CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS319245 Bijlage 4. rapport Polderman, waardenonderzoek Wooncomplex rondom Weigeliaplein, Den Haag;

Commissie Ruimte 26 juni 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken8.315 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Waardenonderzoek Wooncomplex rondom Weigeliaplein, Den Haag 21 maart 2024

Colofon Waardenonderzoek: Object: Wooncomplex rondom Weigeliaplein Adres: Weigeliaplein 2523 Den Haag Monumentstatus: Geen beschermde status Opdrachtgever: Naam: Contactpersoon: Adres: E-mail: Adviseur: Naam:

Haag Wonen Dhr. S. Grootswagers Postbus 250 2501 CG Den Haag s.grootswagers@haagwonen.nl Bureau Polderman cultuurhistorie | restauratie | Architectuur

Team:

Ing. Rutger Polderman – Bouwhistoricus BNB Ir. Sophie Koopman – Ontwerper en historicus Ing. Stefan van Tol - Historicus

Adres: Telefoon: E-mail:

Eendrachtsweg 67 3012 LG Rotterdam 010-4363250 rutger@bureaupolderman.nl

Versie Status: Datum:

definitief 21-03-2023

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

2

1. Inleiding De woningen rond het Weigeliaplein in de Heesterbuurt in Den Haag zijn in 1925 gebouwd en zijn onderdeel van de grote stadsuitbreiding aan het begin van de 20e eeuw. Het complex heeft geen beschermde status. De woningen verkeren in matige bouwtechnische staat en voldoen niet meer aan de hedendaagse wooneisen. Haag Wonen heeft op basis van een onderzoek geconcludeerd dat sloop en nieuwbouw van woningen de beste keuze is om de bewoners weer passende woningen te bieden. Architekenkombinatie Bos Hofman verzorgt daarvoor een ontwerp. In dit proces heeft de gemeente Den Haag aangegeven belang te hechten aan een zorgvuldige omgang met eventueel aanwezige cultuurhistorische waarden in het nieuwe ontwerp. Om deze reden worden in dit rapport de waarden die het Weigeliapark vertegenwoordigt geïdentificeerd. In de rapportage zal eerst worden ingegaan op de historische ontwikkeling van de wijk en het complex. Hierbij worden ook de oorspronkelijke situatie en de latere wijzigingen van het complex beschreven. Daarna zal een externe waardenstelling worden opgesteld aan de hand van de analyse van de historische ontwikkeling. Vervolgens zal verder worden ingegaan op de waarden in het complex om de specifieke karakteristieken te kunnen duiden.

De rapportage bevat de volgende onderdelen: - Historische ontwikkeling o Ontwikkeling van de Heesterbuurt o Ontwikkeling van het wooncomplex rond het Weigeliapark - Samenvatting historische ontwikkeling - Externe waardenstelling - Duiding van de externe waarden in kernkarakteristieken - Conclusie Rotterdam, 21 maart 2024

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

3

Historische ontwikkeling Het wooncomplex rondom het Weigeliaplein (‘complex 70’) is gelegen in het westen van Den Haag in de Heesterbuurt en wordt omsloten door de Vlierboom- Kamperfoelie-, Hortensia- en Ribesstraat. Ontwikkeling van de Heesterbuurt De aanleg van het wooncomplex rondom het Weigeliaplein in de Heesterbuurt is een resultaat van de groei van Den Haag, die startte vanaf ongeveer 1850. Voor die tijd bestond de stad Den Haag uit een compact centrum, met een in de 17e eeuw aangelegde rechte weg richting Scheveningen en een spoorweg die zich buiten de stad bevond. Het omliggende landschap, waar later de Heesterbuurt zou worden gerealiseerd, bestond uit weilanden. Na 1850 groeide de bevolking van de stad in hoog tempo. Dit kwam, in tegenstelling tot veel andere steden, niet alleen door de industrialisatie, maar ook door de groei van de in Den Haag gevestigde nationale overheidsinstellingen, die meegroeiden met de bevolkingsgroei van Nederland.

Den Haag omstreeks 1850 (bron: haagsekaarten.nl)

Er ontstond door de enorme bevolkingsgroei een groot woningtekort, zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin. In de periode tussen 1850 en het begin van de 20e eeuw breidde de stad uit, radiaal om het centrum heen en met wegen die parallel gelegen waren aan de kustlijn. Er werd geconcludeerd dat deze vorm van uitbreiding een relatief monotone stad tot gevolg had. Om de reeds gestarte uitbreiding in goede banen te leiden en een levendige stad te creëren, werd in opdracht van Gemeentewerken tussen 1908 en 1913 door H.P. Berlage een stedenbouwkundig plan opgesteld. Eerdere plannen uit het begin van de 20e eeuw van de directeur van Gemeentewerken, I. A. Lindo (1848 – 1941) hadden veel kritiek gekregen. Berlage had in diezelfde tijd een succesvol uitbreidingsplan voor Amsterdam opgesteld en werd daarom geschikt bevonden voor de opdracht.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

4

Uitbreidingsplan voor Den Haag van H.P. Berlage met in geel aangegeven de Heesterbuurt (bron: verzameling Haags Gemeentearchief)

Berlage ontwierp een nieuw plan voor Den Haag, waarbij er op een rationele manier doorbraken werden gemaakt in de bestaande bebouwing (lichtbruin op de kaart) ten behoeve van de groeiende verkeersstromen. Ook werden de nieuwe wegen breed en op logische wijze opgezet voor het verkeer. Anderzijds werden de nieuw te bouwen woonwijken (oranje op de kaart) relatief romantisch vormgegeven, met kleinere, ten opzichte van elkaar gedraaide wegen en ruimte voor groen in de bouwblokken, soms ook in een hovenstructuur. Daarnaast markeerde Berlage in de nieuwe woonwijken locaties voor openbare gebouwen (donkerbruin op de kaart), pleinen en groen. Het plan werd in de jaren daarna in grote lijnen uitgevoerd. Dit werd gedaan op een efficiënte manier, met toezicht vanuit de Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting (DSV) van de gemeente Den Haag, in samenwerking met Berlage die tot zijn dood in 1934 betrokken bleef bij de uitwerking van de uitbreiding van de stad. In eerste instantie ontwikkelde de DSV zelf de complexen, maar het bleek onhaalbaar voor de gemeente om ook na oplevering verantwoordelijk te zijn voor het beheer van de complexen. Daarom werden de gronden al vrij snel verpacht aan particuliere bouwers en daartoe opgerichte woningbouwverenigingen, die woningen realiseerden en daarna beheerden.

Ook waren er in die tijd vanuit de gemeente veel voordelige financieringsmogelijkheden voor de bouw van nieuwe woningen. De combinatie van deze zaken zorgde ervoor dat de stad snel kon groeien.

Experimenteren met het dubbele bouwblok en de Nieuwe Haagse School in de Heesterbuurt Ook de Heesterbuurt werd op deze manier in de jaren ’20 op een efficiënte manier ontwikkeld. De buurt vormde een proeftuin voor nieuwe ideeën van bouwblokken en architectuurstijlen in Den Haag. Dit omdat de Heesterbuurt een van de eerste locaties was, samen met bijvoorbeeld de Bomenbuurt en de Spoorwijk, die werden uitgevoerd aan de hand van de plannen van Berlage,

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

5

waarschijnlijk omdat ze vrijwel direct grensden aan al bestaande bebouwing. Er werd begonnen met ontwikkelen in het noorden van de Heesterbuurt, naast de al bestaande tramremise uit het begin van de 20e eeuw, waarbij eerst een schoolgebouw (1920, nummer 1 op kaart) en het bouwblok rondom het Vlierboomplein (1920, nummer 2) werden gerealiseerd. Beiden waren relatief traditioneel vormgegeven. Het meest in het oog springende aspect van het complex rond het Vlierboomplein is de vorm. Deze is te typeren als een dubbel bouwblok, waarbij de buitenrand van woningen entrees aan de straat had met daarbinnen een blok woningen met een ontsluiting aan de binnentuin of -plein, die werden bereikt door een poort op de kopse kant van het bouwblok. Op deze manier werd op een voor Berlage typerende manier een groot bouwblok vertaald naar de menselijke maat en ontstond een prettige woonwijk. De typologie is geïnspireerd op voorgangers in Duindorp: het Pluvierhof (1916-1917, gesloopt) en de Meeuwenhof (1916-1917, gesloopt). De dubbele hof rondom het Vlierboomplein was echter niet zo integraal ontworpen als zijn voorgangers en tijdgenoten: het grootste deel van de buitenste ringbebouwing is van het einde van de jaren ’20.

Tegelijkertijd met de bouw van het dubbele bouwblok aan het Vlierboomplein, voor het eerst buiten Duindorp, werd de typologie ook toegepast bij het Zeezwaluwhof in Duindorp (1921) en het (deels) dubbele bouwblok van het Papaverhof (1921) ten noordwesten van de Heesterbuurt. De typologie van het dubbele bouwblok werd vervolgens meermaals toegepast in de overige bouwblokken van het noordelijke deel van de Heesterbuurt. Na de bouw van de Heilige Familiekerk in 1922 (nummer 3), als onderdeel van de door Berlage aangegeven locaties van openbare gebouwen met bijbehorend plein in het stedenbouwkundig plan, werd het dubbele hof rondom het driehoekige Gagelplein gerealiseerd (1923-24, nummer 4). Het complex heeft een lagere binnenring rondom een binnentuin en een hogere buitenste ring, alle met woningen voor de middenstand. Het complex is in twee delen gebouwd, waarbij het oostelijk deel als eerste werd gerealiseerd. De vormgeving van dit deel is te typeren als Amsterdamse school, door de ronde vormen en rijke details in baksteen. Het westelijke deel werd in een tweede fase gebouwd en is een eenvoudiger in vormgeving. Vervolgens werden in 1925 twee dubbele bouwblokken gerealiseerd in het noordelijk deel van de wijk, waarbij de architectuurstijl als een van de eerste experimenten richting de Nieuwe Haagse School kunnen worden gezien.

Het eerste bouwblok is spiegelend rondom de 2e Braamstraat gebouwd, waarbij de binnenste ring rondom een plein een school en een klooster bevatte en de buitenste ring uit woningen bestond (nummer 5). De vormentaal is hoekiger en rechtlijniger en bevat accenten in vormgeving bij de entrees, later allemaal kenmerkende aspecten van de Nieuwe Haagse School. Het tweede bouwblok uit 1925 werd gebouwd rondom het Weigeliaplein (nummer 6). Het integraal ontworpen blok heeft een dubbele ringbebouwing, bevatte alleen sociale woningbouw en is een grootschalige toepassing van het dubbele bouwblok. In het ontwerp van het blok is de openbare functie, zoals aangeduid in het plan van Berlage, niet dusdanig uitgevoerd. De vormgeving kan worden gezien als Nieuwe Haagse School, zij het in sobere vorm. Het complex is hoekig en heeft horizontale accenten. De hoeken en entrees zijn subtiel verbijzonderd, voornamelijk in de dakrand. Ten zuiden van het Weigeliaplein werden in 1927 de Hortensiascholen gebouwd, die hoorden bij de parochie van de Heilige Familiekerk (nummer 7). Het complex bestond uit twee delen: een jongensschool en een meisjesschool.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

6

1 2

3

5 4

6 7

Noordelijk deel van de Heesterbuurt in het midden van de jaren '20 (bron: topotijdreis.nl)

Het deel van de Heesterbuurt ten zuiden van De Mient is in het midden en aan het eind van de jaren ‘20 ontwikkeld en is uniformer en eenvoudiger in stratenpatroon en bouwstijl (zie figuur 4). De bouwblokken bestaan uit gesloten volumes met portiekwoningen, vormgegeven in de stijl van de dan gangbaar geworden Nieuwe Haagse School. In de jaren daarna bleef Den Haag groeien in westelijke richting. De typologie van het dubbele bouwblok werd nog meermaals toegepast, zoals bij het westelijk ten opzichte van de Heesterbuurt gelegen Moerbeiplein (1930, in twee fases ontworpen), het blok rondom de Abrikozenstraat (1930) en het Notenplein (1935). Hoewel de Tweede Wereldoorlog veel impact had in Den Haag, bleef de Heesterbuurt ongeschonden, waarbij zich nagenoeg geen wijzigingen voordeden in de woningen. De openbare gebouwen veranderden wel, maar op latere momenten: het klooster dat gevestigd was in de 2e Braamstraat verdween aan het eind van de jaren ’70 en maakte plaats voor meer ruimte in de school. De Hortensiascholen werden in 2001 gesloopt en vervangen voor eengezinswoningen en het scholencomplex aan de Goudenregenstraat werd in 2009 herbestemd tot woningen. In de huidige situatie is de oorspronkelijke opzet met de kenmerkende dubbele bouwblokken in het noordelijke deel van de Heesterbuurt nog altijd aanwezig.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

7

Heesterbuurt in de jaren '30 (bron: topotijdreis.nl)

Huidige situatie van de Heesterbuurt (bron: Google Maps)

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

8

Oorspronkelijke opzet van het wooncomplex rondom het Weigeliaplein Aan de hand van de beschikbare bouwdossiers, krantenartikelen, kaartmateriaal en foto’s van het wooncomplex rondom het Weigeliaplein is het proces van de stichting en de latere ontwikkeling van het bouwblok goed in beeld te brengen.

1919 – 1921: het eerste ontwerp van het bouwblok De bouw van het complex rondom het Weigeliaplein maakte deel uit van het plan van Berlage voor de uitbreiding van Den Haag aan het begin van de 20e eeuw om de gegroeide bevolking van Den Haag op een kwalitatieve manier te kunnen huisvesten. Het plan vormde het uitgangspunt, waarbij het huidige Weigeliaplein is weergegeven als een massief blok met op de kop een openbare functie. Te zien is echter dat de feitelijke uitwerking van het ontwerp voor het blok slechts heel losjes gebaseerd is op het plan van Berlage. In de eerste stedenbouwkundige kaart van het Weigeliaplein uit 1920 is te zien dat ervoor werd gekozen om een hof te maken in het bouwblok, met twee entrees op de oostelijke en westelijke hoek. De openbare functie, door Berlage op de hoek aangegeven, werd niet als dusdanig opgenomen in het plan.

L: uitsnede van het uitbreidingsplan van H.P. Berlage in de Heesterbuurt, in geel de locatie van het Weigeliaplein (bron: verzameling Haags Gemeentearchief). R: stedenbouwkundige kaart van de locatie van het Weigeliaplein, uit 1920 (bron: beeldbank Haags Gemeentearchief)

Het proces om tot bouw van het blok te komen was relatief lang. In 1919 werd in opdracht van “Woningbouwvereniging ’s Gravenhage” begonnen aan het opstellen van een eerste plan om arbeiderswoningen te realiseren. De plannen werden gemaakt door architecten K. Meijer en R. Rademaker.

K. Meijer en H.E.M. Rademaker Over de visie en werkwijze van de architecten K. Meijer en H.E.M. Rademaker is niet veel bekend. Aan de hand van contemporaine krantenartikelen is af te leiden dat de architecten, gevestigd op het Noordeinde 128A, aan het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw voornamelijk winkelpanden met daarboven woningen in neostijlen ontwierpen. De huidige gemeentelijke monumenten op de Spuistraat 12 en 14, beide in neo-renaissancestijl, zijn hiervan een voorbeeld. In de jaren ’10 van de 20e eeuw is te zien dat Meijer en Rademaker zich ook gaan toeleggen op kleinschalige utiliteitsgebouwen, die ze combineren met woningen. Het ontwerp van het Weigeliaplein vormde de start van een samenwerking met de ‘Woningbouwvereniging ’s Gravenhage’ en was tevens het eerste grootschalige woningbouwproject dat de twee architecten ontwierpen. Deze samenwerking was blijkbaar lucratief, want hierna realiseerden de architecten nog twee projecten in samenwerking met Woningbouwvereniging ’s Gravenhage. In 1927 werden 91 voornamelijk grondgebonden woningen aan de Larense- en Weesperstraat gerealiseerd, in een klassieke stijl.

In het oorspronkelijke plan ontwierpen Meijer en Rademaker echter 282 woningen, waarvoor zij ter compensatie van het grotendeels niet uitgevoerde project opdracht kregen voor het ontwerp van twee straten aan de rand van de 819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

9

Bezuidenhout. De in 1928 gebouwde en sober vormgegeven portiekwoningen aan de Pijnacker Hordijkstraat en Cornelis van den Lijnstraat vormen tevens het laatst bekende project van de architecten. In de eerste plannen uit 1920 voor het wooncomplex rondom het Weigeliaplein van Meijer en Rademaker is een ontwerp te zien voor een dubbel bouwblok met een hogere buitenste ring van vier lagen bebouwing en een lager binnenste bouwblok door de drie lagen woningen. De bebouwing werd op vier plekken onderbroken door een overbouwde poort, die toegang verleende tot het collectieve hof. De bouwblokken bevatten een grote diversiteit aan woningtypes, die alle een voordeur aan de straat hadden. De woningen op de verdieping waren vervolgens door middel van interne, vervlochten trappen te bereiken. Het blok kende in zijn geheel een rijke detaillering: er was veel aandacht besteed aan de vormgeving van bijvoorbeeld de pilasters in de plint, de horizontale raamindeling en baksteenpatronen in de gevel en de geaccentueerde dakrand.

Stedenbouwkundig plan voor het bouwblok rondom het Weigeliaplein uit 1920 (bron: Bouwarchief Gemeente Den Haag)

Ontwerp van de voorgevel van hogere, buitenste bouwblok uit 1920 (bron: Bouwarchief Gemeente Den Haag)

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

10

Voorgevel van het binnenste bouwblok met poort uit 1920 (bron: Bouwarchief Gemeente Den Haag)

Bij de aanbesteding van de plannen bleek echter dat de bouw veel duurder zou uitvallen dan oorspronkelijk begroot. Dit blijkt uit correspondentie tussen de woningbouwvereniging en de Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting en het Gemeentebestuur, die uiteindelijk grotendeels de bouw van de woningen zouden financieren. De kosten voor de bouw waren volgens protocol van de gemeente om financiering te verkrijgen berekend met de bouwprijzen van 1914. De werkelijke bouwprijzen in 1920 waren echter met circa 150% gestegen. Om deze reden moest het ontwerp grondig worden herzien om de bouwkosten omlaag te brengen.

1922-1924: Het herziene, gerealiseerde ontwerp voor het complex Het nieuwe plan van Meijer en Rademaker voor het bouwblok werd in 1922 ingediend bij de gemeente en was een stuk soberder in vergelijking met de eerdere plannen. Het dubbele bouwblok werd aangehouden, samen met de doorgang ter plaatse van de knik in de voortzetting van de Lijsterbesstraat en de schuin daartegenover geplaatste aftakking van de Hortensiastraat die beide uitkomen op het Weigeliaplein. Dit geldt ook voor de positionering van de hoofdentree van het hof, ter plaatse van de noordwestelijke hoek van het plein. De doorgang in het verlengde van de passage vanuit het Gagelplein werd echter opgeheven, waarschijnlijk om meer woningen te kunnen realiseren. Omdat de bebouwing hier dicht bij elkaar kwam te liggen en er problemen met daglicht ontstonden, is de bebouwing hier lager geworden. Ook kreeg alleen de schuine entree in de noordwestelijke hoek een poort wegens de functie als hoofdentree. De poort werd niet meer overbouwd en de andere poorten vervielen.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

11

Situatieplan van het noordoostelijk deel van het blok met de vervallen doorgang naar het Gagelplein, 1924 (bron: Bouwarchief Gemeente Den Haag)

Meijer en Rademaker vulden de binnen- en buitenbouwblokken op eenzelfde manier in. Alle blokken kregen drie bouwlagen, die afhankelijk van de grootte van de woningen in een aantal beuken van 5 of 6 meter werden gesplitst. Op deze manier ontstonden op elke verdieping woningen van ongeveer 50 m2 met twee slaapkamers, of 60 m2 met drie slaapkamers. Elke beuk had op de begane grond een trapeziumvormig terugliggend portaal, waaraan drie voordeuren gelegen waren. De eerste voordeur leidde naar de woning op de begane grond. Achter de andere twee voordeuren ging een interne trap omhoog, waarbij de middelste deur leidde naar de woning op de verdieping. De trap die het dichtst bij de bouwmuur lag, draaide en liep door tot de woning op de tweede etage. Op deze manier hadden alle woningen een voordeur aan de straat. Alle woningen hadden een keuken, woonkamer, (kleine) buitenruimte en toilet. Grotere woningen werden gemaakt in de afwijkende hoeken van het complex. De woningen waren erg efficiënt en met minimale benodigde maatvoering opgezet. In totaal bevatte het complex 458 woningen.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

12

Plattegronden van de meest voorkomende typen (50 en 60 m2) woningen (bron: Bouwarchief Gemeente Den Haag)

De gevels van de woningen waren uniform vormgegeven en opgetrokken in metselwerk. In de gevel is onderscheid gemaakt tussen de plint en de bovenliggende rest van de gevel. In het bovenste deel ter plekke van de eerste en tweede etage, vlak en effen van aard, bevond zich per verdieping een strook met de gevelopeningen. De gevelopeningen werden ingevuld met houten kozijnen en naar binnen draaiende ramen met vier horizontale regels. De ramen werden aan elkaar verbonden door een strook van met asfalt bespoten stenen, waardoor de zone van gevelopeningen extra werd benadrukt en er horizontaliteit in dit gevelvlak ontstond. De dakrand was eenvoudig en had een klein overstek.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

13

Geveltekening voor het wooncomplex rondom het Weigeliaplein, 1923 (bron: Haags gemeentearchief)

De gevel op maaiveldniveau was plastischer van aard, door de trapeziumvormige entreeruimtes die naar binnen lagen ten opzichte van de rest van de gevel. De stroken met geasfalteerde stenen kwamen ook in dit deel van de gevel terug in zowel de onder- en bovenzijde van de ramen als in lijn met de horizontale regels in de draaiende ramen. De strook boven de vensters op de begane grond werd afgesloten door een betonnen band, die over het gehele complex doorliep en de bouwblokken met elkaar verbond. Op alle hoeken van het complex vond in de gevel een bescheiden verbijzondering plaats. Deze verbijzondering bestond uit het toepassen van een andere dakrand, bestaande uit een band van vier lagen van verticaal geplaatste stenen en eenvoudige hoekornamenten. Daarnaast werden de toegangen tot het binnenterrein in de gevel extra benadrukt. Naast de afwijkende dakrand is er ter plaatse van de hoofdentree van het blok in de noordwestelijke hoek voor gekozen twee lagere volumes ter plekke van de strook tussen de twee ringen bebouwing te realiseren. Hierin werden twee pakhuiswoningen geplaatst. Tussen de twee volumes is de enige poort van het complex gebouwd, waardoor hier een sterk perspectief richting het binnenplein ontstond.

Gevelaanzicht met poort, 1923 (bron: Bouwarchief Gemeente Den Haag)

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

14

Bij de andere twee toegangen tot het binnenterrein is aan de linkerkant van de plek waar de zichtlijn vanuit de straat op het blok terecht komt, ook de verhoogde dakrand toegepast, waarschijnlijk om het grote blok wat op te breken. Daarnaast bevat de gevel hier wat reliëf, door de middelste strook ramen iets verdiept te plaatsen.

Gevel ter plekke van de zichtlijn van de toegang tot het Weigeliaplein, 1922 (bron: Bouwarchief Gemeente Den Haag)

De financiering van het project was na de bezuinigingen in het ontwerp nog steeds niet rond. Pas nadat er vanuit de gemeente Den Haag nieuwe financieringsmogelijkheden waren georganiseerd om ervoor te zorgen dat niet alle woningbouwprojecten stil kwamen te liggen, kon er worden begonnen met de bouw van het complex. Uiteindelijk werd het bouwblok in drie delen gebouwd: eerst werd het noordwestelijke deel vanaf de hoofdingang tot net na de doorgang vanuit de Lijsterbesstraat gebouwd. Hierna volgde het zuidelijke deel, aan de andere kant van de hoofdingang tot de doorgang vanuit de Hortensiastraat. Als laatste werd het oostelijke deel gebouwd en was het bouwblok gereed.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

15

Tweemaal de zuidzijde van het wooncomplex rondom het Weigeliaplein (Hortensiastraat) omstreeks 1926 (bron: Haags Gemeentearchief)

Hoek van het complex, vanaf de Kamperfoeliestraat, ca 1926 (bron: Haags Gemeentearchief)

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

16

Aanpassingen aan het complex Na oplevering ontstond tussen de bewoners al vrij snel een sterke sociale samenhang. Voor de wijk werd de buurt- en wijkvereniging “Weigelia” opgericht. Gedurende de tijd heeft het wooncomplex rondom het Weigeliaplein een aantal wijzigingen gekend.

1936-1940: interne wijzigingen in de winkelwoningen Vrij snel na de oplevering is ervoor gekozen om drie van de in totaal acht aanwezige winkels tot extra woning te maken. Zowel de winkel op de Ribesstraat 95 (in 1936), als de winkels op de Hortensiastraat 89 (in 1937) en de Vlierboomstraat 196 (in 1940) werden opgeheven en op de begane grond werd een extra woning gemaakt. Hiervoor werden twee ramen in de zijgevel dichtgezet en twee ramen in de voorgevel samengevoegd. In de nieuwe woningen werd een extra wand aangebracht om een gang te creëren vanaf de voordeur naar de rest van de ruimtes in de woning. Op de tekeningen van de vergunningsaanvraag is te zien dat een van de twee oorspronkelijke architecten, H.E.M. Rademaker, bij de wijziging betrokken was. Ook is te zien op historische foto’s dat de oorspronkelijk donker gekleurde kozijnen van de ramen aan het einde van de jaren ’30 wit zijn geschilderd. Deze aanpassing is ergens in de jaren daarvoor uitgevoerd. Plattegrond met aangegeven wijzigingen in gevel en plattegrond (bron: Bouwarchief Gemeente Den Haag)

Hoofdingang Weigeliaplein, met dichtgezette gevelopeningen in rechtermuur (rood, Ribesstraat 95) en nog (net) niet aangepaste winkelwoning op de Vlierboomstraat 196 (geel, links) en wit geschilderde kozijnen, omstreeks 1939 (bron: Haags Gemeentearchief)

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

17

1951-1954: het verwijderen van de dakopstand Tussen 1951 en 1954 vond de eerste grote verandering in de gevel plaats. Om de regenwaterafvoer en daarmee ook het gemak van onderhoud van het complex te verbeteren, werden alle verhoogde dakranden ter plekke van de hoeken van het complex gefaseerd verwijderd. Architecten J.C. van Dorsser en J. B. Fels maakten het plan voor de nieuwe dakrand, die uniform werd voor het gehele complex en een iets groter overstek had dan de bestaande rand. Hiervoor werd het bovenste deel (betonrand en twee lagen van de staande bakstenen) van de verhoogde dakrand afgenomen zodat de nieuwe dakrand vlak kwam te liggen met het dak.

Detail van aanpassing dakrand, 1951 (bron: bouwarchief Gemeente Den Haag)

Naast het verwijderen van de dakrand is ergens tussen 1954 en 1970 de poort bij de hoofdentree naar het Weigeliaplein afgebroken. In de archiefstukken van de renovatie uit 1970-1976 is beschreven dat de poort al was afgebroken voordat de renovatie begon. Hiervoor was volgens de stukken geen toestemming van de gemeente Den Haag nodig; de gemeente was dan ook niet betrokken geweest bij het besluit tot afbraak.

1970-1976: renovatie/verbouw van het gehele complex In de jaren ’60 werd duidelijk dat de woningen in veel opzichten niet meer voldeden aan de veranderde woonwensen. Zo ontbrak er een douche in de woningen. Daarnaast waren de woningen in een matige bouwtechnische staat. Om deze redenen werd in 1968 door architect H. W. Meyran begonnen aan een plan voor de renovatie voor het complex. In eerste instantie werd geprobeerd om met minimale maatregelen de woningen te verbeteren. Dit werd uitgeprobeerd in een aantal proefwoningen in de noordoostelijke hoek van het plein (Weigeliaplein 42-61). Deze eerste paar woningen kregen slechts een nieuwe keuken en een douche. Er werd echter geconcludeerd dat deze maatregelen niet het gewenste effect opleverden, omdat de wens naar grotere kamers binnen de veranderde woonwensen niet werd opgelost. In de volgende set proefwoningen werden daarom kamers samengevoegd en werd de keuken verplaatst. Ook werd geëxperimenteerd met het samenvoegen van de eerste en tweede verdieping tot één woning. Deze meer ingrijpende maatregelen werden effectiever geacht, waarna er een plan werd opgesteld voor de rest van de woningen.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

18

Parallel aan de plannen voor het verbeteren van de woningen liep ook een onderzoek naar het bouwen van een ‘dienstencentrum voor bejaarden’ ter plekke van de hoofdentree van het plein, bij de inmiddels gesloopte poort. Dit centrum werd nodig geacht doordat alle woningen op de begane grond in de renovatieplannen waren voorzien voor ouderen. De plannen waren gemaakt door ontwikkelingsgroep N.W.R. en bestonden uit het maken van een overdekte straat met aan weerzijden allerlei kleinere ruimtes voor verschillende hulpvragen. Op de verdieping werden grotere ruimtes ondergebracht, zoals zaaltjes en een bibliotheek. Uiteindelijk zijn deze plannen niet uitgevoerd omdat er teveel kosten verbonden waren aan het opheffen van de openbare straat. Alle nutsvoorzieningen zouden moeten worden verplaatst en de ruimte rondom de andere twee doorgangen zou opnieuw moeten worden ingericht zodat de brandweer het terrein kon blijven bereiken. Hoewel het ‘dienstencentrum voor bejaarden’ nooit gerealiseerd werd, kwamen de plannen voor renovatie uiteindelijk wel tot uitvoering in een omvangrijk en vrij ingrijpend plan. Allereerst werd er per twee beuken een gemeenschappelijke, gesloten portiek aangebracht in de plaats van de trapeziumvormige entrees en achterliggende interne trappen. Deze trappen werden verwijderd, waardoor de ontsluiting efficiënter werd en de geluidsoverlast afnam.

Op de begane grond verdwenen bij een aantal beuken de woningen, zodat hier bergingen gemaakt konden worden. De interne verdeling van de woningen werd aangepast om aan te sluiten op de nieuwe portiek. Een douche werd geplaatst en het aantal slaapkamers werd bij bijna alle woningen teruggebracht tot één. De woningen met meer slaapkamers werden gepositioneerd in de hoeken, omdat de maatvoering hier anders was, en er werden op een aantal plekken woningen samengevoegd, om zo grotere woningen te creëren met meer slaapkamers. Door het maken van de bergingen en het samenvoegen van verdiepingen waren er uiteindelijk 60 woningen minder (van 458 naar 398 woningen), waarbij ook de variëteit in het aantal kamers afnam en er grotendeels tweekamerwoningen overbleven. Deze interne wijzigingen hadden grote consequenties in het gevelbeeld. Ter plekke van de nieuwe interne portiek is de helft van de gevelopeningen op de bovenste twee etages dichtgezet om de nieuwe muren te kunnen plaatsen. Op de begane grond is het gehele trapeziumvormige entreeportaal dichtgezet met metselwerk en moest hiervoor ook een deel van de betonnen plint worden vervangen. Om de bouwtechnische staat van het complex te verbeteren werd besloten om alle ramen te vervangen. Hierbij is een sterk versoberde versie van de ramen teruggebracht, zonder de horizontale roeden en met minder draaiende delen.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

19

L: nieuwe plattegrond van de woningen (bron: Haags Gemeentearchief) R: de consequenties van het toevoegen van een interne portiek voor de gevel: dichtgezette gevelopeningen, dichtgezette begane grond

Veranderingen in het gevelvlak, waarbij de rode delen alles weergeven wat is weggehaald (bron: Architektenkombinatie Bos Hofman BV )

De renovatie leidde bij de bewoners van het Weigeliaplein en buurt- en wijkvereniging “Weigelia” al vanaf het begin tot grote weerstand. In krantenartikelen uit die tijd en correspondentie met de gemeente Den Haag is te lezen dat de bewoners tegen het maken van interne portieken waren, omdat daardoor hangplekken zouden ontstaan en de bewoners hun eigen voordeur aan de straat kwijtraakten. Ook het opofferen van woningen voor fietsenstallingen op de begane grond vonden de bewoners overbodig. Daarnaast was er weerstand tegen het terugbrengen van de variëteit in het woningaanbod. Na veel overleg tussen de woningbouwvereniging en de bewonerscommissie zijn de werkzaamheden alsnog uitgevoerd. De werkzaamheden waren in 1976 gereed. 819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

20

Huidige situatie van het wooncomplex rondom het Weigeliaplein, waarbij de ingrijpende wijzigingen uit de jaren ’70 in de gevel duidelijk afleesbaar zijn

Recent verleden Na de grootschalige aanpassingen in de jaren ’70 hebben er geen noemenswaardige veranderingen meer plaatsgevonden aan het complex. Op dit moment verkeert het complex volgens opgaven in matige bouwtechnische staat, vooral op het gebied van akoestiek en bouwfysica. Daarom worden er opties uitgewerkt voor sloop en nieuwbouw.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

21

Samenvatting historische ontwikkeling Het wooncomplex rondom het Weigeliaplein is onderdeel van de Heesterbuurt, die gebouwd is aan de hand van het stedenbouwkundig uitbreidingsplan van Den Haag, opgesteld door H.P. Berlage tussen 1909 en 1913 om de rap gegroeide bevolking van Den Haag te kunnen huisvesten. In de Heesterwijk, een van de eerste gerealiseerde wijken van het uitbreidingsplan, werd volop geëxperimenteerd met de typologie van het dubbele bouwblok, daarvoor alleen toegepast in Duindorp, en de principes van de latere Nieuwe Haagse School. Het Weigeliaplein is hierbij een van de eerste, grootschalige en in één keer ontworpen en gerealiseerde dubbele bouwblokken. De architecten K. Meijer en H.E.M Rademaker ontwierpen in 1919 in opdracht van “Woningbouwvereniging ’s Gravenhage” een eerste plan voor het blok met arbeiderswoningen (sociale woningbouw). Het plan bestond uit een groot dubbel bouwblok rondom een plein met vier doorgangen, waarbij de buitenste ring vier en de binnenste ring drie bouwlagen zou hebben en de poorten overbouwd werden. De gevels van het plan waren relatief rijk vormgegeven. Door bezuinigingen werden de plannen sterk versoberd, waarnee ze het met behulp van aangepaste financieringsmogelijkheden uiteindelijk toch uitgevoerd konden worden vanaf 1924.

Het dubbele bouwblok had nu slechts drie doorgangen: de doorgang naar het Gagelplein verviel en werd ingevuld door woningen. Daaronder was er slechts één poort, ter plekke van de hoofdentree in westelijke hoek. De woningen in het bouwblok waren efficiënt opgezet en hadden alle een entree op maaiveldniveau, waar interne trappen de woningen op de verdiepingen ontsloten. Door de vorm van het bouwblok ontstonden verschillende woningtypologieën. De gevels zijn te karakteriseren als een sobere vorm van de Nieuwe Haagse School, met horizontale accenten in de roedenverdeling van de ramen en de toepassing van met asfalt afgewerkte rijen stenen. Ter plekke van de hoeken kregen de bouwblokken een verbijzondering door een geaccentueerde dakrand in metselwerk. Op maaiveldniveau was de gevel iets rijker vormgegeven, met meer horizontale rijen met asfalt afgewerkte stenen en de verspringende trapeziumvormige entreeportalen, afgesloten met een betonnen band. Na oplevering werden aan het einde van de jaren ’30 een aantal kleine interne wijzigingen doorgevoerd, waarbij drie winkels werden aangepast tot woningen. Tussen 1951 en 1954 volgde de eerste grote wijziging in het gevelbeeld van het complex, waarbij alle verhoogde dakranden op de hoeken werden afgebroken en vervangen voor een uniforme houten dakrand, om de afwatering te verbeteren.

Als laatste werd tussen de jaren ’50 en ’70 de poort bij de hoofdentree tot het plein verwijderd. Daarna is in de jaren ’70 het complex ingrijpend gerenoveerd, naar een plan van architect H. W. Meyran. Het doel was om het complex bouwtechnisch te verbeteren en de woningen weer te laten voldoen aan de toen gangbare woonwensen. Ook werd er een plan gemaakt voor een ‘dienstencentrum voor bejaarden’, dat uiteindelijk niet is uitgevoerd. Na realisatie van een reeks proefwoningen in de noordwestelijke hoek van het Weigeliaplein werd gekozen voor een plan met veel wijzigingen. De interne trappen werden vervangen door een collectieve portiek en de indeling van de woningen werd gewijzigd. Dit vertaalde zich naar de gevel, waar een groot deel van de trapeziumvormige entreeportalen en een deel van de raamopeningen werden dichtgezet. Ook werden alle kozijnen vervangen, waarbij de karakteristieke horizontale roeden verdwenen. Intern werd een deel van de woningen op de begane grond opgeofferd om bergingen te maken, werden er kamers samengevoegd en verdiepingen gecombineerd en kregen alle woningen een nieuwe keuken en een douche. Na deze aanpassingen vonden er geen grote wijzigingen meer plaats in het complex.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

22

Externe waardenstelling Het wooncomplex rondom het Weigeliaplein is niet als monument beschermd. Desondanks vertegenwoordigt het complex wel bepaalde cultuurhistorische waarden. Om deze te duiden, wordt in het navolgende nader ingegaan op de externe waardestelling van het complex. Tevens worden de belangrijkste daarmee verbonden kernkarakteristieken benoemd en wordt er aandacht besteed aan de kernkarakteristieken die het complex had in oorspronkelijke staat, maar die door de latere aanpassingen nu verdwenen zijn. Een interne waardenstelling, waarin de waarderiring voor ieder specifiek onderdeel van de gebouwe bepaald zou worden, zoals gebruikelijk onderdeel is van een bouwhistorisch onderzoek volgens de Richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek 2009, is niet opgesteld omdat juist de bredere visie voor deze opgave relevant is. Bij een externe waardestelling wordt ingegaan op de volgende vijf aspecten: - algemene historische waarden; - stedenbouwkundige of ensemblewaarden; - architectuurhistorische waarden; - bouwhistorische waarden; - gebruikshistorische waarden. Elk van deze aspecten wordt, voor zover relevant, getoetst aan de hand van de criteria gaafheid, authenticiteit en zeldzaamheid. Bij het opstellen van de waardering wordt geen rekening gehouden met de bouwtechnische toestand, gebruikersbelangen, eventuele ontwerpoverwegingen of financiele aspecten.

Algemene historische waarden Het wooncomplex heeft een hoge cultuurhistorische waarde als tastbare herinnering aan de sociaal-economische ontwikkeling en groei van de stad Den Haag gedurende het begin van de 20e eeuw. Het bouwblok maakt deel uit van de uitwerking, gebaseerd op het uitbreidingsplan van H. P. Berlage voor de stad en is een voorbeeld van de manier waarop sociale woningbouw structureel werd ingepast.

Stedenbouwkundige of ensemblewaarden Het dubbele bouwblok rondom het Weigeliaplein is als één ensemble ontworpen, met een complete binnen- en buitenring rondom een collectief hof. Vervolgens is het geheel in één keer gebouwd. Hierdoor ontstond een compleet ensemble met dezelfde vormgeving, wijze van verbijzondering in de hoeken en gelijkmatige hoogte. Daarnaast is ook de stedenbouwkundige opzet en inpassing in de omgeving karakteristiek, door de samenhang met andere vergelijkbare blokken in de omgeving. Het geheel is daarbinnen een van de weinige en relatief vroeg gebouwde nog bestaande dubbele bouwblokken in Den Haag. De vorm en de routing door het bouwblok is, in tegenstelling tot andere dubbele bouwblokken met hof, asymmetrisch opgezet om het blok in te passen in de stedenbouwkundige structuur. Het is erg groot van schaal. Het wooncomplex vertegenwoordigt om al deze redenen een hoge stedenbouwkundige en ensemblewaarde.

Architectuurhistorische waarden De woningen rondom het Weigeliaplein hadden in hun oorspronkelijke vorm een hoge architectuurhistorische waarde, die door latere aanpassingen grotendeels teniet is gedaan. In de oorspronkelijke toestand is het complex samen met het naastgelegen blok rondom de 2e Braamstraat het eerste dubbele bouwblok waar de principes van de Nieuwe Haagse School zichtbaar waren. Overigens is dit bij het blok rondom de 2e Braamstraat in zijn geheel niet meer zichtbaar door een ingrijpendere renovatie. Kenmerkend in het complex rondom het Weigeliaplein waren de homogene gevels, met verbijzondering in de dakrand op de hoeken van het complex. Ook waren er duidelijk horizontale accenten, bijvoorbeeld in de roedenverdeling in de ramen, de rijen

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

23

met asfalt bespoten stenen tussen de ramen en de betonnen plint rondom het complex. In de huidige toestand benadrukken de betonnen plint, de horizontale ramen en het feit dat de blokken dezelfde bouwhoogte hebben nog altijd de horizontaliteit. De verbijzondering in het detail is echter tijdens latere aanpassingen grotendeels verdwenen, waardoor een vrij sober geheel resteert. Er kan worden gesteld dat de architectuurhistorische waarden in oorspronkelijke toestand hoog waren, maar dat er op dit moment nog slechts matige waarden resteren.

Bouwhistorische waarden Wegens de aard van het complex, als sociale woningbouw, is het geheel gebouwd met eenvoudige en op dat moment gangbare materialen. Een aantal elementen heeft in het oorspronkelijke ontwerp extra aandacht gekregen, met de beperkte middelen die beschikbaar waren. Deze waren op dat moment van gematigde bouwhistorische waarde, doordat zij een eerste stap naar de Nieuwe Haagse School vertegenwoordigen. Het zijn stijlelementen zoals de verhoogde dakrand op de hoeken, de oorspronkelijke raamkozijnen, de horizontale belijning met de geasfalteerde stenen en de poort bij de hoofdentree. Al deze details zijn weggehaald bij de aanpassingen in de jaren ’70. Omdat het in beginsel al niet gaat om elementen met een hoge waarde en het op dit moment slechts om details gaat die niet meer te vinden zijn in de huidige toestand, is de bouwhistorische waarde van het complex gering.

Gebruikshistorische waarden De gebruikshistorische waarde van het wooncomplex rondom het Weigeliaplein is positief te noemen. Een hogere waarde is vooral te vinden in het besloten hof, waaromheen de woningen zich bevinden. Al sinds 1925 zorgt het hof voor een gemeenschapszin en collectiviteit tussen de bewoners, die nog altijd voortduurt. Deze collectiviteit kwam initieel voort uit het feit dat alle voordeuren van de woningen zich direct aan het hof bevonden. De woningen zelf waren in hun oorspronkelijke vorm efficiënt opgezet op een gangbare manier, echter wel met grote diversiteit in woningtypologie, wat bijdroeg aan de mogelijkheid tot het plaatsen van veel verschillende soorten huishoudens. Bij de aanpassingen in de jaren ’70 is deze oorspronkelijke structuur grotendeels verdwenen door de aanpassingen in de ontsluitingsvorm (van interne trap naar collectieve portiek), vermindering van het aantal slaapkamers en het plaatsen van een douche. De gebruikshistorische waarde van de woningen zelf is daarmee ondergeschikt aan de hoge waarde van het collectieve hof.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

24

Duiding van de externe waarden in kernkarakteristieken Uit de externe waardenstelling van het wooncomplex rondom het Weigeliaplein blijkt, dat het complex een aantal waarden vertegenwoordigt. Het is van belang om nader te duiden in welke aspecten of onderdelen van het complex deze waarden concreet terugkomen. Om deze reden zal telkens een van de aspecten besproken worden, die kernkarakteristiek wordt genoemd, waarbij duidelijk wordt gemaakt waarom het bepaalde waarden representeert. Bij het vaststellen van de kernkarakteristiek en het daarmee duiden van de waarden, wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden die op dit moment nog aanwezig zijn en de waarden die er – voor de grootschalige aanpassingen – geweest zijn. Dit wordt gedaan omdat het inachtnemen van reeds verdwenen kernkarakteristieken de waarde van het complex in de toekomst kan versterken.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

25

Kernkarakteristieken in bestaande toestand

1 De vorm: het dubbele bouwblok De specifieke vorm van het wooncomplex rondom het Weigeliaplein, de grote dubbele ring aan bebouwing van gelijke hoogte, vertegenwoordigt een aantal externe waarden en is daarmee een kernkarakteristiek van het complex. De vorm van het bouwvlok symboliseert allereerst de algemene historische waarde, omdat het de visie op stedenbouw uit die tijd vertegenwoordigt. Nog meer representeert de vorm van het bouwblok stedenbouwkundige waarden, aangezien het om een vroege toepassing van het dubbele bouwblok gaat, die groot is, in één keer ontworpen en gerealiseerd is en op dit moment nog bestaat. Andere contemporaine complexen, zoals de naastgelegen dubbele bouwblokken, zijn allemaal kleiner van schaal, of niet in één keer gebouwd (Vlierboomplein en Gagelplein) of nog ingrijpender gerenoveerd (2e Braamstraat), of inmiddels gesloopt (in Duindorp).

Het twee ringen aan bebouwing van het Weigeliaplein

Vergelijking in grootte van dubbele bouwblokken uit dezelfde tijd

Dubbele, gelijkvormige bouwblokken

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

26

2 De toegangen: weloverwogen geplaatste en gering aantal entrees Door het dubbele bouwblok ontstaat een collectieve binnenruimte. De positionering en het aantal toegangen tot het hof in het dubbele bouwblok, vormt de tweede kernkarakteristiek van het complex. Het representeert de hoge stedenbouwkundige waarde, doordat de toegangen weloverwogen in de stedenbouwkundige structuur van de omliggende wijk en het plein zelf zijn geplaatst. Op het punt waar de meeste wegen samenkomen, in de westelijke hoek, is de hoofdentree van het blok gepositioneerd, die met een schuine lijn het blok binnenkomt. Daarnaast zijn haaks op het bouwblok twee zijentrees geplaatst. De ene sluit aan op de Lijsterbesstraat. De andere toegang is hier bewust niet tegenover geplaatst, om ervoor te zorgen dat het al grote hof niet doorkruisd wordt door een centrale weg, maar dat beide toegangen ‘doodlopen’ in de gevelwand. Dit alles haakt ook aan op de gebruikshistorische waarde, aangezien de weinige en zorgvuldig geplaatste entrees bijdragen aan de beslotenheid in sfeer die het grote hof wel heeft. Overigens moet worden opgemerkt dat in eerdere plannen een extra doorgang was voorzien naar het Gagelplein op de plek waar de binnenste en buitenste ring erg dicht op elkaar staan.

Hierdoor kon er een doorlopende hofstructuur ontstaan (met het Gagelplein) en was de stedenbouwkundige inpassing van de hof in de wijk sterker geweest. Wel was hierdoor de beslotenheid van de hof beperkter geworden. Uiteindelijk is er wegens financiële redenen toch voor gekozen hier woningen te plaatsen.

Zijtoegang vanuit Lijsterbesstraat

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

De toegangen tot het binnenterrein van het bouwblok

Hoofdentree tot Weigeliaplein

27

3 Het grote, maar collectieve hof Het dubbele bouwblok en de positionering van de toegangen creëren samen het gezamenlijke hof van het complex. Dit hof vertegenwoordigt allereerst een hoge stedenbouwkundige waarde, aangezien deze opzet ervoor zorgt dat het grote bouwblok wordt teruggebracht naar een kleinere, besloten schaal en er op deze manier een groot aantal woningen in het bouwblok kan worden gerealiseerd, zonder de hoogte in te moeten. Daarnaast vertegenwoordigt het hof ook de gebruikshistorische waarden van collectiviteit in het gehele woonblok. Door bewoners aan het hof te laten wonen, nodigt het de bewoners uit om samen te komen en is er in de loop der jaren een grote gemeenschapszin ontstaan. Het gevoel van het gezamenlijke hof wordt versterkt door de eerder genoemde, weloverwogen geplaatste en weinige entrees tot het bouwblok. De entrees zijn zo geplaatst (niet tegenover elkaar) dat er geen grote verkeersstromen kunnen ontstaan en het hof hierdoor een zekere intimiteit verleent. Op deze manier ontstaat een grote, groene ruimte, die wel tegelijkertijd intiem en collectief aandoet door de stedenbouwkundige inpassing.

Het naar binnen gerichte, grote en collectieve hof van het Weigeliaplein

Gezamenlijke hof vanuit west (l) en oost (r)

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

28

4 Uniformiteit en eenvoud in vormgeving De kernkarakteristiek ‘uniformiteit en eenvoud in vormgeving’ representeert de stedenbouwkundige waarde en de nog aanwezige, eerdere hoge, architectuurhistorische waarde van het complex. Het gehele blok, zowel de binnenste als de buitenste ring, is ongeacht het type woning dat achter de gevel gepositioneerd is, op eenzelfde manier vormgegeven. Overal wordt de gevel opgebouwd uit baksteen, hebben (of hadden in het geval van dichtzetting) de ramen dezelfde formaten en is de plint met dezelfde elementen opgebouwd. De uniformiteit is ook op grotere schaal herkenbaar en kent nog een zekere horizontaliteit, die in de oorspronkelijke situatie overigens veel meer naar voren kwam. De langgerektheid, de betonnen band boven de plint en de gelijke hoogte van alle bouwblokken zorgen voor een horizontale belijning en geven uniformiteit aan het gevelbeeld. Overigens is de feitelijke hoogte van het bouwblok in dit geval iets minder van belang. Het complex zou vanwege de grootte een iets hogere bouwhoogte kunnen verdragen, mits deze net zoals nu, uniform is opgezet. Doordat het Binnenring en buitenring met zelfde eenvoudige gehele blok op dezelfde manier is opgezet, is vormgeving het geheel duidelijk afleesbaar als stedenbouwkundig ensemble in de wijk. Dit sluit aan op de stedenbouwkundige waarden die aanwezig zijn in het complex.

Langgerekt bouwblok met gelijke bouwhoogte

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

Perpectivische lijnen ontstaan, uniforme vormgeving

29

Kernkarakteristieken in de reeds verdwenen waarden van het oorspronkelijke ontwerp

1 Weloverwogen geplaatste architectonische details Omdat er in het ontwerpproces van het bouwblok bezuinigd moest worden en het arbeiderswoningen betrof (sociale huurwoningen), moest er met minimale middelen een prettige woonplek gemaakt worden. Om deze reden zijn doelgericht op bepaalde plekken verbijzonderingen in detaillering toegepast in het oorspronkelijke ontwerp. Op dit moment zijn deze nagenoeg allemaal verdwenen. Op alle hoeken waren de dakranden hoger, met een ander baksteenpatroon. Er was relief in de gevels op de begane grond door de trapeziumvormige entreeportalen en er was een dubbele poort bij de hoofdentree om deze extra te benadrukken. Horizontale belijning werd in de gevel gebracht door rijen stenen te bespuiten met asfalt om deze zo donker te maken en ramen te kiezen met horizontale roeden. De verbijzonderingen zijn bewust geplaatst op belangrijke plekken in het complex: de hoeken, de plint en de hoofdentree. Het accentueren op de juiste plekken met minimale middelen representeert de hoge architectuurhistorische waarde die het complex eerder had, maar ook de algemene historische waarde van de sociaaleconomische tijd waarin het complex gebouwd is.

De dubbele poort ter plekke van de hoofdentree van het plein (1939)

Verbijzondering in de dakrand, horizontale roeden (1926)

Met asfalt bespoten bakstenen banden tussen de ramen met horizontale roeden (1926)

De terugliggende trapeziumvormige entreeportalen en met asfalt bespoten baksteenbanden die doorlopen in roeden van de ramen en voordeuren (1926)

(bron alle afbeeldingen: Haags gemeentearchief)

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

30

2 Diversiteit in woningtypologie In oorspronkelijke toestand was er een sterk contrast tussen de uniform vormgegeven gevel waarachter een grote diversiteit in woningtypologieën te vinden was. Dit zorgde ervoor dat veel verschillende soorten huishoudens in het complex konden wonen. In het uitbreidingsplan werd het van belang geacht om woningen te realiseren voor verschillende soorten huishoudens. Dit aspect draagt daarom bij aan de gebruikshistorische waarde en algemeen historische waarde van het complex. De diversiteit in woningtypologieën is echter verdwenen bij de renovatie in de jaren ’70, toen 85% van de woningen tweekamerwoning werd.

Woningtotalen voor en na renovatie in de jaren ’70 (bron: gemeentearchief Den Haag)

1

4

3

2

1 2

3

Woningplattegrond uit oorspronkelijke toestand van de meest voorkomende drie- en vierkamerwoningen (bron: bouwarchief Gemeente Den Haag)

3 Voordeur aan de straat Een kernwaarde van het oorspronkelijke ontwerp was het feit dat alle woningen een voordeur aan de straat hadden. Dit vertegenwoordigt gebruikshistorische en stedenbouwkundige waarde in het oorspronkelijke ontwerp. Dit werd mogelijk gemaakt door de stedenbouwkundige inpassing van het dubbele bouwblok, waardoor zowel aan de omliggende straten als in het hof hoofdentrees voor de woningen gemaakt konden worden. In het gebruik zorgde het feit dat de voordeuren aan de straat gelegen waren voor herkenbaarheid van individuele woningen in het grote bouwblok en collectiviteit tussen bewoners.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

Voordeur aan de straat in het oorspronkelijke ontwerp, 1926 (bron: Haags gemeentearchief)

31

Conclusie Het wooncomplex in de vorm van een dubbel bouwblok rond het Weigeliaplein maakt deel uit van de grote uitbreiding van de stad Den Haag en is opgeleverd in 1925. Het gehele complex is in twee fasen sterk aangepast, beginnend in de jaren '50, maar met name bij de grootschalige renovatie in de jaren ’70. Hierdoor zijn veel karakteristieke elementen van het complex verdwenen of sterk verschraald. Niet alle cultuurhistorische waarde van het complex is daarmee echter verdwenen. Dit blijkt ook al uit het feit dat er vanuit onder andere een groep huidige bewoners weerstand is tegen het feit dat het blok gesloopt zou worden ten behoeve van nieuwbouw. Dit onderzoek illustreert dat de cultuurhistorische waarde van de huidige, nu bestaande situatie voornamelijk op stedenbouwkundig niveau in de algehele opzet van het wooncomplex zit. Dit blijkt uit de opgestelde kernkarakteristieken van het (toch vrij unieke) dubbele bouwblok, met de bewust geplaatste openingen in de twee ringen van bebouwing die toegang geven tot het collectieve hof. Het hof heeft, ondanks de grootte, door de vorm van het bouwblok en de plaatsing van de toegangen een geborgen sfeer. Het geheel is vormgegeven op een uniforme en sobere manier, met overal dezelfde hoogtes en materialen, wat bijdraagt aan het gevoel van collectiviteit.

Deze kernkwaliteiten leiden tot een prettige woonomgeving, die kan worden omschreven als collectief en geborgen ondanks de grootte van het bouwblok. In het verleden had het complex meer kernkwaliteiten, die in de huidige situatie niet meer als dusdanig te herkennen zijn. De diversiteit in woningtypologie en de voordeuren aan de straat, stonden samen met de eerder genoemde en nog bestaande kernkwaliteiten aan de basis van de creatie van een prettige woonplek. De weloverwogen geplaatste architectonische details droegen bij aan het geven van identiteit aan de plek. Het is aan te bevelen de gestelde kernkwaliteiten zorgvuldig mee te nemen in de planvorming voor de toekomst van het complex. Aanpassingen zijn ook vanuit de optiek van het behoud van cultuurhstorische waarden te verantwoorden, mits deze kwaliteiten in acht genomen worden en bij de ingrepen niet ondersneeuwen. Dit vraagt om een zorgvuldig en weloverwogen ontwerp, dat consequent naast de meetlat van de omschreven kernkwaliteiten gewogen moet worden. De reeds verdwenen kernkarakteristieken kunnen daarbij worden gezien als manieren om de plannen te versterken. Op deze manier kan er tegemoet worden gekomen aan de huidige kwaliteiten van het wooncomplex rondom het Weigeliaplein, waarbij de cultuurhistorische waarde van het complex en de prettige woonplek kunnen worden geborgd.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

32

Literatuur: - V. Freijser; Het veranderende stadsbeeld van Den Haag. Plannen en processen in de Haagse Stedenbouw 1890 – 1990. Zwolle Waanders (1991). - R. Kleinegris, F. van der Burg, J. de Leeuwe; Compact en Harmonisch. Sociale woningbouw in Den Haag 1850-2015. Stokerkade (2016) - Teunissen, M. M. (2020). Tussen wal en schip: Stedenbouwkundige en architectonische karakteristieken van de Heesterbuurt in Den Haag. In S. van Faassen, C. Hein, & P. Panigyrakis (editors), Dutch connections: Essays on international relationships in architectural history in honour of Herman van Bergeijk (blz. 351-365). (Inaugural speeches and other studies in the Built Environment; Vol. special issue). Delft University of Technology. Websites: - www.delpher.nl - www.topotijdreis.nl - www.haagsekaart.nl Geraadpleegde archieven en instanties: - Het Gemeentearchief Den Haag - Het Bouwarchief, Gemeente Den Haag Bronvermelding illustraties en foto’s staan onder de desbetreffende afbeeldingen beschreven. Overige illustraties en foto's door de auteurs.

819 / Bureau Polderman – cultuurhistorie | restauratie | architectuur

33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14317235/1