RIS320058 Bijlage 2 Natuurtoets Dreven fase 1 Den Haag
Tekst van het document
Natuurtoets
Dreven fase 1 Den Haag
projectnummer 0462353.100 concept revisie 00 30 oktober 2023
www.anteagroup.nl
Natuurtoets Dreven fase 1 Den Haag projectnummer 0462353.100 concept revisie 00 30 oktober 2023
Auteurs J. N. Peereboom
Opdrachtgever Gemeente Den Haag T.a.v. Dienst Stadsontwikkeling Postbus 12600 2500 DJ Den Haag
Gecontroleerd M. Somers
Antea Group is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus
datum 30 oktober 2023
beschrijving Concept
vrijgave H. Lindeboom
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
Aanleiding & planvoornemen Doel Leeswijzer
4 5 6
2.
Effectbeschrijving en -beoordeling
7
2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.3.6 2.3.7 2.3.8 2.3.9 2.3.10 2.3.11 2.4 2.5 2.6 2.7
Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Effectbepaling voornemen Soortbescherming Afbakening relevante soortgroepen Vogels Zoogdieren – vleermuizen Zoogdieren – overige zoogdieren Amfibieën Reptielen Vissen Insecten Kreeftachtigen en weekdieren Zaadplanten, varens en bladmossen Zorgplicht Natura 2000 NNN Overig provinciaal beleid Beschermde houtopstanden Wnb
7 8 8 8 9 12 15 16 17 17 17 18 18 18 19 20 20 20
3.
Conclusie & advies
21
3.1 3.1.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.3
Soortbescherming Zorgplicht Gebiedsbescherming Natura 2000 NNN Overig provinciaal beleid Beschermde houtopstanden Wnb
21 22 22 22 22 22 23
Literatuurlijst
24
Bijlage 1 Wettelijk kader
26
Bijlage 2 Methodiek natuurtoets
35
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding & planvoornemen Gemeente Den Haag is voornemens om het plangebied opnieuw in te richten. Het plangebied ligt tussen de wegen Melis Stokelaan, Dorpersdreef, De Dreef en Schependreef (gemeente Den Haag, Provincie Zuid-Holland). De komende 20 jaar wordt Dreven volledig herontwikkeld. Binnen de wijk focust deze natuurtoets op Dreven fase 1 (zie Figuur 1.1 en 1,2, blauwe kader). De bestaande bebouwing binnen het plangebied wordt gesloopt en deels vervangen. De huidige bebouwing in het plangebied bestaat uit appartementencomplexen, blokken rijtjeswoningen en een flatgebouw. Ook worden de bomen en overige vegetatie verwijderd. Het is nog niet bekend wanneer de werkzaamheden beginnen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met beschermde planten- en diersoorten en met beschermde gebieden. Er dient onderzocht te worden of het voornemen effect heeft op beschermde soorten, beschermde gebieden of beschermde houtopstanden (Wet natuurbescherming (Wnb), Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overig (provinciaal) beleid). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en/of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling.
Dit wordt verkend in deze natuurtoets. Daarnaast worden kansen voor het verbeteren van natuurwaarden genoemd. In de figuren 1.1 en 1.2 is de ligging van het plangebied weergegeven. In figuur 1.3 is een impressie van het ontwerp weergegeven.
Figuur 1.1. Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van de omgeving. Bron: QGIS-PDOK, 2023.
blad 4 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Figuur 1.2. Gedetailleerde ligging van het plangebied (rood gearceerd). Bron: QGIS-PDOK, 2023.
Figuur 1.3. Impressie ruimtelijke ontwikkeling (voornemen). Bron: Nota van Uitgangspunten, 2021.
1.2
Doel Het doel van de natuurtoets is om een goed eerste beeld te krijgen van de (beschermde) natuurwaarden die in het plangebied en de (directe) omgeving aanwezig (kunnen) zijn. Dit gebeurt door het uitvoeren van een bureaustudie en oriënterend terreinbezoek. Op basis hiervan wordt getoetst of in het kader van de Wnb als
blad 5 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
gevolg van de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kunnen optreden. Daarnaast wordt ingegaan op de eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.
1.3
Leeswijzer De natuurtoets is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding van de natuurtoets en voorgenomen ontwikkeling; Hoofdstuk 2 beschrijft het gebied en toetst de (in de omgeving) aanwezige beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden aan de natuurwetgeving en overige beleidskaders. Hoofdstuk 3 bevat de conclusies en advies over de te nemen vervolgstappen. In bijlage 1 wordt het wettelijk kader beschreven. In bijlage 2 wordt de methodiek van voorliggende natuurtoets beschreven.
blad 6 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
2.
Effectbeschrijving en -beoordeling In paragraaf 2.1 wordt allereerst een gebiedsbeschrijving van het plangebied gegeven. Vervolgens wordt in paragraaf 2.2 de effectbepaling van het plan gegeven. In paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.7 wordt respectievelijk ingegaan op de aanwezigheid van en toetsing aan de Wnb van beschermde soorten, Natura 2000-gebieden, NNN, overig provinciaal beleid van de provincie Zuid-Holland en beschermde houtopstanden. Indien blijkt dat een onderdeel van paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.7 niet relevant is voor voorliggend planvoornemen, vindt er geen toetsing van het voornemen aan de Wnb (of ander relevant beleidskader) van dat onderdeel plaats.
2.1
Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Op 13 oktober 2023 is vanaf circa 10:30 uur een oriënterend terreinbezoek uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Antea Group bij bewolkt weer met een temperatuur van circa 15 °C. Tijdens het terreinbezoek is het plangebied te voet geïnspecteerd. Hierbij zijn gebouwen met een verrekijker geïnspecteerd op de aanwezigheid van scheuren en beschadigingen. Bomen zijn geïnspecteerd op de aanwezigheid van scheuren, holtes en grote nesten. Het plangebied betreft een deel van de buurt “Dreven” in Den Haag. De bebouwing in het projectgebied bestaat uit verschillende typen bebouwing met woningen. De bebouwing bestaat uit appartementencomplexen met vier woonlagen, zes blokken rijtjeshuizen en een flatgebouw bestaande uit elf woonlagen. De bebouwing in het projectgebied is voornamelijk opgebouwd uit baksteen. In de gevels van alle gebouwen zijn open stoot- of ventilatievoegen aanwezig, welke toegang bieden tot de spouwmuren. De daken van de zijn plat en bedekt met grind. De straten bestaan uit wegen en trottoirs met bomenrijen. Rondom de bebouwing zijn in het projectgebied grasvelden en overige groenstructuren aanwezig. In figuur 2.1 is een impressie gegeven van het plangebied.
Vooraanzicht van de woningen bij de Gravendreef
Woningen aan de Gravendreef, gezien vanuit de Baljuwdreef straat
De achterkant van de woningen tussen De Dreef en de Baljuwdreef
De rijtjeshuizen aan de Dorpersdreef
blad 7 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
De rijtjeshuizen aan de Dorpersdreef, het noordelijke deel van de straat. Op de achtergrond is het flatgebouw aan de Melis Stokelaan zichtbaar
Het pad naar de woningen van de rijtjeshuizen aan de Gravendreef, ten westen van de ruitjeshuizen aan de Dorpersdreef
Figuur 2.1. Impressie van het plangebied.
2.2
Effectbepaling voornemen De volgende activiteiten vinden plaats als gevolg van het planvoornemen die een effect kunnen hebben op (het leefgebied van) (beschermde) soorten en beschermde gebieden: De hoge vegetatie in het plangebied wordt verwijderd; Bomen worden gekapt; Opgaande vegetatie wordt verwijderd; De aanwezige bebouwing wordt gesloopt; Er wordt nieuwe bebouwing gerealiseerd; Er is sprake van geluidsverstoring/optische verstoring gedurende de werkzaamheden.
2.3
Soortbescherming In de onderstaande paragrafen worden per soortgroep de resultaten van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek beschreven. Op basis van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek wordt ingegaan op de mogelijk effecten die als gevolg van het planvoornemen op mogelijk aanwezige beschermde soorten kunnen optreden. Indien negatieve effecten op beschermde soorten niet zijn uit te sluiten, wordt geadviseerd over de te nemen vervolgstappen.
2.3.1
Afbakening relevante soortgroepen Op basis van de bureaustudie en het verkennend terreinbezoek kan de aanwezigheid van meerdere soortgroepen worden uitgesloten. Gezien de afwezigheid van (geschikt) open (voortplantings)water in (de directe omgeving van) het plangebied én het bekende verspreidingsgebied kan de aanwezigheid van beschermde amfibieën en beschermde vissen in het plangebied worden uitgesloten. Aanwezigheid van de overige soortgroepen kan niet op voorhand worden uitgesloten. Deze soortgroepen worden in de hiernavolgende paragrafen nader beschouwd.
blad 8 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
2.3.2
Vogels Soorten met een jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.1. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 2,5 km)(NDFF, 2018-2023). Soort Categorie Boomvalk 4 Buizerd 4 Gierzwaluw 2 Grote gele kwikstaart 3 Havik 4 Huismus 2 Kerkuil 3 Ooievaar 3 Ransuil 4 Roek 2 Slechtvalk 3 Sperwer 4 Wespendief 4
Zoals blijkt uit de bureaustudie is een aantal vogelsoorten waargenomen in de omgeving van het plangebied waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en waar bij verwijdering of aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats, alsook bij wezenlijke aantasting van de functionele leefomgeving, altijd ontheffing moet worden aangevraagd. Dit zijn boombroedende soorten (zoals buizerd en ransuil), gebouwbroedende soorten (zoals huismus en gierzwaluw) en overige soorten (zoals grote gele kwikstaart en ooievaar). Boombroedende soorten Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer en wespendief Tijdens het terreinbezoek zijn in (de directe omgeving van) het plangebied geen grote nesten in bomen aangetroffen die kunnen toebehoren aan boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest. De aanwezigheid van nestplaatsen van boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest kan in (de directe omgeving van) het plangebied worden uitgesloten. Voor boombroedende vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest maakt het plangebied gezien de zeer beperkte (mogelijkheid aan) aanwezige voedselbronnen geen essentieel onderdeel uit van de functionele leefomgeving. Gebouwbroedende soorten Gierzwaluw en huismus In het plangebied (en de directe omgeving) is bebouwing aanwezig.
Tegen de daken van de rijtjeshuizen zijn door de openingen voor de afvoer van de dakgoot openingen aanwezig die geschikt kunnen zijn voor de gierzwaluw en de huismus In de wijk bevinden zich onderdelen van de functionele leefomgeving voor huismus binnen het plangebied, waaronder meerder dichte hagen die kunnen dienen als schuil-, overnachtings- en winterverblijfplaats. Het betreft hierbij de tuinen van de rijtjeshuizen aan de Schependreef, Dorpersdreef en Gravendreef. In figuur 2.2 zijn voorbeelden weergeven van geschikte nestlocaties en functionele leefomgeving van de huismus.
blad 9 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Figuur 2.2. Links: de jaarrond groene vegetatie, achter de ruitjeshuizen aan de Gravendreef. Rechts: een voor de gierzwaluw, huismus (en vleermuis) geschikte nestlocatie/verblijfplaats.
Figuur 2.3. De globale locaties van geschikte nestlocaties voor de huismus en de gierzwaluw en geschikt leefgebied voor de huismus. Bron: QGIS-PDOK, 2023.
Overige soorten Grote gele kwikstaart, kerkuil, ooievaar en slechtvalk Geschikt broedbiotoop voor de grote gele kwikstaart (nabij stromend water of nissen onder bruggen), kerkuil (nestkasten (in bomen) in cultuurlandschap), ooievaar (nestpalen of andere hoge elementen) en slechtvalk (hogere) gebouwen) en is in (de directe omgeving van) het plangebied niet aanwezig, waardoor jaarrond beschermde nestplaatsen van deze soorten kan worden uitgesloten.
blad 10 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Concluderend kan de aanwezigheid van nestplaatsen en essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van de huismus en nestplaatsen van de gierzwaluw in (de directe omgeving van) het plangebied niet worden uitgesloten. Nestplaatsen en essentieel leefgebied van overige soorten met een jaarrond beschermd nest in (de directe omgeving van) het plangebied kunnen worden uitgesloten. De huismus en gierzwaluw vallen onder de bescherming van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), welke is verwerkt in de Wnb. Indien er nestplaatsen van de huismus en/of gierzwaluw aanwezig zijn, kunnen deze verloren gaan als gevolg van de voorgenomen sloop van de woningen. Dit is een overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb. Ook aantasting van essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van de huismus is in overtreding met de Wnb. Om overtreding van de Wnb te voorkomen, dient allereerst de aan- of afwezigheid van beide soorten te worden vastgesteld middels nader onderzoek. Dit nader onderzoek bestaat voor de huismus uit twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni (BIJ12, 2023a). Voor de gierzwaluw bestaat het nader onderzoek uit drie gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei -15 juli, waarbij minimaal 1 inventarisatie tussen 1 juni en 15 juli plaatsvindt (BIJ12, 2023b).
Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van de huismus en gierzwaluw aan te kunnen tonen, is nader onderzoek noodzakelijk. Voor de huismus bestaat dit nader onderzoek uit twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni (BIJ12, 2023a). Voor de gierzwaluw bestaat het nader onderzoek uit drie gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei -15 juli, waarbij minimaal 1 inventarisatie tussen 1 juni en 15 juli plaatsvindt (BIJ12, 2023b). Soorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest (categorie 5) In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.2. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 2,5 km) die in het NDFF door derden zijn ingevoerd (NDFF, 2018-2023). Soort Categorie Blauwe reiger 5 Boerenzwaluw 5 Bonte vliegenvanger 5 Boomklever 5 Boomkruiper 5 Bosuil 5 Ekster 5 Gekraagde roodstaart 5 Grauwe vliegenvanger 5 Groene specht 5 Grote bonte specht 5 Huiszwaluw 5 IJsvogel 5 Koolmees 5 Pimpelmees 5 Spreeuw 5 Tapuit 5 Torenvalk 5 Zwarte kraai 5 Zwarte mees 5 Zwarte roodstaart 5
Tijdens het terreinbezoek zijn enkele categorie 5-soorten waargenomen (blauwe reiger en ekster). Nesten van de categorie 5 vogelsoorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische
blad 11 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit laatste is op het plangebied niet van toepassing. Er zijn geen categorie 5 soorten te verwachten die zeldzaam zijn in de omgeving of onvoldoende nestgelegenheid hebben in de omgeving. Derhalve zijn er geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die jaarronde bescherming rechtvaardigen. De categorie 5-soorten vallen daarmee onder de bescherming van algemene broedvogels. Algemene broedvogels Tijdens de terreinbezoeken zijn enkele algemene broedvogels waargenomen (o.a. wilde eend, merel en meerkoet). De platte daken van de gebouwen, nestkasten op de balkons, bomen en overige vegetatie in en rondom het plangebied bieden nestgelegenheid aan deze algemene soorten. Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wnb (artikel 3.1). Indien nesten aanwezig zijn, mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden. Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door eventuele kap- en sloopwerkzaamheden niet uit te voeren in het broedseizoen (circa maart tot en met juli1) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wnb aan de orde.
Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een deskundig ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied, kunnen locatiespecifieke maatregelen worden voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is. Vervolgstappen Kap- en sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren. Indien dit niet mogelijk is dient het plangebied vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Indien dit niet mogelijk is, moet vooraf de werkzaamheden een controle worden uitgevoerd door een ecologisch deskundige. Indien broedgevallen worden aangetroffen, dan kunnen beperkingen door de ecoloog worden opgelegd.
2.3.3
Zoogdieren – vleermuizen In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.3 Overzicht van waargenomen vleermuizen in de omgeving van het plangebied (met een straal van 2,5 km) (NDFF, 2018-2023). Soort Beschermingsregime HR (artikel 3.5 Wnb) Gewone dwergvleermuis X Laatvlieger X Meervleermuis X Rosse vleermuis X Ruige dwergvleermuis X Watervleermuis X
Voor vleermuizen zijn drie functies van het leefgebied te onderscheiden die van groot belang zijn. Dit zijn verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Foerageergebieden en vliegroutes zijn alleen beschermd als deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van de verblijfplaats, zogenaamde essentiële 1
Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn.
blad 12 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
foerageergebieden en essentiële vliegroutes. Deze drie onderdelen (verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied) worden hieronder nader beschouwd. Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen hun verblijfplaats in gebouwen of bomen (of beide) hebben. Gebouwbewonende vleermuizen verblijven met name in spouwmuren, onder dakbetimmering, achter boeiborden of op zolders. Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen. Gebouwbewonende vleermuizen De woningen en garageboxen in het plangebied bevatten diverse openingen, beschadigingen en kieren in de spouwmuur. Tevens is er ruimte aanwezig tussen de muur en de daklijsten en zijn er boven de raamkozijnen in veel gevallen kieren of gaten (zie figuur 2.4). Deze openingen geven vleermuizen toegang tot de spouwmuur van de woningen en/of het dak waar ze naar toe weg kunnen kruipen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten (o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis) kan niet worden uitgesloten. In figuur 2.5 zijn de locaties van potentiële vleermuisverblijfplaatsen weergeven.
Figuur 2.4. Voorbeelden van voor vleermuizen geschikte openingen binnen het plangebied.
blad 13 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Figuur 2.5. Gebouwen met mogelijke vleermuisverblijfplaatsen. Bron: QGIS-PDOK, 2023.
Boombewonende vleermuizen De bomen in het plangebied bevatten geen holtes, scheuren of loshangend schors, waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende soorten (o.a. rosse vleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis,) kan worden uitgesloten. Alle soorten vleermuizen zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (artikel 3.5). De woningen in het plangebied kunnen als verblijfplaats dienen voor gebouwbewonende vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis). Als gevolg van de sloop van de woningen, worden deze mogelijke verblijfplaatsen vernield. Dit is een overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb. Om het gebruik van de woningen als verblijfplaats door vleermuizen al dan niet vast te kunnen stellen, is nader onderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol (Netwerk Groene Bureaus, 2021) noodzakelijk. Vleermuizen gebruiken hun verblijfplaats door het jaar heen op verschillende manieren. Daarom is het nodig om het plangebied meerdere malen (minimaal vijf keer) verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober) te bezoeken voor het vleermuisonderzoek. Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen en vleermuizen in vleermuiskasten (o.a.
gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis) aan te kunnen tonen, is nader onderzoek conform het meest recente vleermuisprotocol noodzakelijk. Dit onderzoek bestaat uit minimaal vijf bezoeken verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober). Essentiële vliegroutes Vliegroutes van vleermuizen betreffen (vaak) lijnvormige elementen in het landschap die als verbinding tussen verblijfplaatsen en foerageergebied fungeren.
blad 14 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Binnen het plangebied vormen de woningen geschikte lijnvormige elementen die als vliegroute voor vleermuizen kunnen dienen. Echter zijn er veel alternatieve vliegroutes die in parallelle richting lopen en even geschikt zijn. Voorbeelden zijn de Hengelolaan en de Vrederustlaan. De aanwezigheid van essentiële vliegroutes kan worden uitgesloten. Essentieel foerageergebied Foerageergebied van vleermuizen betreft locaties waar vleermuizen hun voedsel verzamelen. Dit kunnen uiteenlopende gebieden zijn. In het plangebied is marginaal geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen, vanwege het zeer geringe oppervlak aan (en grotendeels afwezigheid van) opgaande beplanting. Daarbij is geen sprake van unieke beplanting en/of structuren die enkel in het plangebied aanwezig zijn. In de omgeving van het plangebied is vergelijkbaar alternatief foerageergebied aanwezig. De aanwezigheid van essentieel foerageergebied kan worden uitgesloten.
2.3.4
Zoogdieren – overige zoogdieren In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van overige soorten zoogdieren in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.4 Overzicht van waargenomen zoogdieren in de omgeving van het plangebied (met een straal van 2,5 km) (NDFF, 2018-2023). Soort Beschermingsregime HR (artikel 3.5 Wnb) Art. 3.10 Wnb Art. 3.10 Wnb Vrijgestelde zoogdieren Boommarter X Bosmuis X Bruine rat X Bunzing X Egel X Eekhoorn X Haas X Huismuis X Mol X Muskusrat X Veldmuis X Vos X Woelrat X
Boommarter Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, struwelen, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen (Zoogdiervereniging, 2023). Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottigsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. De waarnemingen van boommarters die in de omgeving van het plangebied zijn op meer dan 2 kilometer afstand van het plangebied. In (de directe omgeving van) het plangebied is geen geschikt habitat voor boommarters gevonden. Het gebied zelf en de directe omgeving bevatten weinig bomen, die ook geen holtes bevatten. Er zijn verder ook geen andere geschikte verblijfplaatsmogelijkheden. Het voorkomen van essentieel leefgebied voor boommarters kan binnen (de directe omgeving van) het plangebied worden uitgesloten. Eekhoorn Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. Hun voorkeur gaat
blad 15 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40-80 jaar) omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is (Zoogdiervereniging, 2023). In (de directe omgeving van) het plangebied zijn geen nesten of individuen van eekhoorns waargenomen. Het gebied zelf en de directe omgeving bevatten weinig bomen en daardoor beperkt geschikt habitat voor eekhoorns. De waarnemingen van eekhoorns die in de omgeving van het plangebied zijn in meer parkachtig en boomrijke omgevingen gedaan. Het voorkomen van essentieel leefgebied voor eekhoorns kan binnen (de directe omgeving van) het plangebied worden uitgesloten Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde zoogdieren niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop. Vrijgestelde soorten zoogdieren in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als egel, vos en knaagdiersoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Zuid-Holland geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt.
In paragraaf 2.3.11 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden.
2.3.5
Amfibieën In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van amfibieën in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.5 Overzicht van waargenomen amfibieën in de omgeving van het plangebied (met een straal van 2,5 km) (NDFF, 2018-2023). Soort Beschermingsregime HR (artikel 3.5 Wnb) Art. 3.10 Wnb Art. 3.10 Wnb Vrijgestelde amfibieën Alpenwatersalamander X Bruine kikker X Gewone pad X Kleine watersalamander X Meerkikker X Vuursalamander X
Alpenwatersalamander De alpenwatersalamander komt vaak voor in de buurt van bos en/of houtwallen. Hij heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. Het zwaartepunt van de verspreiding van de Alpenwatersalamander ligt in Noord-Brabant en Limburg. Buiten beide genoemde provincies is de soort bekend van Zeeuws-Vlaanderen, het Rijk van Nijmegen en Drenthe (Ravon, 2023). Volgens de verspreidingsatlas van NDFF zijn de waarnemingen in de buurt van het plangebied geclassificeerd als ‘niet wild’. Door het ontbreken van geschikt voortplantings- en landbiotoop en het bekende verspreidingsgebied wordt het voorkomen van essentieel leefgebied voor alpenwatersalamanders binnen (de directe omgeving van) het plangebied uitgesloten. Vuursalamander De vuursalamander komt voor in heuvelachtig landschap met vochtige loofbossen, doorsneden met bronbeekjes vormt het typische leefgebied van de vuursalamander. Kalkrijke bodems, bronnen en een hoge bodemvochtigheid. Een ander belangrijk aspect van dit schaduwrijke biotoop is de aanwezigheid van koele, vochtige schuilplaatsen. De larven worden afgezet in het heldere, zuurstofrijke water van bronbeekjes, bronputten en bronpoelen. De verspreiding beperkt zich tot Zuid-Limburg (Ravon, 2023).
Volgens de verspreidingsatlas van NDFF zijn de waarnemingen in de buurt van het plangebied geclassificeerd als ‘niet wild’.
blad 16 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Door het voortplantings- en landbiotoop en het bekende verspreidingsgebied wordt het voorkomen van essentieel leefgebied voor vuursalamanders binnen (de directe omgeving van) het plangebied uitgesloten. Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde amfibieën niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop. Vrijgestelde amfibieën in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als bruine kikker en gewone pad. Deze soorten kunnen gebruikmaken van de groenstructuren binnen het plangebied en de watergangen grenzend aan het plangebied. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Zuid-Holland geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2.3.11 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden.
2.3.6
Reptielen In een straal van 2,5 km nabij het plangebied zijn er geen waarnemingen van Europese- en nationale beschermde reptielen bekend. Door het gebrek aan geschikt biotoop, zoals heide- en veengebieden, zijn reptielensoorten uitgesloten in het plangebied.
2.3.7
Vissen In een straal van 2,5 km nabij het plangebied zijn er geen waarnemingen van Europese- en nationale beschermde vissoorten bekend. De watergangen vormen ook geen geschikt biotoop voor beschermde vissoorten.
2.3.8
Insecten In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van insecten in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.6 Overzicht van waargenomen insecten in de omgeving van het plangebied (met een straal van 2,5 km) (NDFF, 20182023). Soort Beschermingsregime HR (artikel 3.5 Art. 3.10 Wnb Art. 3.10 Wnb Wnb) Vrijgestelde insecten Grote vos X
Grote vos De grote vos komt voor in Vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De waardplant is vooral iep; maar ook zoete kers, populier en sommige wilgensoorten (Vlinderstichting, 2023). De waarnemingen in de omgeving van het plangebied zijn van individuele (zwervende) imago’s in en langs bossen en betreffen geen nesten met rupsen. Het projectgebied biedt geen bos, bosrand, boomgaard, grote vrijstaande bomen of ander geschikt habitat. Beschermde functies van de grote vos worden niet verwacht in het projectgebied voor te komen. Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde insecten niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop.
blad 17 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
2.3.9
Kreeftachtigen en weekdieren In een straal van 2,5 km nabij het plangebied zijn er geen waarnemingen van Europese- en nationale beschermde kreeftachtigen en weekdieren bekend. Op basis van het terreinbezoek worden deze ook niet verwacht door het ontbreken van geschikt (water)biotoop.
2.3.10 Zaadplanten, varens en bladmossen In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van zaadplanten, varens en bladmossen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.7 Overzicht van waargenomen zaadplanten, varens en bladmossen in de omgeving van het plangebied (met een straal van 2,5 km) (NDFF, 2018-2023). Soort Beschermingsregime HR (artikel 3.5 Art. 3.10 Wnb Wnb) Glad biggenkruid X Kartuizer anjer X
Glad biggenkruid Glad biggenkruid groeit op zonnige, warme, open plaatsen (pioniervegetatie) op droge, voedselarme, met name stikstofarme, zwak zure, kalkarme grond (leemarm en lemig zand) (Verspreidingsatlas, 2023). De vegetatie binnen het plangebied betreft onderhouden en homogeen graslandschap waardoor het voorkomen van glad biggenkruid kan worden uitgesloten. Kartuizer anjer De kartuizer anjer groeit in schrale- en kalkgraslanden, in bosschages langs bermen en dijken en op leisteenhellingen en zandsteenrotsen (Verspreidingsatlas, 2023). De waarnemingen in de buurt van het plangebied staan op NDFF geclassificeerd als ‘niet wild’. De vegetatie binnen het plangebied betreft onderhouden en homogeen graslandschap waardoor het voorkomen van de kartuizer anjer kan worden uitgesloten. Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde zaadplanten, varens en bladmossen niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop.
2.3.11 Zorgplicht In het plangebied kunnen algemene zoogdier- en amfibiesoorten aanwezig zijn. Deze soorten zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht voor de Wnb in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt voor deze soorten, net als alle overige in het wild levende dieren en planten, de zorgplicht (zie bijlage 1). Dit houdt in dat tijdens de werkzaamheden zo veel mogelijk negatieve effecten op aanwezige natuurwaarden dienen te worden voorkomen dan wel te worden beperkt. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Door het uitvoeren van een aantal zorgplicht gerelateerde maatregelen, wordt voldaan aan de zorgplicht en kan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten worden gegarandeerd. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 2.8. Tabel 2.8. Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten. Soort(groep) Maatregel Grondgebonden zoogdieren en Voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het plangebied kort en amfibieën (alle soorten) stapvoets maaien in de richting van een vluchtmogelijkheid.
blad 18 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
2.4
Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Westduinpark & Wapendal en ligt op circa 3,5 kilometer afstand ten zuidoosten van het plangebied (zie figuur 2.6). Dit gebied is aangewezen op basis van de Habitatrichtlijn. Binnen een straal van 15 km liggen nog twee andere Natura 2000gebieden. Het betreft Meijendel & Berkheiden en Solleveld & Kapittelduinen (zie figuur 2.6).
Figuur 2.6 Ligging Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied (rode cirkel). Bron: AERIUS-calculator, versie 2023.
Bij voorliggend planvoornemen is er zowel sprake van een realisatiefase als gebruiksfase. Er kan daardoor sprake zijn van zowel tijdelijke als permanente effecten. De Natura 2000-gebieden liggen buiten het invloedsgebied van alle storingsfactoren, zoals bijvoorbeeld verdroging of geluid- en lichtverstoring, met uitzondering van verzuring en vermesting. Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden en de voorgenomen werkzaamheden zijn effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase niet op voorhand uit te sluiten. De enige manier om inzicht te krijgen in de aard en omvang van het effect van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden, is het uitvoeren van een stikstofberekening met behulp van AERIUS Calculator. Geadviseerd wordt dan ook om een dergelijke berekening uit te voeren. Indien uit de AERIUS-berekening volgt dat er als gevolg van het voornemen een verhoogde stikstofdepositie plaats vindt op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden, dient dit ecologisch te worden beschouwd door middel van een ecologische Voortoets Stikstof.
blad 19 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Vervolgstappen Er dient een AERIUS-berekening voor de aanlegfase en de gebruikersfase te worden opgesteld. Indien sprake is van een toename in stikstofdepositie, dient een ecologische Voorstoets Stikstof te worden opgesteld.
2.5
NNN In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 1000 meter ten zuidwesten van het plangebied (zie figuur 2.7). Aangezien er geen sprake is van externe werking in de provincie Zuid-Holland zijn vervolgstappen niet aan de orde.
Figuur 2.7. Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN. Bron: QGIS-PDOK.
2.6
Overig provinciaal beleid Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Bijzonder provinciaal landschap Midden Delfland of belangrijke weidevogelgebieden. Er zijn geen vervolgstappen aan de orde.
2.7
Beschermde houtopstanden Wnb De bomen in het plangebied worden gekapt als gevolg van het planvoornemen. Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom Wnb (of voormalige Boswet). Daarmee vallen de bomen niet onder de definitie van beschermde houtopstanden Wnb. Beschermde houtopstanden Wnb zijn daarom niet relevant voor voorliggend planvoornemen. Gemeentelijk beleid omtrent de kap van bomen en/of bosschages kan echter wel van toepassing zijn (zie ook bijlage 1).
blad 20 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
3.
Conclusie & advies In dit hoofdstuk is per onderdeel de conclusie en het advies gegeven dat voortkomt uit de uitgevoerde natuurtoets.
3.1
Soortbescherming Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: vogels met een jaarrond beschermd nest, algemene broedvogels en vleermuizen. In tabel 3.1 zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies zijn beschreven in paragraaf 2.3 van voorliggende natuurtoets. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht. Tabel 3.1 Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming. Soort(groep) Essentieel leefgebied in Nader (directe omgeving van) onderzoek plangebied? nodig? Vogels met een Ja, nestgelegenheid in de Ja, zie tabel jaarrond beschermd te slopen woningen 3.2 nest (huismus, gierzwaluw en gierzwaluw) schuilplaatsen in de te verwijderen hagen (enkel huismus). Vogels (algemene Ja, nestgelegenheid in N.v.t. broedvogels) opgaande begroeiing, vogelhuisjes en platte daken. Zoogdieren (diverse Openingen in gebouwen Ja, zie tabel soorten vleermuizen) en spouwmuren geschikt 3.2 - verblijfplaatsen als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Vrijgestelde soorten Zie tabel 3.4
Maatregelen? Nader te bepalen
Ontheffing Wnb aan de orde? Nog onduidelijk
Ja, zie tabel 3.3
Nee
Nader te bepalen
Nog onduidelijk
In tabel 3.1 is aangegeven dat er nader onderzoek nodig is naar de huismus, gierzwaluw en vleermuis. De beschrijving van dit nader onderzoek wordt in tabel 3.2 uiteengezet. Tabel 3.2. Beschrijving nader onderzoek. Soort Onderzoeksmethode Huismus Twee inventarisatiemomenten tussen 1 april en 15 mei, met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen. Ook is mogelijk om vier inventarisatiemoment uit te voeren in de periode 10 maart tot en met 20 juni. Gierzwaluw Drie gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei -15 juli, waarbij minimaal 1 inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli plaatsvindt. Vleermuizen Minimaal vijf bezoeken verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober). Controle naar de oorsprong en status van ontheffingsaanvraag en permanente voorzieningen waarvoor de vleermuiskasten in het plangebied gerealiseerd zijn.
In tabel 3.3 is aangegeven dat een overtreding van de Wnb voor een aantal soorten op voorhand kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen. Deze maatregelen zijn in tabel 3.3 uiteengezet. Door het nemen van deze maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Tabel 3.3. Beschrijving maatregelen om overtreding van de Wnb te voorkomen.
blad 21 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Soort(groep) Algemene broedvogels
3.1.1
Maatregelen Werken buiten het broedseizoen. Óf
Zorgplicht Uit paragraaf 2.3.11 blijkt dat er in het plangebied soort(groep)en aanwezig (kunnen) zijn waarmee rekening dient te worden gehouden in het kader van de zorgplicht voor soorten. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 3.4. Tabel 3.4. Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten. Soort(groep) Maatregel Grondgebonden zoogdieren en Voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het plangebied kort en stapvoets amfibieën (alle soorten) maaien in de richting van een vluchtmogelijkheid
3.2
Gebiedsbescherming
3.2.1
Natura 2000 In tabel 3.5 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde Natura 2000-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.4 van voorliggende natuurtoets. Tabel 3.5. Conclusies Natura 2000-gebieden. Zijn er Natura 2000-gebieden aanwezig waarop effecten kunnen optreden? Treden er negatieve effecten op of zijn deze te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde? Wnb-vergunning of akkoord van de provincie noodzakelijk?
3.2.2
Natura 2000 Ja, Westduinpark & Wapendal (op circa 3,5 kilometer afstand). Ja, er kan sprake zijn van verzuring en vermesting door stikstofdepositie. Ja, er dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Nog onbekend.
NNN In tabel 3.6 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde NNN-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.5 van voorliggende natuurtoets. Tabel 3.6. Conclusies NNN-gebieden. Op welke afstand van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde NNN-gebied? Is er sprake van toetsing van externe werking in de betreffende provincie? Is er sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of is dit te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde? Afstemming met het bevoegd gezag aan de orde?
3.2.3
NNN Circa 1000 meter. Nee Niet bepaald, aangezien de provincie Zuid-Holland geen externe werking kent. Nee Nee
Overig provinciaal beleid Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van bijzonder provinciaal landschap Midden Delfland of belangrijke weidevogelgebieden. Er zijn geen vervolgstappen aan de orde.
blad 22 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
3.3
Beschermde houtopstanden Wnb Er is bij voorliggend planvoornemen geen sprake van aantasting van onder de Wnb beschermde houtopstanden. Er zijn voor wat de Wnb betreft geen vervolgstappen aan de orde. Gemeentelijk beleid omtrent de kap van bomen en/of bosschages kan echter wel van toepassing zijn (zie ook bijlage 1).
blad 23 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Literatuurlijst BIJ12, 2023a. Kennisdocument huismus (Passer domesticus). Versie 2.0, juni 2022. BIJ12, 2023b. Kennisdocument gierzwaluw (Apus apus). Versie 1.0, juli 2017. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Augustus 2009. Netwerk Groene Bureaus (NGB), 2021. Vleermuisprotocol 2021. Overig NDFF Street Smart AERIUS-calculator, versie 2023. www.ravon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl QGIS-PDOK QGIS 3.22 ‘Białowieża’
blad 24 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Bijlage 1 Wettelijk kader blad 25 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Bijlage 1 Wettelijk kader In deze bijlage staat een beschrijving van de relevante wet- en regelgeving en het beleidskader. Het betreft de Wet natuurbescherming (Wnb). Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen). Wnb - Algemeen De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Wnb beschermt: De Natura 2000-gebieden die aangewezen zijn in het kader van het Europees natuurbeleid (gebiedsbescherming) De planten- en diersoorten (onderdeel soortbescherming) Bos en houtopstanden (onderdeel houtopstanden). Veel verantwoordelijkheden en bevoegdheden liggen bij de provincies. Er zijn hierop wel uitzonderingen waarvoor het ministerie van LNV bevoegd gezag is. Dit betreft onder andere de aanleg en uitbreiding van hoofdwegen, landelijke spoorwegen, hoofdvaarwegen, primaire waterkeringen, militaire terreinen en oefengebieden, militaire luchthavens, Schiphol en overige burgerluchthavens, het landelijke gastransportnet, hoogspanningsverbindingen van tenminste 220 kV, activiteiten van buitenlandse mogendheden en activiteiten namens een lid van het Koninklijk Huis.
LNV is ook bevoegd gezag voor ruimtelijke ingrepen in de Exclusieve Economische Zone (EEZ) en voor Windenergie op zee (kavelbesluiten). Gemeenten hebben een loketfunctie. Het is mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. De Wnb richt zicht op bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Wnb - Soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb); 3) ‘andere soorten’(onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’) (artikel 3.10 e.v. Wnb).
blad 26 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb) Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1 e.v. 1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Het is mogelijk om ontheffing aan te vragen voor de overtreding van de verbodsbepalingen. De ontheffing kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Vogelrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 1: ‘in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid’ (dit is dus strenger dan voor soorten van de Habitatrichtlijn en de andere soorten); - Er is geen verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en/of Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb) Deze categorie bestaat uit Europees beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.5 e.v.: 1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Onder de Wnb is het mogelijk om voor streng beschermde soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Hierbij geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.5. Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 van de Wnb bij overtreding van de verbodsbepalingen een ontheffing worden aangevraagd. De ontheffing kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Habitatrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 3: ‘in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
blad 27 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Andere soorten (artikel 3.10 e.v. Wnb) De categorie ‘andere soorten’ bestaat uit soorten zoals opgenomen in bijlage A en B van de wettekst. Dit zijn nationaal beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.10 e.v.. Het is verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor deze soorten geldt een vrijstelling wanneer aantoonbaar gewerkt wordt volgens een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Daarnaast geldt ook vrijstelling bij ruimtelijke projecten voor soorten die staan op besluit vrijgestelde soorten. Het hangt per provincie af welke soort is vrijgesteld van de verbodsbepalingen in artikel 3.10, ook de grond waarvoor een vrijstelling geldt kan ook variëren tussen provincies. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Deze zorgplicht is verder in deze bijlage nog toegelicht.
Indien de ‘andere soorten’ niet zijn vrijgesteld en daarmee het voornemen de gestelde verboden in artikel 3.10 overtreedt, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin het voornemen plaatsvindt. Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten uit de categorie ‘andere soorten’ van de Wnb bij overtreding van de verbodsbepalingen een ontheffing worden aangevraagd. De ontheffing kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang h ‘in het algemeen belang’; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
blad 28 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Samenvatting gronden waarop een ontheffing verleend mag worden per categorie beschermde soorten (artikel 3.1, 3.5 en 3.10). Ontheffingsgronden Artikel 3.1 Artikel 3.5 Artikel 3.10 Soorten van de Vogelrichtlijn 1 2 3
Er bestaat geen andere bevredigende oplossing Leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding volksgezondheid en openbare veiligheid veiligheid van luchtverkeer ter voorkoming van schade aan gewassen, vee, bossen, visserij ter bescherming van Flora en Fauna voor onderzoek, onderwijs, uitzetten en herinvoeren van soorten / teelt dwingende reden van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor milieuwezenlijke gunstige effecten ruimtelijke inrichting of ontwikkeling schade en overlast, ter beperking omvang populatie, ter bestrijding van lijden en ziekte, bestendig beheer en onderhoud (ook natuurbeheer), algemeen belang, bestendig gebruik
Andere soorten
Ja
Soorten van de Habitatrichtlijn, Bonn & Bern Ja
Ja
Ja
Ja
Ja Ja Ja
Ja Nee Ja
Ja Ja Ja
Ja Ja
Ja Ja
Ja Ja
Nee
Ja
Ja
Nee Nee
Nee Nee
Ja Ja
Ja
Zorgplicht Er dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de zorgplicht zoals vastgelegd in artikel 1.11 van de Wnb. Deze zorgplicht houdt o.a. in dat als een activiteit wordt ondernomen waarvan kan worden vermoed dat deze nadelig kan zijn voor in het wild levende dieren en planten, deze activiteit niet plaats mag vinden. Ook moeten alle maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Deze zorgplicht heeft betrekking op de gebieds- en op de soortbescherming. In het tekstkader hieronder staat het wetsartikel uitgeschreven. Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 1.
Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Er dient bijvoorbeeld zo gewerkt te worden dat dieren kunnen ontsnappen en het kan nodig zijn om soorten te verplaatsen (bijvoorbeeld planten en amfibieën). Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland.
blad 29 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
Wnb - Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 2.1 tot en met 2.11 van de Wnb. Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De instandhoudingdoelstellingen beschrijven voor de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van LNV. Voortoets en Passende beoordeling De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, ten aanzien van plannen en projecten en die mogelijke effecten hebben op de natuurlijke kenmerken van de gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelen die in de Natura 2000-gebieden van kracht zijn. De Wnb maakt daarbij onderscheid in enerzijds plannen (plantoets) en anderzijds projecten (projecttoets).
Bij plannen en projecten in, of in de nabijheid (externe werking) van, een Natura 2000-gebied dienen de initiatiefnemers in een oriënterende fase (voortoets) te onderzoeken of het plan een significant negatief effect op de instandhoudingdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Met externe werking wordt bedoeld dat ook activiteiten buiten het gebied de natuurwaarden in het gebied kunnen beïnvloeden. Indien na dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant negatief effect heeft, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Daarbij dienen ook, indien noodzakelijk, de mitigerende maatregelen te worden betrokken. Deze analyse heet een ´passende beoordeling´. Het bevoegd gezag toetst de passende beoordeling. Wanneer uit de passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten, kan de activiteit doorgang vinden. Wanneer uit de voortoets blijkt dat er wel kans is op een negatief effect, maar dit als niet significant kan worden gezien, kan eveneens, op basis van een verslechteringstoets toestemming voor het uitvoeren van de activiteit worden verleend.
Wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het project alleen doorgang vinden op grond van de “ADC-criteria”. Dit betekent dat: - A – alternatieve oplossingen voor het plan ontbreken; - D – er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, en - C – de initiatiefnemer compenserende maatregelen vooraf en tijdig treft. Stikstofdepositie Stikstofdepositie vormt veelal een knelpunt bij de besluitvorming over plannen en projecten, omdat in veel Natura 2000-gebieden overbelasting van stikstof een probleem is voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor het gebied aangewezen soorten en habitattypen. Om een oplossing te bieden voor dit probleem was destijds (1 juli 2015) het Programma Aanpak Stikstof (PAS) opgericht. Op 29 mei 2019 oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) echter dat het PAS niet als onderbouwing kan worden gebruikt voor toestemmingsverlening op grond van de Wnb. Vanaf 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De hierin opgenomen vrijstelling van Wnb-vergunningplicht voor bouwwerkzaamheden in de realisatiefase voor wat betreft stikstofdepositie (art. 2.9a Wnb) vervalt met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) van 2 november 2022 in de Porthos-zaak.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het nationaal beleid met betrekking tot de gebiedsbescherming van het Natuurnetwerk Nederland is opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De bescherming van het NNN staat nader uitgewerkt in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL). Hierin staan instructieregels voor de omgevingsverordening van de
blad 30 van 37
datum 30 oktober 2023 projectnummer 0462353.100 betreft Natuurtoets
provincies. De bescherming werkt vervolgens door in de bestemmingsplannen van de gemeenten. De instructieregels uit het BKL verplichten de provincies tot: het aanwijzen van Natuurnetwerk Nederland gebieden (artikel 7.6 Bkl ) het vastleggen van de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN- gebieden (artikel 7.7 Bkl) het stellen van regels in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden (artikel 7.8 Bkl, eerste lid) De regels die in de omgevingsverordening komen verzekeren in ieder geval dat (artikel 7.8 Bkl, tweede lid): o de kwaliteit en oppervlakte van het NNN-gebied niet achteruitgaan o de samenhang tussen de gebieden van het NNN wordt geborgd o tijdige compensatie van een bepaalde activiteit die negatieve gevolgen heeft Wezenlijke waarden en kenmerken Dit betreft de actuele en potentiële natuurwaarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied, met inbegrip van de omvang en de beoogde natuurkwaliteit alsmede de samenhang met andere natuurgebieden. ‘Nee, tenzij’-principe Voor het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. Dit betekent dat nieuwe plannen of projecten niet zijn toegestaan als ze de wezenlijke (potentiële) waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Uitzonderingen hierop zijn wanneer sprake is van redenen van groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn.