CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS319815 Bijlage 0 Voorstel ruimtelijke onderbouwing 30 augustus 2024

Commissie Ruimte 18 september 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken23.916 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

#61118275v1

Wanneer beoogde ruimtelijke ontwikkelingen een overschrijding van het groepsrisico tot gevolg kunnen hebben, wordt het gemeentebestuur in een vroeg stadium actief bij het proces betrokken. Er is een expliciet collegebesluit ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico waarbij de kosteneffectiviteit van maatregelen in beschouwing wordt genomen. Onderzoek en conclusie Uit de gegevens die beschikbaar zijn via de provinciale risicokaart blijkt dat binnen het projectgebied en in de omgeving daarvan geen bedrijven zijn gelegen die vanuit het oogpunt van externe veiligheid relevant zijn. Er vindt binnen het projectgebied of de omgeving daarvan geen vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor plaats. Ook zijn er binnen het projectgebied of in de directe omgeving geen buisleidingen gelegen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het toestaan van de afwijking van het bestemmingsplan. Aangezien het projectgebied niet binnen het invloedsgebied van enig risicobron ligt, is een nadere verantwoording van het groepsrisico niet vereist. Toetsing aan het gemeentelijk beleid kan daarom eveneens achterwege blijven.

4.4 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten, waarbij in artikel 1.2 lid 1 van het Besluit geluidhinder de geluidgevoelige gebouwen worden benoemd. De Wgh onderscheidt drie verschillende geluidsbronnen: industrie, spoorwegverkeer en wegverkeer: Wegverkeer- en spoorweglawaai Op grond van de Wet geluidhinder hebben wegen en spoorwegen een geluidszone, waarbinnen bepaalde normen gelden voor de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, en waarbinnen bij het opstellen van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Die verplichting geldt niet indien op het tijdstip van de vaststelling van een bestemmingsplan de (spoor)weg reeds aanwezig of in aanleg is, met betrekking tot de daarbij in het plan of in de zone van de betreffende weg opgenomen geluidsgevoelige gebouwen die op dat tijdstip reeds aanwezig of in aanbouw zijn.

#61118275v1

Daarnaast maakt de wet een uitzondering voor wegen waar de maximaal toegelaten snelheid 30 km/uur is. Deze wegen hoeven niet in het onderzoek te worden betrokken. De Wet geluidhinder kent een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai. Voor nieuwe situaties kunnen hogere waarden worden vastgesteld. Deze bedraagt voor wegverkeerslawaai maximaal 63 dB. Een uitzondering wordt gemaakt als het gaat om vervangende nieuwbouw langs wegen. De gevelbelasting mag dan maximaal 68 dB bedragen. De wet bepaalt hierbij dat de vervanging niet zal leiden tot: 

een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige structuur of functie;

een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen.

In het projectgebied of in de directe omgeving zijn geen spoorwegen aanwezig. Met lawaai van railverkeer hoeft geen rekening te worden gehouden. Reconstructie van wegen Binnen het projectgebied zullen de komende jaren naar verwachting geen straten ingrijpend gereconstrueerd worden. Industrielawaai In en rond het projectgebied zijn geen industrieterreinen aanwezig waarop aangewezen inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd. Procedure hogere waarden Wanneer de voorkeursgrenswaarden worden overschreden, is parallel aan de ruimtelijke procedure een procedure ontheffing hogere waarden ingevolge de Wet geluidhinder noodzakelijk. De hogere waarde procedure moet zijn afgerond alvorens het ruimtelijk besluit wordt verleend. Uit onderzoek is gebleken, dat in het projectgebied geen locaties zijn, waar mogelijk nieuwbouw in geluidsbelaste situaties voorkomen (zie het rapport van Antea Group, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, 16 november 2021 – bijlage 5). Uit de Notitie installatiegeluidbeheersing WKO installatie d.d. 23 maart 2023 blijkt dat de beoogde installatie ook niet tot hinder zal leiden (bijlage 6).

#61118275v1

4.5 Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). De luchtkwaliteit in een bepaald gebied wordt bepaald door de achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10, deeltjes <10 µm) en stikstofdioxide (NO2) plus de bijdragen van lokale bronnen die bij de achtergrondconcentratie opgeteld worden. Bij de besluitvorming over bouw- en bestemmingsplannen dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit: in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is aangeven dat een bestuursorgaan bevoegdheden kan uitoefenen of wettelijke voorschriften kan toepassen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de uitoefening of toepassing niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In concentraties uitgedrukt betekent dit een verslechtering van 1,2 µg/m3 voor beide stoffen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009, de datum waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht werd.

De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen. Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het project maakt de volgende ontwikkelingen mogelijk: Binnen het stratenpatroon wordt de strokenverkaveling getransformeerd naar half open bouwblokken. Uitgangspunt is het organiseren van de diverse woningtypes en bijbehorende functies in orthogonale of haakvormingen gebouwen rondom een groene collectieve binnentuin: de ontmoetingsplaats voor de blokgemeenschap en een veilige speelplek voor kleine kinderen. Onder de binnentuin liggen de parkeerplaatsen en gezamenlijke fietsenstaling. Deze bouwblokken vormen de ruimtelijke eenheid in de buurt. De voorgenomen ontwikkeling zal leiden tot een beperkte wijziging van de verkeersintensiteiten op de omliggende wegen (zie paragraaf 4.2) en daarmee tot wijzigingen in de concentraties luchtverontreinigende stoffen.

#61118275v1

De belangrijkste wet- en regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit betreft de Wet milieubeheer (Wm). Hierin zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd voor verschillende luchtverontreinigende stoffen, waarvan stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) de belangrijkste zijn. De wettelijke grenswaarden zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen. Onder de Wm valt de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). In deze regeling zijn activiteiten opgenomen die per definitie 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een woningbouwontwikkeling van minder dan 1.500 woningen of de ontwikkeling van kantoorruimte met een bruto vloeroppervlak van minder dan 100.000 m2. Deze ontwikkelingen hoeven niet nader onderzocht te worden op een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit en hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 220 woningen. Daarmee valt de ontwikkeling binnen de regeling NIMB en is geen toetsing aan de grenswaarden van luchtkwaliteit nodig, omdat er geen significante verandering in de achtergrondconcentraties wordt verwacht. De Wereldgezondheidsorganisatie (of WHO) adviseert strengere normen dan de Europese Unie.

De maximale normen voor fijnstof volgens de Wereldgezondheidsorganisatie bedragen 20 ìg/m³ voor PM10 en 10 ìg/m³ voor PM2,5. Aan deze normen wordt ter plaatse van het projectgebied in 2030 voldaan. De verwachte oplevering van het bouwplan zal medio 2025 plaatsvinden waarbij de fijnstofconcentraties al richting de adviesnormen van de Wereldgezondheidsorganisatie verschuiven. Met betrekking tot fijnstof PM10 blijkt uit dit rapport dat de ontwikkeling ten gevolge van het bestemmingsplan (en daarmee ook ten aanzien van het onderdeel Steenzicht) ten opzichte van de autonome ontwikkeling op alle plaatsten in het gebied een niet in betekenende mate invloed op de luchtkwaliteit heeft. De bijdrage is kleiner of gelijk aan [1,2] µg/m3. Een toetsing aan de grenswaarde kan daarom achterwege blijven. Met betrekking tot stikstofdioxide NO2 blijkt dat de ontwikkeling een niet in betekenende mate invloed heeft op de concentratie. De bijdrage is overal kleiner [1,2] µg/m3. De ontwikkelingen die de aangevraagde omgevingsvergunning mogelijk maakt, dragen niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

#61118275v1

De luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer (zie ook bijlage 2 van de Wet Milieubeheer) vormen geen beletsel voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling de toenames in stikstofdioxide en fijn stof zeer beperkt zijn en in 2030 voldoen aan de WHO normen. Er zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit

4.6 Natuurbescherming 4.6 Groene waarden De wet- en regelgeving voor de groene waarden betreft de Wet natuurbescherming, de Wet milieubeheer, de Gemeentewet en de Wet ruimtelijke ordening. De bescherming van de groene waarden kent in de wet- en regelgeving verschillende invalshoeken: gebiedsbescherming, soortenbescherming, bomenbescherming areaalbescherming en netwerkbescherming. Op elk van deze aspecten wordt hierna ingegaan.

4.6.1 Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de gebiedsbescherming van bijzondere natuurgebieden, de zogenoemde Natura 2000-gebieden, overgenomen uit de Natuurbeschermingswet 1998. Hieraan voorafgaand is in januari 2006 de formele aanwijzingsprocedure van Natura 2000-gebieden gestart. Na deze aanwijzing is de gebiedsbescherming uit de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 en sinds 1 januari 2017 in de Wet natuurbescherming. Daarmee vervalt de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn in Nederland. In Den Haag dient rekening te worden gehouden met de Natura2000-gebieden: Meijendel & Berkheide (inclusief Harstenhoek, Oostduinen en Vlakte van Waalsdorp), Westduinpark & Wapendal (inclusief Bosjes van Poot) alsmede Solleveld & Kapittelduinen (inclusief landgoed Ockenburgh, Hyacintenbos, van Leydenhof en Westduinen). Dit betreft Habitatrichtlijngebieden. Er zijn geen Vogelrichtlijngebieden in de gemeente Den Haag. Indien ontwikkelingen en activiteiten in het projectgebied een significant negatief effect kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, dient een habitattoets uitgevoerd te worden. De kortste afstand tussen het projectgebied en een Natura 2000-gebied bedraagt circa 3,5 kilometer.

#61118275v1

Er is niet gebleken van enige invloed van het voorgestane project – noch ten aanzien van de aanlegfase, noch ten aanzien van de gebruiksfase – op het Natura 2000-netwerk. Er was op 16 mei 2023 al een stikstofrapport opgesteld dat was ingediend bij de aanvraag om de omgevingsvergunning voor het bouwen (van 6 juni 2023). Hiervoor had te gelden dat niet was uitgegaan van de bouwvrijstelling. Uit het rapport blijkt dat de bouw én het gebruik van het project niet leiden tot een toename van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden (Bijlage 4a). De conclusie van het rapport is dat de hoeveelheid stikstofuitstoot die vrijkomt bij de realisatie van de appartementen niet zal leiden tot een stikstofdepositie in een natuurgebied. De toekomstige uitstoot tijdens de gebruiksfase zorgt ook niet voor een toename in depositie (hetgeen al bij de voorbereiding van het bestemmingsplan vaststond). Omdat de Aerius Calculator met enige regelmaat wordt geactualiseerd, is opnieuw een stikstofrapport opgesteld en wel op 22 augustus 2024 met kenmerk 105330-HV-BER-ST-DB007 (Bijlage 4b). Daar is tevens een uitvoeringsplanning bij gevoegd waaruit blijkt wanneer de stikstofrelevante activiteiten zullen plaatsvinden. In het rapport wordt bevestigd dat er geen significante negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000gebieden.

Hierbij is het bovendien van belang dat voor het jaar 2025 wordt uitgegaan van zowel bouwactiviteiten (aanlegfase) als ingebruikname (gebruiksfase). Dat heeft geresulteerd in een nadere analyse die opnieuw laat zien dat significante negatieve effecten uitgesloten kunnen worden. Uit de berekende resultaten blijkt aldus herhaaldelijk dat er geen significante negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden.

4.6.2 Natuurnetwerk Nederland Om de nationale ruimtelijke beleid te borgen in ruimtelijke besluiten is op grond van de Wet ruimtelijke ordening door het Rijk het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (BARRO) vastgesteld. Daarin wordt de mogelijkheid geboden om stelsels van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang aan te wijzen dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten - het natuurnetwerk Nederland. Deze gebieden moeten bij provinciale verordening worden aangewezen en hun ligging geometrisch vastgelegd. Ook de Wnb kent een gelijke bepaling voor dit netwerk. In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is dit gedaan.

#61118275v1

Het projectgebied is op geruime afstand van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland gelegen, waardoor de ontwikkeling geen invloed heeft op het Natuurnetwerk Nederland.

4.6.3 Soortenbescherming Verder heeft de Wnb de bescherming van planten- en diersoorten uit de Flora- en faunawet overgenomen. De wet gaat ervan uit dat zonder uitdrukkelijke toestemming geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. Dit betekent dat het gaat om het effect van een handeling op beschermde soorten. De wet kent een drie aparte beschermingsregimes voor: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn; 3. andere soorten' die vanuit nationaal oogpunt zijn beschermd. Hierbij hebben enkele wijzigingen plaatsgevonden in de soorten die beschermd zijn. De wet legt een zorgplicht op voor alle dieren en planten in Nederland, bijvoorbeeld door eisen te stellen aan de wijze en het tijdstip van uitvoering van bouwplannen waarbij men rekening houdt met het voortplantingsseizoen en met winterverblijfplaatsen en waardoor dieren niet onnodig worden verontrust. Ook legt de wet een beschermingsplicht op voor een groot aantal met name genoemde soorten. De wet bevat verbodsbepalingen voor het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde diersoorten en het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort.

Voor de algemene beschermde soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een algemene vrijstelling, voor andere soorten die strenger zijn beschermd (vleermuizen, vogels, eekhoorns) kan onder voorwaarden een ontheffing worden aangevraagd. Het project wordt voorts niet belemmerd door de egel. De bescherming die egels toekomt op grond van de Wet natuurbescherming is namelijk geen probleem voor de uitvoering van het project. In de provincie Zuid-Holland geldt een algemene vrijstelling voor de egel, hetgeen betekent dat er geen provinciale ontheffing nodig is als er al sprake zou zijn van een mogelijke verstoring van deze beschermde soort.2 Meer specifiek heeft het volgende te gelden.

2

Artikel 3.189, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in combinatie met bijlage III, onder C1, van de Omgevingsverordening

Zuid-Holland.

#61118275v1

De provincie Zuid-Holland heeft bepaald dat de verbodsbepalingen vanwege de bescherming van egels niet gelden voor activiteiten die worden verricht in het kader van “de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied”.3 Het project ‘Steenzicht’ is een woningbouwproject en valt daarom onder de toepassing van deze vrijstelling. Ter onderbouwing van die conclusie zij verwezen naar de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2011/12, 33348, 3, p. 266 en Kamerstukken II 2017/18, 34860, 3, p. 10) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1445, rechtsoverweging 10.1). Egels kunnen dus geen belemmering zijn voor de uitvoering van dit project. In verband met de mogelijke aanwezigheid van egels in het projectgebied (waarvan niet is gebleken) heeft Ecoresult B.V. zowel in een ecologische quickscan als in het ecologisch werkprotocol d.d. 4 oktober 2022 de aanvrager gewezen op de zorgplicht ten aanzien van de egel en aanbevelingen gedaan over het invullen hiervan. Concreet wordt aanbevolen een aangetroffen egel buiten het werkterrein te plaatsen of om de egel de kans te geven om op eigen kracht het werkterrein te verlaten. De aanvrager was hiermee tijdig bekend en ook tijdens de bouw wordt hieraan gevolg gegeven.

Bij de sloop van de grondgebonden woningen is de zorgplicht voor de egel reeds in acht genomen. Dat blijkt uit het volgende. Meer specifiek is de sloop op onderstaande manier verlopen: 

De bewoners zijn gefaseerd uit de grondgebonden woningen verhuisd. De laatste bewoners zijn vertrokken rond oktober/november 2022.

De leegstaande woningen zijn dichtgetimmerd.

Rondom het complex is er een snoeisessie geweest door een hovenier om betere zichtlijnen te krijgen rondom de woningen. Verder zijn de tuinhuisjes verwijderd. Er zijn geen egels aangetroffen.

Er is een dag georganiseerd waarbij oud-bewoners en andere geïnteresseerden planten en struiken konden adopteren. Dit evenement werd ‘struikroven’ genoemd. Ook hierbij zijn geen egels gezien.

Daarna zijn eerst het interieur en vervolgens het asbest verwijderd uit de woningen.

Nadien zijn de woningen per blok gesloopt. Dit heeft ongeveer 10 tot 12 weken geduurd.

3

Dat volgt sinds 1 januari 2024 uit artikel 3.189, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in combinatie met bijlage III, onder C1,

van de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

#61118275v1

Het bouwrijp maken van het terrein is in meerdere kleine stappen uitgevoerd waarbij er geen verstoring van egels heeft kunnen plaatsvinden. Er zijn nooit egels aangetroffen. Hiermee is aldus ook het door de Afdeling geconstateerde gebrek in het bestemmingsplan “Steenzicht en Ruimzicht” weggenomen.

4.6.4 Bescherming bossen De Wnb beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Waar de grens van de bebouwde kom ligt, wordt bepaald door de gemeenteraad. Anders dan de naam doet vermoeden, gaat het hier niet om de grens van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. Aangezien de gemeente op 1 januari 2017 nog geen (nieuwe) komgrens op grond van deze wet heeft vastgesteld geldt volgens artikel 9.9 van de Wnb de komgrens zoals die door de gemeenteraad op 5 maart 1998 is vastgesteld onder de Boswet (RIS 021312). Deze gebieden vallen per 1 januari 2017 onder de werking van de Wnb. Dit betekent dat duurzame instandhouding van het bos is verzekerd en wat bos is ook bos moet blijven. Financiële tegemoetkomingen (subsidies) van Rijk en Provincie zijn mogelijk. Bescherming vindt plaats door middel van een meldings- en herplantingsplicht.

4.6.5 De Wet natuurbescherming: meld- en herplantingsplicht De Wnb kent voor de meld- en herplantingsplicht voor het vellen van houtopstanden. Houtopstanden die onder de werking van de Wet natuurbescherming vallen, mogen alleen worden gekapt als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Allereerst moet de kap van te voren worden gemeld. Voor dunningen is de meldings- en herplantingsplicht niet van toepassing. Anders dan onder de Boswet moet de kap vanaf 1 januari 2017 worden gemeld bij Gedeputeerde Staten van de provincie. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over de melding en bepalen welke gegevens moeten worden verstrekt, de termijn en de wijze waarop moet worden gemeld en over de wijze waarop moet worden herbeplant. Na de (gemelde) kap dient de eigenaar van het bos ervoor te zorgen dat drie jaar na het kappen van het bos, hetzelfde areaal bos aanwezig is in de vorm van jonge beplanting. Het herbeplanten van het perceel kan plaatsvinden door aanplant, bezaaiing, natuurlijke verjonging of op andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand. De gemeenteraad van Den Haag heeft in 2018 de bosgebieden die vallen onder het regime van de Wet natuurbescherming vastgesteld (RIS300563). Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, als bedoeld in de Wnb.

#61118275v1

Zie: Gemeenteblad 2018, 280477 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl) en de bij art. 2:82 APV behorende kaart: https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2018-74809/1/bijlage/ exb-2018-74809.pdf. Het projectgebied is in 1998 onder de werking van de Boswet geplaatst.

4.6.6 Houtopstanden Ook voor de reikwijdte van te beschermen houtopstanden sluit de Wnb grotendeels aan op de Boswet. Wederom geldt de meld- en herplantingsplicht voor houtopstanden van 10 are en groter en een bomenrij van 20 bomen. De term 'houtopstand' is gedefinieerd als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Niet voor alle houtopstanden die aan deze vereisten voldoen, geldt de meld- en herplantingsplicht. Net zoals onder de werking van de Boswet zijn bomen op erven en tuinen en een rij wilgen of populieren op of langs landbouwgronden uitgezonderd. Ook is in de Wet natuurbescherming gedacht aan de praktische problemen bij de productie van hout als biomassa. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als houtige biomassa zijn uitgezonderd van de melden herplantingsplicht indien ten minste eens per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan bepaalde beplantingseisen is voldaan. Italiaanse populieren, linden, paardenkastanjes en treurwilgen worden vanaf 1 januari 2017 -in tegenstelling tot voorheen onder de Boswet - wél beschermd.

4.6.7 Bescherming bomen In de op grond van de Gemeentewet door de gemeenteraad vastgestelde Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is de bescherming van bomen vastgelegd. Volgens de APV van Den Haag, artikel 2.80 e.v., is voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig (RIS 174540). Door deze bescherming kunnen belangen zorgvuldig worden afgewogen voordat een omgevingsvergunning wordt afgegeven dan wel geweigerd. Daarnaast is een mogelijkheid opgenomen om monumentale bomen aan te wijzen. Monumentale bomen hebben een hogere beschermingsstatus. Voor een volledig overzicht van de monumentale bomen in Den Haag is op de website van de gemeente Den Haag de meest actuele lijst en kaart terug te vinden.

#61118275v1

4.6.8 Bomenbalans in het projectgebied

Donkergroen: te handhaven bomen

Rood: te kappen bomen

Lichtgroen: te planten nieuwe bomen (compensatie voor de te kappen bomen)

Als onderdeel van de aangevraagde afwijking van het bestemmingsplan is het van belang welke bomen worden gekapt ten behoeve van het project Steenzicht en welke bomen hiervoor terugkomen.

4.7 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (hierna: Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.

#61118275v1

Overigens is per 1 januari 2024 de Omgevingswet van kracht en vervangt deze grotendeels bovengenoemde wetten en regelingen. Plannen die na deze datum worden ingediend worden onder de Omgevingswet behandeld. Dat geldt niet voor de voorliggende aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. Wet bodembescherming en de Omgevingswet De Wbb regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico’s. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico’s die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. De Omgevingswet gaat grotendeels uit van dezelfde uitgangspunten.

Voor handelingen in sterk verontreinigde grond en voor bouwen op verontreinigde grond zijn regels opgesteld. Voordat nieuwe bouwwerken in gebruik kunnen worden genomen moet vast komen te staan dat geen sprake is van sterke verontreiniging of dat de locatie voldoende is gesaneerd, waardoor geen risico’s meer aanwezig zijn voor het beoogde gebruik. Het graven in sterk verontreinigde grond, het saneren van de bodem en het toepassen van grond/baggerspecie worden gezien als milieubelastende activiteit en moeten gemeld worden. Situatie in het plangebied Het plangebied ligt in stadsdeel Escamp, wijk Bouwlust en Vrederust en is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Den Haag blijkt dat het plangebied is gelegen in zone B2.

#61118275v1

Op de locatie zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. De locatie is voldoende onderzocht. Binnen het plangebied zijn ten hoogste lichte verontreinigingen aangetoond. Op basis van milieuhygiënische aspecten is de bodem geschikt voor de functie ‘wonen met tuin’. Voor onderhavig bestemmingsplan is voldoende onderzoek uitgevoerd. Het kan zijn dat voor andere vergunningen (bijvoorbeeld een nieuwe omgevingsvergunning) en meldingen wel actualiserend bodemonderzoek wordt verlangd.

4.8 Wind en bezonning Onderdeel van de toetsing van stedenbouwkundige plannen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen worden de normen voor wind en bezonning gehanteerd (RIS 170509).

4.8.1 Wind Van windhinder is sprake als gedurende een te groot aantal uren per jaar een bepaalde windsnelheid wordt overschreden. Dit treedt op rond hoge gebouwen wanneer er sprake is verhoogde windsnelheden, die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk maken. In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder. De gemeente sluit zich wat betreft beleid ten aanzien van wind aan bij de NEN 8100. In deze norm is een beslismodel weergeven wanneer een windonderzoek mogelijk nodig kan zijn: 

gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek nodig

beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is

onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is.

De vraag of windonderzoek voor Steenzicht nodig is, is voorgelegd aan de specialist van de gemeente. In de NEN norm wordt onder '5.2 beschutting' het volgende vermeld: 

Het oppervlak dat obstakels als bomen (kruinen) en gebouwen beslaan, bedraagt 20% of meer van het totale oppervlak binnen een straal van 300 m.

het bouwwerk steekt niet meer dan 50% uit boven de gemiddelde hoogte van de obstakels binnen een straal van 300 meter.

#61118275v1

De nieuwbouw van maximaal 23 meter (één bouwblok langs de groenstrook) steekt ongeveer 11 meter boven zijn omgeving uit. Hiermee wordt voldaan aan het tweede punt en kan gesteld worden dat de nieuwbouw beschut ligt. Dit gegeven samen met het feit dat de nieuwbouw op voldoende afstand van de kust ligt, maakt dat de gemeentelijke specialist stelt dat windonderzoek niet noodzakelijk is.

4.8.2 Bezonning De realisatie bouwwerken kunnen gevolgen hebben voor de schaduwwerking in de omgeving. Binnen Nederland worden er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen of andere bouwwerken. Gemeenten zijn dus vrij om hun eigen eisen te stellen aan de bezonning. Gemeente Den Haag sluit grotendeels aan op de 'lichte TNO-norm'. De Haagse bezonningsnorm gaat er vanuit dat de ondergrens op twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober, uitgaande van een zonhoogte van eer dan 10 graden, moet liggen. In afwijking van de lichte TNO-norm is in de Haagse norm de bezonning op gevels maatgevend, onafhankelijk van de plaats van de ramen. De Haagse bezonningsnorm is van toepassing op de omgeving van de te realiseren nieuwbouw en geldt voor bouwwerken vanaf een hoogte van 25 meter of indien de nieuwbouw ten minste 1,5 maal hoger is dan de gemiddelde hoogte van de omgeving. De realiseren nieuwbouw is weliswaar met maximaal 23 meter lager dan 25 meter, maar omwille van een goede ruimtelijke ordening is toch onderzoek uitgevoerd. Voor de te realiseren nieuwbouw Steenzicht is door Peutz een onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 5 Bezonningsonderzoek aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Dit onderzoek toont aan dat aan de Haagse bezonningsnormen wordt voldaan.

Hoofdstuk 5 Projectbeschrijving 5.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken zijn de bestaande situatie (hoofdstuk 2), het beleidskader (hoofdstuk 3) en de milieukwaliteitseisen (hoofdstuk 4) uiteengezet. Dit diende ertoe om de nodige kennis te vergaren voor het college en de gemeenteraad omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen voor het bestemmingsplan. In paragraaf 5.2 wordt het project beschreven.

5.2 Beschrijving van het plan 5.2.1 Beschrijving van het plan

#61118275v1

Het college heeft op 07-05-2021 ingestemd met de Nota van Uitgangspunten (NvU) voor de ontwikkeling van De Zichten (RIS308508). Daarna heeft het college de commissie per brief geïnformeerd en is de NvU besproken in de commissie Ruimte van 13-07-2021. De volledige NvU is opgenomen als Bijlage 6 bij deze onderbouwing. Daarnaast is het projectdocument voor Dreven-Gaarden-Zichten fase 1 door het college op 21 december 2021 vastgesteld (RIS311092 https://denhaag.raadsinformatie.nl/document/10956499/2/RIS311092+Projectdocument+Dreve n-Gaarden-Zichten en https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0518.BP0367BRuimzicht-50VA/ b_NL.IMRO.0518.BP0367BRuimzicht-50VA_tb1.pdf). Dit is een uitvoeringsbesluit voor de eerste 10 jaar van de totale gebiedsontwikkeling Dreven-Gaarden-Zichten en de realisatie van ruim 50% van het beoogde programma. De randvoorwaarden rond programma, voorzieningen en openbare ruimte zijn door de gemeenteraad vastgelegd in het projectdocument.

De randvoorwaarden kaart uit de NvU is hieronder opgenomen, daarna volgt een toelichting.

#61118275v1

5.2.2 Functionele hoofdopzet De stedenbouwkundige randvoorwaarden van de NvU maken een transformatie mogelijk van de huidige strokenverkaveling naar orthogonale of haakvormige woongebouwen rondom groene, collectieve binnentuinen. De bouwblokken binnen het projectgebied bestaan na oplevering uit 220 woningen en twee stallingsgarages ter plaatse van de gesloopte (grondgebonden) woningen Steenzicht 16 tot en met 32 en Het Zicht 2 tot en met 37. Het project gaat gepaard met groene, collectieve binnentuinen als onderdeel van de nieuwe woongebouwen op de eerste etage. Daaronder (op maaiveldniveau) worden parkeergarages gerealiseerd. 5.2.3 Stedenbouwkundige opzet Inhoud Steenzicht Binnen de ontwikkellocatie Steenzicht zijn 48 eengezinswoningen (grondgebonden woningen) gesloopt. Uitgangspunt is op deze locatie 220 appartementen in diverse woningtypes en segmenten te combineren in 2 halfopen stedelijke bouwblokken met groene, collectieve binnenterreinen met een hoge kwaliteit. Onder de binnentuin liggen parkeerplaatsen en een gezamenlijke fietsenstalling. De bouwblokken krijgen een mix van woningtypes, gezinswoningen, appartementen, maisonnettes, etc. Gevels aan de openbare ruimte zijn altijd 'voorkanten' en er is geen sprake van volledig gesloten kopgevels.

Zowel aan de openbare ruimte als ook rond de binnentuinen zal er een prettige mix zijn van gevels met slaapkamers en gevels met woonkamers. De mix van woningtypes in de bouwblokken levert een afwisseling in hoogtes van ongeveer 13 - 23 meter. Eenzijdig georiënteerde woningen krijgen een kwalitatief uitzicht; op een aantrekkelijk stuk openbare ruimte of op een kwalitatief hoogwaardig ingerichte binnentuin, met voldoende afstand (ten minste circa 20m) tot een tegenoverliggende woning. Grotendeels behouden van het stratenpatroon Voor een belangrijk deel borduurt het bouwplan voort op het bestaande stratenpatroon, waardoor fasering makkelijker wordt en volwassen bomenlanen zoveel mogelijk behouden kunnen worden.

#61118275v1

5.2.4 Ontsluiting en parkeren De bouwblokken zijn rondom bereikbaar via brede, autovrije woonpaden (in geval van nood bereikbaar voor de nood- en hulpdiensten via een verwijderbaar paaltje. Een uitzondering kan worden gemaakt voor verhuiswagens. Parkeren van auto's van bewoners gebeurt deels onder de collectieve binnentuinen en deels op straat. De parkeerplaatsen onder de bouwblokken zijn in principe niet zichtbaar in de gevels aan de openbare ruimte met uitzondering van een garage-entree. Het is de bedoeling om uiteindelijk in de omgeving te beschikken over collectieve parkeervoorzieningen waar ook gebruik van kan worden gemaakt. Ook is het de bedoeling om parkeerregulering in de omgeving in te voeren. Daarvan is het voorliggende project overigens niet afhankelijk. Adviesbureau Goudappel heeft een parkeeronderbouwing d.d. 27 februari 2024 opgesteld waarin wordt verduidelijkt dat er zowel mét als zonder parkeerregulering in dit gebied sprake zal zijn van voldoende parkeergelegenheid. Deze onderbouwing is als Bijlage 7 aan de ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Daaruit blijkt dat de parkeersituatie in orde is en zal zijn. Dit betekent voorts dat de overwegingen van de Afdeling omtrent het vernietigde bestemmingsplan “Steenzicht en Ruimzicht” geen toepassing meer vinden waar het gaat om het voorliggende project.

Hiermee is het door de Afdeling geconstateerde gebrek in het bestemmingsplan “Steenzicht en Ruimzicht” weggenomen. 5.2.5 Groen Binnentuinen In het project worden collectieve binnentuinen gerealiseerd. De collectieve binnentuinen vormen de gemeenschappelijke buitenruimte van de bouwblokgemeenschap in combinatie met langs de gevels van de woningen semi-private zones als veranda of voortuintjes. Ten aanzien van de binnentuinen geldt dat deze volgens de erfpachtvoorwaarden openbaar toegankelijk moeten zijn tussen 08.00 uur en 22.00 uur. Dit kan tevens als volgt in de vergunningvoorschriften geborgd worden: “Binnen een jaar na ingebruikname van de woningen is (voor ieder bouwblok) een (tussen 08.00 en 22.00 uur) openbaar toegankelijke binnentuin met voldoende

#61118275v1

gronddekking aangelegd op een aangepaste constructie voor volwaardig groen, voldoende waterberging en de mogelijkheid gras, of moestuinen aan te leggen. De beplanting is van zodanige kwaliteit dat er sprake is van compensatie voor eerder aanwezige tuinen op maaiveld en kan daardoor onder andere voedsel, verblijfplaatsen en nestplekken voor fauna bieden.” Hiermee wordt het door de Afdeling geconstateerde gebrek over de binnentuinen in het bestemmingsplan “Steenzicht en Ruimzicht” weggenomen. De binnentuinen zijn van belang voor de beleving, leefkwaliteit en de sociale veiligheid. Er zal een sterke overgang tussen privé en openbaar bestaan met betrekking tot de binnentuinen van 1B. Tevens leveren de binnentuinen een bijdrage aan het voldoen aan de groen- en waternorm en tellen ze mee bij de puntentelling in het kader van natuurinclusiviteit. Dat geldt ook voor de hoger gelegen daken. Om aan de puntentelling te voldoen worden groene daken gerealiseerd met ruimte voor groen en zonnepanelen. De uitvoering van de binnentuinen en de daken van de hoger gelegen verdiepingen kunnen eveneens resulteren in een voorschrift dat aan de aangevraagde omgevingsvergunning verbonden kan worden. 5.2.6 Water Binnen het projectgebied en de grotere uitgangspunten vanuit de NvU wordt geen extra wateroppervlak in het projectgebied mogelijk gemaakt.

Wel worden er oppervlakkige waterberging in het openbare groen, binnentuinen en daken voorgeschreven. Deze moeten ervoor zorgen dat een piekbui van 70mm opgehangen kunnen worden en niet tot overlast zullen leiden. Dat wordt in het vervolg nader toegelicht in paragraaf 5.3.2.

5.3 Duurzaamheid 5.3.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Verantwoord dient te worden dat er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen, werken, detailhandel en voorzieningen. Deze behoefte moet blijken uit een regionaal afgestemd programma en de afspraken gemaakt in Haaglandse gemeenten in een Regionaal Structuurplan 2020. Het Bro bepaalt dat voor bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen. De structuurvisie bevat geen belangen die voor de voorliggende aanvraag van toepassing zijn.

#61118275v1

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De Wet ruimtelijke ordening geeft aan de regering de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur (AmvB) regels te geven waarmee gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening moeten houden. Het gaat daarbij niet alleen om procedureregels maar ook om de inhoud van bestemmingsplannen. Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden (Stb. 2011, 391). Bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigings- of uitwerkingsplannen maar ook bij projectuitvoeringsbesluiten (Crisis- en herstelwet) moeten gemeenten rekening houden met het Barro. Een aantal projecten dat de regering van Rijksbelang vindt, wordt met het Barro dwingend geborgd in bestemmingsplannen of in andere ruimtelijke plannen van lagere overheden. De projecten worden benoemd en middels digitale kaarten ingekaderd. Per project worden regels gegeven waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Voor Den Haag zijn de binnen de gemeente gelegen militaire terreinen met de daarbij behorende zend- en ontvangstinstallaties, en het Kustfundament van belang. In 2016 is een Besluit tot wijziging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening in verband met de herziening van de Beleidslijn kust en enige andere wijzigingen van kracht geworden.

Volgens het Barro zijn er in dit bestemmingsplan geen projecten van Rijksbelang aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden.

5.3.2 Waterhuishouding Het project gaat gepaard met een toereikende waterberging. Het gemeentelijk beleid schrijft voor dat 50 mm bij een korte hevige bui (70 mm/uur) opgevangen dient te worden op privaat terrein. Dit volgt uit het beleid ‘Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig’ (https://denhaag.raadsinformatie.nl/document/10195516/1/RIS308744_bijlage): “Bij nieuwbouw stellen we de eis dat er 50 mm van een korte hevige bui van 70 mm in 1 uur op privaat terrein tijdelijk kan worden opgevangen en dat na minimaal 24 en maximaal 48 uur de bergingscapaciteit weer beschikbaar is.” Deze eis was vertaald in het (vernietigde) bestemmingsplan in artikel 8, onder d van de planregels. Omdat het bestemmingsplan er niet meer is, zal de omgevingsvergunning moeten borgen dat de waterberging wordt gerealiseerd. Dat is mogelijk.

#61118275v1

Er kan een voorschrift aan de omgevingsvergunning worden dat overeenkomt met de voorwaardelijke verplichting die ten aanzien van waterberging in het vernietigde plan was opgenomen. Het zou daarbij om het volgende voorschrift kunnen gaan: “Ingebruikname van de gebouwen is slechts toegestaan als wordt voldaan aan de

waterbergingsopgave van 380 m3 en er op eigen terrein ten minste 50 mm waterberging is gerealiseerd. Daartoe dient tijdig advies te worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland inzake de waterbergingscapaciteit.” Aan voornoemde eis wordt voldaan als er binnen bouwblok A 225 m3 aan bergingscapaciteit aanwezig is en binnen bouwblok B 155 m3. Daaraan wordt voldaan omdat er wordt voorzien in een bergingscapaciteit van 368,52 m3 binnen bouwblok A. Voor bouwblok B zal dit ongeveer hetzelfde zijn. Dit blijkt uit het integraal plan voor het project dat als Bijlage 8 is bijgevoegd (op p. 13). De totale waterbergingscapaciteit van beide bouwblokken van het project Steenzicht zal ongeveer 618 m3 zal zijn (368,52 m3 voor bouwblok A en 249,38 m3 voor bouwblok B). Dit voldoet aan de bergingsopgave.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid De aangevraagde omgevingsvergunning maakt planologisch de ontwikkeling van 220 woningen mogelijk. De bouw is aan te merken als een bouwplan, zoals aangewezen in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening. Daarom is de gemeente op basis van artikel 6.12 Wro verplicht een exploitatieplan op te stellen, tenzij kostenverhaal anderszins verzekerd is. Dit kan via: 

een gemeentelijke grondexploitatie, waarbij sprake moet zijn van gemeentelijke gronduitgifte;

meerwaardesuppletie via de erfpachtcanon;

een anterieure overeenkomst met de eigenaar over de ontwikkeling.

Het bouwplan vindt plaats op percelen welke door de gemeente Den Haag in erfpacht zijn uitgegeven. Bij aanpassing van de erfpachtvoorwaarden ten behoeve van het nieuwe bouwplan wordt door de afdeling Erfpacht suppletie in rekening gebracht.

#61118275v1

Voor de gebiedsontwikkeling is een anterieure overeenkomst gesloten met Staedion en Heijmans: de samenwerkingsovereenkomst Dreven-Gaarden-Zichten (RIS311865). In deze overkomst is privaatrechtelijk geborgd dat partijen zich aan de kaders van het projectdocument houden, is kostenverhaal geregeld en zijn taken en verantwoordelijkheden geregeld. Kostenverhaal is hier aldus verzekerd via een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer. Conclusie Omdat het kostenverhaal voor de ontwikkelingen anderszins verzekerd is middels een overeenkomst, wordt – op grond van artikel 6.12 tweede lid Wro – besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Overleg en inspraak Voor het overleg en de geboden inspraak is het van belang dat het bestemmingsplan “Steenzicht en Ruimzicht” gepaard ging met een vooroverleg. De resultaten daarvan zijn als Bijlage 9 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Voorts kan eenieder een zienswijze richten tegen het ontwerpbesluit tot verlening van de aangevraagde omgevingsvergunning en de daarbij behorende ontwerpverklaring van geen bedenkingen. De zienswijzen worden vervolgens verzameld en beantwoord voorafgaand aan de definitieve besluitvorming omtrent deze aanvraag om een omgevingsvergunning voor een afwijking van het bestemmingsplan.

#61118275v1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14508178/2