CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS319781 Bijlage 4 Stikstofonderzoek Nieuwbouw 010324

Gemeenteraad 28 november 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Vaststelling bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (RIS319781)6.134 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Plesmanduin te Den Haag

Stikstofberekening

G&G-advies AE2022-082

in het kader van de Wet natuurbescherming

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Plesmanduin te Den Haag Stikstofberekening in het kader van de Wet natuurbescherming

S.C. Wytema

2023

Opdrachtgever Impact Vastgoed

G&G-advies AE2022-082

Datum Versie

22 november 2022 V1

16 december 2022 V1.1

17 januari 2023 V1.2

Datum Versie

27 juni 2023 V2

7 augustus 2023 V2.1

17 augustus 2023 V2.2

11 oktober 2023 V2.3

Bovendijk 35-G

Hazenkoog 35-A

2295 RV Kwintsheul

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

1 maart 2024 V2.4

Plesmanduin te Den Haag

3

Inhoudsopgave 1

Inleiding 1.1

2

4

5

Werkwijze en werkzaamheden ............................................................................... 4

Methode 2.1

3

4 6

Berekening en uitgangspunten................................................................................ 6

Aanlegfase

7

3.1

Verkeersaantrekking ................................................................................................ 7

3.2

Inzet mobiele werktuigen ........................................................................................ 7

3.3

Berekening Aanlegfase ............................................................................................ 8

Gebruikfase

9

4.1

Verkeersaantrekking ................................................................................................ 9

4.2

Berekening Gebruikfase ........................................................................................ 10

Saldering 5.1

11

Bestaand gebruik ................................................................................................... 11 5.1.1 Berekening emissie adhv gasverbruik gegevens. .................................................... 11

5.2

Verkeersaantrekking .............................................................................................. 12

5.3

Berekening ............................................................................................................. 13

6

Conclusie effectbeoordeling stikstof

14

7

Literatuur

15

8

Bijlagen

16

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

4

1

Inleiding Er bestaan plannen aan de Plesmanweg 1-6 te De Haag een terrein te herontwikkelen. Het is hiervoor nodig een berekening uit te voeren om de gegenereerde stikstofuitstoot/depositie van dit project te bepalen. De te realiseren bebouwing wordt zonder gasaansluiting aangelegd, maar er is wel sprake van extra verkeer en de inzet van mobiele werktuigen door de herinrichting. Alle verbrandingsprocessen waarbij fossiele brandstoffen en hitte zijn betrokken, leveren door oxidatie van vrije stikstof uit de lucht de gebonden stikstofoxiden nitriet (NO2) en/of nitraat (NO3). Tevens komt soms ammoniak (NH3) vrij. De gebonden stikstofmoleculen worden na verbranding luchtzijdig verspreid en slaan na verloop van tijd neer. De gebonden moleculen werken na het neerslaan vervolgens bodemverrijkend en/of verzurend. De verplichtingen uit hoofde van de Habitatrichtlijn zijn neergelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Zo moet op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) worden beoordeeld of een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied significante gevolgen kan hebben. Onderhavige stikstofberekening is in dat kader verricht. Nederland heeft zich door ondertekening van de Europese Habitatrichtlijn verplicht bepaalde vegetaties te beschermen binnen het gebiedennetwerk van de Natura 2000-gebieden.

Deze vegetaties zijn in een aantal gevallen gevoelig voor bodemverrijking en/of verzuring en de neerslag van de gebonden stikstofmoleculen kunnen een bedreiging zijn voor het voortbestaan van deze vegetaties, zeker als de kritische (=maximale) depositiewaarde (KDW) op deze vegetaties reeds is bereikt.

1.1

Werkwijze en werkzaamheden In de toekomstige situatie worden (ter plaatse van de huidige ‘Saxofoon’) drie woontorens gerealiseerd, zie Figuur 1. De woontorens variëren in hoogte van ca. 25 tot 31 meter. Er worden maximaal 157 appartementen gerealiseerd. De grootte van de appartementen varieert van minimaal 40 m2 tot meer dan 160 m2. Daarnaast wordt voorzien in de benodigde parkeerplaatsen door de realisatie van twee half verdiepte parkeergarages. Voorafgaand aan de bouw zal de huidige bebouwing worden gesloopt, zal het puin worden afgevoerd en zal het bouwterrein verder bouwrijp worden gemaakt door dit te ontdoen van vegetatie, het te vlakken en het benodigde graafwerk uit te voeren voor kabels, leidingen en fundamenten.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

5

Tijdens het werk zullen prefab betondelen, kozijnen en wanden worden ingehesen, een betonvloer worden gestort en zullen heipalen worden geslagen.

Figuur 1. Tekening van de geplande nieuwbouwwoning(en).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

6

2

Methode Om depositie van het project te berekenen wordt de meest recente versie van de rekentool ‘Aerius’ (AERIUS 2023.1) gebruikt. Vanwege een uitspraak van de Raad van State d.d. 29 mei 2019 kan niet meer gebruik gemaakt worden van automatische vergunningverlening op grond van de voorheen geldende drempelwaardes. Aangetoond moet worden dat geen significant negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden. In de berekening wordt de projectbijdrage door Aerius Calculator op concrete rekenpunten exact berekend, waarbij ook habitattypen, vegetaties of Natura 2000-gebieden op meer dan 3 km afstand betrokken worden. De depositie op de meest nabijgelegen ‘stikstofgevoelige habitattypen’ (zoals gedefinieerd in Aerius) wordt doorgerekend om te onderzoeken of deze hoger is dan 0,00. Als de projectbijdrage hoger is dan een berekende 0,00 mol/ha/jaar zijn mogelijk gevolgen te verwachten. Het rekenresultaat van 0,00 mol/ha/jaar betekent een maximale stikstofdepositie op het meest dichtbij gelegen stikstofgevoelige habitattype in Natura 2000gebieden die lager is dan 0,005 mol/ha/jaar. Dit komt omdat Aerius vanaf 0,005 mol/ha/jaar de depositie naar boven afrondt tot een projectbijdrage van 0,01 mol/ha/jaar.

2.1

Berekening en uitgangspunten Bij de berekening van stikstofemissie zijn twee fases te onderscheiden, de aanlegfase (sloop & bouw) en de gebruikfase (gebruik ontwikkelde gebied na afloop van de aanlegfase inclusief aantrekking verkeer e.d.). Aanleg en gebruik komen niet naast elkaar voor. In deze rapportage worden zowel aanlegfase als gebruikfase berekend, de fase met de hoogste bijdrage is bepalend voor de te verwachten gevolgen op Natura 2000-gebieden. Bij de aanlegfase wordt alleen gekeken naar het nieuwbouw gedeelte, bij de gebruikfase wordt gerefereerd naar een verkeersstudie van Goudappel Coffeng waarin ook de route en kwantiteit van de verkeersgeneratie van het naastgelegen Monument is betrokken. Voor de berekening zijn de effecten ingeschat op de meest dichtbij zijnde stikstofgevoelige habitattypen. Het betreft diverse aangewezen (en in rekentool Aerius aangegeven) habitattypen in de Natura2000 gebieden Meijendel & Berkheide, Westduinpark & Wapendal en Sollenveld & Kapittelduinen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

3

7

Aanlegfase De stikstofemissies tijdens de aanlegfase zijn toe te wijzen aan twee bronnen. Het betreft verkeersaantrekkende werking en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwplaats. De aanlegfase zal ongeveer drie jaar in beslag nemen. Omdat de precieze uitvoer van de plannen niet bekend is, is gedeeltelijk gerekend met zogenaamde ‘worst-case’ aannames. In de berekening is alleen het jaar met de hoogste emissie berekend, aangezien in de andere jaren significant minder NOx wordt uitgestoten. Voor de volledige inzet van alle mobiele werktuigen gedurende de drie jaar wordt verwezen naar Bijlage 4 van deze rapportage.

3.1

Verkeersaantrekking De verkeersaantrekkende werking van de aanlegfase bestaat uit transport van materialen en personen (bouwvakkers). Het verkeer is gemodelleerd tot het eerste knooppunt/aansluiting op de doorgaande weg, in dit geval de aansluiting op de Plesmanweg . Buiten deze wegen wordt het verkeer geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld, omdat het verkeer zich in hoeveelheid, snelheid, rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. De verkeersaantrekkende werking bestaat uit:  Transport personeel: 55 ritten met licht verkeer per dag, gedurende een jaar, wordt gemodelleerd over 50 en 60 ritten over twee routes omdat zowel aankomst als vertrek wordt meegerekend.  Vervoer materiaal middels middelzwaar verkeer: twee ritten per dag, wordt gemodelleerd als vier ritten;  Aanvoer bouwmaterieel en bouwmaterialen: respectievelijk zeven en 28 ritten met zwaar verkeer per dag, gedurende een jaar over beide ontsluitingsroutes.

3.2

Inzet mobiele werktuigen De belangrijkste werkzaamheden waarbij stikstof vrij komt, betreffen sloopwerk en afvoer van puin, vlakken van de vrijgekomen gronden, graven van sleuven voor bijvoorbeeld kabels en leidingen, heien, hijswerk t.a.v. prefab constructiedelen, productie/aanvoer van beton op locatie t.b.v. vloeren en fundering. Voor het gebruik van mobiele werktuigen zijn de machines en draaiuren genomen die zijn vermeld in Tabel 1. Er wordt (indien beschikbaar) uitgegaan van de inzet van elektrisch materieel en/of materieel van stageklasse IV of nieuwer.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

8

De mobiele emissiebronnen zijn in Aerius apart ingevoerd, niet te kiezen bronnen zijn binnen Aerius ingegeven als ‘anders’ met factoren zoals aangegeven in Tabel 1. De materiële inzet is zo accuraat mogelijk ingeschat door de initiatiefnemer. Voor de (gemiddelde) belasting is uitgegaan van percentages aangegeven door de opdrachtgever, zie Bijlage 4. Bij de berekening is uitgegaan van een AdBlue percentage van 3 resp. 6%. Tevens is uitgegaan van een aantal elektrisch aangedreven werktuigen welke draaien op bouwstroom, en geen gebruik wordt gemaakt van een (diesel) generator. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat verder in de toekomst een grotere beschikbaarheid van elektrisch materieel is, en voor de werkzaamheden minder zwaar materieel vereist is.

3.3

Berekening Aanlegfase De uitkomst van de berekeningen (rekenscherm) is opgenomen in Bijlage 1. Separaat worden PDF bestanden opgeleverd als onderlegging van de berekening. Uit de berekeningen blijkt dat op dertien habitattypen in twee natuurgebieden (Meijendel & Berkheide en Westduinpark & Wapendal) de projectbijdrage van de aanlegfase van het initiatief zonder saldering maximaal 0,09 mol/ha/jaar is op (maximaal) 825,51 hectare. Deze bijdrage wordt in beginsel als vergunningplichtig beschouwd. In hoofdstuk 5 van deze rapportage wordt echter nader ingegaan op de mogelijkheid om te salderen met de huidige situatie, waardoor een vergunningplicht mogelijk niet aan de orde is.

Van der Goes en Groot

Vermogen

Brandstofverb ruik (l/j)

Draaiuren (l/j)

Adblue (l/j)

Emissie Noₓ (kg/j)

Emissie NH₃ (kg/j)

rupskraan 2x bulldozer shovel shovel 100kW graafmachine elektrisch dumper damwandstelling elektrisch shovel elektrisch heistelling elektrisch bronbemaling elektrisch aggregaat (elektrisch) graafmachine elektrisch totaal

Stageklasse

Geschatte materiaalinzet en geproduceerde stikstof in de aanlegfase op basis van directe invoer van het bouwjaar met hoogste emissie in Aerius of met stageklasse.

IV IV IV IV IV IV IIIb IV V IV IV IV

190 200 200 100 150 120 124 100 240 20 200 150

13.760 1.981 1.981 2.036 1.936 -

800 100 100 200 160 160 200 67 132 39600 1000 800

826 119 119 122 0 116 0 0 0 0

78,1 11,1 11,1 12,1 0 11,3 0 0 0 0 0 0 123,8

3,3 0,5 0,5 0,5 0 0,5 0 0 0 0 0 0 5,3

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

4

9

Gebruikfase Er wordt bij de berekening met betrekking tot gebruik uitgegaan van 321 appartementen, van de nieuwbouw en Monument samen. De bebouwing van de nieuwbouw wordt gasloos en zonder andere stookinstallaties aangelegd, zodat hier van emissie geen sprake is en alleen de bijdrage van de verkeersaantrekkende werking wordt berekend.

4.1

Verkeersaantrekking Het aantal verkeersbewegingen is afhankelijk, evenals bij de parkeervraagberekening, van de omvang en het functioneren van de functie. Door Goudappel Coffeng (Van Beusekom, 2022) is de verkeersgeneratie per weekdag voor de toekomstige situatie bepaald op (372+766+873=) 2.011 motorvoertuigen, zie onderstaande figuren.

Verkeersgeneratie voorzieningen planontwikkeling (bron: Goudappel Coffeng)

Verkeersgeneratie woningen monument (bron: Goudappel Coffeng)

Verkeersgeneratie nieuwbouw (bron: Goudappel Coffeng).

In het onderzoek van Goudappel Coffeng wordt geen onderscheid gemaakt in type verkeer. In de AERIUS calculator wordt dit onderscheid wel gemaakt. Er wordt in het onderzoek van uitgegaan dat 2% van alle verkeersbewegingen zwaar vrachtverkeer betreft. Ook wordt het verkeer van 2.011 motorvoertuigbewegingen per weekdag, onderverdeeld naar type voertuig, vanuit de vier In/Uitritten over de vier ontsluitingsroutes gemodelleerd. De verkeersgeneratie van 2.011 mvt per weekdag worden zodoende

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

10

onderverdeeld in 1.971 mvt licht verkeer en 27 mvt zwaar verkeer, verdeeld over verschillende ontsluitingsroutes. In de gebruiksfase wordt uitgegaan van de volgende emissiebronnen: • • • •

321 woningen (gasloos); Diverse voorzieningen (gasloos); Verkeersgeneratie van 1.971 vervoersbewegingen licht verkeer per etmaal; Verkeersgeneratie van 40 vervoersbewegingen zwaar verkeer per etmaal.

Voor de ontsluiting in de gebruiksfase wordt uitgegaan van vier routes. Over de routes is de verwachte verkeersgeneratie zoals berekend door Goudappel Coffeng gemodelleerd. Deze modellering is in lijn met een algemeen criterium voor verkeer aantrekkende werking van wegverkeer. De gevolgen voor het milieu van dit verkeer kunnen niet meer aan het nieuwe project worden toegerekend wanneer geacht kan worden dat dit verkeer is opgenomen in het “heersende verkeersbeeld”, omdat het verkeer zich in snelheid en rijen stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. De totale bijdrage van het verkeer is hierdoor 141,1 kg NOx/jaar en 7,7 g NH3/jaar .

4.2

Berekening Gebruikfase De uitkomst van de berekeningen is opgenomen in Bijlage 2. Separaat worden PDF bestanden opgeleverd als onderlegging van de berekening. Uit de berekeningen blijkt dat op elf habitattypen in twee natuurgebieden (Meijendel & Berkheide en Westduinpark & Wapendal) de projectbijdrage van het initiatief zonder saldering maximaal 0,05 mol/ha/jaar is, over 631,72 hectare. Deze bijdrage kan in beginsel als vergunningplichtig worden gezien. In hoofdstuk 5 van deze rapportage wordt echter nader ingegaan op de mogelijkheid om te salderen met de huidige situatie, waardoor een vergunningplicht mogelijk niet aan de orde is.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

5

11

Saldering Voor de referentiesituatie dient in dit geval te worden gekeken naar de situatie op het moment waarop artikel 6 Habitatrichtlijn van toepassing werd voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Dat betreft in dit geval 7 december 2004 (Europese referentiedatum, zie BIJ12, REFERENTIEDATA NATURA 2000-GEBIEDEN). De op dit moment aanwezige bebouwing (voor wat betreft het Monument daterend uit 1940 (Kadaster, 2022, zie Bijlage 3).) respectievelijk voor de Saxofoon de jaren 80) was al aanwezig ten tijde van de Europese referentiedatum zodat de emissies hiervan in de referentiesituatie kunnen worden betrokken. Omdat bij deze bebouwing sprake was van een zekere uitstoot van stikstof en deze bij aanwijzen van het Natura 2000-gebied reeds bestond, wordt deze gerekend tot ‘bestaand gebruik’ en kan de jaarlijkse uitstoot hiervan worden afgetrokken van de nieuwe uitstoot. Deze verrekening heet ‘saldering’. Volgens de ‘beleidsregels stikstof’ (RIJKSOVERHEID, 2019) wordt onderscheid gemaakt tussen interne en externe saldering. Hierbij is externe saldering vergunning plichtig, maar bij de uitspraak van Raad van State is geen vergunning meer nodig voor interne saldering (RAAD VAN STATE, 2021).

 Bij interne saldering wordt gekeken naar de activiteiten die plaatsvinden of hebben plaatsgevonden op het terrein waar de huidige stikstofberekening voor geldt;  Bij externe saldering wordt gekeken welke mogelijkheden er zijn bij activiteiten buiten het gebied, die invloed hebben op hetzelfde Natura2000-gebied als berekend voor het terrein van onderhavige stikstofberekening. Bij het voorliggende project wordt intern gesaldeerd.

5.1

Bestaand gebruik Voor zowel het monument als voor de saxofoon is op basis van nota’s uit 2017 het jaarlijks aantal m3 aardgasgebruik bepaald. Voor het monument betreft dit een aardgasgebruik van 270.788 m3. Voor de Saxofoon is dit bepaald op 100.874 m3 aardgas.

5.1.1

Berekening emissie adhv gasverbruik gegevens. Op basis van het Activiteitenbesluit geldt dat het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen van 1 Megawatt of meer (geen grote stookinstallatie) aan de emissiegrenswaarde van 70 mg/Nm3 moet voldoen. Op basis van deze gestelde eis wordt er van uit gegaan dat de emissie per kubieke meter aardgas maximaal deze

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

12

grenswaarde betreft. 1 m3 aardgas (Groningen kwaliteit) gebruikt op basis van de samenstelling 8,43 Nm3 lucht (stoichiometrisch). Op basis van de volgende formule 𝐹𝑠 = 𝐹𝑏𝑟 × 𝑉𝑠𝑡 × 21/(21 − Os) waarin geldt: Fs = gestandaardiseerd debiet (m03/u) van droog rookgas bij een standaard zuurstofconcentratie Fbr = brandstofverbruik van in dit geval aardgas (m03/u) Vst = stoichiometrisch droog rookgasvolume (m03/m03) Os = zuurstofconcentratie (volume%, v%) = 3 v% voor aardgas. waarbij Vst = 0,199 + 0,24 * H (H = 31,65 MJ/m03) = een stoichiometrisch rookgasvolume van 7,6 Nm3 (droog). Bij een zuurstof overmaat van 3% wordt dit getal gecorrigeerd met 21/(21-3) = 1,16667. De concentratie NOx bedraagt 70 mg/Nm3 (droog rookgas bij 3% zuurstof). Met bovenstaande gegevens kan de jaaremissie NOx van de stookinstallatie worden berekend: aantal m3 gasverbruik * 7,6 * 1,16667 * 70/1.000.000 (= m3 gasverbruik * 0,000621) = aantal kg emissie NOx/jr. Omgerekend betekent dit dat 1.610 m3 gasverbruik ongeveer 1 kg/jr NOx uitstoot. Voor het betreffende project houdt dit in dat bij het gasverbruik de stikstofbijdrage 0,000621 * 270.788 = 168.18 kg NOx/jr, respectievelijk 0,000621 * 100.874 m3 = 62,65 kg NOx/jr is.

5.2

Verkeersaantrekking In de huidige situatie is er sprake van een verkeersaantrekkende werking van het kantoor. Ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking is voor het monument op basis van onderzoek van Goudappel Coffeng bepaald dat er de transformatie van de 27.000m2 bvo kantoor zonder baliefunctie, per 100m2 een afname van 3,2 mvt per etmaal voor een weekdag tot gevolg heeft. Dit zorgt voor een vermindering van 864 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de saxofoon, met een omvang van 15.000m2 bvo kantoor zonder baliefunctie en 3,2 mvt per etmaal per 100m2, geldt een vermindering van 480 verkeersbewegingen per etmaal op weekdagen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

13

De verkeersgeneratie van de gehele bestaande situatie (kantoor monument/saxofoon) is zodoende per weekdag: (-42.000 m² BVO / 100) x 3,2 = 1.344 motorvoertuigbewegingen.

In het onderzoek van Goudappel Coffeng wordt geen onderscheid gemaakt in type verkeer. In de AERIUS calculator wordt dit onderscheid wel gemaakt. Er wordt in het onderzoek van uitgegaan dat 2% van alle verkeersbewegingen zwaar vrachtverkeer betreft. Ook wordt het verkeer van 1.344 motorvoertuigbewegingen per weekdag, onderverdeeld naar type voertuig, vanuit de vier In/Uitritten over de vier ontsluitingsroutes gemodelleerd in de volgende aantallen: De verkeersgeneratie van 1.344 mvt per weekdag worden zodoende onderverdeeld in 1.317 mvt licht verkeer en 27 mvt zwaar verkeer, verdeeld over verschillende ontsluitingsroutes.

5.3

Berekening De in de referentiesituatie berekende emissiewaardes worden afgetrokken van de waardes in zowel aanlegfase als gebruikfase middels het vergelijken van situaties in Aerius. De referentiesituatie (als separate pdf bijlage toegevoegd) wordt hierbij eerst vergeleken met de aanlegfase en vervolgens vergeleken met de gebruikfase, aangezien aanlegfase en gebruikfase niet gelijktijdig voorkomen. De vergelijking van waardes wordt in de pdf bestanden van gebruik en aanleg direct meegenomen. De projectbijdrage in de aanlegfase (met saldering) is 0,00 mol/ha/jaar en de projectbijdrage in de gebruiksfase is (met saldering) 0,00 mol/ha/jaar. Deze bijdragen worden als verwaarloosbaar beschouwd. De gesaldeerde stikstofdepositie van het project blijft dus onder de norm van 0,00 mol/ha/jaar in zowel aanlegfase als de gebruiksfase zodat significant negatieve effecten op relevante habitattypen uitgesloten kunnen worden, en geen sprake kan zijn van natuurvergunningplicht.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

14

6

Conclusie effectbeoordeling stikstof  Gezien de werkzaamheden betreft de hoogste bijdrage van het project de tijdelijke inzet en het tijdelijke effect van mobiele werktuigen. Deze tijdelijke effecten zijn vaak gemakkelijker op te vangen door de natuurlijke fluctuaties binnen het natuurgebied of eventueel herstelbeheer, dan effecten van permanente activiteiten.  De maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de gebouwen is 0,09 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. Zonder saldering is mogelijk sprake van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen.  In de gerealiseerde bebouwing wordt door het afzien van stookinstallaties in de bebouwing (vrijwel) geen stikstof meer geëmitteerd. De transitie van oude bebouwing met zekere uitstoot van stikstof naar de beoogde bebouwing in dit project draagt daarmee bij aan de gewenste permanente daling van stikstof op kwetsbare natuurgebieden.  De projectbijdrage (zonder saldering) van de aanleg is 0,09 mol/ha/jaar en van het gebruik is 0,04 mol/ha/jaar. Bij (interne) saldering van het bestaande gebruik op de referentiedatum blijkt dat de huidige projectbijdrage van zowel aanlegfase als de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt.

Gelet hierop kunnen significante gevolgen op voorhand worden uitgesloten en is geen sprake van een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.  Bij de berekening is uitgegaan van inzet van werktuigen zoals vermeld in par. 3.2, met gedeeltelijk gebruik van elektrisch materieel. Indien afgeweken wordt van de voorgeschreven inzet van werktuigen dient een nieuwe berekening gemaakt te worden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

7

15

Literatuur AERIUS CALCULATOR, 2023.1. https://calculator.aerius.nl/calculator/ AERIUS, 2018. Emissiewaarden_aerius_def_versie_5_juli_2018. https://www.aerius.nl/nl/factsheets/ruimtelijke-plannenemissiefactoren/05-07-2018 BEUSEKOM, D. VAN, 2022. Parkeerkundige onderbouwing en verkeerskundige toets Plesmanweg 1 – 6 Den Haag. Goudappel, Deventer BIJ12, 2022. Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2021, Versie 3. https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2022/01/ Instructie-gegevensinvoer-voor-AERIUS-Calculator-2021.pdf BIJ12, 2022. Handboek: Werken met Aerius Calculator 2021 V1. https://www.aerius.nl/files/media/handleiding/calculator_2021 /syllabus_werken_met_aerius_calculator.pdf BIJ12, 2021. Handreiking Voortoets Stikstof. https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2021/03/BIJ12Handreiking-Voortoets-Stikstof-%E2%80%93-Februari-2021.pdf, COMPENDIUM VOOR DE LEEFOMGEVING. Vermestende depositie, 19902016. https://www.clo.nl/indicatoren/nl018916-vermestendedepositie CROW, 2018. Toekomstigbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen .CROW, Ede KADASTER, 2022. Basisregistratie adressen & gebouwen. https://bagviewer.kadaster.nl RAAD VAN STATE, 2021. Zaaknummer 201907146/1/R2. Intern salderen niet vergunnningplichtig. https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL: RVS:2021:71 RIJKSOVERHEID, 2019.

Beleidsregels stikstofaanpak 10 december 2019: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2019/12/04 RIJKSOVERHEID, 2021. Wet van 10 maart 2021 tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering). https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-140.html SIPMA, J., M.D.A. RIETBEEK, 2016. Ontwikkeling energiekengetallen utiliteitsgebouwen. ECN-E--15-068, ECN, Putten. VAN DOBBEN, H.F., R. BOBBINK, D. BAL EN A. VAN HINSBERG, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Alterra rapport 2397, Alterra, Wageningen

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

16

8

Bijlagen

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5

Berekening aanlegfase Berekening gebruiksfase Referentie situatie Gebruik werktuigen aanlegfase Huidige natuurwetgeving

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

Bijlage 1 Berekening aanlegfase

Bijlage 1.1 Berekening aanlegfase en saldering

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

Bijlage 2 Berekening gebruiksfase

Bijlage 2.1 Berekening gebruikfase en saldering

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

Bijlage 3 Referentie situatie

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

Bijlage 4 Gebruik werktuigen aanlegfase

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

Bijlage 5 Huidige natuurwetgeving Bijlage 5.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 5.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

Bijlage 5.2 Soortbescherming Bijlage 5.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 5.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10. Bijlage 5.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bijlage 5.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 5.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 5.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode.

¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 5.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig:  in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid.  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.  ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig:  ter bescherming van flora en fauna.  in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig:  ter bescherming van flora en fauna.

 in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.  in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan.  ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in categorie 5. *Andere beschermingsstatus in provincies Limburg en/of Overijssel. **Geldt alleen in provincies Limburg en/of Overijssel De Grutto en Ringmus behoren bij categorie 5 in Overijssel, maar horen bij categorie 4 in Limburg. zie ook kader op voorgaande pagina.

Blauwe reiger* Boerenzwaluw* Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil* Brilduiker Draaihals* Eidereend Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Grutto*/** Hop Huiszwaluw* IJsvogel* Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger

Koolmees Kortsnavelboomkruiper Middelste bonte specht** Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf* Ringmus*/** Ruigpootuil Spreeuw Tapuit Torenvalk* Tureluur** Veldleeuwerik** Wulp** Zeearend* Zomertortel** Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht*

Bijlage 5.2.5 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van LNV goedgekeurde gedragscode, hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld.

Bijlage 5.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Bijlage 5.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan uit een project en ook voor zogenaamde ‘andere handelingen’ in of rond een Natura 2000-gebied, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen. Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets.

Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000-gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden.

Bijlage 5.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 5.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN), in de wet: Ecologische Hoofdstructuur EHS Via de Wet Ruimtelijke Ordening wordt het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur EHS) planologisch beschermd. Op grond van artikel 2.10.4 Barro geldt er een algemeen beschermingsregime voor EHS-gebieden. Dit algemene Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

regime bestaat eruit dat er geen toestemming mag worden verleend aan activiteiten die per saldo leiden tot een significante aantasting van de zogenaamde ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ of tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden. Toestemming voor dergelijke activiteiten kan wel worden gekregen indien er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. In de provinciale verordening moet dit ‘nee tenzij’-regime zo worden vastgelegd dat hieraan in alle bestemmingsplannen en/of omgevingsvergunningen voor het afwijken van bestemmingsplannen wordt voldaan. Bijlage 5.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘Bijzonder Provinciale Landschappen’ van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn. Bijlage 5.4.3 Houtopstanden Houtopstanden groter dan 10 are of bomenrijen bestaand uit meer dan 20 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom, zijn beschermd. Men dient vergunning of ontheffing te verkrijgen indien dergelijke houtopstanden moeten worden gekapt of gerooid.

In sommige gevallen is een herplantplicht aan de orde.

Bijlage 5.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 1 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

Zie hiervoor, Bijlage 5.2.1

Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing

Geen ontheffing nodig

Zie hiervoor, Bijlage 5.2.2 Geen ontheffing nodig

Zie hiervoor, Bijlage 5.2.3

Zie hiervoor, Bijlage 5.2.3 Geen ontheffing mogelijk

Ontheffing onder voorwaarden mogelijk

Bijlage 5.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van:  Een activiteitenplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven.  Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Plesmanduin te Den Haag

De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een activiteitenplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft voor het ‘natuur’ onderdeel van de omgevingsvergunning. De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes, strafrechtelijke vervolging of het stilleggen van werkzaamheden

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

AE2022-082

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14482231/1