CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS319815 Bijlage 6 - Notitie installatiegeluidbeheersing WKO installatie inclusief geluidseisen Geredigeerd

Commissie Ruimte 18 september 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken6.488 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

NOTITIE

Eisen en (mogelijke) voorzieningen geluid- en trillingsbeheersing WKO-installatie Aan

:

Heijmans Vastgoed B.V.

T.a.v.

:

De heer T. Korndörffer

Referentie

:

20210987.002 / 26869v3

Behandeld door

:

De heer ing. H. Neuteboom

Datum

:

9 juni 2022 (v2)– gewijzigd 23 maart 2023 (v4)

Project

:

Steenzicht Den Haag Zuid (Heijmans)

Betreft:

:

Quick scan installatiegeluidbeheersing WKO installatie

`

incl. vraagspecificatie installatiegeluid (bijlage 1)

Hoofdstuk 1

Inleiding

In opdracht van Heijmans Vastgoed adviseert Nieman/Het Geluidburo in deze notitie over de beheersing van geluid- en trillings-emissie van de koude- en verwarmingsinstallatie in en op gebouw A van project Steenzicht te Den Haag. De centrale installatie wordt geplaatst in een techniekruimte op de begane grond van het gebouw en deels (mogelijk) op het dak. In de nabijheid van deze opstelplaatsen bevinden zich woningen. In iedere woning is de afgifteset geïnstalleerd in de meterkast en/of een warmtepomp in de berging, deze ruimten grenzend in diverse woning direct aan een verblijfsruimte. Doel van het advies is te komen tot de juiste primaire bouwkundige voorzieningen, opdat met goede geluid- en trillingsarme voorzieningen rondom de plaatsing van de installatie installatiegeluid voldoende beheerst wordt. Het daadwerkelijke installatieprincipe en de daarbij behorende te plaatsen installatie wordt uitgevraagd aan Esco partijen in de markt. In deze rapportage worden (in bijlage) de noodzakelijk geachte eisen voor deze uitvraag gepresenteerd. Wettelijke kaders in deze zijn veelal niet meer afdoende en berekeningen zijn te complex, onder andere vanwege het ontbreken van noodzakelijke detailinformatie, met name laagfrequent geluidvermogen en trillingsbronsterkte van de installatie. Navolgende overdrachtspaden zijn in akoestisch opzicht relevant en nader beschouwd: •

Lucht- en constructiegeluid via de bouwkundige constructie, zowel van de installaties als hun appendages;

•

Geluiduitstraling naar de woonomgeving (inclusief het eigen gebouw).

De teksten die ten opzichte van v3 inhoudelijk zijn gewijzigd of toegevoegd, zijn weergegeven in blauw. De gewijzigde teksten van v3 zijn dus weer zwart gemaakt.

Hoofdstuk 2 2.1

Projectomschrijving

WKO-ruimte

In gebouw A op de begane grond wordt een warmteoverdrachtstation (WKO) gerealiseerd met ca. 80m2 vloeroppervlakte, zie figuur 1. De positie van de WKO-ruimte is recent iets verschoven, iets verder weg van de woningen vandaan. Het oranje kader geeft globaal de nieuwe positie aan. Direct boven de bevindt zich de binnenplaats. Schuin boven en naast de techniekruimte zijn woningen gesitueerd. Het gebouw is opgebouwd uit één betonnen casco, echter de centrale techniekruimte wordt uitgevoerd als een massieve doos- in doos die volledig is gedilateerd van de rest van het gebouw. De binnenwanden zijn dubbelwandig, zijnde 150mm KZ-stenen binnenblad die af steunt op de vloer van de techniekruimte en baksteen buitenblad, waarbij de spouw voorzien wordt van isolatie. De buitenmuur heeft als afwijking hierop een betonnen buitenblad. Het dak van de WKO-ruimte betreft 200mm kanaalplaatvloer die zich onderlangs het dek van de stallingsgarage bevindt. In de luchtspouw tussen dak WKO-ruimte en dek stallingsgarage wordt isolatie voorzien. Er verloopt geen vuilwaterafvoerleiding behorende bij de woningen door de WKOruimte. De dubbele deur richting stallingsgarage wordt uitgevoerd als geluidwerende deur met een RApop van minimaal 34 dB. Ventilatieprincipe van de WKO-ruimte is onderdeel van de aanbesteding.

Figuur 1: plattegrond met globale ligging WKO-ruimte gebouw

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 2 / 20

2.2

Hoofdgebouw - bouwkundig

De constructieve vloervelden van het woongebouw betreffen 260 mm breedplaatvloer op de verdiepingen van de appartementen met als alternatief schilvloer prefab beton 180mm en schuimbeton 130mm (HAC), De begane grond vloer betreft 200mm kanaalplaat. Deze vloeren worden voorzien van een zwevende dekvloer in de woningen. Op de verdiepingen steunen zowel de woningscheidende wanden alsook de binnenwanden in de woningen steunen af op de constructieve vloer, niet op de zwevende dekvloer. Op de begane grond steunen de binnenwanden wel af op de zwevende dekvloer. De binnenwanden zijn onder te verdelen in: •

binnenwanden met verhoogde geluidwering. Op de verdieping is dit 100mm Ytong G5/800 geplaatst op de constructieve vloer. Op de begane grond zijn de wanden opgebouwd uit metal-stud wanden, bijvoorbeeld Gyproc 1.75.1A, dus enkele beplating aan weerszijden van de wand met absorptie in de spouw. Dit geldt voor de wanden: •

tussen verblijfsruimten onderling

•

tussen verblijfsruimte en berging/opstelruimte wasmachine/opstelruimte technische installaties

•

•

Toilet en verblijfsruimte

•

schachten

Standaard binnenwanden. Op de verdieping is dit 100mm Ytong G4/600 geplaatst op de constructieve vloer. Op de begane grond zijn de wanden opgebouwd uit metal-stud wanden, bijvoorbeeld Gyproc 1.75.1, dus enkele beplating aan weerszijden van de wand zonder absorptie in de spouw. Dit geldt voor alle overige binnenwanden in de woning.

Het constructieve dak ter plaatse van de opstelling van de dakinstallatie is opgebouwd uit 260mm beton met als alternatief schilvloer prefab beton 180mm en schuimbeton 130mm (HAC), e.e.a. voorzien van thermische isolatie. 2.3

Installatie WKO-ruimte

In totaal wordt er ca 600 kW aan verwarmings- en koelvermogen geïnstalleerd in de WKO-ruimte. Er zijn vanuit opdrachtgever en ontwerpteam geen voorkeuren aan installatieconcept, merk of type bekend gesteld: dit wordt geheel vrij gegeven aan de aanbiedende Esco-partijen in de markt. Het kan bijvoorbeeld zijn dat er een concept komt met 2 grotere warmtepompen voorzien van schroefcompressoren, maar een cascade opstelling van meerdere kleine warmtepompen voorzien van meerdere scroll-compressoren is ook mogelijk. In de techniekruimte worden tevens navolgende installaties verwacht: •

grotere pompen voor de distributie van warm- en koud water, zowel tapwater als verwarming/koeling. Aangezien de WKO-ruimte voor gebouw A en B bedoeld is, hebben deze pompen waarschijnlijk een groot vermogen

•

ruimteventilatie, verwacht wordt met aanzuig- en afblaas vanuit de parkeergarage

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 3 / 20

2.4

installatie dak

Op het dak van het laagbouwdeel van gebouw A (4e verdieping) is een zone aangewezen waar de koelinstallatie beoogd is. De minimale afstand tot de dichtsbijzijnde gevels met te openen ramen binnen het eigen project bedraagt 20 tot 30 meter. Direct onder de opstellocatie bevinden zich woningen. Afstand van de opstellocatie naar bestaande woningen (4 bouwlagen hoog) aan de overzijde van de weg bedraagt circa 40 m.

Figuur 1: plattegrond dak opstelling WKO-installatie

Het installatieprincipe en daarbij behorende merk/type van deze buitenopstelling is onderdeel van de aanbesteding. Mogelijk komen er drycoolers (alleen ventilatoren) op het dak, niet uitgesloten is echter dat hier grotere lucht-water warmtepompen (ventilatoren EN compressoren) worden geplaatst. In basis is een dergelijke installatie veelal beoogd om enige onbalans in de bodembronnen, volgens installatie-adviseur vooral warmte, te voorkomen door bij te laden. Dit kan dan in (warme) dagperiode plaats vinden. Echter recente ontwikkelingen zijn, dat boven een 10-12 0C buitentemperatuur dergelijke buiten opgestelde installaties de warmtelevering overnemen van de bodembron. Indien lucht-water-warmtepompen worden toegepast, zullen deze in winterdag veelvuldig - al dan niet continue - in bedrijf zijn. De kans dat deze buiten installatie in werking zijn in dag- avond en nachtperiode is reëel.

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 4 / 20

2.5

Installatie in de woningen

Installatieprincipe van de afgifteset is ook onderdeel van de aanbesteding. Op het moment dat het puur vloerverdeler is eventueel met warmtewisselaar, dan is de afgifteset veelal “slechts” voorzien van een circulatiepomp. Er zijn echter ook installatieconcepten waarbij in de woning de compressor en circulatiepompen als individuele warmtepomp in één installatie geplaatst worden. De hoofdleidingen voor gekoeld- en warm water alsmede de afgiftesets en/of warmtepomp bevinden zich •

Veelal in de meterkasten. nabij de voordeur. In enkele woningen bevinden zich verblijfsruimten direct achter deze meterkasten.

•

In sommige woningen in bergingen/ opstelruimte voor bijvoorbeeld wasmachine, waarbij deze ruimte grenst aan een verblijfsruimte.

Hoofdstuk 3

Toetskader WKO installatie

Hieronder wordt een doorkijk gegeven voor het toetsingskader en aanvullend comfort streefwaarden voor WKO-installaties. Uit deze doorkijk zijn in bijlage 1 de daadwerkelijke eisen gedefinieerd die uitgangspunt gaan vormen voor de aanbesteding. 3.1

Overzicht en advies binnen de woningen (verblijfsruimten)

Binnen woningen zijn navolgende eisen ten aanzien van geluid van installaties van toepassing •

Bouwbesluit 2012, zie paragraaf 3.1.1;

•

Activiteitenbesluit Milieubeheer, paragraaf 3.1.3.

Ervaring van NIEMAN en haar dochteronderneming Het GeluidBuro is, dat voldoen aan bovenstaande eisen hinder niet uitsluit. Met de huidige woningbouwmethodiek, waarbij goede thermische gevels (en daarmee veelal geluidsdichte gevels) toegepast worden, zijn achtergrondgeluidniveaus onder 20 dB(A) meer regel dan uitzondering. Daarnaast verdient de groeiende laagfrequent geluidproblematiek in de Nederlandse gebouwde omgeving aandacht. Enkele richtlijnen hiervoor zijn weergegeven in paragraaf 3.1.3. Overall adviseren NIEMAN en Het GeluidBuro te streven naar een (ontwerp)installatiegeluidniveau ten gevolge van de centrale WKO-installatie van maximaal 20 dB(A) gesommeerd over in het frequentiegebied 6.3 Hz tot en met 8 kHz. Wanneer geluid een tonaal karakter heeft is het advies een toeslag van 5 dB toe te kennen, waardoor het gesommeerde (ontwerp)installatiegeluidniveau maximaal 15 dB(A) mag bedragen. Specifiek voor het (ontwerp)installatiegeluidniveau in het laagfrequent geluid gebied dient aangesloten te worden bij de laagste waarde van de Vercammen-curve (zie toelichting in bijlage 1) en NSG-curve laagfrequent geluid. Bijvoorbeeld voor de 50 Hz (compressortoon) wordt geadviseerd te streven naar een niveau onder de 9 dB(A).

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 5 / 20

Voor het installatiedeel binnen de eigen woning is het advies maximaal 25dB(A) in de verblijfsruimten toe te laten,. Door een toeslag (5 dB) voor tonaal geluid op het gemeten niveau toe te passen alvorens te toetsen wordt het hinderrisico meer beperkt. Achtergrondinfo Bouwbesluit 2012 De eisen met betrekking tot installatiegeluid zijn opgenomen in afdeling 3.2 van het Bouwbesluit 2012. In artikel 3.9 is de grenswaarde voor het installatiegeluid in een verblijfsgebied van een installatie op hetzelfde perceel opgenomen. Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke installatiegeluid-drukniveau (LI;A;k) mag niet hoger zijn dan 30 dB. In de beoordelingsmethodiek (NEN5077) is geen rekening gehouden met de kenmerken van het geluid. Tonaal geluid, vaak voorkomend bij warmtepompen, is extra hinderlijk. In de milieuwetgeving wordt hiervoor een toeslag van +5 dB(A) toegepast. Momenteel is een wijzigingsprocedure van start gegaan dit ook op te nemen in de NEN5077. 3.1.1

Activiteitenbesluit

In het Activiteitenbesluit zijn grenswaarden opgenomen voor het maximaal toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal toegestane geluidsniveau (LA,MAX). Deze grenswaarden zijn weergegeven in tabel 1. Tabel 1.1: Grenswaarden geluid Activiteitenbesluit 7:00 – 19:00 u

19:00-23:00 u

23:00-07:00 u

LA;r,LT in in- of aanpandige woning

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LA,MAX in in- of aanpandige woningen

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

Periode:

Beoordeling vind plaats conform de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999 (HMRI-1999), waarbij tevens rekening gehouden moet worden met bijzondere kenmerken in het geluid, die vanwege hun karakter als extra hinderlijk worden beschouwd. Voor tonaal geluid geldt een toeslag (+5 dB(A)) wanneer het bijzondere karakter duidelijk hoorbaar is op het beoordelingspunt. 3.1.2

Laagfrequent geluid

Voor beoordeling van laagfrequent geluidhinder is er in Nederland formeel nog geen wetgeving. Wel zijn er enkele beoordelingscriteria en richtlijnen, gebaseerd op de gehoordrempel. Uitgangspunt daarbij is, dat als laagfrequent geluid hoorbaar is er ook hinder kan worden ondervonden. Dit laatste is subjectief: wat voor de één hoorbaar en hinderlijk is kan voor de ander acceptabel zijn of niet waargenomen worden. Ook tijdens onderzoeken kan dit aan de orde zijn: de betrokken meetdeskundige kan ondanks zijn ervaring mogelijk zelf niet de hinderlijkheid van het laagfrequente geluid waarnemen. NIEMAN/Het GeluidBuro hanteert in haar onderzoeken navolgende drie beoordelingscriteria.

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 6 / 20

▪

DIN 45680 (2011) Of tonaal laagfrequent geluid aanwezig is wordt bepaald op basis van het verschil tussen de langtijdgemiddelde geluidniveaus, gewogen met een C-filter (LCeq) en met een A-filter (LAeq) voor het frequentiegebied 8 tot 100 Hz. Er is sprake van laagfrequent geluid en nadere analyse nodig als dit verschil groter is dan 15 dB. Is het verschil meer dan 20 dB, dan mag de aanwezigheid van laagfrequent geluid verondersteld worden.

▪

NSG-richtlijn (1999) In 1999 is een richtlijn laagfrequent geluid uitgebracht door De Nederlandse Stichting Geluidshinder (NSG Kramer, 1999). Hiermee zouden klachtenbehandelaars geholpen moeten zijn om klachten over laagfrequent geluid te objectiveren. De basis voor de richtlijn is de 10%-gehoordrempel van een groep oudere personen (50 tot 60 jaar), de leeftijdscategorie waar laagfrequent geluid veelal aan de orde is. Bij deze 10%-gehoordrempel hoort 10% van de proefpersonen in die leeftijdscategorie het laagfrequent geluid, 90% van de mensen niet. Bij overschrijding van deze gehoordrempel, wordt ervan uitgegaan, dat het geluid hoorbaar is en kan er sprake zijn van hinder door dit geluid.

▪

Vercammen-curve Deze curve geeft een pragmatische aanpak ten aanzien van laagfrequent geluid. Hierbij gelden grenswaarden, waarbij 3% tot 10% van de proefpersonen hinder ondervindt van laagfrequent geluid in het frequentiegebied 4-160 Hz. Onder de 20 Hz is deze methode relatief streng, 86 dB(G). Dit is gebaseerd op de gemiddelde gehoordrempel uit ISO 226 (96 dB) vermindert met 10 dB. Tussen de 20 en 160 Hz sluit de eis per tertzband aan bij de A-wegingscurve in combinatie met de na te streven ééngetalwaarde, bijvoorbeeld 20 of 25 dB(A). In de meeste gevallen dat niet meer wordt geklaagd is er sprake van geluidniveaus onder 20 dB(A). Deze hanteert het Nieman/GeluidBuro dan ook.

3.2

Geluid in overige ruimten

Vele wettelijke eisen in gebouwen zijn enkel en alleen van toepassing in verblijfsruimten/gebieden. Door aanvullende eisen te stellen aan overige ruimten binnen de woning EN in algemene ruimten in het gebouw zelf, wordt voorkomen dat bewoners buiten de verblijfsruimten reeds getriggerd worden op het betreffende typisch en hinderlijke installatiegeluid. Dit maakt het ook mogelijk om binnen de woning de (slaapkamer)deuren geopend te houden zonder dat er hinder optreedt van installatiegeluid op de hal. 3.3

Geluid naar de omgeving (perceelsgrens, gevels/balkons)

Ter beperking van de geluidoverlast door technische installaties naar de (woon)omgeving zijn navolgende eisen van toepassing •

Bouwbesluit 2012, zie paragraaf 3.3.1;

•

Activiteitenbesluit Milieubeheer, paragraaf 3.1.3.

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 7 / 20

3.3.1

Bouwbesluit 2012

Het maximaal toelaatbaar installatiegeluidniveau bedraagt 40 dB(A) ter plaatse van: •

de perceelsgrens van een aangrenzend perceel (grondgebonden woningen of woningen/woongebouwen naast een appartementengebouw); Bouwbesluit artikel 3.8 lid 2

•

te openen raam of deur op het eigen perceel toegestaan (appartementen); Bouwbesluit artikel 3.9 lid 3.

Deze eis geldt niet voor de geluiduitstraling van de eigen installatie ter plaatse van de eigen woning/ eigen perceelsgrens. Bij een collectieve installatie geldt de eis dus wel. De beoordeling vindt plaats conform de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai en Bijlage VIII - behorende bij artikel 3.11, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 met bijvoorbeeld navolgende aandachtpunten:. •

bij de maatgevende bedrijfstoestand, waarbij de warmtepomp op maximaal vermogen draait, middeling over de tijd (bedrijfsduurcorrectie) is niet toegestaan;

•

indien tonaal geluid aan de orde is, dan moet een straftoeslag) toegepast worden vanwege de hinderlijkheid. Dat betekent dat het invallende geluidniveau maximaal 35 dB(A) mag bedragen.

•

de eis geldt per installatie. Wanneer meerdere woningen een warmtepomp hebben hoeft dit formeel dus niet te worden gecumuleerd.

•

wanneer de installatie een zogenaamde stille modus heeft voor avond en nacht (19.00h tot 07.00h), mag in de dagperiode (7.00h tot 19.00h) het installatiegeluid maximaal 45 dB(A) zijn;

•

wanneer op de erfgrens een schutting geplaatst is, mag het installatiegeluid (gemeten op 0,5m bovenkant schutting) van een installatie geplaatst op maaiveld 45 dB(A) bedragen, mits ter plaatse van te openen ramen/deuren van de buurwoning wel aan de 40 dB(A) (bij silent-mode in dagperiode 45 dB(A)) voldaan wordt

•

bij metingen op korte afstand tot ramen/te openen deuren geldt een correct van -5 dB op de gemeten waarden vanwege de reflectie tegen de achterliggende constructie. Deze correctie geldt niet bij een raam of deur die grenst aan een buitenruimte.

3.3.2

Activiteitenbesluit Milieubeheer

In het Activiteitenbesluit Milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor het maximaal toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal toegestane geluidsniveau (LA,MAX) ter plaatse van geluidgevoelige functies zoals woningen en scholen. Deze grenswaarden zijn weergegeven in tabel 2.

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 8 / 20

Tabel 2: Grenswaarden geluid Activiteitenbesluit 7:00 – 19:00 u

19:00-23:00 u

23:00-07:00 u

LA;r,LT op de gevel van de woning

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LA,MAX op de gevel van woningen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

Periode:

Beoordeling vind plaats conform de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999 (HMRI-1999), waarbij tevens rekening gehouden moet worden met bijzondere kenmerken in het geluid, die vanwege hun karakter als extra hinderlijk worden beschouwd. Voor tonaal geluid geldt een toeslag (+5 dB(A)) wanneer het bijzondere karakter duidelijk hoorbaar is op het beoordelingspunt. Verhoogde comfort-waarden balkons/ terrassen woningen Formeel is onder het Activiteitenbesluit Milieubeheer en Bouwbesluit er geen toetsingskader voor het geluidniveau op het gehele (diepe) terras (op dak of in de tuin) of op het gehele (diepe) balkon, de eis geldt nu ter plaatse van dichtstbijzijnde te openen ramen/deuren. Daarnaast dekt het Bouwbesluit niet het maximaal toelaatbare installatiegeluid bij te openen ramen/deuren op een perceel met woonfunctie die niet aangrenzend is. Het Activiteitenbesluit geeft hier wel eisen voor, echter een installatiegeluidniveau van 50 dB(A) in de dagperiode van aanwijsbare installaties kan hinder geven, zeker wanneer bewoners ramen/of deuren willen open zetten.

Om geluid op het gehele balkon/terras voldoende te beheersen en om bewoners de kans te geven ramen/deuren te openen, wordt geadviseerd om aanvullend op de wettelijke kaders te streven naar een geluidniveau van maximaal 40 dB(A) op de eigen en omliggende percelen met een woonfunctie (ook niet direct aangrenzend) op moment dat de installatie in werking is ter plaatse van: * het gehele balkon/ terras * te openen ramen en deuren Als beoordelingsmethodiek wordt geadviseerd de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai en Bijlage VIII - behorende bij artikel 3.11, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 van toepassing te verklaren. Dit sluit enigszins aan bij recente wetgeving (Bouwbesluit) over geluid van warmtepompen voor de woningbouw, die per 1 april 2021 in werking is getreden. Hierbij moet worden opgemerkt, dat hier het daadwerkelijk optredende immissieniveau bedoeld wordt, dus zonder rekening te houden met eventuele correcties voor de bedrijfsduur.

Hoofdstuk 4 4.1

Beschouwing installatiegeluidhinder

Centrale installatie - WKO-ruimte

Onze ervaringen leren, dat een inbouwsituatie met volledig verknoopt casco tussen opstelplaats van de grote installaties en de woningen kritisch is en sterk afhankelijk is van de (laagfrequent) geluid en trillingsprestaties van toegepaste installatie en hun opstellingswijze. De beperkende factor is daarbij veelal de beschikbare

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 9 / 20

ruimte(afmetingen). Deze ervaringen zijn gestaafd op basis van vergelijkbare praktijkcasussen waar hinder is opgetreden, waarbij het soms nog niet is gelukt het op te lossen. Zeer recent zijn twee vergelijkbare casus beschouwd van een gerenommeerd leverancier (type A). •

In de eerste referentiecasus (I) waren drie stuks warmtepompen, verwarmingsvermogen 103 kW per stuk, in een techniekruimte op de begane grond geplaatst. Het geluid in boven- en naastliggende woningen was hinderlijk waarneembaar en het relevante frequentiegebied (tot ca 500Hz). De wettelijke eisen uit het Activiteitenbesluit werden overschreden, zelfs met slechts één warmtepomp met 2 scroll-compressoren in bedrijf. Tonaal geluid bij 50Hz en 315 Hz was daarbij ook nog eens waarneembaar, evenals zweving. De techniekruimte was voorzien van een geluidsabsorberend (= niet geluidsisolerend) plafond, de wanden waren voorzien van een akoestische voorzetwand. De warmtepompen waren enkelverend opgesteld (afveerfrequentie ca 3 Hz). Het leidingwerk was met veerelementen aan het constructieve plafond gehangen.

•

In een tweede referentiecasus (II), met gelijke bouwkundige opbouw als hierboven, was er ca 600 kW vermogen verdeeld over 3 warmtepompen (ieder voorzien van 4 compressoren) geïnstalleerd in de techniekruimte. De warmtepompen stonden slap-verend opgesteld en al het leidingwerk was gehangen aan portalen, die op hun beurt met trillingsisolerende matjes op de vloer afsteunen. Ook hier was ook tonaal zweverig geluid bij 50Hz in bovenliggende woning duidelijk hoorbaar.

Kijkend naar die opstellingen bij de referentiesituaties dan viel op dat uit oogpunt van geluid- en trillingsbeheersing niet de laatste stand der techniek lijkt te zijn toegepast. •

de compressoren staan intern (in de behuizing) wel verend opgesteld op rubberen trillingsisolatoren, maar deze isolatoren steunen af op een slap plaatveld. Dit plaatveld is mogelijk onvoldoende impedant (=weerstand tegen trillingen), waardoor de werking van de trillingsisolatoren nadelig beïnvloed kan worden;

•

het leidingwerk is intern star gekoppeld aan de warmtewisselaar die op zijn beurt ook star aan de bodemplaat bevestigd is

•

het plaatveld van de behuizing was dun en slap, het ontbrak aan enige absorptie en/ of isolatie/ontdreuningsmatten waardoor deze fors geluid afstraalde in de techniekruimte;

Het bovenstaande heeft tot gevolg, dat verhoogde trillingsniveaus ter plaatse van de opstelpunten van de installatie + aangesloten leidingwerk én (laagfrequent tonaal) geluidsafstraling van de behuizing (inclusief bodemplaat) in de techniekruimte ontstaan, waardoor alle getroffen voorzieningen onvoldoende zijn.. De hierboven omschreven “gebreken” zijn weer sterk merk en type-specifiek. Een ander merk en type installatie (“type B”) , ook voorzien van scroll-compressoren, maar dan geplaatst in skids met geluidisolerende behuizing heeft wel menige geluid- en trillingsarme voorziening “onder de motorkap” zitten. Waarneming/ metingen in woningen met dit type B in direct onder of naastgelegen techniekruimte zijn niet voor handen,

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 10 / 20

wel gemeten zijn geluid- en trillingsniveaus in de techniekruimte. Deze vallen bij sommige relevante tonen lager uit Het risico op installatiegeluidhinder wordt geminimaliseerd, wanneer de techniekruimte als los gebouw volledig gedilateerd wordt van de overige gebouwconstructie. Van één energieleverancier is bekend dat deze oplossingsrichting vereist wordt. Het staat echter in contrast met de huidige bouwpraktijk waarbij de techniekruimte en bouwkundige constructie van de woningen veelal aan elkaar verknoopt zitten. Diverse installateurs en installatie-adviseurs geven aan “nooit” klachten te hebben ontvangen op dit aspect. Oplevermetingen in klachten-vrije situaties zijn veelal niet uitgevoerd uit oogpunt van kosten. Het wil niet zeggen, dat deze situatie voldoen aan de eisen en/of er geen hinder optreedt. Echter navraag doen hierover gebeurt niet, men maakt immers anders “slapende honden wakker”. 4.2

Dakopstelling

Het massieve betonnen dak is een goed vertrekpunt voor geluid- en trillingsbeheersing van op het dak geplaatste installaties. Condensors en drycoolers (alleen ventilatoren, dus zonder compressor) kunnen veelal slapverend opgesteld worden. Indien een LWWP (dus met compressor) toegepast wordt is dubbelverende opstelling, dus met tussenvoegen van een betonplaat noodzakelijk. De massa van een dergelijke betonplaat is veelal ordegrootte gelijk aan de massa van de installatie. De thermische isolatie op een dak is geen goede basis voor effectieve trillingsisolatie, poeren verbeteren dit aanzienlijk. Het geluidvermogen van condensors/drycoolers is veelal “eenvoudig” te beheersen door toepassing van meer ventilatoren op een lager toerental. Door deze units flink over te dimensioneren en laagtoerig te laten draaien kan zomaar een geluidscherm in kader van geluid naar de woonomgeving achterwege gelaten worden. 4.3 4.3.1

Binnen woningen Meterkast installatie

Installaties gehangen aan de achterwand van de meterkast met daarachter een slaapkamer kunnen een bron van hinder zijn. Praktijkervaring van een breed scala van dergelijke systemen ontbreekt ons echter. Ingeschat wordt dat met name constructiegeluidafstraling een risico is wanneer de installatie voorzien is van circulatiepompen en/of compressoren. Meterkastwanden opgetrokken uit 100mm KZ-steen hebben daarbij de voorkeur boven Ytong of metalstudwanden, omdat deze meer aansluiten bij oude richtlijnen die aangeven dat montagewanden minimaal 200 kg/m2 moet bevatten. Vanuit de ventilatiewereld zijn ons leveranciers bekend die op basis van detailmetingen unit kunnen plaatsen op lichtere wanden, vanuit de warmtepompwereld nog niet.

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 11 / 20

4.3.2

Installaties in berging/wasmachine opstelplaats

Er zijn projecten bekend waar geen hinder ervaren wordt en voldaan wordt aan wettelijke eisen. Echter ervaring is ook, dat niet uitgesloten is dat laagfrequent installatiegeluid (door in werking zijnde compressor of circulatie-pompje in aangrenzende verblijfsruimten hinderlijk wordt waargenomen als gevolg van •

Luchtgeluid: de grotere plaatvelden van dergelijke systemen kunnen als gevolg van intern onvoldoende isolerend opgestelde installatieonderdelen als een soort speaker laagfrequente geluid afstralen. De lichte binnenwanden, zowel 100mm Ytong als de metalsstudwanden met enkele beplating aan weerzijden hebben daarbij onvoldoende isolatie;

•

4.3.3

Constructiegeluid, zowel via de opstelpunten als overdracht via de leidingen, gebeugeld aan de lichte wanden.

Schachten

Geluidhinder als gevolg van het hoofdstracé met koel – wan warmwaterleidingen in de meterkasten wordt veelal voorkomen door het hoofdtracé te monteren aan de massieve betonnen wanden met beugels voorzien van rubberen inlage. Wanneer de schacht opgebouwd is uit alleen lichte binnenwandsystemen, dan wordt veelal een separaat frame in de schacht gemonteerd tegen de massieve vloervelden aan. De koel- en warmwaterleidingen worden dan op dit frame gemonteerd.

Hoofdstuk 5 5.1

Pragmatisch advies

Centrale installatie - WKO-ruimte

Om de keuzevrijheid in toe te passen installatie zo groot mogelijk te houden is alles overwegende het pragmatische primaire advies de techniekruimte in zijn geheel te dilateren van de constructie van het woongebouw doorgevoerd in het project. Een enkelverende opstelling van de installaties, zonder geluidisolerende omkasting met in de aangesloten leidingen lage druk compensatoren opgenomen zal in deze dan veelal voldoende zijn.

De ventilatie van de techniekruimte moet uitgevoerd worden met een geluidgedempt rooster, ronde geluiddemper of rechthoekige coulissendemper met resonantie en absorptiepanelen. Daadwerkelijke specificaties te bepalen op basis spectrale gegevens en geldende geluideisen.

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 12 / 20

5.2

Dakopstelling

5.2.1

Condensors/drycoolers

Een condensor/drycooler (alleen ventilatoren) op het dak van woningen moet slap verend opgesteld worden, te bereiken afveerfrequentie f0 een factor 3 lager dan laagste toerental. Omvang van de installatie moet afgestemd worden met de extra comforteisen die gelden op de gevel en/of balkons van de woningen en luchtgeluiddoorstraling naar onderliggende verblijfsruimten. Een grotere unit met meer ventilatoren op een lager toerental is rustiger dan een compacte unit met beperkte ventilatoren. Alternatief is het plaatsen van een geluidscherm rondom de installatie. 5.2.2

Lucht-water warmtepompen

Een grote lucht- water warmtepomp moet dubbelverend opgesteld worden. Te bereiken afveerfrequentie f0 onder de betonplaat is veelal <3Hz. De warmtepomp / koelmachine moet op zijn beurt verend opgesteld worden op deze betonplaat, veelal volstaat een afveerfrequentie f0 7-8Hz, te bereiken met standaard meegeleverde isolatoren. Het leidingwerk moet aangesloten worden met compensatoren en/of flexibele slangen. Voor luchtgeluidoverdracht naar (schuin) ondergelegen verblijfsruimten en richting woonomgeving zal een geluidscherm noodzakelijk zijn, ook wanneer er gekozen wordt voor een super silent versie warmtepomp. Alternatief is het plaatsen in een geluidisolerende omkasting, waarbij extra weerstand in de luchtstroming door daarin geplaatste geluiddempers er voor zorgt dat de omkasting overmaats wordt. 5.2.3

Algemeen

Voorwaarde voor effectieve trillingsisolatie is een voldoende stijf frame, maar ook voldoende impedante (=weerstand tegen trillingen) ondergrond. Voor dit laatste is het thermische isolatiepakket een risico. Het advies is de trillingsisolatoren op te stellen op betonnen poeren afmetingen circa 30 x 30 cm en een dikte hoger dan de thermische dakisolatie, waarbij de poeren rondom ook geïsoleerd worden gelijk als het dakvlak. De dakbedekking moet over de poeren heen geleid worden. De poten van het frame kunnen zo met RVS schroeven hierop vast gezet worden, waarbij het boorgat met plug vol gekit moet zijn in kader van waterlekkage. 5.3

Binnen woningen

Primair advies is GEEN leidingen en appendages aan lichte binnenwanden en lichte schachtwanden te monteren. Opstelling op een frame op de vloer, frame geklemd tussen de constructieve vloerdelen of montage aan de massieve woningscheidende wand is noodzakelijk, waarbij de montagebeugels voorzien zijn van rubberen inlage.

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 13 / 20

Appendages met een compressor in zich moeten mogelijk slapverend opgesteld worden op de constructieve vloer. De (laagfrequent) luchtgeluiduitstraling van deze unit moet afgestemd worden op de geluidisolatie van directe scheidingswanden met verblijfsruimte.

9 juni 2022 (v2) – Gewijzigd 23 maart 2023 (v4) Nieman Raadgevende Ingenieurs B.V.

Ing. H. Neuteboom Wij gaan vertrouwelijk met uw gegevens om, geheel volgens de richtlijnen voor Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Lees onze privacyverklaring.

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 14 / 20

Bijlage 1 -

Toetsingskader vraagspecificatie

Art. 1 Inpandig Voor het installatiegeluid van de WKO-installatie in de aanpandige verblijfsruimten/ verblijfsgebieden van woningen van het eigen gebouw moet het installatiegeluid in de verblijfruimten minimaal voldoen aan de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit en Activiteitenbesluit, benoemd in artikel 1.1. Aanvullend zijn extra eisen uit oogpunt van comfort van toepassing (artikel 1.2) en worden er eisen gesteld aan niet-verblijfsruimten (artikel 1.3). Voor artikel 1.2 en 1.3 zijn daarbij specifieke meet- en beoordelingsvoorwaarden van toepassing , benoemd in artikel 1.4. 1.1 Verblijfsruimten - Wettelijk 1.1.1 Bouwbesluit De eisen met betrekking tot installatiegeluid zijn opgenomen in afdeling 3.2 van het Bouwbesluit 2012. In artikel 3.9 is de grenswaarde voor het installatiegeluid in een verblijfsgebied van een installatie op hetzelfde perceel opgenomen. Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke installatiegeluid-drukniveau (LI;A;k) mag niet hoger zijn dan 30 dB. Beoordeling vind plaats volgens de NEN5077. 1.1.2 Activiteitenbesluit Het maximaal toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal toegestane geluidsniveau (LA,MAX). Deze grenswaarden zijn weergegeven in tabel 1. Tabel 1.1: Grenswaarden geluid Activiteitenbesluit 7:00 – 19:00 u

19:00-23:00 u

23:00-07:00 u

LA;r,LT in in- of aanpandige woning

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LA,MAX in in- of aanpandige woningen

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

Periode:

Deze geluidseisen gelden voor alle voor de inrichting akoestisch relevante installaties en verrichte werkzaamheden en activiteiten. Beoordeling vind plaats conform de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999 (HMRI-1999), waarbij tevens rekening gehouden wordt moet met bijzondere kenmerken in het geluid, die vanwege hun karakter als extra hinderlijk worden beschouwd. Voor tonaal geluid geldt een toeslag (+5 dB(A)) wanneer het bijzondere karakter duidelijk hoorbaar is op het beoordelingspunt.

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 15 / 20

1.2 Verblijfsruimten Extra comfort ter reductie op kans op (laagfrequent) geluidhinder Het maximaal toelaatbare laagfrequent installatiegeluid ten gevolge van de centrale WKO installatie in de verblijfsruimte van de woningen binnen het project mag niet hoger zijn dan onderstaande tabel. Periode: LFG-eisen in dB LFG-eisen in dB(A)

4

5

6,3

8

10

12,5

16

20

25

31,5

40

50

63

80

100

125

160

200

102

98

94

90

86

82

77

70

62

55

46

39

33

27

22

36

33

31

1

5

9

12

16

19

20

20

17

16

11

9

7

4

3

20

20

20

Deze waarden zijn afgeleid uit de Vercammen (20 dB(A)), de NSG richtlijnen voor laagfrequent geluid en DIN bij nacht. Het maximaal toelaatbare installatiegeluid ten gevolge van de installatie binnen de eigen woning bedraagt LI;AA 25 dB(A). Bij tonaal geluid geldt daarbij een toeslag van +5 dB op het gemeten niveau alvorens te toetsen. 1.3 Overige ruimten In overige ruimten zijn geen wettelijke eisen voor het installatiegeluid van de centrale WKO-installatie en het installatie-gedeelte in de woning. Navolgende eisen zijn van toepassing in de overige ruimten. ▪

Halletje woning:

LAeq maximaal 35 dB(A)

▪

WC/badkamer woning -

LAeq maximaal 35 dB(A)

▪

Centrale verkeersruimte/trappenhuis woongebouw

LAeq maximaal 40 dB(A)

▪

Verkeersruimte/fietsenstalling parkeerlaag

LAeq maximaal 50 dB(A)

▪

Parkeergarage

LAeq maximaal 55 dB(A)

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 16 / 20

1.4 – Aanvullende meetcondities/voorwaarden De navolgende aanvullende eisen / voorwaarden zijn van toepassing op de in artikel 1.2 en 1.3 benoemde eisen: ▪

De eisen betreffen het gemiddelde geluidniveau over minimaal 1 minuut bij iedere bedrijfsstand/stap. Wanneer fluctuerend stoorgeluid de meting beïnvloed, mag de installatiegeluidbijdrage bepaald wordt op basis van statistische analyse;

▪

De eisen gelden op iedere positie in de verblijfsruimte alwaar de gehinderde realistisch in rust moet kunnen verblijven: ter plaatse van bank, bed, stoel en/of eettafel, dus ook in de nabijheid van wanden en schachten etc;

▪

De eisen in niet verblijfsruimten gelden in kale niet ingerichte ruimte.

▪

beoordeling van tonaal geluid kan op basis van gehoor van twee onafhankelijke geluiddeskundigen en/of meetkundig op basis van de ISO/DIS 1996-2 – annex C “Objective method for assessing the audibility of tones in noise – engineering method. Annex D “the survey methode is ook toegestaan met navolgende dB verschillen tussen de terzband met toon en omliggende tertzbanden:

▪

•

<160 Hz :

15 dB

•

160 – 400 Hz

8 dB

•

>400 Hz:

5 dB

Wanneer het (tonale) installatiegeluid van de WKO-installatie in de woning wordt gemaskeerd door aanwezig installatiegeluid van overige installaties, bijvoorbeeld de WTW-installatie, of omgevingsgeluid, moet zeker gesteld worden, dat het maskerende geluid ook ten aller tijden aanwezig is. Met de huidige CO2 sturing op de ventilatie bijvoorbeeld is dit niet standaard.

Art. 2 - Omgeving 2.1 Wettelijk 2.1.1 Bouwbesluit 2012 Het maximaal toelaatbaar installatiegeluidniveau bedraagt 40 dB(A) ter plaatse van: •

de perceelsgrens van een aangrenzend perceel (grondgebonden woningen of woningen/woongebouwen naast een appartementengebouw); Bouwbesluit artikel 3.8 lid 2

•

te openen raam of deur op het eigen perceel toegestaan (appartementen); Bouwbesluit artikel 3.9 lid 3..

Deze eis geldt niet voor de geluiduitstraling van de eigen installatie ter plaatse van de eigen woning/ eigen perceelsgrens. Bij een collectieve installatie geldt de eis dus wel. De beoordeling vindt plaats conform de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai en Bijlage VIII - behorende bij artikel 3.11, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 met bijvoorbeeld navolgende aandachtpunten: 20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 17 / 20

•

bij de maatgevende bedrijfstoestand, waarbij de warmtepomp op maximaal vermogen draait, middeling over de tijd (bedrijfsduurcorrectie) is niet toegestaan;

•

indien tonaal geluid aan de orde is, dan moet een straftoeslag) toegepast worden vanwege de hinderlijkheid. Dat betekent dat het invallende geluidniveau maximaal 35 dB(A) mag bedragen;

•

de eis geldt per installatie. Wanneer meerdere woningen een warmtepomp hebben hoeft dit formeel dus niet te worden gecumuleerd;

•

wanneer de installatie een zogenaamde stille modus heeft voor avond en nacht (19.00h tot 07.00h), mag in de dagperiode (7.00h tot 19.00h) het installatiegeluid maximaal 45 dB(A) zijn;

•

wanneer op de erfgrens een schutting geplaatst is, mag het installatiegeluid (gemeten op 0,5m bovenkant schutting) van een installatie geplaatst op maaiveld 45 dB(A) bedragen, mits ter plaatse van te openen ramen/deuren van de buurwoning wel aan de 40 dB(A) (bij silent-mode in dagperiode 45 dB(A)) voldaan wordt;

•

bij metingen op korte afstand tot ramen/te openen deuren geldt een correct van -5 dB op de gemeten waarden vanwege de reflectie tegen de achterliggende constructie. Deze correctie geldt niet bij een raam of deur die grenst aan een buitenruimte. 2.1.2 Activiteitenbesluit Milieubeheer

Het maximaal toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal toegestane geluidsniveau (LA,MAX) ter plaatse van geluidgevoelige functies zoals woningen en scholen zijn weergegeven in tabel 2. Tabel 2: Grenswaarden geluid Activiteitenbesluit 7:00 – 19:00 u

19:00-23:00 u

23:00-07:00 u

LA;r,LT op de gevel van de woning

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LA,MAX op de gevel van woningen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

Periode:

Deze geluidseisen gelden voor alle voor de inrichting akoestisch relevante installaties en verrichte werkzaamheden en activiteiten. Beoordeling vind plaats conform de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999 (HMRI-1999), waarbij tevens rekening gehouden wordt moet met bijzondere kenmerken in het geluid, die vanwege hun karakter als extra hinderlijk worden beschouwd. Voor tonaal geluid geldt een toeslag (+5 dB(A)) wanneer het bijzondere karakter duidelijk hoorbaar is op het beoordelingspunt. 2.2 Extra comfort ter reductie op kans op (laagfrequent) geluidhinder Het immissieniveau (LAeq) van iedere bedrijfsstand van in werking zijnde afzonderlijke installatie mag ongeacht de etmaalperiode maximaal 40 dB(A) bedragen ter plaatse van iedere gevel met te openen ramen (verblijfsruimten) en/of ter plaatse van het gehele buitenterras/balkons. Dit geldt voor het eigen perceel als ook bestaande omliggende percelen, waaronder niet direct aangrenzende percelen met een woonfunctie. Indien er sprake is van tonaal geluid, dan geldt een toeslag van +5 dB. 20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 18 / 20

Met opmerkingen [HN1]: Narigheid uit bouwbesluit… als tussen de percelen een weg of brandgang verloopt is perceel vd overbuurman niet meer een aangrenzend perceel

Beoordeling van tonaal geluid kan op basis van gehoor van twee onafhankelijke geluiddeskundigen en/of meetkundig op basis van de ISO/DIS 1996-2 – annex C “Objective method for assessing the audibility of tones in noise – engineering method. Annex D “the survey methode is ook toegestaan met navolgende dB verschillen tussen de terzband met toon en omliggende tertzbanden: •

<160 Hz :

15 dB

•

160 – 400 Hz

8 dB

•

>400 Hz:

5 dB

Als beoordelingsmethodiek is de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai en Bijlage VIII - behorende bij artikel 3.11, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 van toepassing. Wanneer het (tonale) installatiegeluid van de WKO-installatie op de gevel van woningen wordt gemaskeerd door aanwezig achtergrond geluid vanuit de omgeving, dan moet aangetoond worden, dat het maskerende geluid ook ten aller tijden aanwezig is.

Art. 3 Bewijsvoering 3.1 Ontwerp/aanbesteding De aanbiedende en verantwoordelijke partij dient tijdens de aanbesteding bewijsvoering te overleggen, dat er voldoende beheersingsmaatregelen getroffen worden om in de nu beoogde bouwkundige situatie te voldoen aan het maximaal toelaatbaar installatiegeluid, zowel wettelijk als vereist verhoogd comfortniveau. Hierbij moet rekening gehouden worden met de deelbijdrage van luchtgeluid- en constructiegeluidsoverdracht via de bouwkundige constructie en geluiduitstraling naar de omgeving. Deze bewijsvoering kan rekenkundig zijn, maar ook bestaan uit bijvoorbeeld certificaten/meetrapporten van gerealiseerde projecten. Dergelijke meetrapporten moeten naast inzicht in de gerealiseerde ééngetalswaarde zeker ook gemeten spectrale geluidniveaus, ook in het laagfrequente gebied, bevatten. Naast de prestaties is ook een volledige omschrijving van de bouwkundige constructie van betreffende meting noodzakelijk. Uitgangspunt voor de aanbesteding is de opbouw en details van de bouwkundige constructie alsmede plattegronden/ indeling van het gebouw ten tijden van de uitvraag. Aanvulling hierop is de volledig gedilateerde WKO-ruimte als geschetst in deze rapportage. Eventuele noodzakelijke aanpassingen dienen tijdens aanbestedingsfase kenbaar gemaakt te worden, inclusief opgave van meer/minder kosten.

Dit geldt zowel voor de centrale installaties in de WKO-ruimte, op het dak als ook de afleversets/ warmtepompen in de woning en leidingen in de schacht. De voorgestelde opstelling en montagewijze moet ter goedkeuring voorgelegd worden aan de geluids- en trillingsspecialist van de opdrachtgever.

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 19 / 20

5.4

Oplevering

Nog vóór definitieve oplevering moeten door de aanbiedende partijen op basis van oplevermetingen aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de gestelde eisen. Deze oplevermetingen moeten door een onafhankelijk deskundige uitgevoerd worden, waarbij de aanwezigheid van (adviseur van) de opdrachtgever mogelijk gemaakt wordt. Wanneer niet voldaan wordt dient de aanbiedende partij onderzoek uit te voeren en maatregelen dimensioneren te einde wel te voldoen. Alle kosten van de deze oplevermetingen, aanvullende maatregelen maar ook voor iedere vervolgmeting zijn voor Het Energiebedrijf

20210987.002 / 26869v4 | 23 maart 2023

Blad 20 / 20

20210987.002 / 26869v3 | 10 februari 2023

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14508170/1