RIS319001Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (2) Geredigeerd
Tekst van het document
3.2.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Zuid-Holland Met het oog op de invoering van de Omgevingswet heeft de provincie Zuid-Holland het gehele provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving gebundeld in een Omgevingsvisie Zuid-Holland (verder OZH), Omgevingsverordening en bijbehorende programma's. De OZH is op 15 maart 2022 in werking getreden en geldt als structuurvisie in de zin van de Wro. Naast de beleidskeuzes bevat de visie een beschrijving van de ruimtelijke hoofdstructuur van de provincie en de omgevingskwaliteit. De OZH omvat de volgende wettelijk verplichte plannen met vermelding van de juridische grondslag: de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 Wro; het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer en de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). De provincie wil met de OZH een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat zij geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving.
Deze zijn: naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendige meerkernige metropool; energievernieuwing; de best bereikbare provincie en een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving
Omgevingsverordening Zuid-Holland De provinciale Omgevingsverordening (verder Verordening) als bedoeld in artikel 4.1 Wro is per 1 april 2019 in werking getreden en vertaalt het beleid uit de OZH in regels. Deze regels zijn bindend voor gemeentelijke bestemmingsplannen. De verordening bevat onder andere regels omtrent de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking voor stedelijke ontwikkelingen, de aanwijzing van kantorenlocaties, het opnemen van bedrijfsbestemmingen en de bescherming van natuurgebieden. Het plangebied is op grond van artikel 6.9 de ruimtelijke kwaliteit bedrijventerrein aangewezen. Volgens artikel 6.10 van deze verordening bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een nieuwe ontwikkeling met wonen, bedrijven, zelfstandige kantoren, detailhandel en andere
30
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
stedelijke voorzieningen een verantwoording van de locatiekeuze, de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' (zie ook paragraaf 3.2.1). Het toelaten van een bedrijfsverzamelgebouw voor de vestiging van bedrijven en kantoren is een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 6.10 van de Verordening. Verwezen wordt naar paragraaf 3.2.1 en voor de toetsing naar paragraaf 5.4. Volgens artikel 6.12 lid 1 van deze verordening moet een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein aan bepaalde eisen voldoen. Volgens artikel 6.11 lid 2 van deze verordening is de aanwijzing tot een bestemming voor kantoren alleen toelaatbaar onder bepaalde omstandigheden.
Afbeelding 3.1: uitsnede uit de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Het plangebied ligt in de aanduiding 'steden en dorpen'. Het parkeerterrein is als bedrijfsterrein aangeduid, de wetering ten westen van het plangebied is aangeduid als regionaal water. 3.2.3
Regionaal beleid
De metropoolregio Rotterdam Den Haag (verder MRDH) heeft de taken overgenomen van het in 2015 opgeheven Stadsgewest Haaglanden De MRDH is een samenwerkingsverband van 23 gemeenten die hun krachten bundelen om het gebied beter bereikbaar te maken en het economisch vestigingsklimaat te versterken. De MRDH bestaat uit twee pijlers, de Vervoersautoriteit (Va) en Economisch Vestigingsklimaat (EV). Vanuit de focus op het vernieuwen van de economie en het verbeteren van de bereikbaarheid werkt MRDH aan de ruimtelijk-economische versterking van de regio en het verhogen van het welzijn en de welvaart van haar inwoners. De MRDH heeft de Roadmap next economy samengesteld. Dit is een langetermijnvisie op een duurzame en concurrerende economie in de metropoolregio. Hierin zijn ambities geformuleerd, zoals: het stoppen van CO2-uitstoot, hergebruiken van afval, permanent leren en een maatschappij waar iedereen aan deel kan nemen. Deze ambities zijn inmiddels in de Strategische Agenda verwerkt. Later werkte ze vanuit twee agenda's en één programma: de Strategische Agenda MRDH 2022- Samen aan het werk (verder Agenda), de Strategische Bereikbaarheidsagenda Vervoersautoriteit en het Investeringsprogramma voor een Economisch sterke regio. Volgens de Agenda zet de metropoolregio zich in voor:
31
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
verbetering van de (internationale) bereikbaarheid van de metropoolregio; economische vernieuwing; transitie naar toonaangevende duurzaamheid en de attractiviteit van de regio. Door het investeren in recreatie en groen wordt de regio niet alleen gezonder, maar ook aantrekkelijker voor talent. Het Investeringsprogramma heeft MRDH samen met de Provincie Zuid-Holland, de Economische Programmaraad Zuidvleugel en de regio's Holland-Rijnland en Drechtsteden opgesteld. Voor de toetsing aan het regionaal beleid zoals verwoord in de Agenda wordt verwezen naar paragraaf 5.4. 3.2.4
Gemeentelijk beleid
3.2.4.1 Voor een stad die tegen een stootje kan coalitieakkoord 2022-2026 In dit akkoord wordt wat betreft het ruimtelijk beleid een verantwoorde ontwikkeling van de stad beoogd. Daartoe behoort een 'Stad met voorzieningen' Om fijn te kunnen wonen, is meer nodig dan alleen goede woningen. Groen, een mooie en schone buitenruimte die uitnodigt om te bewegen en waar je elkaar kan ontmoeten, maar ook ruimte voor horeca en bedrijven, goede maatschappelijke voorzieningen en de aanwezigheid van kunst en cultuur. 3.2.4.2 Agenda Ruimte voor de Stad De Agenda Ruimte voor de Stad (verder Agenda) is door de raad vastgesteld op 15 december 2016 (RIS295016). Het is het richtinggevend document voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad Voor de Agenda zijn vier transitieopgaven van belang: de ontwikkeling naar een nieuwe economie, de vraag om een inclusieve en veerkrachtige samenleving, de roep om slimme stadsontwikkeling en de opgave voor de overheid om in dit proces organiserend vermogen te tonen en ruimte te bieden voor maatschappelijk initiatief. Dat vraagt om ruimte voor innovatieve milieus, met ontmoetings- en experimenteerruimte, en aantrekkelijke vestigingsmilieus voor starters, studenten, creatievelingen, kenniswerkers en - stedelijke gezinnen en ondernemende mensen. In de Structuurvisie Wéreldstad aan Zee uit 2005 is de strategische keuze gemaakt voor binnenstedelijke verdichting.
De Agenda stelt dat binnenstedelijke verdichting en herstel van het stedelijk weefsel een opgave blijven. Stedelijke ontwikkeling is geen zaak van de gemeente alleen; allerlei partijen spelen daarin een rol. Bij de uitwerking van de Agenda zal inhoud worden gegeven aan het “samen stad maken” langs vier "sporen': ruimte bieden aan initiatieven, co-creatie van ruimtelijke plannen, stadsdebat over de toekomst van de stad en de samenwerking met stakeholders. Er is daarmee ook geen “blauwdrukplanning” aan de orde. Met behulp van negen principes voor stedelijke ontwikkeling wordt in de Agenda aangegeven hoe de ontwikkelingen gestuurd worden. 1. Kwaliteit van het proces door samen stad maken waar mogelijk ruimte aan initiatiefnemers, daarbij hoort ook experimenteerruimte die belangrijk is voor innovatie en dynamiek in de stad en ruimtelijke keuzen om antwoorden te bieden op de stedelijke en regionale opgaven. 2. Ruimtelijke kwaliteit, zoals groen, cultuurhistorisch erfgoed en de buitenruimte omdat die in belangrijke mate bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving en het economisch vestigingsklimaat. 3. Kwaliteit door integrale samenhang met sociaal-maatschappelijke opgaven, zoals de opgave om sociaaleconomische differentiatie, functiemenging en ruimte voor wijkeconomie te bevorderen in
32
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
wijken waar dat nodig is gelet op bijvoorbeeld werkeloosheid. 4. Het belang van veel lopende projecten wordt met deze agenda benadrukt. Goede uitvoering met ook oog voor de tijdelijke situatie vraagt een enorme inzet. 5. Daarnaast zullen op basis van deze agenda nieuwe locaties in ontwikkeling worden gebracht. Het betreft zowel het in ontwikkeling brengen van de zachte planvoorraad als nieuwe locaties op basis van deze agenda. Het tot ontwikkeling brengen van deze locaties zal meer dan voorheen in co-productie gebeuren met de stad. 6. Verder zijn er een aantal grotere strategische ontwikkelingen geagendeerd in deze agenda. Voor een aantal ontwikkelingen zal gestart worden met verkenningen om zicht te krijgen op mogelijke programma's, en alliantievorming. Dergelijke verkenningen zullen onder andere voor delen van het Central Innovation District, de Binckhorst en Scheveningen, mede in het licht van de gewenste schaalsprong die in het openbaar vervoer gemaakt moeten worden, gemaakt worden.
3.3
Cultureel erfgoed
3.3.1
Rijksbeleid
De bescherming van stads- en dorpsgezichten, de verlening van vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten en de bescherming van archeologische monumenten is geregeld in het overgangsrecht in de Erfgoedwet. Het overgangsrecht gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. 3.3.2
Provinciaal beleid
Aan het plangebied wordt in de Omgevingsverordening Zuid-Holland geen cultuurhistorische waarde toegekend. 3.3.3
Gemeentelijk beleid
Gezien de bestaande situatie, zoals omschreven in paragraaf 2.3.1, waaruit blijkt dat er geen cultuurhistorische waarde sprake is, wordt op het beleid niet verder ingegaan. Gemeenten hebben de taak om bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden (overgangsrecht Erfgoedwet). Voor het gehele grondgebied van Den Haag heeft de gemeente een Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart (AWVK) opgesteld. In de 'Beleidsnota Archeologie 2021-2030' (RIS311200). geeft de gemeente aan hoe ze zorg wil dragen voor de archeologische sporen en resten in de Haagse ondergrond. Op de gemeentedekkende AWVK komen drie eenheden voor waaraan de gemeente beleid heeft gekoppeld: 1. Terreinen met een archeologische waarde, dat wil zeggen: waarvan is vastgesteld dat er zich belangrijke archeologische sporen en resten bevinden. In het kader van de archeologische monumentenzorg stelt de gemeente hier voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten dieper dan 50 cm onder maaiveld; 2. Gebieden waar archeologische resten en sporen kunnen worden verwacht (op basis van de bodemopbouw en/of historische kaarten). Bij activiteiten met een bodemverstoring groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld stelt de gemeente hier voorwaarden voor onderzoek en bescherming van mogelijk aanwezige sporen en resten. 3.
Gebieden waar geen archeologische sporen/resten (meer) worden verwacht. Hier verbindt de gemeente op het gebied van de archeologie geen voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten. Van initiatiefnemers van activiteiten met bodemverstoringen in zones met een archeologische waarde of verwachting wordt in het kader van vergunningverlening gevraagd om de archeologische waarde van het terrein dat door de bodemingreep verstoord wordt in voldoende mate vast te stellen. In gebieden waarvan de archeologische waarde al is vastgesteld wordt ook gekeken naar de mate van bedreiging van de archeologische waarden door het bouwplan. Als blijkt dat er sprake is van een bedreiging van behoudenswaardige archeologische resten, kunnen aan de uitvoering van de geplande bodemingreep voorwaarden worden verbonden, zoals:
33
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
technische aanpassingen zodat archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; het laten verrichten van een opgraving teneinde behoudenswaardige resten die verstoord zullen worden, te documenteren en veilig te stellen; of de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, archeologisch te laten begeleiden. In alle gevallen blijft de archeologische meldingsplicht van kracht (art. 5.10 en 5.11 Erfgoedwet). Dit houdt in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag. De afdeling Archeologie van de Dienst Stadsbeheer verricht namens het bevoegd gezag de taken en besluitvorming inzake de archeologische monumentenzorg. De kosten van vooronderzoek en indien noodzakelijk opgraving of begeleiding zijn voor de initiatiefnemer. Alle archeologische werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd door een erkende archeologische partij.
3.4
Groene waarden
3.4.1
Rijksbeleid
De bescherming van Natura2000-gebieden, het areaal aan bosgebieden en de waarden van flora- en fauna zijn geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wordt in paragraaf 4.8 toegelicht. Het Barro biedt de mogelijkheid aan de provinciale bestuurslaag om het Natuurnetwerk Nederland aan te wijzen 3.4.2
Provinciaal beleid
Aan het plangebied wordt in de Omgevingsverordening Zuid-Holland geen natuurlijke waarde toegekend. 3.4.3
Gemeentelijk beleid
3.4.3.1 Agenda Groen voor de Stad 2016 In de Agenda Groen voor de Stad2016 (vastgesteld 15 december 2016, RIS294705) (verder Agenda) wordt geconstateerd dat door de toenemende bevolking en het bijbehorende ruimtebeslag de leefkwaliteit in het algemeen en het groen in het bijzonder soms onder druk komt te staan. Daarnaast zijn er onzekerheden en ontwikkelingen die de stad in de toekomst sterk zullen kleuren zoals de klimaatopgave, veranderingen in mobiliteit en de toenemende impact van informatietechnologie. Omdat Den Haag een aantrekkelijke stad wil blijven voor bewoners, bezoekers en bedrijven, moeten er strategische keuzes worden gemaakt op het gebied van verdichting, vergroening en verduurzaming. De ambitie is een verdere kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen, waarbij ruimte bestaat voor verandering en initiatief en bij ontwikkelingen groen toekomstbestendig wordt vormgegeven. Het Haagse groen moet gezien worden als een vorm van kapitaal met ecologische maatschappelijke en economische waarde. Mede op basis van de stadsgesprekken en het online platform zijn deze waarden uitgewerkt in zes thema's: klimaat, biodiversiteit, gezondheid, ontspanning imago en ontwikkeling.
Het kapitaal kent daarmee ecologische (klimaat, biodiversiteit), maatschappelijke (gezondheid, ontspanning) en economische waarde (imago, ontwikkeling), waarbij deze waarden met elkaar in evenwicht moeten zijn. In de reflectie op het vigerende beleid is geconstateerd dat vooral de nadruk is gelegd op het vastleggen van de zogenaamde Stedelijke Groene Hoofdstructuur (verder: SGH), het groen in de stad dat op basis van de aanwezige waarden en de betekenis daarvan extra bescherming verdient. Om de kwaliteit van het Haagse groen verder te verankeren, is de SGH herijkt. Hiervoor zijn de beschrijvingen van de Haagse groengebieden getoetst, aangepast en aangevuld, verbanden gelegd met nieuwe thema's zoals gezondheid en recreatie, en de nieuwe groene gebieden zoals het Molenvlietpark opgenomen en het Haagse Bos en het landgoed Sorghvliet eraan toegevoegd.
34
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
Bij anticipatie is gekeken naar de wenselijke ontwikkeling van het Haagse groen in een realistische context. Het doel is het Haagse groen kwalitatief te ontwikkelen. Daarom zijn in de nota per thema de kernkwaliteiten die moeten behouden, de uitdagingen die de komende jaren zijn voorzien, de ambities en het ontwikkelpad geschetst. De Agenda constateert dat in de wijk Wateringse Veld water, natuurvriendelijke oevers en poelen op een weloverwogen wijze zijn ingepast in de stedelijke ontwikkeling.
Afbeelding 3.1: Kaart Stedelijke Groene Hoofdstructuur Voor het plangebied geldt de hoofdstructuur niet. Voor de naastgelegen Laan van Wateringse Veld wel. Deze levert binnen de structuur een kernkwaliteit als bomenlaan. De Laan dient om deze reden aan beide zijden bomenrijen te kennen. 3.4.3.2 Nota Stadsnatuur In Den Haag is de bestaande natuur een belangrijk onderdeel van de stad. De natuur in de stad wordt stadsnatuur genoemd. Een stad met een vitale stadsnatuur is een vitale stad. In de Nota Stadsnatuur (RIS305824) (verder de Nota) zijn handvatten opgenomen om de stadsnatuur ook aan te wenden voor een ecologisch systeem die meer biodiversiteit zal kennen. Een groene stad heeft al veel te bieden aan haar inwoners. Immers bomen en planten zorgen voor verkoeling tijdens warme zomers én bieden een aangename plek voor bewoners om te verblijven, zijn beter toegerust om mee te bewegen op veranderingen in het klimaat, zoals uitschieters in temperaturen en neerslag.
35
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
Een stad waarin de stadsnatuur meer biodiversiteit biedt, zoals vlinders en vogels, blijkt dat een positieve invloed op het welzijn van mensen te hebben, zorgt er verder voor dat lastige soorten minder kans krijgen en genoeg natuurlijke vijanden aanwezig zijn om plaagsoorten in toom te houden. Een belangrijke voorwaarde voor een stadsecosysteem is de aanwezigheid van een uitgebreid netwerk van groengebieden. Ze zijn de belangrijke kerngebieden voor allerlei plante- en diersoorten. Voor de verbindingen tussen deze gebieden zorgen de ecologische verbindingszones. Deze zones zorgen als robuuste brede groenblauwe structuren voor de verbinding tussen deze gebieden. Zo kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen, functioneren zelf ook als belangrijke leefgebieden. Deze Nota volgt de Nota Ecologische Verbindingszones op. In deze nota wordt de nadruk gelegd op een optimale ecologische inrichting van deze zones door middel van vuistregels van biotopen. Is extra ruimtebeslag van een niet-ecologische functie onvermijdelijk, dan moet de inpasbaarheid hiervan worden onderzocht.
beheer, behoud en ontwikkeling van genoemd netwerk het rekening houden met de leefomstandigheden van planten en dieren bij beheer en inrichting van groen in brede zin en openbare ruimte, het rekening houden met de leefomstandigheden van planten en dieren en ecologisch gezond stadswatersysteem bij beheer en inrichting van de oppervlaktewateren, het rekening houden met de leefomstandigheden van planten en dieren in en op gebouwen, gevels en kademuren (motie natuurinclusief bouwen, RIS288182), het beheersbaar houden van overlast gevende planten en dieren en monitoring van de stadsnatuur. Het plangebied ligt niet in of nabij de ecologische verbindingszones. Wel ligt zij naast een groenvoorziening langs de wetering die heel Wateringse Veld Zuid aan haar west - en zuidzijde begrenst. 3.4.3.3 Bomenbalans In de door de raad aangenomen motie RIS 298921 moet bij grote herinrichtingen worden toegelicht hoeveel bomen moeten worden gekapt dan wel er bijkomen, de zogenaamde bomenbalans. In het parkeerterrein staan 9 bomen in stroken om de parkeerplaatsen. Die stroken zijn gezamenlijk 500 m2 groot. De bomenbalans toont door het gebrek aan ruimte een afname met 9 bomen. Op 27 juli 2022 heeft overleg plaatsgevonden met de stadsecoloog.
Om tot een compensatie te komen dient een groen sedumdak met een minimale oppervlakte van 500 m2 verplicht te zijn dat gelet op de Nota Stadsnatuur ook met kruiden wordt ingericht. Een verdere compensatie betreft de aanplant van negen bomen in de omgeving van het plangebied. Het IPP zal daarvoor zorgdragen en heeft dat in een brief aan Burgemeester en Wethouders toegezegd. Mocht dit onverhoopt toch niet haalbaar blijken zal het IPP hiervoor een storting in het bomenfonds moeten doen. 3.4.3.4 Nota stadsbomen In de 'Nota Stadsbomen' (RIS307827) zijn concrete doelen geformuleerd om de leefkwaliteit te verbeteren: er wordt gewerkt aan de toekomstbestendigheid van ons stadsbomennetwerk en het kroonoppervlak in onze stad mot worden uitgebreid. De bijdrage van bomen aan de leefkwaliteit hangt af van de maat van de kroon. Dit is te meten met het kroonoppervlak. Om meer kroonoppervlak te maken zijn goede groeiplaatsen voor bomen essentieel. De boom groeit anders niet goed, kan niet goed presteren, sterker nog, hij kan overlast veroorzaken. Meer kroonoppervlak is ook te realiseren door extra bomen te planten en bestaande bomen goed te beheren. De gemeenteraad heeft een deel van het stadbomennetwerk als monumentale boom aangewezen. In en rond het plangerbied bevinden zich geen monumentale bomen.
36
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
3.5
Waterhuishouding
3.5.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is in december 2000 in werking getreden. De richtlijn heeft tot doel de chemische en ecologische kwaliteit van al het oppervlakte- en grondwater in Europa te verbeteren. De richtlijn stelt daartoe eisen aan het waterbeheer in alle lidstaten. Streefdatum voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit is 2015, met eventueel uitstel tot 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven. De richtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid (inrichting van watergangen en oevers). Een watergang die onder de werking van de richtlijn valt, noemt men een KRW-lichaam. De watergang de Zweth Dulder vormt een KRW-lichaam. 3.5.2
Rijksbeleid
Het nationaal waterbeleid is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021 (verder NWP2). Het NWP2 geeft het integrale kader voor het waterbeleid van het Rijk voor de komende zes jaar met een vooruitblik richting 2050 en geeft uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en de overstromingsrisico's. 3.5.3
Provinciaal beleid
Het beleid van de Provincie Zuid Holland is gebaseerd op het besluit van 29 juni 2016 waarin is aangegeven dat het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016 – 2021 bestaat uit: de onderdelen van de Visie Ruimte en Mobiliteit voor wat betreft de onderdelen die behoren tot het regionale waterbeleid, waaronder specifiek paragraaf 4.2: 'Water: versterking van de samenhang in identiteit, kwaliteit, en veiligheid', inclusief de kaarten 11 (Waterveiligheid) en 12 (Zoetwater-voorziening en oppervlaktewater); inclusief bijbehorende bijlagen.; de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2015 inclusief bijlagen, vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland d.d. 14 oktober 2015 en het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015, op de onderdelen: Waarborgen waterveiligheid, Regionale keringen (Normen compartimenteringdijken en voorlandkeringen(paragraaf 4.4.3 doelstelling 4) en Realiseren mooi en schoon water: het thema 'Water en natuur': opstelling beheerplannen voor -000 gebieden, inclusief aanpak van verdroging (paragraaf 5.4.3, doelstelling 1) en het thema 'Vismigratie': opheffen vismigratieknelpunten (paragraaf 5.6.3). De wetering ten westen van het plangebied is een regionaal water op grond van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. 3.5.4
Regionaal beleid - Hoogheemraadschap van Delfland
Waterbeheerplan 2022-2027 Waterwerk - Watermerk In dit waterbeheerplan heeft het schap ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor 'droge voeten', 'stevige dijken' en 'schoon water' zijn meerjarenprogramma's opgesteld. Het schap zet in op stedelijk waterbeheer en samen met gemeenten werkt ze aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt zij samen met gebiedspartners en werkt ze aan het waterbewustzijn om draagvlak te vergroten. De ambities in het plan betreffen: Zoet water is van levensbelang en daarom is het belangrijk dat iedereen zuinig omgaat met water en zorgt dat het water schoon blijft. Gezuiverd afvalwater hergebruiken en zorgen dat water langer in het gebied bewaard blijft voor droge tijden.
37
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
Klimaatverandering leidt vaker tot langdurige droogte en heftiger regenbuien. Om de stad klimaatbestendig te maken wordt met partijen gezorgd naar slimme manieren om water langer vast te houden zonder dat het tot overlast leidt. Om de waterkwaliteit te verbeteren neemt zij verschillende maatregelen en controleert nog beter op illegale lozingen. Het water in zwemplassen moet tijdens warme dagen vrij zijn van blauwalgen en bacteriën. Bij het beheer van het grondwater om te gaan met de complexiteit van het grondwatersysteem en de verantwoordelijkheid, die verdeeld is over provincie, gemeenten, waterschap, drinkwaterbedrijven en grondeigenaren/particulieren. Het waterschap heeft invloed op het grondwater in peilbeheer, vergunningen voor onttrekkingen en advisering aan derden. In haar werkingsgebied is er een beperkte relatie tussen de grondwaterstand en het oppervlaktewaterpeil. Wij regelen het waterpeil in de sloten en vaarten. In ons gebied is er een beperkte relatie tussen de grondwaterstand en het oppervlaktewaterpeil. Wij pakken onze maatschappelijke verantwoordelijkheid en werken samen met partners aan verantwoord, duurzaam en toekomstbestendig gebruik.' Door samen te werken kunnen ook kosten worden bespaard. Bij elke ontwikkeling wordt gekeken welke kansen er zijn om het watersysteem toekomstbestendiger te maken.
Watertoets Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het schap heeft de Handreiking Watertoets voor gemeenten opgesteld. Hierin worden de randvoorwaarden en uitgangspunten voor een plan per thema toegelicht en aangegeven op welke wijze deze in het plan dienen te worden verwerkt. De thema's betreffen: Veiligheid en waterkeringen Ligt het plangebied in de kernzone of beschermingszone van een waterkering: een zeewering, boezemkade, polderkade of de landscheiding? Waterkwantiteit Tot welk boezemwater behoort het plangebied? Welk peil wordt in het plangebied aangehouden? Zijn er waterlopen in het plangebied? Voegen de ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied in vergelijking met geldende bestemmingsplan verhardingen toe en is een toename gecompenseerd? Op welke wijze wordt ontvangen hemelwater ontvangen? Kunnen de ruimtelijke ontwikkelingen invloed hebben op de kwantiteit van het grondwater? Watersysteemkwaliteit en ecologie Ligt er in het plangebied een KRW-waterlichaam? En zo ja wordt dat door de ruimtelijke ontwikkelingen beïnvloed? Kunnen de ruimtelijke ontwikkelingen invloed hebben op de kwaliteit van het grondwater? Afvalwater en riolering Zijn er rioolpersleidingen in het plangebied en op welke
wijze en waar wordt het afvalwater gezuiverd? Klimaatadaptie Zijn er maatregelen om de effecten van de kliomaatverandering - zoals hitte, droogte en kans op hevige langdurige regen mogelijk?
38
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
3.5.5
Gemeentelijk beleid
3.5.5.1 Visie Toekomstbestendig Haags Water In de visie 'Toekomstbestendig Haags water!' (RIS280008) is aangeven hoe het watersysteem in Den Haag anno 2014 functioneert, welke knelpunten er zijn en hoe het systeem robuust te houden. Het Haagse watersysteem is op dit moment grotendeels op orde. Door kansen te benutten die zorgen voor een robuuster watersysteem en die ook bijdragen aan de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de stad, wordt het stedelijke gebied bestand tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte. In het stedelijke gebied is beperkte ruimte voor de traditionele opvang van water. Daarom is inzetten op onderzoek naar meer creatieve en innovatieve maatregelen belangrijk. Samenwerking tussen gemeente Den Haag en het schap is daarvoor essentieel. De ambitie is: "Den Haag heeft een goed functionerend en toekomstbestendig watersysteem dat de gevolgen van klimaatverandering en verstedelijking kan opvangen en dat bijdraagt aan een aantrekkelijke stad." Samengevat zijn de drie belangrijkste strategische pijlers om te komen tot een toekomstbestendig Haags watersysteem: De basis op orde: zorgen dat het systeem goed blijft functioneren. Eventuele negatieve effecten op de waterhuishouding moeten worden voorkomen of dienen te worden gecompenseerd.
Pak kansen door samen te werken en door slimme combinatie te zoeken: Als overheden het goede voorbeeld geven, tijdig kansrijke initiatieven en projecten herkennen en optrekken met partijen in de stad. Kennis, onderzoek en innovatie: Kennisontwikkeling, onderzoek en innovatie is van belang om creatieve oplossingen te vinden in het voorkomen van wateroverlast en het leefbaar en aantrekkelijk houden van de stad. 3.5.5.2 Integraal Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 Integraal Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 (RIS 306620) beschrijft de hoofdtaken van de gemeente voor de vier watercompartimenten: afvalwater, hemelwater, grond- en oppervlaktewater waarbij de onderlinge relaties, beleid en opgaven beschreven zijn. Daarnaast is de integraliteit versterkt door de aansluiting bij en afstemming op de bouwopgave, klimaatadaptieve oplossingen bij opgaven in de openbare ruimte en communicatie (interne en externe risicodialogen). In het plan omschrijft de gemeente verder op welke wijze zij invulling geeft aan haar zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater. Het plan beschrijft de voorzieningen die nodig zijn voor de inzameling en het transport van afvalwater, hemelwater en grondwater. Verder beschrijft het de huidige en gewenste staat van het oppervlaktewater en hoe de afstemming is geregeld tussen de gemeente en het Hoogheemraadschap van Delfland.
Ook beschrijft het plan de gevolgen voor het milieu van de aanwezige voorzieningen en de aangekondigde activiteiten.
3.6
Verkeer en infrastructuur
3.6.1
Regionaal beleid
De gemeente Den Haag maakt onderdeel uit van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH).Verwezen wordt naar parargraaf 3.2.3 De MRDH bestaat uit twee pijlers, de Vervoersautoriteit (Va) en Economisch Vestigingsklimaat (EV). Ter voorbereiding op de Vervoersautoriteit is in 2013 de Strategische Bereikbaarheidsagenda (SBA) voor de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) opgesteld. Het mobiliteitsbeleid richt zich daarin niet alleen op het hoge schaalniveau, zoals het versterken en verduurzamen van (macro)regionale en intraregionale verbindingen. Ook wordt er geïnvesteerd in veiligheid, in een betere bereikbaarheid van woon- en werklocaties en in snel, efficiënt en flexibele deur tot deur oplossingen. De SBA is door MRDH nader uitgewerkt in de Uitvoeringsagenda Bereikbaarheid 2016-2025. Ze geeft invulling aan de gezamenlijke regionale mobiliteitsopgaven in de metropoolregio. Ook stelt ze een samenhangend pakket aan maatregelen voor voor de periode 2016-2025. De Uitvoeringsagenda is vastgesteld op 1 juli 2016.
39
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
De Uitvoeringsagenda gaat er van uit dat het belang van het openbaar vervoer en de fiets toeneemt, mede vanwege leefbaarheid van de steden. Met het openbaar vervoer wordt voortgebouwd op het succes van RandstadRail en is de inzet om een schaalsprong te maken voor het openbaar vervoer naar de economische centra. Ook wordt ingezet op meer vraaggestuurd vervoer in combinatie met gemeentelijk vervoer voor doelgroepen op tijden en plaatsen waar het gewone openbaar vervoer geen oplossing is. Voor de fiets gaat de Uitvoeringsagenda uit van de realisatie van meer snelle routes en een uitbreiding van de fietsparkeerplaatsen. Voor het wegverkeer ligt de nadruk op een betere betrouwbaarheid door gecoördineerd verkeersmanagement en door het stimuleren van alternatieven voor spitsverkeer en het afbouwen van de noodzakelijke weginfrastructuur voor een goede bereikbaarheid van de economische centra. De Uitvoeringsagenda zet voor wat betreft de verbetering van de verkeersveiligheid in op onder andere gedragsbeïnvloeding en doelgroepenbenadering. Op het punt van de innovatie biedt de Uitvoeringsagenda ruimte voor de toepassing van nieuwe technieken en mobiliteitsdiensten samen met het bedrijfsleven en kennisinstellingen. In de Uitvoeringsagenda staan diverse projecten en maatregelen genoemd voor de periode 2016-2025. 3.6.2
Gemeentelijk beleid
Verkeer algemeen Den Haag groeit, er komen meer inwoners, meer banen en ook meer bezoekers. Dit zorgt voor een toename van het verkeer van, naar en in de stad. Bovendien reizen mensen steeds meer en over langere afstanden. Het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Den Haag voor de periode 2010 tot 2020 met een doorkijk tot 2030, is vervat in de “Haagse Nota Mobiliteit” (Rv 115 - 2011; RIS 180762). De visie in de nota is er op gericht van Den Haag een duurzaam bereikbare en een leefbare stad te maken door er voor te zorgen dat reizigers een bewuste keuze kunnen maken voor de vervoerwijze en de route die het beste bij hen past. Gerichte investeringen in het openbaar vervoer en de fiets, goede voorzieningen voor voetgangers, en bundeling en ordening van het autoverkeer moeten er voor zorgen dat reizigers de juiste keuzes kunnen maken. Op de Strategie Mobiliteitstransitie 2022-2040 (RIS310664) wordt in paragraaf 3.8.4 ingegaan. Openbaar vervoer Het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol als drager van ruimtelijke ontwikkelingen. Het dient te zorgen voor aantrekkelijke en snelle vervoerstromen tussen woon- en werklocaties, naar het centrum en andere belangrijke attractiepunten. De komende jaren staan binnen de gemeente Den Haag ingrijpende verbeteringen van het openbaar vervoer op stapel. Dat gebeurt aan de hand van de toekomstplannen van MRDH voor het openbaar vervoer.
Deze plannen onder de naam 'Netwerk RandstadRail' gaan onder meer over het geschikt maken van bestaande tramlijnen voor breder trammaterieel en de aanleg van Parkeer+Reis-terreinen bij diverse stations. Dienstregeling en lijnvoering van tram en bus worden jaarlijks vastgesteld door de eerder (zie paragraaf 3.2.3) genoemde Vervoersautoriteit. Onderstaande kaart over het openbaar vervoer laat het streefbeeld zien van het openbaarvervoer netwerk volgens de Haagse Nota Mobiliteit.
40
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
Afbeelding 3.2: Streefbeeld openbaar vervoernetwerk Het plangebied is gelegen aan de HOV-tangent tussen Leyenburg, het plangebied, Delft, Pijnacker en Zoetermeer. Het is een busverbinding met een hoge frequentie en een goede doorstroming. Autoverkeer Het gemotoriseerde verkeer wil de gemeente zoveel mogelijk ordenen en concentreren op een stelsel van goed ingepaste stedelijke en regionale hoofdwegen (zie kaart “Hoofdstructuur wegverkeer” uit de Haagse Nota Mobiliteit) met voldoende capaciteit om een optimale doorstroming te waarborgen. Een vlotte doorstroming op de hoofdwegen zorgt ervoor dat het verkeer als vanzelf deze hoofdwegen kiest, waardoor de verkeersdruk op de woonwijken minder kan zijn. De hoofdwegen zorgen voor een goede bereikbaarheid van de grote concentraties van werkgelegenheid en voorzieningen in de stad vanuit de regio en verder. Tevens verbinden de hoofdwegen de stadsdelen en wijken onderling met elkaar. De hoofdwegen hebben een zodanige vormgeving en inpassing dat voldaan wordt aan de leefbaarheidseisen en milieunormen. In de woonwijken is doorgaand autoverkeer niet welkom. De wijkontsluitingswegen krijgen daarom op den duur een inrichting als “stadslaan”: wegen met een minder dominante positie voor autoverkeer en prioriteit voor langzaam verkeer en openbaar vervoer.
De erftoegangswegen krijgen een inrichting als 30 kilometer per uur zone, voor zover dat nog niet gebeurd is. De “Nota Straten, Wegen en Lanen” (rv 10-2017, RIS 280303_150224) (verder SWL) bevat een uitwerking van het beleid uit de Haagse Nota Mobiliteit voor de wegen in de gemeente. De SWL bevat de functionele eisen die gesteld worden aan de wegenstructuur, zoals een duidelijke hiërarchie in het wegennet en een voldoende afwikkeling van de verschillende verkeerssoorten. beschrijft ook de wegbeelden voor de inrichting van de verschillende wegcategorieën. Die wegbeelden betreffen niet alleen het verkeer, maar hebben ook te maken met de ruimtelijke inpassing van wegen. Daarbij gaat het ook om groen, water, openbare ruimte en stedenbouwkundige structuur van de stad.
41
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
Afbeelding 3.3 Hoofdstructuur wegverkeer De Laan van Wateringse Veld vormt een stedelijke hoofdweg. De Sylvain Poonsstraat en de Paul Steenbergenlaan zijn wijkontsluitingswegen. Fietsverkeer Het fietsverkeer krijgt vanwege het milieuvriendelijke karakter en de fysiek zwakkere positie ten opzichte van het gemotoriseerde verkeer, bijzondere aandacht. Door het aanbieden van een aantrekkelijk hoogwaardig netwerk van veilige fietsroutes wordt het gebruik van deze vervoerswijze gestimuleerd. Binnen het stelsel van hoofdfietsroutes is een net van 'sterroutes' aangegeven. De sterroutes vormen de belangrijkste doorgaande routes die de woongebieden met het stadscentrum, de knooppunten van openbaar vervoer en het buitengebied verbinden. Onderstaande kaart toont het streefbeeld voor het fietsnetwerk van doorgaande routes uit de Haagse Nota Mobiliteit. Daarnaast is er de nodige aandacht voor het stallen van fietsen, zowel bij woningen als bij werklocaties, maar ook bij de grotere attractiepunten zoals scholen, winkelgebieden, stations en recreatiebestemmingen. De publieke voorzieningen voor de fiets maken integraal onderdeel uit van de inrichting van de openbare ruimte.
42
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
Afbeelding 3.4 Streefbeeld fiets Het plangebied is gelegen aan de Laan van Wateringse Veld, die een sterroute vormt met fietspaden ter weerszijden van de rijstroken. Parkeren van motorvoertuigen Het parkeren en stallen van auto's neemt een belangrijke plaats in binnen het verkeer- en vervoerbeleid van de gemeente Den Haag. Het algemene parkeerbeleid is vastgelegd in de nota Parkeerkader Den Haag 2010-2020 (RIS168473. Dit beleid gaat vooral over het faciliteren van de parkeerbehoefte en het benutten van schaarse ruimte maar moet ook automobilisten prikkelen om meer met het openbaar vervoer te reizen of de fiets te pakken. Hoge stedelijke bebouwingsdichtheden zonder adequate parkeervoorzieningen leiden vaak tot een te zware belasting van de openbare ruimte. Dat geldt zowel voor woon- als werkfuncties maar ook voor locaties die veel bezoekers trekken. Behalve de noodzaak tot de verdeling van schaarse (openbare) parkeergelegenheid in een aantal gebieden in de stad, zijn mobiliteitsoverwegingen gericht op het streven naar een bereikbare en leefbare (woon)omgeving en voor de gemeente aanleiding tot het stellen van parkeereisen bij nieuwe ontwikkelingen. Openbare parkeergelegenheid De betekenis van het bestaande parkeerterrein voor de parkeerbehoefte in de omgeving gaf de gemeenteraad aanleiding om op 10 juni 2021 een motie aan te nemen.
In deze motie (RIS 309101) werd het College verzocht het draagvlak voor het opheffen van het parkeerterrein in de wijk te peilen, alvorens een bouwplan uit te werken en de raad over de uitkomsten te informeren. Ter afdoening van de motie op 28 september 2021 werd de initiatiefnemer door het College verzocht om in de toelichting bij het bestemmingsplan aandacht te besteden aan de uitkomsten van het onderzoek naar het draagvlak in de wijk. Verder diende een integrale belangenafweging plaats te vinden. Om het draagvlak te peilen werd door de initiatiefnemer op 28 september 2021 een participatiebijeenkomst gehouden. Het verslag daarvan staat in paragraaf 7.1. De integrale afweging
43
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
tussen de ontwikkeling en de betekenis van het bestaande parkeerterrein staat in rij 19 in paragraaf 5.4 vermeld. Parkeernormen voor motorvoertuigen De parkeernormen en het toepassingskader ervan zijn uitgewerkt in de nota Parkeernormen Den Haag (RIS 181571). Ze is in 2016 op een beperkt aantal onderdelen gewijzigd en aangevuld (RIS291425 & 160223). Nieuwbouw- en verbouwplannen worden aan dit beleid getoetst. Aan de hand van de parkeernormen wordt de parkeerbehoefte berekend en vergeleken met de voorzieningen die in het plan zijn opgenomen.
Fiets parkeren De aantrekkelijkheid van een reis per fiets wordt mede bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de fietsparkeervoorziening bij herkomst en bestemming. Daarnaast wil de gemeente voorkomen dat de kwaliteit van de buitenruimte onder druk komt te staan doordat fietsen teveel geparkeerd worden op plaatsen met een intensief gebruik van de openbare ruimte. Om die reden gaat de gemeente uit van het faciliteren en sturen op het stallen van fietsen bij belangrijke bestemmingen of bestemmingsgebieden, zoals NS-stations en de binnenstad. Daarnaast hanteert de gemeente fietsparkeernormen bij nieuwbouw en verbouw van kantoren, bedrijven en voorzieningen. Het gemeentelijke beleid ten aanzien van het stallen van fietsen is vastgelegd in de “Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016” (RIS294386). Parkeernormen voor fietsen De gemeente Den Haag heeft in de “Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016” normen vastgesteld voor de aanwezigheid van fietsparkeerplaatsen bij kantoren, bedrijven en voorzieningen. Deze normen worden toegepast bij nieuwbouw en verbouw waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is. Het hanteren van fietsparkeernormen is nodig om het fietsen in Den Haag te stimuleren en het beslag van het fietsparkeren op de schaarse openbare ruimte te kunnen reguleren.
Bij de bepaling van de fietsparkeernormen is het faciliteren van het groeiende fietsgebruik het uitgangspunt geweest. Voor het fietsparkeren bij woningen is de eis uit het bouwbesluit van toepassing, waarin is aangegeven dat bij woningen een berging aanwezig is. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een woongebouw kan in de aanvraag verzoeken om afwijking van de prestatie-eisen die het Bouwbesluit stelt aan buitenbergingen, anders genoemd verzoeken om toepassing van gelijkwaardigheid. In de “Beleidsregels Bergingen nieuwe woongebouwen Den Haag 2017” (RIS297288) staat aangegeven onder welke voorwaarden collectieve fietsstallingen kunnen worden gebouwd in plaats van afzonderlijke fietsbergingen per woning. De fietsparkeerbehoefte van een ontwikkeling met een niet-woonfunctie wordt berekend aan de hand van het bouwplan en de daarbij behorende parkeernorm. Voor het vaststellen van de fietsparkeereis wordt vervolgens de berekende parkeerbehoefte afgezet tegen de specifieke kenmerken en grootte van het bouwplan en tegen de omgeving van het bouwplan. Indien er concrete aanleiding bestaat om de berekende fietsparkeerbehoefte bij te stellen, is het aan de ontwikkelaar om aan te tonen op grond waarvan dat nodig is. Dubbelgebruik kan daar bijvoorbeeld een aanleiding voor zijn.
Aan de parkeereis kan op eigen terrein worden voldaan of door middel van een storting in het fietsparkeerfonds (of een combinatie). Fietsparkeerplaatsen die op eigen terrein worden gerealiseerd dienen goed bereikbaar en comfortabel te zijn. Bij afkoop van de fietsparkeereis door middel van een storting in het parkeerfonds, dient de gemeente te voorzien in de behoefte van fietsparkeerplaatsen door realisatie en exploitatie van (openbaar toegankelijke) fietsparkeervoorzieningen. Tenslotte worden de afspraken tussen ontwikkelaar en gemeente vastgelegd voor de nieuw- en verbouwplannen waarmee het beoogde gebruik van de fietsparkeeroplossingen kan worden bewaakt. De met de ontwikkeling samenhangende verkeersaspecten wat betreft voertuigbewegingen, de parkeerbehoefte en de behoefte aan fietsparkeerplaatsen zijn onderzocht (Rotterdam, 2021) en rapportage daarvan vormt bijlage 1 bij de toelichting. Daarmee kan de uitvoerbaarheid van het plan getoetst worden.
44
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
3.7
Economie
3.7.1
Algemeen
Gelet op het doel van dit bestemmingsplan, wordt hier alleen ingegaan op het beleid van de verschillende overheden omtrent de huisvesting van bedrijven en kantoren. 3.7.2
Bedrijven
3.7.2.1 Rijksbeleid Zoals al aangegeven in paragraaf 3.2.1 betreft het rijksbeleid het voorbereidingsbesluit omtrent hyperscale datacenters en de zogenaamde Ladder voor de duurzame verstedelijking . 3.7.2.2 Provinciaal beleid In de De provinciale Omgevingsverordening (verder Verordening) is het plangebied aangeduid als bedrijfsterrein. Volgens artikel 6.12 lid 1 van deze verordening moet een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein bedrijfssoorten toelaten uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten passend bij de omgeving van het bedrijventerrein. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan. In lid 4. wordt gesteld dat in het eerste lid met het begrip 'bedrijventerrein' een bestaand bedrijventerrein bedoeld wordt. Dat is in het plangebied echter niet het geval. Het vormt daarmee een aanbeveling, die in paragraaf 5.4 getoetst wordt. 3.7.2.3 Regionaal beleid De metropoolregio Rotterdam Den Haag (zie paragraaf 3.2.3 heeft de Strategische Agenda MRDH 2022Samen aan het werk vastgesteld.
Binnen de pijler economie zijn diverse doelen bepaald die het vestigingsklimaat verbeteren voor high tech bedrijvigheid en innovatie - hierbij wordt gedacht aan een campussen netwerk, maar ook voldoende ruimte biedt voor maakindustrie om daarmee de werkloosheid terug te dringen. 3.7.2.4 Gemeentelijk beleid Economische Visie Den Haag+ 2030; brede economische groei in een stad zonder grenzen De economische Visie Den Haag+ 2030; brede economische groei in een stad zonder grenzen (verder visie) (RIS303550) dient als kadernota voor het economisch beleid en vervangt de beleidsnota “de Kracht van Kwaliteit” (RIS180414). De brede economische groei als algemeen doel wordt via vier strategische doelen verwezenlijkt: 1. een attractieve stad voor bewoners, bezoekers en bedrijven; 2. een veerkrachtige economische structuur; 3. een excellent ondernemingsklimaat, waarin ondernemers kunnen groeien; 4. voldoende ruimte voor bedrijvigheid in aantrekkelijke werkmilieus. Brede economische groei is een integrale opgave. Ruimte voor werk mee moet groeien met het inwoneraantal, zodat elke inwoner van Den Haag mee kan doen: ondernemer en werknemer, onafhankelijk van opleidingsniveau. In dat verband is er dringend behoefte aan meer en kwalitatief diverse betaalbare, duurzame en bereikbare bedrijfsruimte.
De Haagse agglomeratie moet daarbij ruimte bieden aan verschillende soorten bedrijvigheid: van internationale topmilieus, bedrijventerreinen tot kleinschalige bedrijfsruimte in de wijken met voldoende leer-werkmogelijkheden voor vakmensen. Hoofdkantoren, innovatieve bedrijven en instellingen willen in gemengde locaties, dicht bij elkaar en bij
45
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
het openbaar vervoer gevestigd zijn. Ook sfeer, imago en uitstraling worden steeds belangrijker als vestigingsvoorwaarden voor ondernemers, onder andere om talent aan te trekken. De ambitie van Den Haag is om in 2030: het best te scoren op woon- en leefklimaat van de vier grote Nederlandse steden; dé stad te zijn voor kwaliteitstoerisme in Nederland; daarbij in te spelen op ontwikkelingen als digitalisering, technologische vernieuwing en verduurzaming en verder in te zetten op schonere lucht en minder geluidhinder. Actieprogramma Kleinschalige Bedrijfsruimte (verder Programma). Het ondersteunen en faciliteren van beginnende en kleinschalige bedrijvigheid vormt de kern van het economische beleid in de wijken. Vergroting van het aanbod aan kleinschalige bedrijfsruimte vormt daarbij de prioriteit. Dit Programma (RIS181978) zet daarop in. Om de ondernemers die actief zijn in de ambachtelijke bedrijfsactiviteiten zo goed als mogelijk te faciliteren, ligt de focus onder andere op de categorie verzamelgebouw. Gestreefd wordt naar het toevoegen van bedrijfsruimte in onder meer het stadsdeel Escamp.
Uit onderzoek van de Stec Groep naar de behoefte aan kleinschalige bedrijfsruimte in Den Haag (2016) blijkt dat zij een uitbreidingsvraag verwachten van circa 30.000 tot 50.000 m² in de periode tot en met 2026 en de nabijheid van de eigen woning en het verzorgingsgebied belangrijke locatie-eisen van die bedrijfsruimte achten. Onder kleinschalige bedrijfsruimte wordt een verblijfsruimte verstaan, waarin de werkzaamheden overwegend zijn gericht op vervaardiging, verwerking en/of opslag en distributie van goederen. Te denken valt aan ruimten voor aannemers, loodgieters, ambachten, drukkerijen, groothandel, kleine industrie, reparatie en zo meer. Kantoren, winkels, horecapanden, showrooms met verkoop aan particulieren en andere bebouwing met een commerciële functie ten behoeve van de finale consument vallen buiten deze categorie. De gebruiksmogelijkheid van bedrijfsruimten in de wijken gaat conform de locatietypologie in de functiemengingstrategie (RIS 127027). Voor startende ondernemers zijn bedrijfsverzamelgebouwen belangrijk als betaalbaar onderkomen. De gemeente brengt mogelijke locaties voor bedrijven in kaart en stimuleert de ontwikkeling er van. Ook in een aangenomen motie in de gemeenteraad (RIS298698) van 14 december 2017 werd een tekort aan huisvestingsplekken voor ambachtelijke midden- en kleinbedrijven (verder mkb) in Den Haag geconstateerd.
De duurzaamheids- en energietransitie veroorzaakt een grote en groeiende vraag naar daarop gerichte mkb-bedrijven en naar huisvestingsmogelijkheden voor deze bedrijven. Door het bieden van die huisvesting ontstaat tevens een groeiende vraag naar personeel. Het College zegde daarop vestigingskansen toe. Functiemengingstrategie: Mengen van bedrijven en wonen De gemeente Den Haag heeft een verdichtingsopgave. Om deze verdichtingsopgave te realiseren en het grondgebruik te optimaliseren is functiemenging een goed instrument. In de notitie 'Functiemengingstrategie: Mengen van bedrijven en wonen' (Rv 88 - 2005; RIS127027) komt de functiemenging van praktijk- kantoor- en bedrijfsruimte met wonen aan de orde. Onder gebieden met functiemenging worden stadscentra, winkelcentra, woonwerkgebieden met kleinschalige vooral ambachtelijke bedrijvigheid en gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies verstaan. Omvang Menging kan plaatsvinden op het niveau van een pand, een blok of een heel deelgebied. De omvang is afhankelijk van het type locatie. Een werkruimte (kantoor/bedrijf/praktijk) kleiner dan ongeveer 100 m² mag gevestigd zijn in woonstraten. Voor een werkruimte tussen 100 en 500 m² geldt dat deze langs de doorgaande wegen een plaats kan krijgen. Bedrijven met werkruimte sdie groter zijn dan 500 m² zouden op een bedrijventerrein of kantorenlocatie een plaats moeten krijgen.
Vooral combinatiegebouwen met praktijkruimten (tandarts, kapper), kantoorruimte (accountantskantoor) en wonen moeten worden gestimuleerd.
46
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
Milieubelasting De handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (Den Haag, 2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten staan uitgebreide lijsten met richtafstanden die aangehouden moeten worden om voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies zoals wonen. In de richtafstandenlijst zijn bedrijfssoorten in de Standaard Bedrijfs Indeling verder ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijfssoort is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan, afhankelijk van het omgevingstype, van worden afgeweken. Bij het omgevingstype 'gemengd gebied' kunnen de afstanden uit de richtafstandenlijst bijvoorbeeld met één afstandstap worden verminderd. 3.7.3
Kantoren
3.7.3.1 Rijksbeleid Zoals al aangegeven in paragraaf 3.2.1 betreft het rijksbeleid de zogenaamde Ladder voor de duurzame verstedelijking. 3.7.3.2 Provinciaal beleid Volgens artikel 6.11 lid 2 van de provinciale Omgevingsverordening (verder Verordening) is de aanwijzing tot een bestemming voor kantoren alleen toelaatbaar op locaties waarvan de plaats indicatief geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II bij de Verordening. Dat is hier niet het geval. De Verordening dat stelt buiten deze locaties alleen kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van 1.000 m² per vestiging en bedrijfsgebonden kantoren met een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf gevestigd mogen worden. 3.7.3.3 Gemeentelijk beleid De kantorenstrategie is vastgelegd in de nota 'Kantorenstrategie 2018 – 2025, de gebruiker centraal 2.0' (RIS 300807) (verder strategie). De voorgaande kantorenstrategie had als doel om het overaanbod in Den Haag en in de regio te verminderen door het aanbod naar ander vastgoed te transformeren. De Haagse kantorenmarkt echter, is in korte tijd sterk veranderd. De vraag naar kantorenruimte neemt sterk toe, terwijl het aanbod door die transformatie afneemt. Er is al sprake van kwalitatieve tekorten en onvoldoende aanbod in bepaalde segmenten.
Zo'n voorbeeld is de kantorenverzamelgebouwen. Daarnaast verandert de aard van de vraag als gevolg van de 'nieuwe economie'. Het gaat nu steeds vaker om kleine bedrijven, startups en groeiende bedrijven. Het midden – en kleinbedrijf is hierdoor een belangrijk onderdeel van de Haagse economie en op zoek naar passende kantoorruimte op een locatie die goed bereikbaar is met het openbaar vervoer, centraal gelegen en dicht bij andere bedrijven en voorzieningen. Belangrijke elementen van de strategie zijn verder Toevoegen van kwaliteit aan de kantorenvoorraad door het creëren en aanhouden van een actuele gesaldeerde planvoorraad van 200.000 m² bruto vloer oppervlak voor nieuwbouw van kantoren op geschikte locaties; de feitelijke uitwerking wordt vastgelegd in de gebiedsagenda's, het terughoudend omgaan met transformaties van panden met een bruto vloer oppervlak van meer dan 1.500 m², het respecteren van bestaande transformatieplannen, het stimuleren van verduurzaming, de verruiming van bestemmingsplannen met horecafaciliteiten en. het Central Innovation District en de Internationale Zone zijn de nationele en internationale toplocatis die den Haag te bieden heeft.
47
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
3.8
Duurzaamheidsbeleid
3.8.1
Rijksbeleid
De Nationale Omgevingvisie (verder NOVI) is in werking getreden. Het is de visie op de leefomgeving vanuit het Rijk. NOVI is een structuurvisie in de zin van de Wro. NOVI benoemt 21 nationale belangen en opgaven en onderscheidt daarbij 4 prioriteiten waarvan één luidt: 'Ruimte voor Klimaatadaptatie en energietransitie'. Wat betreft het circulair bouwen heeft het Rijk heeft een forse ambitie: Nederland 100% circulair in 2050 (met als tussenstap 50% circulair in 2030). Ook biedt zij gemeente de gelegenheid in dit verband deel te nemen aan het Programma Samen Versnellen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. 3.8.2
Provinciaal beleid
De Omgevingsvisie Zuid-Holland is op 1 april 2019 in werking getreden en geldt als structuurvisie in de zin van de Wro. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving waarvan: een klimaatbestendige delta; energievernieuwing; onderdelen zijn. 3.8.3
Regionaal beleid
De metropoolregio Rotterdam Den Haag werkt vanuit haar Strategische Agenda MRDH 2022- Samen aan het Werk onder andere andere aan de transitie naar toonaangevende duurzaamheid. 3.8.4
Gemeentelijk beleid
In de Kadernota duurzaamheid - schone energie in een groene stad (5 maart 2019, RIS 301829) heeft de gemeenteraad duurzaamheid als norm voor ruimtelijke ontwikkelingen gesteld. Samen met alle inwoners van Den Haag werkt de gemeente aan een stad die schoner, groener en duurzamer wordt. Om duurzame ontwikkeling hanteerbaar te maken richt de gemeente zich op vier thema's: de overgang naar schone energie, een aantrekkelijke leefomgeving, schone mobiliteit en het hergebruik van grondstoffen. Het streven is om voor de gestelde doelen concrete resultaten te boeken en deze resultaten via monitoring zichtbaar te maken. Elk thema wordt in het navolgende behandeld. Per thema is een plan van aanpak en een werkagenda voor de periode 2019-2022 opgesteld. De monitoring doet de gemeente in de vorm van een jaarlijkse Programmabrief Duurzaamheid en een jaarlijkse Voortgangsbrief Duurzaamheid. Energie De gemeente verplicht dat elk nieuw gebouw klimaatneutraal en zonder aardgasaansluiting wordt opgeleverd. Verder is de ambitie dat ieder geschikt dak in Den Haag zonnepanelen en zonneboilers heeft, groen is of anders wit. De gekozen energievoorziening moet passen bij de oplossingsrichting die in het Stedelijk EnergiePlan (RIS306869) en het ontwerp van de Transitievisie warmte (RIS310442) is vastgesteld voor dit deel van de stad.
Omdat nieuwbouw vanwege de goede isolatie met lage temperaturen verwarmd kan worden, is het gebruik van stadsverwarming die een hoge temperatuur biedt daarvoor onwenselijk. Die warmte is nodig voor de verwarming van bestaande woningen en gebouwen.
48
bestemmingsplan Wateringse Veld Zuid 2e herziening (Bedrijfsverzamelgebouw) (ontwerp)
Den Haag voert een duurzaam bouwenbeleid met de integrale prestatie-instrumenten GPR of BREEAM. De ambitie voor GPR is minimaal een 8 voor de thema's milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde en 9 voor energie. Wordt gekozen voor BREEAM dan is de norm minimaal vier sterren. Een hogere prestatie kan worden beloond. Leefomgeving Het opvangen van de groei van de stad dient met de ambitie van een gezonde, aangename leefomgeving gepaard te gaan. Dit vraagt een maximale inzet op klimaat bestendigheid - omgaan met wateroverlast, hitte en droogte - en een sterke vooruitgang in milieukwaliteit. Klimaatbestendigheidsmaatregelen moeten zo mogelijk samenvallen met andere fysieke werkzaamheden in de stad, zoals gebiedsontwikkelingen, herinrichtingen en grootschalig onderhoud. De groenvoorzieningen in de stad worden kwalitatief ontwikkeld, zodat deze toekomstbestendig worden. In intensiveringsgebieden zullen groenvoorzieningen in, op, en aan gebouwen een belangrijk middel zijn om bij te dragen aan hun verschillende functies in de stad: natuurontwikkeling, bijdragen aan klimaatbestendigheid, plekken voor rust en ontspanning bieden. Voorts wordt ingezet op schone lucht en bodem, aangenaam omgevingsgeluidsniveau en externe veiligheid. Uitgangspunt is dat ontwikkelingen in de stad op een verantwoorde wijze worden mogelijk gemaakt.
Een afgewogen gebruik en beheer van de boven- én ondergrond wordt steeds belangrijker. - Nota Stadsnatuur Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.4.3.2. - Nota Stadsbomen Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.4.3.4. - Natuurinclusief bouwen Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.4.3.2. Mobiliteit Den Haag kiest vooral voor vervoer dat weinig ruimte vraagt, duurzaam en gezond is: lopen, fietsen, lichte elektrische voertuigen (LEV's) en het openbaar vervoer. Bij het inrichten van de buitenruimte krijgt dit prioriteit. Daarbij is extra aandacht voor de mensen met een beperking. Den Haag zet in op schoon vervoer. Dat doet de gemeente onder meer door het stimuleren van elektrische voertuigen. Elektrische auto's kunnen bijdragen aan een evenwicht tussen vraag en aanbod van stroom en aan een efficiënt gebruik van het stroomnetwerk in de stad. De groei van de stad vraagt om een andere organisatie van parkeren, rekening houdend met de omstandigheden en behoeften per wijk. Alternatieven worden gestimuleerd, zoals het gebruik van deelauto's of elektrische deelauto's . De parkeernormen voor nieuwe woongebouwen worden flexibeler en meer gebiedsgericht; binnen het invloedsgebied van de openbaar vervoercorridors en -knopen kan een lagere parkeernorm gaan gelden.