RIS319191 Bijlage 1 Voorjaarsnota 2024
Tekst van het document
Voorjaarsnota 2024
Inleiding Voor u ligt de Voorjaarsnota 2024. In de voorjaarsnota is het budgettaire kader voor de begrotingsvoorbereiding opgenomen. Het gaat om het beleidsarme budgettaire beeld voor de meerjarenbegroting van de gemeente Den Haag. Daarnaast gaat deze voorjaarsnota in op de nieuwe financieringssystematiek van het gemeentefonds, de trendcompensatie voor de gestegen lonen en prijzen en een aantal overige financiële ontwikkelingen, waaronder de effecten van het Hoofdlijnenakkoord. Het budgettaire kader uit de voorjaarsnota dient als uitgangspunt voor de verdere begrotingsvoorbereiding. In het vervolgtraject van de begrotingsvoorbereiding worden de financiële opgaven en mogelijke oplossingen afgewogen tegen dit budgettaire kader. De uitkomst van de gemaakte keuzes zal landen in de programmabegroting 2025-2028, die de raad in september ontvangt. In het budgettaire beeld van deze voorjaarsnota zijn de uitkomsten van de meicirculaire (publicatie 27 mei) van het Rijk meegenomen. De voorjaarsnota van het Rijk vormt de basis van de meicirculaire. Op 25 april bent u hierover geïnformeerd (RIS 318723). Op basis van de meicirculaire wordt duidelijk hoeveel middelen Den Haag precies van het Rijk krijgt.
In de meicirculaire worden namelijk ook financiële ontwikkelingen meegenomen die niet in de Voorjaarsnota staan, zoals de reguliere actualisatie van de verdeelmaatstaven van het gemeentefonds. In de verdere begrotingsvoorbereiding worden ook de uitkomsten van de 4-maandsrapportage betrokken die de raad tegelijkertijd met de voorjaarsnota ontvangt. In de 4-maandsrapportage rapporteert het college over de actuele begrotingsuitvoering en het college geeft een prognose af op de lopende jaarschijf (2024) bij ongewijzigde voortzetting van het staande beleid. Hierdoor kan het college sturen op majeure financiële voor- en nadelen. In hoofdstuk 2 wordt toegelicht wat de nieuwe financieringssystematiek van het gemeentefonds betekent voor de gemeente Den Haag. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de teruggang van het gemeentefonds vanaf 2026, de nieuwe financieringssystematiek van het gemeentefonds en het schrappen van de opschalingskorting. Door deze ontwikkelingen ontvangt Den Haag per saldo meer middelen vanuit het Rijk dan in de huidige begroting rekening mee is gehouden. In hoofdstuk 3 is het budgettaire beeld weergeven. In dit hoofdstuk zijn de exogene ontwikkelingen in beeld gebracht die de omvang van de begroting beïnvloeden, zonder dat de gemeente hier direct op kan sturen. Knelpunten die (mogelijk) volgen uit de lopende begrotingsuitvoering zijn niet opgenomen.
Algemeen uitgangspunt is dat deze knelpunten binnen het beleidsprogramma worden opgelost. Hierbij kunt u denken aan het temporiseren van eigen beleid of de uitvoering of andere inhoudelijke keuzes. Als dat niet mogelijk is, worden deze knelpunten bezien in de verdere voorbereiding van de meerjarenbegroting. In hoofdstuk 4 wordt de trend-voor-trend systematiek toegelicht. In de meicirculaire is opgenomen hoeveel loon- en prijsbijstelling gemeentes ontvangen. Uitgangspunt is dat de loon- en prijscompensatie die we van het Rijk krijgen doorverdeeld wordt naar de begrotingsprogramma's. Ook de overige inkomsten van de gemeente worden met dit percentage geïndexeerd. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op een aantal overige relevante financiële ontwikkelingen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de effecten van het Hoofdlijnenakkoord. Vervolgens wordt conform de motie ‘hou je aan de regels’ (RIS 317607) vooruitgeblikt hoe aan de begrotingsregels voldaan kan worden. Daarnaast wordt ingegaan op de jeugdzorg, de negatieve programmareserves en de reserve grondbedrijf.
2
Nieuwe financieringssystematiek gemeentefonds Op 27 mei heeft het Rijk de meicirculaire gepubliceerd. De meicirculaire geeft het meest actuele beeld van de ontwikkeling van het gemeentefonds. Voor de ontwikkeling van het gemeentefonds wordt onderscheid gemaakt tussen de volumeontwikkeling van het gemeentefonds, dat wat extra is, en hoeveel de gemeente ontvangt voor loon- en prijsstijgingen (nominale deel). De gemeente verdeelt de loon-en prijscompensatie over de begroting via de trend-voor-trend systematiek. Dit wordt verder toegelicht in hoofdstuk 4. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volumeontwikkeling van het gemeentefonds. In de meicirculaire zijn de effecten van het Hoofdlijnenakkoord nog niet verwerkt, in hoofdstuk 5 wordt hier verder op ingegaan. 2.1 Teruggang gemeentefonds vanaf 2026 Eind 2021 zijn in het coalitieakkoord van het Rijk de rijksuitgaven verhoogd. Op dat moment gold de ‘trapop-trap-af-systematiek’, waardoor de omvang van het gemeentefonds meebewoog met de rijksuitgaven. Als gevolg hiervan kreeg Den Haag in de meicirculaire 2022 meer middelen vanuit het gemeentefonds oplopend tot € 118 mln. in 2025. In de programmabegroting 2023-2026 zijn daarnaast de nadelige effecten van de herverdeling van het gemeentefonds en de opschalingskorting verwerkt. Deze nadelige effecten zijn opgevangen binnen het budgettaire vertrekpunt.
Tabel 1 laat het totale budgettaire vertrekpunt zien dat is opgenomen in de programmabegroting 2023-2026. Tabel 1. Budgettair vertrekpunt programmabegroting 2023-2026 Bedragen in € 1.000
2023
2024
2025
2026
Actualisatie accresraming (volume)
63.000
94.000
118.000
118.000
Herverdeling gemeentefonds
-4.150
-12.450
-20.750
-20.750
0
0
0
-30.000
58.850
81.550
97.250
67.250
Opschalingskorting Budgettair vertrekpunt
In de begroting 2023-2026 is verondersteld dat het volumeaccres vanaf 2026 gelijk bleef aan het volumeaccres van 2025. In 2026 bedroeg het volumeaccres echter maar €64 mln. in plaats van €118 mln. Deze teruggang van € 54 mln. is niet in de programmabegroting 2023-2026 verwerkt, omdat de gemeenten nog in gesprek waren met het Rijk. Verondersteld is dat het Rijk de teruggang volledig zou compenseren. Dit is echter niet gebeurd. Vanaf 2026 hebben de gemeenten structureel € 1 miljard gekregen. Voor Den Haag betekent dit dat we structureel €39 mln. erbij hebben gekregen. Van de teruggang van het gemeentefonds van €54 mln. resteert hierdoor een structurele teruggang van € 15 mln. vanaf 2026, zoals weergegeven in tabel 2. Tabel 2. Afname gemeentefonds in 2026 Bedragen in € 1.000
2026
Afname gemeentefonds begroting 2023-2026 (€ 118 mln. - € 64 mln.)
-54.000
€ 1 miljard euro compensatie
39.000
Resterend tekort afname gemeentefonds
15.000
Deze € 15 mln. maakt onderdeel uit van het structurele tekort van € 19 mln. dat is opgenomen in de programmabegroting 2024-2027. Dit tekort is hoger door de oploop van kapitaallasten en de aangenomen raadsvoorstellen voor extra middelen voor de raadsorganisatie en GAD (pagina 12, programmabegroting 2024-2027). 2.2 Minder extra inkomsten gemeentefonds door loslaten ‘trap-op-trap-af-systematiek’ In 2022 is het gemeentefonds tot en met 2025 verhoogd als gevolg van de ‘trap-op-trap-af’ systematiek, zoals hierboven (2.1) toegelicht. Voor 2026 is de hoogte van het gemeentefonds echter vastgezet. Zoals hierboven toegelicht is de hoogte van het gemeentefonds in 2026 uiteindelijk € 15 mln. lager dan in 2025. Met de oude ‘trap-op-trap-af-systematiek’ zou het gemeentefonds in 2026 gegroeid zijn. Deze groei lopen de gemeenten mis. Hier tegenover staat dat het gemeentefonds niet naar beneden bijgesteld wordt als het Rijk bezuinigd, zoals bij het nieuwe hoofdlijnenakkoord (trap-af). Daarnaast zal het gemeentefonds vanaf 2027 meegroeien met het bruto binnenlands product (BBP) zoals hieronder toegelicht.
3
2.3 Nieuwe indexatiesystematiek vanaf 2027 In de Miljoenennota 2024 heeft het rijk besloten dat het gemeentefonds vanaf 2027 geïndexeerd wordt aan de hand van de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (BBP). De ontwikkeling van het gemeentefonds wordt hiermee transparanter en beter voorspelbaar waardoor de begroting stabieler wordt. Voor de indexatie van het gemeentefonds wordt onderscheid gemaakt tussen de volumeontwikkeling van het BBP en de prijsontwikkeling van het BBP: o Het volumedeel van het gemeentefonds wordt gebaseerd op het gemiddelde van de volumegroei van het BBP in de achterliggende 8 jaren (t-9 t/m t-2). o Het prijsdeel wordt gebaseerd op het geraamde prijspeil bbp van het lopende jaar, zoals geraamd met het CEP (Centraal Economisch Plan) in het voorjaar. In de Meicirculaire van het Rijk is de meest actuele raming van deze nieuwe systematiek opgenomen. In 2027 neemt het gemeentefonds toe met 4,45% en in 2028 met 4,22%. Rekening houdend met de benodigde middelen voor de loon- en prijsontwikkeling (trend) komt er in 2027 € 8 mln. en vanaf 2028 structureel € 20 mln. beschikbaar voor Den Haag. 2.4 Eerdere invoering nieuwe indexatiesystematiek In de Voorjaarsnota 2024 heeft het Rijk besloten om de nieuwe BBP-systematiek al vanaf 2024 in te voeren.
Dit levert een nadeel op dat wordt gecompenseerd door het Rijk, met uitzondering van een incidenteel nadeel van €675 mln. in 2025. Voor Den Haag betekent dit een nadeel van circa € 30 mln. in 2025. 2.5 Schrappen opschalingskorting In de Voorjaarsnota heeft het Rijk daarnaast besloten om de opschalingskorting te schrappen. In de begroting van 2023-2026 (pagina 12) heeft Den Haag de opschalingskorting reeds verwerkt. Dit in de geest van de regels budgetdiscipline die voorschrijven dat tegenvallers direct worden verwerkt en meevallers pas wanneer ze gerealiseerd zijn. Het schrappen van deze korting betekent een structureel voordeel van circa €30 mln. vanaf 2026. In tabel 2 staat het totale effect van het schrappen van de opschalingskorting en de nieuwe financieringssystematiek voor Den Haag weergegeven. Tabel 3. Gemeentefonds Bedragen in € 1.000
2025
2026
2027
2028
8.000
20.000
30.000
30.000
30.000
30.000
38.000
50.000
Gemeentefonds BBP-groei vanaf 2027 Opschalingskorting schrappen
4
Eerdere invoering nieuwe systematiek
-30.000
Budgettair vertrekpunt
-30.000
Budgettair beeld Onderstaande tabel geeft het budgettaire beeld weer. De weergegeven cijfers zijn ten opzichte van de huidige, door de raad vastgestelde, meerjarenbegroting. Hieruit volgt het vertrekpunt voor de programmabegroting 2025-2028. Daarnaast is ook het jaar 2024 meegenomen. In de tabellen zijn de plussen voordelig voor het meerjarenbeeld, en de minnen nadelig. In totaal laat het beeld een voordeel zien dat oploopt van € 25,1 mln. in 2024 tot structureel € 39,9 mln. in 2028. Tabel 4. Budgettair beeld Bedragen in €1.000
2024
2025
2026
2027
2028
-16.293
-18.993
-18.993
8.000
20.000
30.000
30.000
30.000
2.846
2.846
2.846
2.846
1. Structureel tekort 2a. Gemeentefonds BBP-groei 2b. Opschalingskorting 2c. Eerdere invoering nieuwe systematiek
-30.000
2d. Afrekening BTW-compensatiefonds 2023
10.000
3a. Dividend Stedin
5.476
3b. Naheffing BTW verkoop Eneco
-415
3c. Dividend BNG
-450
4. Algemene reserve
22.200
5. Rente
19.900
23.800
15.800
8.400
-5.200
6. Parkeren
3.100
2.800
3.800
7.200
7.100
7. Erfpacht
-4.700
-4.400
600
1.100
8. Vrijval kapitaallasten
1.700 2.450
9. Kasschuif
-30.000
30.000
Totaal
25.111
25.046
36.753
38.553
39.903
3.1. Structureel tekort In de begroting 2024-2027 is een structureel tekort opgenomen van € 16,3 mln. in 2026 en structureel € 19 mln. vanaf 2027. Zoals in hoofdstuk 2 is toegelicht is dit tekort het gevolg van de teruggang van het gemeentefonds vanaf 2026 met € 15 mln. en door de oploop van kapitaallasten en de aangenomen raadsvoorstellen voor extra middelen voor de raadsorganisatie en GAD. 3.2 Gemeentefonds Zoals in hoofdstuk 2 toegelicht levert de nieuwe financieringssystematiek van het gemeentefonds in 2027 een voordeel op van € 8 mln. en vanaf 2028 structureel € 20 mln. Daarnaast is de opschalingskorting voor gemeenten geschrapt. Omdat deze korting al in de begroting van Den Haag is verwerkt, levert dit een structureel voordeel op van € 30 mln. vanaf 2026. Verder leidt de versnelde invoering van de nieuwe financieringssystematiek tot een incidenteel nadeel van € 30 mln. in 2025. Tot slot leidt de afrekening van het BTW-compensatiefonds over het jaar 2023 tot een voordeel van € 10 mln. 3.3. Dividenden verbonden partijen Jaarlijks worden de verwachte dividendopbrengsten geactualiseerd op basis van de ontvangen bedragen in het lopende jaar en de meerjarenperspectieven van de verbonden partijen. Dit geeft aanleiding voor de volgende bijstellingen: Dividend Stedin Het dividend dat de gemeente Den Haag in 2024 ontvangt over het resultaat van 2023 bedraagt € 7,630 mln.
in plaats van de geraamde € 2,154 mln. dit levert een incidenteel voordeel op van € 5,476 mln. Op basis van de dividendprognoses van Stedin voor de komende vier jaar wordt de raming structureel verhoogd van € 2,154 naar € 5 mln. Dit levert vanaf 2025 een structureel voordeel op van € 2,846 mln.
5
Naheffing BTW verkoopkosten Eneco Bij de verkoop van Eneco is er ten onrechte geen BTW betaald over de adviseurskosten bij de verkoop en is een BTW bedrag ten onrechte teruggevorderd. Deze BTW moet alsnog betaald worden door de voormalig aandeelhouders. Voor Den Haag komt het bedrag uit op circa € 0,415 mln. Dividend BNG Het dividend dat de gemeente Den Haag in 2024 ontvangt over het resultaat van 2023 bedraagt € 2,750. Dit is € 0,450 lager dan begroot. Het verschil wordt verklaard door een incidenteel negatief resultaat op de financiële transacties. 3.4. Algemene reserve In de jaarrekening is toegelicht dat voor de gemeente Den Haag de benodigde algemene reserve een omvang van € 107 mln. dient te hebben om de risico’s op te vangen. De hoogte van de algemene reserve bedraagt op dit moment € 129,2 mln. Dit betekent dat het verschil van € 22,2 mln. ingezet kan worden bij de begrotingsvoorbereiding. 3.5. Rente De rentestijging levert de gemeente een incidenteel voordeel op tot en met 2027. Dit wordt grotendeels verklaard door het schatkistbankieren. Schatkistbankieren houdt in dat gemeenten verplicht zijn liquide middelen bij het Rijk op een bankrekening te zetten. Over deze middelen ontvangt de gemeente Den Haag rente. Het liquiditeitsoverschot van de gemeente neemt tot en met 2027 langzaam af, waardoor het rente rentevoordeel afneemt.
Het voordeel komt door vertragingen in de investeringen waardoor minder liquiditeit nodig is en door het feit dat in 2021 forwards zijn afgesloten. In 2028 heeft de gemeente Den Haag voor het eerst weer een financieringsbehoefte, waardoor er een nadeel ontstaat van € 5,2 mln. Indien de rente gelijk blijft dan zal dit nadeel na 2028 nog verder oplopen. Verder is er in 2025 een incidenteel voordeel € 1,5 mln. vanwege de bespaarde rente. Den Haag hanteert de systematiek van het toerekenen van rente. Deze systematiek gaat ervan uit dat alle bezittingen van de gemeente met vreemd vermogen worden gefinancierd. In werkelijkheid financiert de gemeente zijn bezittingen deels met eigen vermogen (reserves en voorzieningen). Dit leidt tot een rentevoordeel. Dit wordt deels ingezet voor de bestaande afspraken om de voorzieningen meerjarenprognose grondexploitaties en Harnaschpolder jaarlijks aan te passen aan het actuele prijspeil. De overige bespaarde rente is vrij besteedbaar. 3.6. Parkeren Voor parkeren wordt een voordeel verwacht ten opzichte van de huidige begroting oplopend tot structureel € 7,1 mln. in 2028. Dit wordt voornamelijk verklaard doordat de hogere gerealiseerde parkeerbaten in 2023 (€ 12,7 mln.) naar verwachting grotendeels structureel zijn.
In de raming is rekening gehouden met het wegvallen van parkeerplaatsen in bestaand parkeergebied, zoals het Noordelijk Havenhoofd, de Visafslagweg en een gedeelte van de Strandweg. Verder is er rekening gehouden met extra structurele en incidentele lasten. Deze lasten hebben zowel betrekking op de bestaande parkeerexploitatie als op de uit te voeren uitbreidingen van betaald parkeren. 3.7. Erfpacht In de komende jaren vinden er veel heruitgiftes van expirerende erfpachtovereenkomsten plaats. Deze heruitgiftes vergen extra personele inzet, maar resulteren ook in hogere erfpachtinkomsten. Hierdoor wordt in 2024 en 2025 een nadeel ten opzichte van de huidige begroting van respectievelijk € 4,7 mln. en € 4,4 mln. verwacht. Vanaf 2026 overstijgen de extra inkomsten de extra kosten en ontstaat een structureel voordeel dat oploopt naar € 1,7 mln. in 2028. 3.8. Vrijval kapitaallasten Investeringen in de openbare ruimte, gebouwen en automatisering worden opgenomen in het meerjarige investeringsplan (MIP). Jaarlijks bepaalt de gemeente of er, en zo ja hoeveel ruimte in het MIP aanwezig is voor nieuwe plannen. Vrijval op kapitaallasten (lasten voor rente en afschrijving) kan ontstaan als investeringen volledig zijn afgeschreven, door afnemende rentelasten op investeringen wegens daling van de
6
boekwaarde, door vertraging in de uitvoering en bij een goedkopere uitvoering van de investering. Vrijval vindt enkel plaats bij investeringen die met structurele kapitaallasten zijn gedekt. Als investeringen met incidentele middelen zijn gedekt (toegevoegd aan de activareserve), geldt dat voordelen enkel ontstaan bij het voordeliger uitvoeren van projecten. Als gevolg van lagere besteding op diverse investeringen in 2023 ten opzichte van de begroting komen niet alle gereserveerde kapitaallasten, waaronder de gereserveerde middelen voor IHP, tot besteding in 2024. De verwachting is dat er ook in 2025 en 2026 kapitaallasten vrijvallen doordat investeringen pas later worden afgerond. De vrijvallende kapitaallasten worden conform de afspraak uit de begroting 2024 (pagina 16) ingezet voor de dekking van de kademuur bij de Trekvlietkade (Binckhorst) en de overschrijdingen van een aantal MJPK 3-projecten, mits veroorzaakt door de inflatie.
Het gaat om de volgende projecten en bijbehorende bedragen: • Piet Heinplein (overschrijding € 1,9 mln.) • Noordwal & Hemsterhuisbrug (€ 0,0 mln., geen overschrijding verwacht) • Brug 105 Benoordenhoutseweg (overschrijding € 0,5 mln.) • Zwarteweg/Boomsluiterskader (overschrijding € 2,6 mln.) • Conradkade (overschrijding € 4,2 mln.) • Pletterijkade (overschrijding € 4,9 mln.) • Houtzagerssingel (overschrijding € 5,2 mln.) • Binkhorstbrug (overschrijding € 1,6 mln.) • Kademuur Trekvlietkade (€ 4,5 mln. toevoeging aan MJPK3) Eventuele verdere overschrijdingen binnen het MJPK3 zullen conform de bestaande begrotingsregels gedekt moeten worden binnen programma 9 buitenruimte. Tot slot is er vanaf 2028 een structurele kapitaallastenruimte van € 2,45 mln. door volledig afgeschreven investeringen waar geen vervangingsinvestering is voorzien. 3.9. Kasschuif De incidentele tegenvaller van het gemeentefonds in 2025 van € 30 mln. kan gedekt worden met meevallers uit 2024. Daarom wordt € 30 mln. van 2024 naar 2025 geschoven. Dit geeft ook een evenwichtig budgettair beeld.
7
Trend-voor-trend Jaarlijks past de gemeente de begroting aan voor de ontwikkeling van de lonen en de prijzen (trend) om de begroting op peil te houden. De systematiek die we gebruiken voor het indexeren van deze loon- en prijsgevoelige uitgaven noemen we trend-voor-trend, waarbij de trend een tegemoetkoming is voor de gestegen kosten. Dit komt erop neer dat de trend die wordt toegepast op de uitgavenbudgetten gelijk is aan de trend die we ontvangen over onze inkomsten. De daadwerkelijke stijging van de kosten zal in sommige gevallen lager en in andere gevallen hoger zijn dan deze tegemoetkoming. Circa € 1,8 miljard van de uitgaven van de gemeente worden geïndexeerd via de trend-voor-trend systematiek, waarvan circa € 1,2 miljard loongevoelig en circa € 0,6 miljard prijsgevoelig. De trend van de gemeente wordt gebaseerd op de loon- en prijscompensatie van het Rijk. De loon- en prijsbijstelling van het Rijk wordt uitgekeerd over het trendgevoelige deel van het gemeentefonds (grondslag circa € 1,6 miljard). Daarnaast worden de overige algemene dekkingsmiddelen geïndexeerd (grondslag circa € 0,2 miljard). Dit gaat specifiek om de onroerendezaakbelasting, parkeerbelasting, toeristenbelasting en precario woonschepen. Deze worden met hetzelfde percentage geïndexeerd als het Rijk gebruikt voor de indexatie van de algemene uitkering.
De loon- en prijsbijstelling van het Rijk en de extra eigen inkomsten worden vervolgens doorverdeeld naar de loon- en prijsgevoelige uitgaven van de begroting. In het kort komt de trend-voor-trend systematiek erop neer dat de loon- en prijsbijstelling van het Rijk 1op-1 doorverdeeld wordt naar de begroting van Den Haag, waarbij de eigen inkomsten met hetzelfde percentage worden geïndexeerd als het percentage dat het Rijk gebruikt voor de loon- en prijsbijstelling. 4.1 Trend-voor-trend 2024 Op basis van de meicirculaire vindt nacalculatie plaats voor het lopende jaar (2024). In de meicirculaire is opgenomen hoeveel structurele loon- en prijsbijstelling gemeentes ontvangen voor de gestegen lonen en prijzen in 2024. In de meicirculaire van 27 mei heeft het Rijk de loon- en prijsbijstelling voor 2024 naar boven bijgesteld. In de vastgestelde gemeentelijke begroting is voor 2024 € 78 mln. voor loon- en prijscompensatie (trend) beschikbaar gesteld. Op basis van de toegenomen inflatie wordt € 16,6 mln. extra beschikbaar gesteld. Hiermee komt de totale trendbijstelling voor 2024 uit op structureel € 94,6 mln. Trend 2024 Prijsontwikkeling
Bedrag € 32,8 mln.
Percentage 3,0 %
Loonontwikkeling
€ 61,8 mln.
6,4 %
Totaal
€ 94,6 mln.
5,0%
Prijsontwikkeling 2024 In de begroting is voor 2024 al een prijsontwikkeling van 2,75% opgenomen. Van het Rijk ontvangt de gemeente extra middelen voor de prijsbijstelling. De trend voor de prijsontwikkeling neemt hierdoor toe van 2,75% naar 3 %. Loonontwikkeling 2024 In de begroting is voor 2023 al een loonontwikkeling van 5,2% opgenomen. Van het Rijk ontvangt de gemeente extra middelen voor de loonbijstelling. De trend voor de loonontwikkeling neemt hierdoor toe van 5,2% naar 6,4%. 4.2 Trend-voor-trend 2025 Voor 2025 is in de meicirculaire van het Rijk opgenomen hoeveel loon- en prijsbijstelling we naar verwachting van het Rijk krijgen in 2025. Het rijk baseert de loon- en prijsbijstelling op de meest recente raming van het CPB die gepubliceerd is in het Centraal Economisch Plan (CEP), zoals weergegeven in onderstaande tabel.
8
Index Loonvoet sector overheid
Percentage CEP 4,4%
Weging 60
Prijs materiële overheidsconsumptie
2,2%
20
Prijs bruto overheidsinvesteringen
2,0%
20
Gewogen gemiddelde
3,5%
100
Met de loon- en prijsbijstelling van het Rijk en door het indexeren van de algemene dekkingsmiddelen is er in totaal € 62,7 mln. beschikbaar voor de trend in 2025. Met deze middelen wordt circa € 1,8 miljard van de programmabegroting geïndexeerd voor de trend. In onderstaande tabel is weergegeven wat dit betekent voor de trendpercentages van de gemeente Den Haag voor 2025. Trend 2025 Loonontwikkeling Prijsontwikkeling Totaal
Bedrag € 47,6 mln.
Percentage 4,4 %
€ 15,1 mln.
2,1 %
€ 62,7 mln.
3,5%
4.3 Indexatie overige tarieven De overige gemeentelijke prijzen, tarieven, leges en heffingen die aan derden worden doorberekend worden waar mogelijk ook aangepast met de trend. De extra opbrengsten worden vervolgens gebruikt om de uitgaven die hier tegenover staan te indexeren. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de rioolheffing en de afvalstoffenheffing.
9
Overige ontwikkelingen Dit hoofdstuk bevat een aantal ontwikkelingen die impact hebben op het financiële meerjarenbeeld van de gemeente. Deze zijn aanvullend op de exogene ontwikkelingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 3. 5.1 Hoofdlijnenakkoord Op 16 mei is het Hoofdlijnenakkoord gepresenteerd. De gemaakte afspraken met het demissionaire kabinet die zijn opgenomen in de Voorjaarsnota van het Rijk blijven van kracht. De budgettaire effecten van het Hoofdlijnenakkoord zijn nog niet verwerkt in de meicirculaire. Naar verwachting worden de budgettaire consequenties verwerkt in de Miljoenennota en vervolgens de septembercirculaire. In het akkoord staan drie maatregelen die directe gevolgen hebben voor de financiën van Den Haag: 1. De structurele bezuiniging van € 511 mln. bovenop de hervormingsagenda is volledig geschrapt. 2. Vanaf 2026 worden de specifieke uitkeringen (met uitzondering van de BUIG) gestopt, het bijbehorende budget wordt overgeheveld naar het gemeentefonds met een korting van 10%. 3. Vanaf 2027 wordt het budget voor de bijstand met € 100 mln. verlaagd. Afhankelijk van hoe dit vorm wordt gegeven kan dit resulteren in een tekort op het bijstandsbudget.
5.2 Motie ‘hou je aan de regels’ In de ingediende de motie van de CU/SGP ‘hou je aan de regels’ (RIS 317607) is het college verzocht om in de voorjaarsnota vooruit te blikken hoe aan de begrotingsregels voldaan kan worden. In de programmabegroting 2024-2027 wordt op drie punten niet volledig aan de begrotingsregels voldaan: 1. De algemene reserve bedraagt € 12 mln. minder dan de minimale hoogte conform het weerstandsvermogen 2. Vanaf 2026 resteert er een structureel tekort in de begroting. 3. Structurele uitgaven zijn in sommige gevallen slechts incidenteel gedekt. Het college is van plan om op de volgende wijze aan deze spelregels te voldoen in de programmabegroting 2025-2028: 1. Conform de eerder gemaakte afspraak is de algemene reserve op de minimaal vereiste hoogte gebracht met het positieve jaarrekeningresultaat. 2. In het budgettaire kader in hoofdstuk 3 is rekening gehouden met het structurele tekort dat nog resteert in de programmabegroting 2024-2027. Door de extra beschikbare middelen vanuit het Rijk kan dit tekort opgevangen worden in het budgettaire kader. In de begrotingsvoorbereiding worden de financiële opgaven en mogelijke oplossingen afgewogen tegen dit budgettaire kader. 3. Voor de begroting geldt dat structurele uitgaven met structurele inkomsten gedekt moeten worden. De afgelopen twee jaar zijn er stappen gezet om hieraan te voldoen.
Ook in de programmabegroting 20252028 wil het college hierin stappen zetten door structurele knelpunten zoveel mogelijk structureel op te lossen. 5.3 Jeugdzorg Gemeenten zijn vanaf 2019 in gesprek met de rijksoverheid om te komen tot een kwalitatief beter en financieel houdbaar stelsel van jeugdzorg. Daarvoor wordt landelijk een Hervormingsagenda uitgewerkt. Hierin worden afspraken en maatregelen gemaakt die moeten leiden tot verbetering van de hulpverlening en tot kostenbesparingen. Gemeenten moeten hierbij landelijk een bedrag oplopend tot jaarlijks circa € 1 mld. besparen (aandeel Den Haag circa € 32 mln.). Bij het regeerakkoord 2021 was de bezuiniging eerst nog € 511 mln. hoger voor gemeenten. In het hoofdlijnenakkoord is deze bezuiniging teruggedraaid (aandeel Den Haag ca. € 16 mln.). Initieel was het voorstel dat de Hervormingsagenda per 1 januari 2022 in werking zou treden. Rijk en gemeenten hebben op 18 april 2023 een principeakkoord bereikt over het financiële kader voor de Hervormingsagenda waarbij de besparingen in 2024 en 2025 worden verzacht, maar er in deze jaren nog steeds een besparingsopgaven van circa € 12 mln. per jaar voor Den Haag resteert. Mede door de vertraging in de hervormingsagenda is het nog niet gelukt de uitgaven te verlagen.
De nieuwe manier van werken na doorontwikkeling van de Haagse Jeugd- en Gezinshulp (RIS312349) is naar verwachting in 2026 volledig geïmplementeerd. Hiermee wordt op termijn het lokale deel van de bezuiniging in de Hervormingsagenda ingevuld.
10
Zoals toegelicht in de viermaandsrapportage kan het tekort in 2024 naar huidige verwachting opgevangen worden binnen programma 8, gebruikmakend van de programmareserve van € 15 mln. Het meerjarenbudget van het Rijk is onder andere afhankelijk van het advies van de deskundigencommissie over de Hervormingsagenda Jeugd. Deze externe, onafhankelijke commissie volgt de uitvoering van de Hervormingsagenda en brengt hierover zwaarwegend advies uit aan het Rijk en de VNG. Het eerste advies van de commissie wordt begin 2025 verwacht. Dit advies kan gevolgen hebben voor de wijze waarop het Rijk de jeugdzorg in de toekomst bekostigt, maar kan ook nog effect hebben op budget van 2024 en 2025. 5.4 Demografie Wmo De uitgaven voor de Wmo zullen de komende jaren door de vergrijzing sneller stijgen dan het BBP. Het Rijk gaat een passende indexering onderzoeken. Met de VNG wordt dit verder uitgewerkt. Vooruitlopend hierop heeft het Rijk binnen haar eigen begroting middelen gereserveerd voor een aanvullende indexering voor demografie boven op de BBP-systematiek. Dit betreft een reservering van € 75 mln. in 2025 oplopend tot structureel €300 mln. in 2029. In de begroting wordt nog geen rekening gehouden met deze extra middelen, omdat op dit moment nog niet duidelijk is welk deel hiervan uiteindelijk voor Den Haag zal zijn.
5.5 Negatieve programmareserves Na verrekening van het jaarrekeningresultaat 2023 hebben drie programmareserves een negatieve stand: Programmareserve 11 – Economie. Deze staat € 0,381 mln. negatief Programmareserve 13 – Stadsontwikkeling en wonen. Deze staat € 0,670 mln. negatief Programmareserve 14 - Stadsdelen, integratie en dienstverlening. Deze staat € 4,030 mln. negatief. In overeenstemming met de Verordening Financiële Beheer en beleid (artikel 5:7 lid 6) komt de portefeuillehouder(s), van een programmareserve met een negatieve stand namens het college, met een voorstel om deze reserves binnen maximaal twee begrotingsjaren (vanaf het begrotingsjaar waarin het tekort is gerealiseerd) tenminste op nihil te krijgen. 5.6 Reserve grondbedrijf De RGB is na de laatste bijstelling van de bouwgrondexploitaties in de Programmarekening 2023 volledig uitgeput geraakt (stand per 1-1-2024 € 0). Op basis van de prognose in de programmarekening 2023 moet de Reserve Grondbedrijf €22,2 mln. bedragen om de verwachte tekorten van de komende vijf jaar te kunnen opvangen. Conform de Verordening beheersregels grondexploitaties en strategisch bezit, zal de benodigde weerstandscapaciteit bij de programmabegroting opnieuw bepaald worden, waarbij gekeken wordt naar de verwachte ontwikkeling van de Reserve Grondbedrijf over een termijn van vijf jaar.
De in februari door de gemeenteraad vastgestelde grondexploitatie Juliana van Stolberglaan 1 (herontwikkeling KC-locatie) zal hier deel van uitmaken. Deze grondexploitatie heeft per saldo een positief effect op de weerstandscapaciteit. Omdat de grondexploitatie in 2024 vastgesteld is, zijn deze effecten niet meegenomen in de prognose van de jaarrekening. In het herstelplan dat bij de begroting wordt opgesteld voor het dan berekende tekort op de weerstandscapaciteit, zal het effect van deze grondexploitatie ook meegenomen worden.
11