CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS319830 Bijlage Toelichting Raadsvoorstel Verordening maatregelen en handhaving Participatiewet IOAW en IOAZ 2024

Commissie Samenleving 19 september 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken1.965 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage bij de Commissiebrief Toelichting raadsvoorstel van het college inzake vaststelling Verordening maatregelen en handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ Den Haag 2024:

Toelichting op de wijzigingen in de Verordening Hieronder volgt een toelichting op de belangrijkste wijzigingen in de Verordening maatregelen en handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ Den Haag 2024. In deze toelichting wordt aan de hand van zeven punten verwezen naar de relevante artikelen in de nieuwe Verordening. 1. Eerst een toelichtingsgesprek dus nog geen maatregel Het opleggen van een maatregel is erop gericht, dat de bijstandsgerechtigde diens gedrag aanpast, zodat deze zich voortaan aan de hiervoor genoemde regels houdt. Echter, als de bijstandsgerechtigde door een maatregel niet in het levensonderhoud kan voorzien, dan heeft dit een averechts effect. Wij vinden het direct opleggen van een maatregel dan ook niet proportioneel. Daarom is in de nieuwe Verordening geregeld, dat de bijstandsgerechtigde bij een eerste maatregelwaardige gedraging nog geen maatregel opgelegd krijgt, maar dat een toelichtingsgesprek gevoerd wordt. Het doel van dat gesprek is een volgende maatregelwaardige gedraging te voorkómen. Dit gesprek is al uitvoeringspraktijk in onze dienstverlening. In dat gesprek komt aan de orde, waarom de betreffende verplichting met betrekking tot arbeid of re-integratie belangrijk is en wat de betrokken bijstandsgerechtigde nodig heeft om de betreffende verplichting alsnog na te komen.

Leidt het toelichtingsgesprek niet tot wijziging van het gedrag, dan kan bij de eerstvolgende maatregelwaardige gedraging een maatregel worden opgelegd (artikel 2.2, eerste lid). Een maatregel kan ook worden opgelegd als dit een andere maatregelwaardige gedraging op grond van deze Verordening betreft dan het gedrag besproken in het toelichtingsgesprek (artikel 2.2, tweede lid). De bijstandsgerechtigde krijgt slechts éénmaal een toelichtingsgesprek. Een volgende maal van maatregelwaardig gedrag volgt wel een maatregel, ongeacht of het om het niet nakomen van dezelfde of een andere verplichting gaat. 2. De hoogte van de maatregel wordt afgestemd op de individuele situatie van de bijstandsgerechtigde Als een bijstandsgerechtigden eerst een toelichtingsgesprek heeft gekregen en daarna wederom een verplichting, genoemd in de Verordening niet nakomt, bekijken we de individuele situatie van de bijstandsgerechtigde, voordat we een besluit nemen om een maatregel op te leggen. We zorgen hiermee altijd voor maatwerk. Dit doen we ook al op basis van de bestaande Verordening op grond van de Participatiewet. In de nieuwe Verordening is het kader voor het leveren van maatwerk nog verder uitgebreid.

Daarom wordt in de nieuwe Verordening gekozen voor het matigen van de hoogte van de maatregel of het geheel afzien van de maatregel, in de onderstaande bepalingen, gebaseerd op de wetsvoorstellen “Participatiewet in balans” en “Handhaving sociale zekerheid”: -

-

-

-

Het college matigt de hoogte van de maatregel naar één maatregelcategorie lager (de categorieën zijn geregeld in artikel 2.5), als er naar het oordeel van het college sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de bijstandsgerechtigde (artikel 2.6, eerste lid, onder a). Dit doet het college ook als er sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden op financieel, medisch en/of psychosociaal gebied (artikel 2.6, eerste lid, onder b). Als er sprake is van zowel verminderde verwijtbaarheid als bijzondere persoonlijke omstandigheden, matigt het college de hoogte van de maatregel naar twee maatregelcategorieën lager (artikel 2.6, tweede lid). Daarnaast ziet het college af van het opleggen van de maatregel als elke vorm van verwijtbaarheid bij de bijstandsgerechtigde ontbreekt (artikel 2.7, onder a). Deze bepaling is ook al van toepassing in de huidige verordening. Nieuw in de Verordening is, dat het college afziet van het opleggen van een maatregel bij dringende redenen. Onder dringende redenen valt in elk geval: de noodzaak tot het voorkómen van het ontstaan van ernstige schuldenproblematiek of (dreigende) huisuitzetting. Verder wordt onder dringende redenen in elk geval verstaan: zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden op financieel, medisch en/of psychosociaal

1

-

gebied (artikel 2.7, onder b). In de huidige Verordening kan er alleen sprake zijn van afzien van een maatregel bij zeer dringende redenen (dit begrip is niet nader omschreven). Eveneens is nieuw in de Verordening, dat het college afziet van het opleggen van een maatregel in verband met maatregelwaardig gedrag van de belanghebbende, dat langer dan zes maanden geleden heeft plaatsgevonden (artikel 2.7, onder c). Dan is het gedrag te lang geleden om te beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd. De redenen voor matigen en afzien van de maatregel worden nog uitgewerkt in beleidsregels. Hiermee borgen we de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Voordat een besluit tot het opleggen van een maatregel wordt genomen, wordt de bijstandsgerechtigde in de gelegenheid gesteld om gehoord te worden over de mate van verwijtbaarheid, eventuele persoonlijke omstandigheden of dringende redenen (artikel 2.8, eerste lid). 3. De hoogte van de maatregelen in de gemeente Den Haag is verlaagd Wij zijn met de G4 gemeenten al geruime tijd van mening dat sancties voor bijstandsgerechtigden, áls we deze moeten opleggen bij doelbewust persistent weigeren van verplichtingen, niet ontwrichtend mogen zijn. Dit geldt zowel voor handhaven als voor opleggen van maatregelen.

Immers de bijstandsgerechtigde kan daardoor in een problematische financiële situatie belanden met schulden, psychische problemen en mogelijke afglijding naar de marges van de maatschappij. Hoge sancties belemmeren juist de participatie of re-integratie naar werk, in plaats van dat het leidt tot gedragsverbetering. Ook in de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel “Participatiewet in balans” zijn zorgen geuit over ontwrichting door de huidige maatregelen van een verlaging van 100% van de bijstandsuitkering gedurende één maand (en bij herhaling meerdere maanden). Daarom is in dit wetsvoorstel aan gemeenten de ruimte gelaten om zelf (binnen de landelijk gestelde kaders over maatregelen) de hoogte van de maatregelen vast te stellen. In deze nieuwe Verordening geldt als hoogste maatregel eerst een verlaging van 30% van de bijstandsuitkering gedurende één maand; bij een eerste herhaling (recidive), wordt een maatregel opgelegd gedurende twee maanden, waarvan één maand een verlaging van de bijstandsuitkering van 30% en één maand een verlaging van 40%; bij een tweede of meerdere herhaling (recidive) wordt de maatregel opgelegd gedurende drie maanden, waarvan één maand een verlaging van de bijstandsuitkering van 30% en twee maanden een verlaging 40%.

Deze hoogste maatregel wordt, zoals in de huidige Verordening, in deze nieuwe Verordening slechts opgelegd voor de zwaarste gedragingen. Onder meer gaat het hier om het niet accepteren of behouden van werk, het niet accepteren van een voorziening voor re-integratie of sociale activering (artikel 5.1, vijfde lid en artikel 5.2, zevende tot en met negende lid) en het geen inspanningen verrichten tot het leren van de Nederlandse taal (artikel 4.2, tweede lid en artikel 4.3, vierde tot en met zesde lid). Het verschil met de huidige Verordening is, dat voor deze gedragingen in de huidige Verordening een maatregel kan worden opgelegd van 100% van de betreffende bijstandsuitkering. In elk geval leggen we een maatregel pas op bij een tweede of volgende maatregelwaardige gedraging (na een eerste maatregelwaardige gedraging krijgt de bijstandsgerechtigde een toelichtingsgesprek) en nadat we eerst met de bijstandsgerechtigde hebben gekeken naar diens mate van verwijtbaarheid en persoonlijke omstandigheden. Hiermee voorkómen we dat we een maatregel opleggen in een situatie waarin de bijstandsgerechtigde een vergissing maakt en in financiële problemen geraakt door de maatregel. Bij bewust weigeren om verplichtingen richting re-integratie of werken na te komen, leggen wij een maatregel op, die ingeval van herhaling (recidive) hoger is en voor meerdere maanden geldt.

De nieuwe Verordening kent vier maatregelcategorieën: 10%, 20%, 30% en 40% (artikel 2.5). Deze zijn gebaseerd op het Wetvoorstel “Handhaving sociale zekerheid”. De huidige Verordening kent maatregelcategorieën van 30% en 100%. Hieronder is een schema opgenomen met de schendingen van de diverse verplichtingen in de huidige- en de nieuwe Verordening met de daaraan gekoppelde maatregelcategorieën.

2

Schema met de schendingen van de diverse verplichtingen in de huidige- en de nieuwe Verordening Categorie Maatregel

Schending verplichtingen huidige Verordening

10% 20%

Schending verplichtingen nieuwe Verordening - Niet nakomen van de verplichting om op een gesprek bij de gemeente te verschijnen.

--

- Onvoldoende nakomen van de nietgeüniformeerde verplichtingen (algemene arbeids- en re-integratieverplichtingen); - Onvoldoende nakomen van verplichtingen IOAW/IOAZ; - Onvoldoende inspanningen mbt de Nederlandse taal; Recidive bij: -- Niet nakomen van de verplichting om op een gesprek bij de gemeente te verschijnen;

30%

- Onvoldoende nakomen van de nietgeüniformeerde verplichtingen en IOAW/IOAZ.

- Onvoldoende of niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen (specifieke arbeidsverplichtingen); -Niet nakomen van verplichtingen IOAW/IOAZ; - Niet nakomen van de niet-geüniformeerde verplichtingen; - Geen inspanningen mbt Nederlandse taal.

40%

--

Recidive bij: - Onvoldoende of niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen; - Niet nakomen van verplichtingen IOAW/IOAZ; - Niet nakomen van de niet-geüniformeerde verplichtingen; - Geen inspanningen mbt Nederlandse taal.

100%

- Onvoldoende of niet nakomen de geüniformeerde verplichtingen; - Niet nakomen van de nietgeüniformeerde verplichtingen en IOAW/IOAZ; - Onvoldoende besef van verantwoordelijkheid; - Geen inspanningen mbt Nederlandse taal; - Zeer ernstig misdragen jegens een medewerker van de gemeente.

3

4. Bij herstel van het gedrag wordt afgezien van de maatregel. In de huidige Verordening is opgenomen dat het college op verzoek van de bijstandsgerechtigde kan afzien van de maatregel, als de bijstandsgerechtigde alsnog de verplichtingen van de Verordening nakomt. Daaraan is wel de voorwaarde gekoppeld, dat de opgelegde maatregel ten minste gedurende één uitkeringsmaand is uitgevoerd. In de nieuwe Verordening is bepaald dat het college op verzoek van de bijstandsgerechtigde afziet van de maatregel als deze binnen drie maanden vanaf de datum, waarop het besluit tot een maatregel is genomen, de verplichting alsnog nakomt (artikel 2.10, eerste lid). Dit is in lijn met doelstelling van de maatregel om de bijstandsgerechtigde te stimuleren tot gedragsverandering. Het college ziet niet af van de maatregel bij een gedraging van de bijstandsgerechtigde waarbij deze heeft nagelaten om een bijstandsuitkering te voorkómen (artikel 2.10, tweede lid). Dit is bijvoorbeeld het geval als de bijstandsgerechtigde voorafgaan aan de bijstand niet naar nieuwe betaalde arbeid heeft gezocht tijdens een WW-uitkering. Het effect van deze gedraging (bijstandsafhankelijkheid na een WW-uitkering) kan immers niet meer ongedaan gemaakt worden. 5.

Separate maatregel bij het niet nakomen van de verplichting om op een gesprek bij de gemeente te verschijnen Het niet nakomen van de verplichting om op een gesprek bij de gemeente te verschijnen in het kader van de arbeidsinschakeling, re-integratie of sociale activering is relatief licht van aard. Om de financiële gevolgen voor de bijstandsgerechtigde beperkt te houden, wordt bij het niet nakomen van deze verplichting een separate maatregel van 10% gehanteerd (artikel 5.1, eerste lid); bij een eerste herhaling van de gedraging (recidive), wordt een maatregel opgelegd gedurende twee maanden, waarvan één maand 10% en één maand 20%. Bij een tweede of meerdere herhaling (recidive) wordt de maatregel opgelegd gedurende drie maanden, waarvan één maand 10% en twee maanden 20%. In de huidige Verordening is de maatregel voor het niet op gesprek bij de gemeente verschijnen gekoppeld aan het onvoldoende of niet inspannen om mee te werken aan de arbeidsinschakeling, re-integratie of sociale activering. Deze maatregel kan daarom in de huidige Verordening zelfs 100% van de bijstandsuitkering bedragen. 6. Maatregelen op grond van IOAW/IOAZ zijn in een separaat hoofdstuk opgenomen. In deze Verordening zijn de maatregelen op grond van IOAW en IOAZ in een separaat hoofdstuk opgenomen (Hoofdstuk 6). Dit komt de overzichtelijkheid ten goede.

Immers de IOAW en IOAZ zijn aparte wetten en hebben ten opzichte van de Participatiewet iets andere bepalingen met betrekking tot maatregelen. 7. Geen maatregel meer voor zeer ernstige misdraging jegens een medewerker van de gemeente In de huidige Verordening is nog een maatregel opgenomen voor een ernstige misdraging jegens een medewerker van de gemeente. Deze maatregel is inmiddels verwijderd uit de Participatiewet en is dan ook niet meer opgenomen in de nieuwe Verordening. Wat wel blijft is de mogelijkheid voor de gemeente om aangifte te doen bij het openbaar ministerie van een dergelijke misdraging. Daaraan voorafgaand kunnen medewerkers va de gemeente intimidatie en/of fysiek geweld melden bij het Expertise centrum Veilige Publieke Taak van de gemeente.

4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14508762/1