CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS320219 Bijlage 9 Quickscan Wet Natuurbescherming

Gemeenteraad 12 juni 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Vaststelling bestemmingsplan Willem Royaardsplein (RIS320219)8.075 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Actualisatie Quickscan Wet natuurbescherming Duinzigt, Den Haag

Opdrachtgever: WP Retail Invest Duinzigt CV De heer G.J. Veldkamp Pedro de Medinalaan 1 1086 XK Amsterdam

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:

205583 8-2-2024 Jessica Loeffen Jessica Loeffen Marielle Oomen Concept 1

© 2024 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt. Disclaimer: Dit rapport is opgesteld als onafhankelijke toets, met inachtneming van de informatie die is aangeleverd door de opdrachtgever en de beschikbare informatie over het voorkomen van beschermde plant- en diersoorten op of nabij het plangebied. Dit voor zover deze bekend zijn op het moment van onderzoek en rapportage. Het veldonderzoek is met de grootste zorgvuldigheid en deskundigheid uitgevoerd. Desondanks kan niet volledig worden uitgesloten dat bepaalde soorten niet zijn opgemerkt. Evenmin kan worden uitgesloten dat na het veldbezoek soorten zich alsnog op het plangebied hebben gevestigd. Eelerwoude kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele (gevolg) schade als gevolg van later beschikbaar komende informatie of kennis. Aan de in het rapport opgenomen conclusies kunnen geen rechten worden ontleend.

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................................................... 4

2

Huidige situatie en ontwikkeling .............................................................................................................. 5

2.1

Huidige situatie .......................................................................................................................................5

2.2

Vergelijking met situatie in 2017 ............................................................................................................6

2.3

Voorgenomen ontwikkeling ...................................................................................................................6

3

Wettelijk beschermingskader Natuur ....................................................................................................... 9

3.1

Inleiding ..................................................................................................................................................9

3.2

Bescherming van soorten .......................................................................................................................9

3.3

Bescherming van gebieden .....................................................................................................................9

3.4

Bescherming van houtopstanden .........................................................................................................10

3.5

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................10

4

Methode soortenonderzoek ................................................................................................................... 11

4.1

Inleiding ................................................................................................................................................11

4.2

Bureauonderzoek .................................................................................................................................11

4.3

Terreinbezoek .......................................................................................................................................11

5

Resultaten en bevindingen ..................................................................................................................... 12

5.1

Inleiding ................................................................................................................................................12

5.2

Beschermde soorten.............................................................................................................................12

5.3

Gebieden ..............................................................................................................................................18

6

Vergelijking resultaten en vervolgstappen ............................................................................................. 21

6.1

Vergelijking resultaten ..........................................................................................................................21

6.2

Maatregelen .........................................................................................................................................21

6.3

Effecten en conclusie ............................................................................................................................26

7

Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................................. 28

7.1

Beschermde soorten.............................................................................................................................28

7.2

Bescherming gebieden .........................................................................................................................28

7.3

Bescherming houtopstanden ...............................................................................................................29

7.4

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................29

7.5

Uitvoerbaarheid van de plannen ..........................................................................................................29

7.6

Geldigheid rapportage ..........................................................................................................................29

Literatuurlijst ......................................................................................................................................................... 30

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 3

1 Inleiding Voorgenomen wordt winkelcentrum Duinzigt te Den Haag (Afbeelding 1) te ontwikkelen. Daarop wordt een bestaand gebouw gesloopt en een nieuw gebouw gebouwd. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is in 2017 een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Eelerwoude, april 2017). Op basis van dit verkennend onderzoek is nader onderzoek naar de functie van het zuidwestelijke gebouw, genaamd de Strip, voor vleermuizen onderzocht (Eelerwoude, 2017b). Daaruit bleek dat in de kopse kant een zomerverblijfplaats van één gewone dwergvleermuis aanwezig was. Voor het verstoren van de vleermuis en het beschadigen/vernielen van de verblijfplaats is daarop een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd bij Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) welke op 23 oktober 2018 is verleend (kenmerk ODH-2018-00107431). September 2020 is de eerste aanvraag Omgevingsvergunning ingediend. Het opstarten van de planprocedure en het vervolg verliep zeer moeizaam waardoor de werkzaamheden nog niet zijn uitgevoerd. De ontheffing Wet natuurbescherming was geldig tot 1 mei 203, verlenging was niet (meer) mogelijk. Met het oog op de houdbaarheid van de onderzoeken is een actualisatie uitgevoerd van de Quickscan. Daarbij is de huidige situatie vergeleken met de situatie in 2017.

Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek is aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan zijn uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

Afbeelding 1. Ligging en begrenzing plangebied winkelcentrum Duinzigt in roze kader, ter hoogte van de Esther de Boer Van Rijklaan te Den Haag (Esri, 2024).

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 4

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Winkelcentrum Duinzigt ligt tussen de Theo Mann – Bouwmeesterlaan, Nyelantstraat en Esther de Boer – Van Rijklaan te Den Haag. Het plangebied ligt ruim 100 meter ten zuiden van de duinen die het Natura 2000-gebied Mijendel & Berkheide vormen. Het winkelcentrum bestaat uit twee gebouwen die middels een overkapping aan elkaar zijn verbonden (Afbeelding 2). Het gedeelte aan de Esther de Boer – Van Rijklaan betreft een eenlaagsgebouw met winkels, salons en horeca. Het andere gebouw wordt de Strip genoemd en heeft op de begane grond het winkelcentrum met daarboven twee lagen met appartementen met een plat dak. Aan de lange zijde zijn balustrades aanwezig. Te midden is het plein met groenbakken en aangeplante struiken/hagen. Langs de wegen staan bomen, met name aan de noordkant van het plangebied. Het plein wordt verlicht door enkele lantaarnpalen welke ook langs de wegen aanwezig zijn. Er is geen open water aanwezig.

Afbeelding 2. Impressie van het plangebied Duinzigt te Den Haag (Eelerwoude opname 16 en 29 januari 2024).

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 5

2.2 Vergelijking met situatie in 2017 De huidige situatie is nagenoeg gelijk met de situatie in 2017. De bebouwing is in tussentijd niet gewijzigd: de buitenkant is gelijk en er is niets gesloopt (Afbeelding 3). Het openbaar groen is in gelijke mate aanwezig en op dezelfde plekken. Zo zijn er geen bomen gekapt of struiken gerooid.

Afbeelding 3. Impressie plangebied op 10 april 2017.

2.3 Voorgenomen ontwikkeling Bouw twee gebouwen Het project bestaat uit een herontwikkeling van het winkelcentrum waarbij uiteindelijk twee gebouwen, apart van elkaar, komen te staan (Afbeelding 4). Eén van deze gebouwen wordt gebouwd op de plek waar nu de paviljoens staan waar winkels in zijn gevestigd zoals de Etos. Deze paviljoens worden gesloopt waarna er een nieuw, groter gebouw wordt gebouwd. Daarbij wordt een deel van de bestaande parkeerplaats aan de oostkant van het plangebied gebruikt. Op de begane grond komen winkels. Daarboven komen 1 tot 3 bouwlagen woningen. Het bestaande gebouw langs de Nyelantstraat blijft gehandhaafd. Het pand aan de kopse kant wordt gesloopt waarna een nieuw, hoger gebouw wordt teruggebouwd. De winkelpanden worden zowel aan de voor als de achterzijde uitgebreid met een diepte gelijk aan de overdragende luifel. Aan de achterzijde van de strip wordt uitgebreid met een diepte van 5,5 meter. Deze ruimte kan door bewoners worden benut als daktuin of terras. Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 6

Afbeelding 4. Weergave van de bestaande bebouwing (links) zwart gearceerd versus de niet bebouwing bestaande uit 2 gebouwen (rechts) grijs gearceerd.

Herinrichting plein Het plein (openbare ruimte) tussen de twee gebouwen in wordt nader ingericht, waarbij 234 mogelijkheden worden gerealiseerd om fietsen te plaatsen. Onderstaande afbeelding geeft een algehele sfeerimpressie weer (Afbeelding 5).

Afbeelding 5. Impressie van de nieuwe situatie vanaf gebouw de Strip aan de zuidwestzijde (RPHS+, 2023).

Bomenkap In het plan worden 36 bomen gekapt (Afbeelding 6) en zijn 21 nieuwe bomen opgenomen. Dat betekent dat een aantal van ca. 16 bomen in de omgeving worden geplant. Waar mogelijk zijn in het plangebied bomen geplaatst langs de Esther de Boer-van Rijklaan en de Theo Mann-Bouwmeesterlaan. Overige plekken zijn gevonden in de omliggende wijk.

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 7

Afbeelding 6. Te kappen en de te onderzoeken bomen o.b.v. VO Inrichtingsplan W. Royaardsplein (Ingenieursbureau Den Haag, feb. 2022).

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 8

3 Wettelijk beschermingskader Natuur 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze kan leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer sprake is of kan zijn van een overtreding, dan dient er onderzocht te worden of een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming is een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedsbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Gevolgen plangebied Op een afstand van circa 360 meter van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide. Door de korte afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied wordt in §5.3 4 nader ingegaan op mogelijke effecten op beschermde gebieden. Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 9

3.4 Bescherming van houtopstanden Het kappen of rooien van bomen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. Gevolgen plangebied De bomen in het plangebied staan binnen de bebouwde kom Boswet waardoor deze niet vallen onder beschermde houtopstanden. Er is geen melding nodig voor het kappen van de bomen in het kader van de Wnb. Een nadere toetsing is niet van toepassing. Let op, een kapvergunning vanuit de gemeente kan wel van toepassing zijn.

3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Dit Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk en hebben hiervoor soms een andere benaming. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Een toetsing aan het natuurbeleid is alleen noodzakelijk als de ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan. Daarnaast moet het plangebied in het NNN of een andere door de provincie beschermde natuurzone liggen. In een aantal provincies kent het natuurbeleid externe werking. Dit betekent dat in die provincie bij een ontwikkeling waarvoor een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is altijd een toetsing aan het natuurbeleid moet worden uitgevoerd. Gevolgen plangebied Het plangebied ligt niet in gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. Het dichtstbijzijnde NNN-gebieden betreffen een groenstrook circa 200 meter ten noorden van het plangebied en Landgoed Clingendael circa 230 meter ten zuiden van het plangebied.

Provincie Zuid-Holland kent geen externe werking bij het NNN. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 10

4 Methode soortenonderzoek 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens (§4.2) en een verkennend veldbezoek (§4.3).

4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is (indien beschikbaar) gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna); • Met name zijn de gegevens van voorgaande onderzoeken (Eelerwoude, 2017 & Eelerwoude, 2017b) geraadpleegd. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken is opgeslagen in deze database.

4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door B. de Vries uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (Kader – Ecologisch deskundige). Het veldbezoek is uitgevoerd op 16 januari 2024 bij 5 °C, onbewolkt, zonnig weer en windkracht 1 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

• •

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt het natuurbeschermingsrecht, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

•

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

•

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

•

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 11

5 Resultaten en bevindingen 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen indien beschikbaar. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.2 Beschermde soorten 5.2.1 Planten Voorkomen en functie Vanuit verspreidingsgegevens zijn geen waarnemingen bekend van beschermde plantensoorten in het plangebied. In het plangebied is veel verharding aanwezig waardoor de mate aan plantensoorten en hoeveelheden beperkt is. In de plantsoenen staat aanplant als rozenstruiken en taxushagen. Tussen de verharding groeit straatgras. De bomen aan de noordkant zijn iepen. Er zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gelet op de aanwezige terreintype met de grote mate aan verharding en de functie van het plangebied als winkelcentrum, woonfunctie, parkeerplaats en plein ontbreekt geschikt biotoop voor beschermde plantensoorten. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn beschermde planten afwezig en ontbreekt het aan geschikt biotoop voor beschermde soorten. Er is geen sprake van een negatieve effecten op beschermde planten, waardoor een nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming niet aan de orde is. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde planten niet noodzakelijk.

5.2.2 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en in de omgeving, op landgoed Clingendael baardvleermuis. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (Kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats.

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 12

Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Meerdere vleermuissoorten gebruiken lijnvormige elementen om zich door het landschap te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden elders (Kader – Foerageergebieden en vliegroutes). Deze zijn van belang om de functie van verblijfplaatsen te behouden. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Gewone dwergvleermuis is hoofdzakelijk een gebouwbewonende soort, baardvleermuizen zijn zowel boom- als gebouwbewonend. Dit afhankelijk van de soort verblijfplaats. De Strip is het bestaande gebouw met winkels en woonlagen, en biedt met name voor gewone dwergvleermuis geschikte mogelijkheden om in te verblijven. Het gaat daarbij om de ventilatiegaten die toegang bieden tot de spuwmuur. Daarnaast is het gebouw voorzien voor boeiboorden. Bij de kleinere bebouwing op het plein, zijn boeiboorden aanwezig al is deze bebouwing laag (eenlaags). Er zijn in de bomen rond het plangebied geen kieren, gaten of loszittend schors waargenomen waar boombewonende vleermuizen gebruik van kunnen maken om te verblijven. Daarnaast zijn de bomen gesitueerd langs een weg waar verlichting door lantaarnpalen aanwezig is. Foerageergebied en vliegroute Door de grote mate aan verharding is het plangebied zeer matig geschikt om te foerageren. De bomen rondom het plangebied kunnen worden gebruikt om op insecten te foerageren of deze bomen te gebruiken als vliegroute. Er wordt rekening gehouden met de kap van bomen zoals aangegeven in het VO (Afbeelding 6). De bomen vormen geen essentiële verbinding met groene gebieden.

Ook zijn in de directe omgeving geschikte alternatieve bomenrijen aanwezig die dienst kunnen doen om te foerageren of als vliegroutes zoals de bomenrij langs de Cees Laseurlaan en landgoed Clingendael.

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 13

Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaatsen mogelijk aanwezig De Strip is met name aan de kopse kanten geschikt voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten zoals gewone dwergvleermuis en eventueel laatvlieger. Op basis daarvan is nader onderzoek uitgevoerd (Eelerwoude, 2017b) waarbij is vastgesteld dat in de Strip één zomerverblijfplaats is aangetroffen van de gewone dwergvleermuis (Afbeelding 7). Vleermuizen keren jaarlijks terug naar dezelfde verblijfplaatsen die samen een netwerk vormen. Doordat de bebouwing fysiek niet is gewijzigd, kan ervanuit worden gegaan dat het verblijf nog steeds in gebruik is.

Afbeelding 7. Locatie invliegende gewone dwergvleermuis dat duidt op een verblijfplaats.

Geen essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute Het gebruik van het plangebied als essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute, is uitgesloten. Conclusie: doordat het gebouw niet is gewijzigd, kan ervanuit worden gegaan dat in de Strip een zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aanwezig is.

5.2.3 Grondgebonden zoogdieren Voorkomen en functie Vanuit verspreidingsgegevens is bekend dat meerdere grondgebonden zoogdieren in de omgeving van het plangebied voorkomen, zoals eekhoorn, egel, konijn, ree en vos. Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Door de hoge mate aan verharding en het aanwezig groen veelal aanplant betreft, zijn er nauwelijks geschikte foerageergeer of verblijfmogelijkheden voor algemene zoogdieren. Mogelijk dat muizensoorten in het plangebied voorkomen en egel, vos en eventueel konijn het plangebied kruisen tijdens het foerageren. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Eekhoorn, steenmarter en boommarter zijn allen beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Voor hun vaste rust- en voortplantingsplaats maken boommarters van boomholten of holen in de grond, Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 14

steenmarter van gebouwen, schuren, kelders, rommelhoekjes en/of holten en eekhoorn van nesten en/of holten in bomen. (Mogelijke) verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen. Zo is geen sprake van leegstand wat toegang geeft tot verlaten delen in gebouwen, en holten of nesten in bomen zijn niet aangetroffen. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde algemeen voorkomende zoogdieren van de overige beschermde soorten. Voor deze overige beschermde soorten is bij ruimtelijke inrichting een vrijstelling opgesteld. Ontheffing in het kader van beschermde soorten van de Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor eekhoorn, boommarter en steenmarter geldt dat verblijfplaatsen afwezig zijn dan wel zijn uitgesloten. Door de beperkte grootte van het plangebied en de grote mate aan verharding is geen sprake van aantasting van een essentiële foerageerfunctie. Ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.

5.2.4 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten De bomen rond het plangebied zijn gecontroleerd op aanwezige nesten. Er is één oud nest aangetroffen in een boom rond de parkeerplaats. Daarnaast is rondom de bomen gezocht naar de aanwezigheid van sporen zoals braakballen of uitwerpselen en voedselresten. Dergelijke sporen van bijvoorbeeld ransuil, buizerd, havik en boomvalk zijn niet waargenomen. Voor slechtvalk heeft de bebouwing onvoldoende hoogte om geschikt te zijn.

Huismussen hebben hun nestlocaties veelal onder de pannendaken van woningen. De aanwezige bebouwing heeft een plat dak, zonder goten of geschikte schuine delen. Verblijfplaatsen van huismussen kunnen op basis daarvan worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen roepende huismussen in en rond omliggende gebouwen waargenomen en zijn geen foeragerende huismussen gezien. Gierzwaluwen gebruiken pannendaken, spleten en nissen in muren en gaten in ventilatieschachten als broedlocaties. De bebouwing in het plangebied is niet voorzien van pannendaken. Ook zijn geen spleten in muren aangetroffen waar gierzwaluwen gebruik van kunnen maken. Daarnaast zorgt de galerij van de appartementen, de balkons en omringende bomen voor obstakels in de aanvliegroute waardoor de boeiboorden ongeschikt zijn voor gierzwaluwen.

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 15

Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In deze situatie zijn enkele vogelsoorten aangetroffen dan wel te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als zwarte roodstaart, koolmees, boomklever. Overige (broed)vogels Aan de overige soorten zoals houtduif, merel, en Turkse tortel biedt het aanwezige groen in en rond het plangebied (matig) geschikt leefgebied als nestgelegenheid, foerageer- en schuilmogelijkheden. Hierin kunnen nesten van deze algemeen voorkomende broedvogels voorkomen. Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. In de aanwezige bomen ter plaatse van de planlocaties zijn dergelijke nesten uit te sluiten. Voor slechtvalk heeft de bebouwing onvoldoende hoogte om geschikt te zijn. De aanwezige bebouwing is ongeschikt voor huismussen of gierzwaluwen om te nestelen. Het plangebied heeft dan ook geen essentiële functie voor deze soorten. Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Voor de vogelsoorten van deze categorie geldt dat het plangebied geen functioneel leefgebied betreft: de vogels zijn voor hun voortplanting niet afhankelijk van het groen dat mogelijk verdwijnt. Daarnaast geldt dat er voldoende geschikt leefgebied in de directe omgeving aanwezig is.

Het uitvoeren van een omgevingscheck, het nemen van compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Overige (broed)vogels Voorkom verstoring van broedende vogels en vernieling van in gebruik zijnde vogelnesten. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen1. Het verwijderen van struweel en door het eventueel kappen van de bomen buiten de periode uit te voeren wordt de kans verkleind dat op dat moment broedende vogels aanwezig zijn. Doordat sprake is van overzichtelijk, dun begroeid plangebied, is het mogelijk het groen in het broedseizoen te verwijderen. Wees extra alert op aanwezige nesten en werk één richting op zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. Let op, soorten als houtduif kunnen het hele jaar door broeden. Voor de Wet natuurbescherming zijn alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Let daarom altijd op aanwezige, broedende vogels. Worden een broedende vogels aangetroffen, dan moeten worden gewacht met het uitvoeren van werkzaamheden ter plaatse tot de vogel klaar is met broeden en jongen het nest hebben verlaten. Conclusie: voer bij voorkeur de werkzaamheden aan bestaand groen uit buiten het broedseizoen en houd bij de werkzaamheden altijd rekening met (in gebruik zijnde) nesten van vogels.

5.2.5 Reptielen Vanuit verspreidingsgegevens is bekend dat zandhagedis in het dichtbij gelegen duingebied voorkomt. Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals zandhagedis, ringslang, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden.

1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang

is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 16

Effecten en ontheffing Op basis van het aanwezige biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten waardoor geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.

5.2.6 Amfibieën Vanuit verspreidingsgegevens is het voorkomen van beschermde soorten amfibieën niet bekend in of nabij het plangebied. Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn geen waterelementen aanwezig waardoor het niet geschikt is als voortplantingsbiotoop. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander of rugstreeppad, is in het plangebied geen geschikt biotoop aanwezig. Zo ontbreekt geschikt voortplantingswater voor beide soorten, een doorlopende groenstructuur waar kamsalamander gebruik van maakt en voor rugstreeppad een goed vergraafbare bodem dan wel holletjes of andere plekken waar kan worden overwinterd. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Zuid-Holland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld.

Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.

5.2.7 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig. Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk. Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 17

5.2.8 Ongewervelden Er zijn in de omgeving van het plangebied verspreidingsgegevens bekend van gevlekte witsnuitlibel. Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) is in het plangebied geen geschikt biotoop aanwezig voor beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel, teunisbloempijlstaart of platte schijfhoorn. Zo is de gevlekte witsnuitlibel een soort van verlandingszones, met name van laagveenmoerassen. Vegetatieloze of juist dichtbegroeide wateren worden gemeden door deze libel. In het plangebied ontbreekt dergelijk biotoop. Ook ontbreekt geschikt biotoop voor andere soorten zoals heideterreinen en venranden. Effecten en ontheffing Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden doordat essentiële functies voor deze soorten in het plangebied afwezig zijn. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.

5.3 Gebieden 5.3.1 Instandhoudingsdoelstellingen Het plangebied ligt op circa 360 meter afstand van het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide (Afbeelding 8). Dit Natura 2000-gebied is (definitief) aangewezen als een Habitatrichtlijngebied. Activiteiten in of in de directe omgeving van het gebied kunnen indirect gevolgen hebben door middel van externe werking (Kader – Externe werking).

Afbeelding 8. Ligging plangebied (blauwe cirkel) ten opzichte van het nabijgelegen Natura 2000-gebied (rode arcering).

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 18

Kader – Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt 'externe werking' genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om uitstoot van ammoniak uit de veehouderij of emissies van wegverkeer.

De effectindicator geeft een overzicht van de storingsfactoren die van toepassing zijn op het gebied Meijendel & Berkheide (Afbeelding 9). Voor de voorgenomen werkzaamheden van het project Duinzigt te Den Haag is getoetst of deze een verstorende werking hebben op habitattypen en doelsoorten van het beschermde gebied. Er zullen geen werkzaamheden in het beschermde gebied plaatsvinden waardoor er geen oppervlakteverlies of versnippering plaatsvindt. Door de tussenliggende afstand en de aanwezigheid van bebouwing is er geen sprake van verstoring door licht, geluid, trillingen, mechanische effecten en optische verstoring. Door de afwezigheid van open water en doordat er geen verhoogde concentraties van stoffen in het gebied voorkomen door de voorgenomen werkzaamheden, is er geen sprake van verdroging of verontreiniging. Op basis van deze gegevens is er geen sprake van negatieve effecten op de habitattypen en de doelsoorten nauwe korfslak en meervleermuis van Meijendel & Berkheide door de voorgenomen werkzaamheden.

Afbeelding 9. Effectenindicator voor de geplande werkzaamheden op het gebied Meijendel & Berkeheide

Op basis van bovenstaande argumenten kan worden geconcludeerd dat met de voorgenomen ontwikkelingen geen negatieve effecten worden verwacht op de habitattypen of doelsoorten binnen het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide. Een nadere toetsing is niet noodzakelijk.

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 19

5.3.2 Stikstof gerelateerde effecten Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zijn berekeningen gemaakt met AERIUS Calculator of de mate van stikstofdepositie te kwantificeren. Deze berekeningen zijn uitgevoerd door Peutz (Vlieger, 2023 & Vrolijk, 2023). Onderstaand worden kort de resultaten beschreven. Aanlegfase Uit de resultaten van de berekening van de realisatiefase volgt een bijdrage van 0,00 mol/ha/jaar (Vlieger, 2023 & Bijlage 1). Dit betekent dat de realisatie van het project Duinzigt niet leidt tot een significante toename van de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase De verkeersaantallen uit de mobiliteitstoets en de emissie vanwege de gebouwverwarming in de bestaande situatie zijn ingevoerd in de AERIUS Calculator. De berekeningen zijn uitgevoerd voor het geplande jaar van realisatie van het project (2027). Uit de berekeningen volgt dat het verschil in stikstofdepositie op de binnen de Natura 2000-gebieden gelegen, maatgevende gevoelige habitats tussen de bestaande en de toekomstige situatie 0,00 mol/ha/jaar bedraagt (Vrolijk, 2023 & Bijlage 2). Er is daarmee geen sprake van significant negatieve effecten op voor stikstof gevoelige habitats of van significant verstorende effecten op de soorten, waarvoor de gebieden zijn aangewezen. De gebruiksfase van het project leidt niet tot een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming.

Conclusie Op 15 juli 2022 is ODH verzocht tot het intrekken van de verleende natuurvergunning van 12 oktober 2020 met kenmerk ODH-2020-00125012 voor het herontwikkelen van een winkelcentrum en bouwen van 39 appartementen, gelegen aan het Willem Royaardsplein en de Theo Mann Bouwmeesterlaan te Den Haag. Uit de berekeningen (Vlieger, 2023 & Vrolijk, 2023) blijkt dat de activiteiten waarvoor de natuurvergunning is verleend zowel gedurende de aanlegfase als de gebruiksfase leiden tot een afname van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. De activiteiten kunnen zonder vergunning worden uitgevoerd. Er zijn daarom geen bezwaren om de vergunning in te trekken.

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 20

6 Vergelijking resultaten en vervolgstappen 6.1 Vergelijking resultaten Tussen 2017 en 2023 is het plangebied niet gewijzigd. De resultaten van beide Quickscans zijn dan ook gelijk gebleven. Het nader onderzoek dat in 2017 is uitgevoerd, toonde een zomerverblijfplaats van één gewone dwergvleermuis aan. Doordat de situatie ongewijzigd is gebleven, kan ervanuit worden gegaan dat de functie van het gebouw voor vleermuizen, hetzelfde is gebleven. Het deel van het gebouw waar het verblijfplaats in is aangetroffen, blijft behouden. Echter, het aangrenzende lage gebouw aan de noordkant, wordt gesloopt waarna een nieuw, hoger gebouw wordt teruggebouwd zijnde het Kopgebouw. Dit heeft tot gevolg dat het oorspronkelijke verblijf niet meer toegankelijk is en indirect wordt beschadigd/vernield. Daarop is een ontheffing bij Omgevingsdienst Haaglanden aangevraagd welke op 23 oktober 2018 is verleend (kenmerk ODH-2018-00107431). Daarin zijn diverse voorschriften opgenomen.

6.2 Voorschriften In de ontheffing zijn meerdere voorschriften opgenomen waaraan moet worden voldaan om de werkzaamheden uit te voeren. Daarop zijn twee documenten gemaakt: een ecologisch werkprotocol voor de uitvoering en een plan van aanpak voor de permanente voorzieningen. De voorschriften uit de ontheffing richten zich alleen op gewone dwergvleermuis, daar de strip alleen voor deze soort(groep) een functie heeft (kan hebben). Echter, om een extra natuurplus te realiseren worden zowel extra vleermuiskasten als gierzwaluwkasten ingebouwd. Dit versterkt het aanbod aan geschikt nestplekken. De maatregel is zeer kansrijk doordat aan de noordkant van het plangebied, op nog geen 60 meter afstand een grote groep gierzwaluwen in het gebouw van Zorggroep Oldael was aangetroffen (Eelerwoude, 2017b). De exacte locaties van de kasten is weergegeven op tekening (Afbeelding 10).

6.2.1 Ecologisch werkprotocol Dit werkprotocol is opgesteld door Eelerwoude op 21 februari 2018 (Eelerwoude, 2018b). Naast algemene voorwaarden zijn de maatregelen conform de ontheffing uitgewerkt. Deze zijn ongewijzigd overgenomen: Planning De werkzaamheden worden in 3 fasen uitgevoerd: • • •

Fase 1 betreft de sloop en bouw van het pleingebouw (oostzijde), met de daaronder gelegen parkeergarage, die ook onder het plein doorloopt. Fase 2 betreft het renoveren van de Strip. Fase 3: aansluitend op de renovatie van de Strip zal het Kopgebouw worden gerealiseerd.

De bouwwerkzaamheden vangen aan met de bouw van de parkeerkelder aan de pleinzijde naast de Strip en na gereedkomen van het kelderdak wordt het Pleingebouw gerealiseerd. Als deze bouw is afgerond zullen meerdere nieuwe verblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuizen aanwezig zijn. Daarna wordt pas in Fase 3 gestart met de sloop van de bebouwing en bouw van het Kopgebouw, waarmee het huidige verblijf wordt aangetast.

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 21

Vleermuizen – fase 1 • Tijdens de werkzaamheden ten behoeve van het pleingebouw blijft het bestaande zomerverblijf in de Strip ongemoeid. • Na afronding van fase 1 zijn minimaal 4 vleermuiskasten ingebouwd met de opening op verschillende windrichtingen. Conform huidig voorstel worden in totaal 7 vleermuiskasten ingebouwd. Vleermuizen – fase 2 • • • • •

Tijdens renovatie van de Strip, wordt het verblijf ongeschikt gemaakt (na afronding en oplevering fase 1, en voordat Fase 3 wordt aangevangen). De werkzaamheden vinden uitsluitend overdag plaats. Verlichting van de verblijfplaatsen in het pleingebouw en de strip wordt voorkomen. Er wordt geen (extra) verlichting geplaatst in de nachtelijke uren die de panden verlicht. In de gerenoveerde strip en het kopgebouw worden aanvullend verblijfplaatsen voor vleermuizen en gierzwaluwen gebouwd.

Maatregelen conform ontheffing De voorschriften uit de verleende ontheffing zijn vertaald naar gerichte maatregelen waarmee voldaan wordt aan de opgelegde voorwaarden van het bevoegd gezag. De hieronder beschreven maatregelen zijn een selectie van voorwaarden uit de verleende ontheffing relevante voor de uitvoering. Gewone dwergvleermuis Permanente maatregelen • Uiterlijk één maand voordat de nieuwe verblijven worden ingebouwd wordt een plan van aanpak ter kennisname aan Omgevingsdienst Haaglanden en Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid voorgelegd middels een plan van aanpak. • Eerst worden nieuwe verblijven gerealiseerd in de nieuwbouw van fase 1, alvorens het oude wordt verwijderd. • Er worden ten minste 4 kasten geschikt als zomerverblijf voor gewone dwergvleermuis gerealiseerd in de nieuwbouw. • De kasten worden op verschillende windrichtingen geplaatst, op minimaal 3 meter hoogte en hebben een vrije aanvliegroute;. • De locaties van de kasten zijn vrij van kunstverlichting, vrij van verstoring en buiten het bereik van roofdieren; Ongeschikt maken • Het ongeschikt maken gebeurt in de maanden half maart – uiterlijk 10 mei of 20 juli tot half oktober, afhankelijk van de weersomstandigheden op dat moment. Dit is buiten de kwetsbare voortplantingsperiode en winterperiode.

• Het ongeschikt maken gebeurt door gebruik te maken van exclusion flaps waardoor vleermuizen wel kunnen uitvliegen, maar niet meer terug kunnen. • Er is een gewenningsperiode tussen aanwezigheid van de nieuwe verblijven en sloop van het oude verblijf van 3 maanden waarin alleen de maanden april – oktober meetellen. Broedvogels • Gedurende het broedseizoen moet rekening worden gehouden met broedende vogels. Als een in gebruik zijnde nest worden aangetroffen, ongeacht welke soort, mogen de werkzaamheden plaatsvinden als de vogels klaar is met broeden en de jongen het nest hebben verlaten. • Daarbij moet afstand tot het nest worden behouden. Deze afstand wordt in overleg met een ecologisch deskundige bepaald. Zorgplicht • Voor alle soorten, beschermd en onbeschermd, is de zorgplicht van toepassing. Op grond hiervan mogen dieren niet opzettelijk worden gedood of verwond en moet schade redelijkerwijs zoveel mogelijk worden voorkomen. Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 22

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 23

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 24

Afbeelding 10. Locaties van de 7 vleermuiskasten en 5 gierzwaluwkasten (RPHS+).

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 25

6.2.2 Plan van aanpak permanente voorzieningen Het plan van aanpak is opgesteld op 22 september 2019 (Eelerwoude, 2019). In het plan zijn de eisen genoemd die zijn gesteld aan de nieuwe, permanente verblijfplaatsen. In één richting werken Tijdens de werkzaamheden wordt één richting op gewerkt, zodat mogelijk aanwezige dieren de kans krijgen om te vluchten. Nieuwe permanente verblijven Voorafgaand aan de werkzaamheden worden permanente verblijven geplaatst. Deze moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: • Er worden minimaal 4 verblijfplaatsen geïmplementeerd in de nieuwbouw. • De locaties zijn gelijk aan of beter van kwaliteit dan de oorspronkelijke situatie. • Er wordt een diversiteit aan kasten aangeboden die verschillen in hoogte en windrichting, zodat verschillende microklimaten worden aangeboden; • De voorzieningen hebben een vrije aanvliegroute en vliegruimte; • De ingangen van de verblijfplaatsen zijn vrij van kunstlicht, vrij van verstoring en buiten bereik van predatoren; • Voorzieningen kunnen door middel van inbouwkasten of door het geschikt houden van de spouwmuur worden gerealiseerd; • De voorzieningen hebben een minimale breedte van 15 – 50 cm en een minimale hoogte van 30 – 50 cm. • De invliegopeningen zijn minstens 1,7 – 2 cm wijd.

• Achter de invliegopeningen dienen de ruimtes minimaal 2 – 3 cm ruim te zijn; • Voorkomen dient te worden dat de vleermuiskeutels zich in een kleine ruimte kunnen gaan ophopen. Als de voorziening voldoende ventileert, drogen de keutels geurloos uit. • De aangeboden vervangende verblijven zijn van voldoende duurzaam materiaal. • De kasten worden beheerd en gecontroleerd op verval. Werken buiten kwetsbare perioden Bij de planning van de werkzaamheden wordt rekening gehouden met de kwetsbare periode van gewone dwergvleermuis. Het ongeschikt maken van het bestaande zomerverblijf wordt uitgevoerd buiten de kwetsbare winterperiode welke is van november – half maart en buiten de kwetsbare kraamperiode welke is van 10 mei – 20 juli. Afhankelijk van het seizoen en de weersomstandigheden kan deze periode langer dan wel korter zijn. De geschiktheid van de periode waarin gewerkt wordt, wordt bepaald door een ter zake kundige op het gebied van vleermuizen.

6.3 Effecten en conclusie Het nader onderzoek dat in 2017 is uitgevoerd, toonde aan dat aan de kopse kant van de Strip een zomerverblijfplaats van één gewone dwergvleermuis aanwezig is. Doordat de situatie ongewijzigd is gebleven, kan ervanuit worden gegaan dat de functie van het gebouw voor vleermuizen, hetzelfde is gebleven. Hierdoor is redelijkerwijs geen nieuw nader onderzoek benodigd. De ontheffing Wet natuurbescherming was geldig tot 1 mei 2023. Zoals in het projectplan (Eelerwoude, 2018) was gepland om het eerste kwartaal van 2019 de uitvoering te starten. Echter, door het zeer moeizame proces van de planprocedure en het vervolg is dit niet gehaald. Verlenging van de ontheffing was niet (meer) mogelijk. Doordat de huidige situatie en de plannen niet zijn gewijzigd én al een meerwaarde voor vleermuizen en gierzwaluwen wordt gerealiseerd, is de ontheffing nog steeds relevant en de voorschriften actueel. Inhoudelijk is de ontheffing toepasbaar, relevant en conform de geldende Wet natuurbescherming waaronder de Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 26

omgevingsvergunning is aangevraagd. ODH zal dan ook worden verzocht in te stemmen met een uitvoering conform eerder verleende ontheffing.

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 27

7 Conclusies en aanbevelingen 7.1 Beschermde soorten 7.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als egel en diverse algemene muizensoorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.

7.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Vleermuizen Het bestaande gebouw met winkels en woonlagen, de Strip, is met name aan de kopse kanten geschikt voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten zoals gewone dwergvleermuis en eventueel laatvlieger. Nader onderzoek dient een dergelijke functie aan te tonen dan wel uit te sluiten. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen2 uit te voeren.

7.1.3 Algemene zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook voor niet-beschermde soorten en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.

7.2 Bescherming gebieden Niet-stikstof gerelateerde effecten Er kan worden geconcludeerd dat met de voorgenomen ontwikkelingen geen negatieve effecten worden verwacht op de habitattypen of doelsoorten binnen het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide. Een nadere toetsing is niet noodzakelijk.

2

In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 28

Stikstof gerelateerde effecten Op 15 juli 2022 is ODH verzocht tot het intrekken van de verleende natuurvergunning van 12 oktober 2020 met kenmerk ODH-2020-00125012 voor het herontwikkelen van een winkelcentrum en bouwen van 39 appartementen, gelegen aan het Willem Royaardsplein en de Theo Mann Bouwmeesterlaan te Den Haag. Uit de berekeningen (Vlieger, 2023 & Vrolijk, 2023) blijkt dat de activiteiten waarvoor de natuurvergunning is verleend zowel gedurende de aanlegfase als de gebruiksfase leiden tot een afname van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. De activiteiten kunnen zonder vergunning worden uitgevoerd. Er zijn daarom geen bezwaren om de vergunning in te trekken.

7.3 Bescherming houtopstanden De bomen in het plangebied staan binnen de bebouwde kom Boswet waardoor deze niet vallen onder beschermde houtopstanden. Er is geen melding nodig voor het kappen van de bomen in het kader van de Wnb. Een nadere toetsing is niet van toepassing. Let op, een kapvergunning vanuit de gemeente kan wel van toepassing zijn.

7.4 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet in gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied betreft een groenstrook circa 200 meter ten noorden en Landgoed Clingendael circa 230 meter ten zuiden. Provincie Zuid-Holland kent geen externe werking bij het NNN. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

7.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Het nader onderzoek dat in 2017 is uitgevoerd, toonde aan dat aan de kopse kant van de Strip een zomerverblijfplaats van één gewone dwergvleermuis aanwezig is. Doordat de situatie ongewijzigd is gebleven, kan ervanuit worden gegaan dat de functie van het gebouw voor vleermuizen, hetzelfde is gebleven. Hierdoor is redelijkerwijs geen nieuw nader onderzoek benodigd. De ontheffing Wet natuurbescherming was geldig tot 1 mei 2023. Zoals in het projectplan (Eelerwoude, 2018) was gepland om het eerste kwartaal van 2019 de uitvoering te starten. Echter, door het zeer moeizame proces van de planprocedure en het vervolg is dit niet gehaald. Verlenging van de ontheffing was niet (meer) mogelijk. Doordat de huidige situatie en de plannen niet zijn gewijzigd én al een meerwaarde voor vleermuizen en gierzwaluwen wordt gerealiseerd, is de ontheffing nog steeds relevant en de voorschriften actueel. Inhoudelijk is de ontheffing toepasbaar, relevant en conform de geldende Wet natuurbescherming waaronder de omgevingsvergunning is aangevraagd. ODH zal dan ook worden verzocht in te stemmen met een uitvoering conform eerder verleende ontheffing.

7.6 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 0. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Duinzigt, Den Haag | Eelerwoude | 29

Literatuurlijst • • • • • • • • •

BIJ12 (2017). Kennisdocument gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0, juli 2017. Eelerwoude (2017). Toetsing Wet natuurbescherming, Duinzigt te Den Haag. Definitief, april 2017. Projectnummer 8158. Eelerwoude (2017b). Nader onderzoek vleermuizen, Duinzigt te Den Haag. Definitief, oktober 2017. Projectnummer 8158.1. Eelerwoude (2018). Projectplan Wet natuurbescherming, Duinzigt te Den Haag. Definitief, 31 maart 2018. Projectnummer 8158.1. Eelerwoude (2018b). Ecologisch werkprotocol, Duinzigt te Den Haag. Definitief, 21 februari 2018. Projectnummer 8158.1. Eelerwoude (2019). Plan van aanpak permanente voorzieningen, Duinzigt te Den Haag. Definitief, 22 februari 2019. Projectnummer 8158.1. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. Vlieger, D.M. (2023). Notitie Winkelcentrum Duinzigt te ’s-Gravenhage. Stikstofdepositie gebruiksfase. Peutz, referentie DVl/DVl/DvdH/H 7926-1-NO-003. 21 maart 2023. Vrolijk, R. (2023). Winkelcentrum Duinzigt te ’s-Gravenhage. Stikstofdepositie aanlegfase. Peutz, rapportnummer H 7926-2-RA-003. 21 maart 2023.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14809291/1