden gerealiseerd. Binnen deze gebieden zijn gebiedsspecifieke regels voor typologie, architectuur en buitenruimte opgenomen waaraan hoogbouwinitiatieven getoetst worden. De Haagse hoogbouw kent een typologie waarvan de samenstelling de volgende opbouw kent:    

Een stedelijke laag van 9-25 meter; Een plint als onderdeel van de stedelijke laag; De toren; De kroon als beëindiging van de toren.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 20

Figuur 9. Typologie en samenstelling Haagse hoogbouw.

De bouwhoogte van de stedelijke laag kan variëren van 9 tot 25 meter. Deze laag vormt de belangrijkste wanden van de straat en sluit aan bij de verhoudingen van de historische stad of de directe omgeving. Het is dat deel van het gebouw dat door de voorbijganger wordt ervaren op ooghoogte, de 'eyeline'. Tot ongeveer 25 meter is er direct contact mogelijk tussen binnen en buiten. De vormgeving van de stedelijke laag is cruciaal voor de beleving van de passant en ondersteunt een prettig of veilig gevoel. De 'plint' wordt gevormd door de onderste of de eerste twee lagen van de stedelijke laag. Het deel dat vanaf de straat direct zichtbaar is en waar vrijwel alle interactie tussen straat en gebouw plaats vindt. Daar presenteren zich diverse vormen van bedrijvigheid, voorzieningen of woningen en komt de meeste dynamiek en levendigheid tot uiting. De plint is wellicht maar 10% van een gebouw maar bepaalt voor 90% de beleving ervan. 3.4.3.1 Relatie tot ontwikkeling De regels voor incidentele hoogbouw in naoorlogse woonwijken waaronder de Loevesteinlaan zijn: • • • • •

de stedelijke laag en de plint vormen in de naoorlogse gebieden functioneel gezien een geheel; de plint is straatgericht en representatief met bedrijven en of voorzieningen; woningen zijn ook een optie; de verdiepingshoogte van de eerste twee bouwlagen is minimaal 3,5 meter, dit is een uitzondering op de generieke regels; de stedelijke laag sluit in vormgeving en architectuur aan op de omliggende bebouwing.

In de uitwerking van het plan wordt met de van toepassing zijnde regels rekening gehouden. 3.4.3.2 Conclusie De herontwikkeling aan de Loevesteinlaan houdt rekening met de regels en ambities uit de nota Haagse Hoogbouw.

Ruimtelijk Economisch Investeringsstrategie (REIS) De Ruimtelijke Economische Investeringsstrategie (RIS295004) geeft jaarlijks inzicht in de investeringsbehoefte voor de komende jaren. Het betreft investeringen, die fysiek ruimtelijk-economisch van aard en locatiegebonden zijn. Met de Ruimtelijke Economische Investeringsstrategie (REIS) wordt bij de begrotingsbehandeling ook duidelijk voor welke ruimtelijk-economische projecten het college middelen reserveert. Na vaststelling volgt de uitwerking in beslis- en/of projectdocumenten.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 21

De Ruimtelijke-Economische Investeringsstrategie komt tot stand in de context van lopende discussies, verkenningen en agenda's/visies, zoals Stad in Transitie, Agenda Ruimte voor de Stad, de nieuwe Woonvisie, de versterking van de Haagse economie, de Agenda Groen, de Binnenstadsagenda en het Regionaal Investeringsprogramma van de MRDH. Er wordt tevens gewerkt aan of voortgebouwd op drie elkaar versterkende uitvoeringsagenda's: de Agenda Ruimte voor de Stad, de Economische Agenda's en de Sociale Agenda. Deze agenda's worden onder meer uitgewerkt in vijf proposities:     

Central Innovation District, Kustontwikkeling, OV-bereikbaarheid, Next Generation woonwijken en Vitaal gezond langer thuis wonen.

De investeringsbehoefte, die uit de verschillende agenda's en visies voortkomt, is omvangrijk, maar ook nog niet volledig uitgekristalliseerd. De REIS is dan ook een dynamisch instrument waar in de loop van de tijd (in een jaarlijkse cyclus) investeringsopgaven c.q. investeringsprojecten bijkomen en afgaan. Met de REIS wordt een verbinding tussen de ruimtelijk-economische ambities uit de verschillende agenda's en beleidsvisies en de investeringsbehoefte, die daarmee samenhangt en de toekenning van middelen aan projecten. 3.4.4.1 Relatie tot ontwikkeling Het plangebied is onderdeel van het focusgebied van Zuidwest. Voor het betreffende plangebied wordt ingezet op het toevoegen van een substantieel deel woningbouw waardoor intensivering plaatsvindt. 3.4.4.2 Conclusie De ontwikkeling van het beoogde programma op de locatie is in overeenstemming met de in het beleid geformuleerde doelstellingen.

Agenda Groen voor de stad In de Agenda Groen voor de Stad (vastgesteld 15 december 2016, RIS294705) wordt geconstateerd dat door de toenemende bevolking en het bijbehorende ruimtebeslag de leefkwaliteit in het algemeen en het groen in het bijzonder soms onder druk komt te staan. Daarnaast zijn er onzekerheden en ontwikkelingen die de stad in de toekomst sterk zullen kleuren zoals de klimaatopgave, veranderingen in mobiliteit en de toenemende impact van informatietechnologie. Omdat Den Haag een aantrekkelijke stad wil blijven voor bewoners, bezoekers en bedrijven, moeten er strategische keuzes worden gemaakt op het gebied van verdichting, vergroening en verduurzaming. De ambitie is een verdere kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen, waarbij ruimte bestaat voor verandering en initiatief en bij ontwikkelingen groen toekomstbestendig wordt vormgegeven. Kortom: Groen kapitaal als basis voor een goede leefkwaliteit. In de reflectie op het vigerende beleid is geconstateerd dat vooral de nadruk is gelegd op het vastleggen van de zogenaamde Stedelijke Groene Hoofdstructuur (SGH), het groen in de stad dat op basis van de aanwezige waarden en de betekenis daarvan extra bescherming verdient. Om de kwaliteit van het Haagse groen verder te verankeren, is de SGH herijkt.

Hiervoor zijn de beschrijvingen van de Haagse groengebieden getoetst, aangepast en aangevuld en verbanden gelegd met nieuwe thema's zoals duurzaamheid, gezondheid en recreatie. Het uitgangspunt was het goede te behouden en van waarde te laten zijn voor de toekomst. Bij anticipatie is gekeken naar de wenselijke ontwikkeling van het Haagse groen in een realistische context. Het doel is het Haagse groen kwalitatief te ontwikkelen. Daarom zijn in de nota per thema de kernkwaliteiten die moeten behouden, de uitdagingen die de komende jaren zijn voorzien, de ambities en het ontwikkelpad geschetst. De stedelijke leefkwaliteit - en daarmee de waarde van het groen - is niet voor de hele stad gelijk. Het is afhankelijk van gebiedskenmerken als bebouwingsgraad, aanwezigheid van infrastructuur en het gebruik van de ruimte (wonen, werken, recreatie, natuur). Voor het Haagse Groen kunnen de drie zones worden onderscheiden: de dichte stad, de halfopen stad en om de stad.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 22

Het Haagse Groen moet gezien worden als een vorm van kapitaal met de ecologische, de maatschappelijke en de economische waarde. Mede op basis van de stadsgesprekken en het online platform zijn deze waarden uitgewerkt in zes thema's: klimaat, biodiversiteit, gezondheid, ontspanning imago en ontwikkeling. In de Nota Stadsnatuur (RIS305824) zijn handvatten opgenomen waarmee we werken aan een gezond stadsecosysteem met meer biodiversiteit. Een groene stad heeft veel te bieden aan inwoners. Bomen en planten zorgen immers voor verkoeling tijdens warme zomers en bieden een aangename plek voor bewoners om te verblijven. Een groene stad is ook beter toegerust om mee te bewegen op veranderingen in het klimaat, zoals uitschieters in temperaturen en neerslag. Een stad waar veel verschillende planten- en diersoorten zoals vlinders en vogels voorkomen, blijkt positief te zijn voor het welzijn van mensen. Een hoge biodiversiteit zorgt ervoor dat lastige soorten minder kans krijgen en er genoeg natuurlijke vijanden zijn om plaagsoorten in toom te houden. Een belangrijke voorwaarde voor een gezond stadsecosysteem is de aanwezigheid van een uitgebreid netwerk van groengebieden die onderling met elkaar verbonden zijn. De groengebieden zijn de belangrijke kerngebieden voor allerlei planten- en diersoorten.

De ecologische verbindingszones zorgen als robuuste brede groenblauwe structuren voor de verbinding van deze gebieden. Zo kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen en functioneren deze daarnaast ook als belangrijke leefgebieden. In deze nota wordt de nadruk gelegd op een optimale ecologische inrichting door middel van vuistregels voor biotopen en -beheer, behoud en de mogelijke uitbreiding van de ecologische verbindingszones. Is extra ruimtebeslag van een nietecologische functie onvermijdelijk dan moet de inpasbaarheid hiervan worden onderzocht. Naast het behoud en de ontwikkeling van bovengenoemd netwerk, wordt aandacht besteed aan het rekening houden met leefomstandigheden van planten en dieren bij beheer en inrichting van groen in brede zin. We werken aan een natuurinclusieve stad met een ecologisch gezond stadswatersysteem, het beheersbaar houden van overlastgevende planten en dieren en zetten we in op monitoring van onze stadsnatuur. 3.4.5.1 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen nabij het Zuiderpark, maar maakt geen deel uit van het netwerk aan ecologische verbindingszones. Daarnaast geldt dat de projectlocatie buiten het groengebied zoals aangegeven op de kaart ‘Stedelijke Groene Hoofdstructuur 2018’ ligt. De groenstroken om en nabij de projectlocatie, waaronder het Zuiderpark zijn in beheer van de gemeente. Figuur 10.

Uitsnede ‘Stedelijke Groene Hoofdstructuur 2018’(projectlocatie nabij zwarte pijl).

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 23

Bij de uitwerking van het plan is rekening gehouden met de groene uitstraling van het openbaar gebied, waarbij aansluiting is gezocht op de groene omgeving en daar waar mogelijk blijft groen behouden. Zodoende wordt een prettig en groen uitzicht voor bewoners gerealiseerd. Onderstaand figuur betreft een voorstel voor de openbare groene ruimte. Figuur 11. Ontwerp MTD Landschapsarchitecten.

3.4.5.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling, die middels voorliggende rapportage, mogelijk gemaakt dient te worden, is niet in strijd met de Agenda Groen voor de Stad en Nota Stadsnatuur.

Woonvisie Den Haag Het woonbeleid is vastgelegd in de Woonvisie Den Haag 2017-2030 (RIS296833, 29 juni 2017). Den Haag is een groeiende stad in een tijd waarin veranderingen steeds sneller gaan en die de maatschappelijke en economische verhoudingen blijvend veranderen. Het is een uitdaging om mensen, bedrijven en banen aan de stad te blijven binden. Om een fijne, leefbare en groene woonstad te blijven moeten we zorgen dat de sociaaleconomische verschillen niet te groot worden en moeten we overstappen op een nieuwe vorm van energievoorziening. Den Haag heeft een gunstige uitgangspositie als aantrekkelijke woonstad. De unieke ligging aan zee, het levendige centrumgebied, prettige woonwijken en een sterk internationaal profiel. Om deze positie nog verder te versterken zet de woonvisie in op een 'stedelijke, attractieve en inclusieve stad in 2030'. Dit betekent dat Den Haag meer onderscheidende en aantrekkelijke stedelijke woonmilieus biedt, dat wonen in de stad betaalbaar is voor iedereen én wijken op de toekomst zijn voorbereid en meer gemengd zijn. Het (sloop-)nieuwbouw, transformatie- en verbeterprogramma geeft ruim baan aan deze ambitie en volgt de groei van de stad.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 24

De gemeente Den Haag gaat voor de langere termijn uit van een jaarlijks netto bouwprogramma van 20002500 woningen. De ruimte om te groeien is beperkt. Den Haag zal zich voor groei moeten richten op binnenstedelijke locaties (de zogenaamde inbreidingslocaties), transformatie van bestaande gebouwen en gemengde woon-werkgebieden. Daarbij wordt ingezet op differentiatie in architectuur en woningtypen. Het is van belang om hierbij zorgvuldig om te gaan met bestaand groen en bestaande wijken. Een andere uitdaging is het verkleinen van de sociaaleconomische verschillen tussen wijken. De woonvisie zet in op: 1. Een meer sociaal-inclusieve stad. 2. Het verder uitbouwen van Den Haag als aantrekkelijke en gastvrije woonstad. 3. Een meer toekomstbestendige woningvoorraad. Dit heeft zowel betrekking op de duurzaamheid van woningen als op de levensloopbestendigheid van woningen. Ad 1) Een meer sociaal-inclusieve stad. Een aantrekkelijke en gastvrije stad is sociaal inclusief: een stad zonder te grote sociaaleconomische verschillen. De aanwezigheid en spreiding van voldoende betaalbare woningen in de stad voor minder financieel draagkrachtige huishoudens is hierin een belangrijke opgave. Voor de woningbouwproductie is dit vertaald in een gemiddelde woningbouwproductie van:   

30% sociale huurwoningen voor de hele stad 20% middeldure huurwoningen (€710-900 euro, prijspeil 2017) En een streven naar 25% middeldure koopwoningen.

Daarbij sturen we op een meer evenwichtige spreiding van de sociale woningbouw over de stad. Ook wordt ingezet op het borgen van voldoende betaalbare woningen voor kwetsbare groepen en wordt gestuurd op de verbetering en vernieuwing van kwetsbare wijken, o.a. via de aanpak 'Nieuwe Generatie Stadswijken'. Streven is meer differentiatie in de woningvoorraad aan te brengen. Eventuele afname van de sociale voorraad in deze wijken dient elders in de stad, maar ook in de regio te worden gecompenseerd. Ad 2) Het verder uitbouwen van Den Haag als aantrekkelijke en gastvrije woonstad. Dit is een voorwaarde voor het vasthouden en aantrekken van stedelijk talent. Doel is om voor deze groepen die bijdragen aan het internationale, gastvrije, levendige en economische profiel van Den Haag nog meer onderscheidende stedelijke woon(werk)milieus te ontwikkelen. In het bouwprogramma wordt daarom nadrukkelijk rekening gehouden met de woonvoorkeuren van stedelijke doelgroepen young urban professionals, stedelijke gezinnen, studenten, empty-nesters en expats. Ad 3) Een meer toekomstbestendige woningvoorraad. Het streven is dat in 2030 de woningvoorraad voldoet aan de duurzame en woontechnische eisen. Dit betekent dat het onderhoud van woningen op orde is en dat in 2030 tenminste 50% van de woningen wordt verwarmd met een niet-fossiele warmtebron.

Voor nieuwbouw betekent dit dat woningen niet langer zijn aangesloten op het gasnet. Verder wordt ingezet op een groter en gevarieerder aanbod aan geschikte woningen en woonzorgvormen voor (langer) zelfstandig thuis wonen. Het woonprogramma heeft voldoende diversiteit in woningtypen/groottes. Maximaal 20% van de woningen is een kleine woning met een woonoppervlak van maximaal 50m2. Uitzondering hierop is mogelijk voor studentenhuisvesting, zorgwoningen en bijzondere concepten. Studentenwoningen kunnen zowel zelfstandigals onzelfstandige eenheden zijn. Een deel van de nieuwbouwhuurwoningen wordt verhuurd aan onmisbare beroepsgroepen: politieagenten, zorgpersoneel of leraren. 3.4.6.1 Relatie tot ontwikkeling Zoals beschreven in paragraaf 2.2 van voorliggende rapportage, voorziet het voorgenomen initiatief in de realisatie van zorgstudio’s en appartementen. Het betreft 144 zorgstudio’s (30%) en 298 appartementen. De zorgstudio’s worden aan Florance verhuurd, die deze via de Wet langdurige zorg (Wlz) toewijst aan cliënten. Het gaat om intramurale zorgwoningen voor de doelgroep ‘ouderen met een zware zorgindicatie (zzp4-

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 25

zzp10)’. Voor deze doelgroep is (nog) geen sprake van het scheiden van wonen en zorg. De zorgstudio’s zijn alleen bereikbaar voor deze doelgroep aangezien de toewijzing gebeurt via de Wet langdurige zorg. Een dergelijk intramuraal woonzorgprogramma met zelfstandige studio’s van circa 33 m2, gemeenschappelijke woonkamers en 24-uurszorg wordt niet door Haagse corporaties (Toegelaten Instellingen) ontwikkeld en/ of geëxploiteerd. Wel is de prijsstelling (kale huur) vergelijkbaar met sociale huur. Florence heeft aangegeven dat met de toenemende vergrijzing en de vraag naar verpleeghuiszorg, de behoefte naar initiatieven die middels voorliggend plan mogelijk gemaakt worden, groot is. Dergelijke initiatieven zijn onder andere nodig om te kunnen blijven voldoen aan de vraag naar verpleeghuisplekken voor ouderen. Het college onderschrijft het belang van dit zorgprogramma, waar voorliggend initiatief een bijdrage aan levert. De verwachting is dat het intramurale woonzorgprogramma langdurig voor de genoemde zorgdoelgroepen beschikbaar blijft. De eerste huurtermijn bedraagt 20 jaar. Het ligt in de lijn der verwachting dat het gebruik door deze doelgroep ook hierna zal worden voortgezet. Daarnaast heeft het college bij het besluit over het Kavelpaspoort Loevesteinlaan (11 december 2018) geoordeeld dat het faciliteren van deze ontwikkeling past binnen de Woonvisie 2030.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14671318/1