RIS318850 Bijlage 4 GRO 4.0 Loevesteinlaan
Tekst van het document
Er wordt immers op deze wijze actieve regie gevoerd op de transformatie van zorgvastgoed om zo kansen te benutten om in nieuwe programma’s en woonvormen voor ouderenhuisvesting te voorzien. Naast 144 via de Wet langdurige zorg toe te wijzen (intramurale) zorgstudio’s, omvat de ontwikkeling 144 levensloopbestendige appartementen, waar indien daar behoefte aan is, zorg afgenomen kan worden bij Florence. Van de 144 zorgappartementen hebben 50 een middeldure huur. De overige 94 zijn vrije sector huur. De 50 middeldure zorgappartementen hebben een huur binnen een bandbreedte van € 720,42 tot € 950,- per maand (prijspeil 2019 met cpi-indexering (alle huishoudens volgens de ‘jaar-op-jaarmethode’, reeks 2019=100 + 1 %). Daarbij heeft het college met de brief ‘Sturing betaalbare woningbouw in lopende projecten’ van 26 mei 2021 (RIS308642) aangegeven dat voor voorliggend initiatief eerdere besluitvorming heeft plaatsgevonden waarbij specifieke woonprogramma’s zijn beoogd en dat de locatie verder wordt ontwikkeld conform de specifieke afspraken en/of het oude regime van eerder (woon)beleid (in afwijking van de nu geldende woonagenda). Tot slot geldt dat de gemeente werkt aan de Woonzorgvisie 2040, die naar verwachting in 2024 kan worden vastgesteld.
Hierin wordt specifiek gedefinieerd wat zorgwoningen zijn, voor welke doelgroep bestemd en hoe die, voor welk segment, in de woningvoorraad mee tellen. 3.4.6.2 Conclusie Geconcludeerd kan worden het voorgenomen initiatief dat middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden past binnen de Woonvisie.
Woonagenda 2020-2023 Op 7 oktober 2020 heeft de raad de Woonagenda 2020-2023 vastgesteld (RIS305711). De Woonagenda 2020-2023 is een actualisatie van de vorige Woonagenda 2019-2023, aangevuld met maatregelen uit het coalitieakkoord 'Samen voor de stad'. Uitgangspunt is dat iedere inwoner van Den Haag fatsoenlijk en betaalbaar kan wonen. Betaalbaar wonen moet haalbaar zijn voor starters, ouderen, studenten én gezinnen. “Haags samen wonen, daar geloven we in”. De Woonagenda vormt het actueel woonbeleid van Den Haag en is hiermee een concrete uitwerking van de Woonvisie. De woonagenda vervangt de uitvoeringsagenda bij de Woonvisie Den Haag. Belangrijke elementen van de woonagenda zijn:
maatregelen om de realisatie en het behoud van goedkope en middeldure woningen te borgen; maatregelen om de sociale huurwoningen in Den Haag beter te verdelen; maatregelen om de leefbaarheid in wijken te beschermen door een rem op de bouw van kleine woningen (kleiner dan 40/50 m2) en het beperken van de mogelijkheid tot bouwkundig splitsen (zie paragraaf 3.8.7); maatregelen voor specifieke doelgroepen waaronder onmisbare beroepsgroepen, woonwagenbewoners, zorgdoelgroepen en studenten.
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 26
In de woonagenda zijn extra maatregelen beschreven. Den Haag kampt momenteel namelijk met een enorme woningnood. Den Haag groeit de komende jaren met 4.000 tot 5.000 inwoners per jaar. Om te zorgen dat iedereen in onze stad prettig kan wonen zijn dan ook flinke maatregelen nodig voor de Haagse woningmarkt. In de woonagenda zijn deze extra maatregelen beschreven en hieronder worden er aantal opgesomd:
De jaarlijkse bouwambitie is verhoogd. De norm van 30% sociale woningbouw voor de hele stad groeit hierbij mee; Er wordt gestreefd naar 20% betaalbare koopwoningen in nieuwbouw; Op beperkte schaal voert de gemeente een actief grondbeleid als dat helpt om de bouw van sociale huur en starterswoningen te ondersteunen. Het verbouwen van een woning tot 2 of meer zelfstandige woningen (bouwkundig splitsen) kan alleen nog in een beperkt aantal gebieden en onder bepaalde voorwaarden. Ook de regels voor kamerbewoning en kamerverhuurders worden strenger. Dit voorkomt negatieve gevolgen voor het karakter en de leefbaarheid van buurten. Er is in Den Haag een groot tekort aan bepaalde beroepsgroepen zoals leraren, agenten en zorgpersoneel. Daarom experimenteert de gemeente met manieren om deze beroepsgroepen te helpen bij het vinden van huisvesting. Zo maken we het aantrekkelijker om deze beroepen uit te oefenen in Den Haag. Er komen extra maatregelen voor het huisvesten van specifieke groepen zoals studenten, zorgdoelgroepen, ouderen en arbeidsmigranten.
3.4.7.1 Relatie tot ontwikkeling Zoals beschreven in paragraaf 2.2 van voorliggende rapportage is in het Kavelpaspoort vastgelegd dat bij de herontwikkeling van deze locatie een uitgebreid zorgprogramma en woningbouwprogramma moet komen. Het betrof 120 zorgwoningen met gemeenschappelijke ruimten en minimaal 50 betaalbare woningen. Het beoogd programma waar voorliggend initiatief in voorziet, wijkt in enkele onderdelen af van het kavelpaspoort en behelst de realisatie van 144 zorgunits in 4 bouwlagen (stedelijke laag) en twee woongebouwen met 19 bouwlagen. In de woongebouwen worden in totaal 298 woningen gerealiseerd. Op de begane grond in de plint van het gebouw worden de toegangen naar de woongebouwen, de entree van Florence en verschillende ruimtes voor commerciële en commercieel-maatschappelijke plintfuncties gerealiseerd. Binnen de gemeente is er een grote vraag naar dergelijke woningen. Het blijkt dat er een tekort is aan woningen voor zorgdoelgroepen en starters kunnen lastig aan een koopwoning komen en zijn aangewezen op de sociale en middeldure huurwoningen, zo blijkt uit de Woonagenda 2020-2023 (RIS305711). De druk op de huursector uit zich in hoge huurprijzen en een beperkt aanbod aan betaalbare huur.
Het realiseren van de middeldure huurwoningen stimuleert de doorstroming vanuit sociale huurwoningen aangezien op dit moment ongeveer 20% van de sociale woningvoorraad bewoond wordt door huishoudens die ‘te ruim’ wonen. Daarnaast is in de Woonagenda de ambitie opgenomen om in de periode 2020-2023 meer (tijdelijke) zelfstandige woningen te realiseren voor de zorgbehoevende doelgroep. Dit moet er onder andere voor zorgen dat de uitstroom uit maatschappelijke opvang en beschermde woonvormen niet stokt door een tekort aan zelfstandige (zorg)woningen. Het voorgenomen initiatief bestaat onder andere voor 30% uit zorgstudio’s, de door Florance, via de Wet langdurige zorg worden toegewezen aan cliënten. Aan dergelijke zorgstudio’s bestaat een grote behoefte. Naast 144 via de Wet langdurige zorg toe te wijzen zorgstudio’s omvat de voorgenomen ontwikkeling 144 levensloopbestendige appartementen, die indien daar behoefte aan is, zorg kunnen afnemen bij Florance. Van deze 144 zorgappartementen hebben 50 een middeldure huur en de overige 94 zijn vrije sector huur. 3.4.7.2 Conclusie Het initiatief is in lijn met de Woonagenda.
Wateragenda en visie ‘Toekomstbestendig Haags Water!’ De gemeente Den Haag en het Hoogheemraadschap van Delfland werken aan een goed waterbeheer door middel van een gezamenlijke Wateragenda Den Haag 2016-2020 (RIS 293272).
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 27
In de visie 'Toekomstbestendig Haags water!' is aangeven hoe het watersysteem in Den Haag anno 2014 functioneert, welke knelpunten er zijn en hoe het systeem robuust te houden. Het Haagse watersysteem is op dit moment grotendeels op orde. Door kansen te benutten die zorgen voor een robuuster watersysteem en die ook bijdragen aan de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de stad, wordt het stedelijke gebied bestand tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte. In het stedelijke gebied is beperkte ruimte voor de traditionele opvang van water. Daarom is inzetten op onderzoek naar meer creatieve en innovatieve maatregelen belangrijk. Samenwerking tussen gemeente Den Haag en Delfland is daarvoor essentieel. De ambitie is: "Den Haag heeft een goed functionerend en toekomstbestendig watersysteem dat de gevolgen van klimaatverandering en verstedelijking kan opvangen en dat bijdraagt aan een aantrekkelijke stad." Samengevat zijn de drie belangrijkste strategische pijlers om te komen tot een toekomstbestendig Haags watersysteem: 1. De basis op orde: We zorgen ervoor dat het systeem goed blijft functioneren. Eventuele negatieve effecten op de waterhuishouding moeten worden voorkomen of dienen te worden gecompenseerd. 2.
Pak kansen door samen te werken en door slimme combinatie te zoeken: We moeten als overheden het goede voorbeeld geven, tijdig kansrijke initiatieven en projecten herkennen en optrekken met partijen in de stad. 3. Kennis, onderzoek en innovatie: Kennisontwikkeling, onderzoek en innovatie is van belang om creatieve oplossingen te vinden in het voorkomen van wateroverlast en het leefbaar en aantrekkelijk houden van de stad.’ 3.4.8.1 Relatie tot ontwikkeling In paragraaf 4.13 van voorliggende rapportage wordt de waterhuishoudkundige situatie nader toegelicht.
Parkeerbeleid Den Haag Autoverkeer De hoofdlijnen van het Haagse parkeerbeleid zijn vastgelegd in het Parkeerkader 2010-2020 (RIS 168473A). Met de Parkeerbrief 2015 (RIS 283326) is het parkeerbeleid tussentijds geactualiseerd. Het beleid van dit Parkeerkader is effectief gebleken: in wijken en gebieden waar parkeermaatregelen zijn getroffen, is de parkeerdruk flink gedaald. Echter, de parkeerdruk is op veel plaatsen nog steeds hoog en de aanpak is in de loop van de jaren steeds uitdagender geworden. Er zijn de afgelopen jaren aanzienlijk meer Hagenaars bijgekomen en ook het aantal arbeidsplaatsen is gestegen. Veel van deze mensen bezitten en gebruiken auto’s. Het oppervlak waarbinnen al deze auto’s moeten parkeren, is daarentegen niet gegroeid. Het gevolg is dat de Hagenaars en hun bezoekers, ondanks alle maatregelen, in toenemende mate moeite hebben om een parkeerplaats te vinden. In de Hoofdlijnenbrief Mobiliteitstransitie uit 2019 (RIS 302361) wordt ingezet op een noodzakelijke systeemverschuiving waarbij voorrang wordt gegeven aan ruimte-efficiënte, schone, slimme en veilige mobiliteit. Deze transitie is inmiddels vertaald in een aantal kaderstellende nota’s: De uitgangspunten voor schaalsprong OV (RIS303479), de Verkeersveiligheidsstrategie (RIS305028) en Ruim baan voor de fiets, de Fietsstrategie 2040 (RIS302960).
De Parkeerstrategie 2021-2030 is de uitwerking van het parkeerbeleid in overeenstemming met de Hoofdlijnenbrief Haagse Mobiliteitstransitie. De parkeerstrategie 2021-2030 vervangt het Parkeerkader 2010-2020 en de Parkeerbrief 2015. Parkeerbeleid heeft tot doel een maatschappelijk verantwoord evenwicht tot stand te brengen tussen de vraag naar en het aanbod van parkeerplaatsen. Voor de parkeerstrategie 2021-2030 kiest het college voor de volgende uitgangspunten: 1. De beschikbare fysieke ruimte wordt leidend in het parkeerbeleid. Dit komt tot uitdrukking in parkeernormen en waar nodig komt er een maximering van het aantal uit te geven vergunningen. 2. Bij het besluit tot invoering van parkeerregulering wordt gestreefd naar draagvlak in het gebied waar dat wordt ingevoerd, maar staan veiligheid en leefbaarheid voorop.
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 28
3. In een gebied waar grootschalige ontwikkelingen gaan plaatsvinden die aanzienlijke negatieve gevolgen zullen hebben voor de parkeerdruk kan, om dit te voorkomen, door het College van B&W besloten worden deze ontwikkeling gepaard te laten gaan met de invoering of uitbreiding van parkeerregulering. 4. Bij nieuwbouw- en herontwikkelingen is parkeren op eigen terrein (POET) leidend en wordt grote terughoudendheid betracht in het verstrekken van parkeervergunningen. 5. Er komt een fonds en een bijpassende regeling voor bijdragen aan initiatieven voor het bouwen of verbeteren van parkeergarages in combinatie met het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte in de omgeving van de parkeervoorziening. Parkeernormen autoverkeer De gemeente heeft in 2021 de Nota parkeernormen (RIS309940) opgesteld ter vervanging van de Nota parkeernormen Den Haag (RIS181571) uit 2011 en de wijzigingen en aanvulling op de nota parkeernormen (RIS291425) uit 2016. De nieuwe parkeernormen voor auto’s gelden vanaf 20 oktober 2021. In de nieuwe regeling zijn de parkeernormen flexibeler (makkelijker toe te passen). Zo is het mogelijk om bijvoorbeeld minder parkeerplaatsen te maken en meer ruimte vrij te maken voor deelauto’s of deel(bak)fietsen. Nieuwbouw- en verbouwplannen worden aan het beleid getoetst.
Aan de hand van de parkeernormen wordt de parkeerbehoefte berekend en vergeleken met de voorzieningen die in het plan zijn opgenomen. Uitgangspunt bij nieuwbouw- en herontwikkelingen is dat de parkeerbehoefte op het eigen terrein wordt opgelost. Soms is dat niet mogelijk en het is ook niet altijd strikt noodzakelijk. De gemeente kan onder andere de parkeerdruk en eventuele beschikbare parkeerruimte binnen loopafstand in de omgeving, meewegen. Dat geldt ook voor functies waarvan de parkeerplaatsen onderling uitwisselbaar zijn. Daarnaast kan de gemeente in afwijkende situaties maatwerk toepassen. Aan de hand van de informatie wordt vastgesteld hoeveel parkeerplekken de initiatiefnemer op eigen terrein moet realiseren. Bij woningbouw is het gemiddelde autobezit uitgangspunt voor de hoogte van de parkeernorm. Het gemiddelde autobezit hangt af van de oppervlakte van de woning, de plek in de stad en het type woning. Voor werken, winkels en andere voorzieningen is de functie van het gebouw en de mate van bereikbaarheid met het openbaar vervoer, bepalend voor de parkeernorm. Bij knooppunten van het openbaar vervoer geldt een lagere norm dan op plekken die minder goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer. De parkeernormen worden uitgedrukt in het aantal parkeerplaatsen per woning, en bij de -meeste- overige de functies in het aantal parkeerplaatsen per 100 m2 bruto vloeroppervlak.
Fietsverkeer in 2019 is de Fietsstrategie 2040 – Ruime baan voor de fiets is vastgesteld (RIS 302960). Ambitie van de strategie is dat Den Haag een echte fietsstad wordt, voor álle Hagenaars. In 2040 is de fiets het belangrijkste vervoermiddel voor verplaatsingen in de stad. Dat betekent wel dat de infrastructuur moet meegroeien met het fietsgebruik. Dat betekent letterlijk meer ruimte maken voor de groei van het fietsgebruik. Met investeringen in voldoende capaciteit voor de rijdende en de parkerende fiets die ook bijdragen aan een aantrekkelijke inrichting van de openbare ruimte. Mede dankzij nieuwe typen fietsen, zoals de E-fiets, de bakfiets en deelfietsen is de fiets voor meer mensen en voor meer verplaatsingen een aantrekkelijke keuze. In 2040 is de (elektrische) fiets het dominante vervoermiddel voor verplaatsingen in de stad. De afgelopen jaren is fors geïnvesteerd in het stedelijke fietsroutenetwerk. Zowel in de realisatie van sterfietsroutes als in het opheffen van ontbrekende schakels op het hoofdroutenet. Het fietsgebruik op de Haagse en regionale routes groeit stevig en moet in goede banen worden geleid; door de conflicten met andere verkeersdeelnemers te verminderen en door in de ruimtelijke inrichting meer prioriteit aan de fiets te geven. Binnen het stelsel van hoofdfietsroutes is een net van 'sterroutes' aangegeven.
De sterroutes vormen de belangrijkste doorgaande routes die de woongebieden met het stadscentrum, de knooppunten van openbaar vervoer en het buitengebied verbinden. Onderstaande kaart toont het fietsroutenetwerk uit de Fietsstrategie Ruim Baan voor de Fiets. Daarnaast is er de nodige aandacht voor het stallen van fietsen, zowel bij woningen
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 29
als bij werklocaties, maar ook bij de grotere attractiepunten zoals scholen, winkelgebieden, stations en recreatiebestemmingen. De publieke voorzieningen voor de fiets maken integraal onderdeel uit van de inrichting van de openbare ruimte. Parkeernormen fietsverkeer De aantrekkelijkheid van een reis per fiets wordt mede bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de fietsparkeervoorziening bij herkomst en bestemming. Daarnaast wil de gemeente voorkomen dat de kwaliteit van de buitenruimte onder druk komt te staan doordat fietsen teveel geparkeerd worden op plaatsen met een intensief gebruik van de openbare ruimte. Om die reden gaat de gemeente uit van het faciliteren en sturen op het stallen van fietsen bij belangrijke bestemmingen of bestemmingsgebieden, zoals NS-stations en de binnenstad. Daarnaast hanteert de gemeente fietsparkeernormen bij nieuwbouw en verbouw van kantoren, bedrijven en voorzieningen. Het gemeentelijke beleid ten aanzien van het stallen van fietsen is vastgelegd in de “Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016” (RIS294386). Daarin zijn geen fietsparkeernormen opgenomen voor woningen. Voor de fietsparkeernormen bij woningen wordt de eis uit het bouwbesluit overgenomen, waarin is aangegeven dat bij woningen een berging aanwezig is.
3.4.9.1 Relatie tot ontwikkeling In paragraaf 4.12 van voorliggende rapportage is het aspect verkeer- en parkeren nader beschouwd.
Kadernota duurzaamheid - schone energie in een groene stad Samen met alle inwoners van Den Haag werkt de gemeente aan een stad die schoner, groener en duurzamer wordt. Zo wordt duurzaam denken én doen een nog belangrijker onderdeel van de Haagse mores: duurzaam is de nieuwe norm. Om duurzame ontwikkeling hanteerbaar te maken richt de gemeente zich op vier thema's: de overgang naar schone energie, een aantrekkelijke leefomgeving, schone mobiliteit en het hergebruik van grondstoffen. Doel is om op de gestelde doelen concrete resultaten te boeken en deze resultaten via monitoring zichtbaar te maken. Dit doet de gemeente in de vorm van een jaarlijkse Programmabrief Duurzaamheid en een jaarlijkse Voortgangsbrief Duurzaamheid. Per thema is een plan van aanpak en een werkagenda voor de periode 2019-2022 opgesteld. Energie Den Haag zet betekenisvolle en concrete stappen naar het doel van een klimaatneutrale stad in 2030. Hiermee sluit de gemeente aan op de besluiten van de rijksoverheid die op energieterrein zijn genomen. Dit betekent onder andere dat elk nieuw gebouw klimaatneutraal en dus zonder aardgas wordt opgeleverd. Bij grootschalige renovaties is aardgasvrij het uitgangspunt.
Daarnaast is de ambitie om in de periode 20182022 25.000 tot 30.000 bestaande woningen van duurzame energie te voorzien of ze hierop voor te bereiden, zodat ze klaar zijn om aangesloten te worden op schone energie. Per wijk worden wijkenergieplannen opgesteld. In deze plannen wordt beschreven welke toekomstige energievoorziening in de wijk beschikbaar is en hoe de overstap wordt gemaakt. Verder is de ambitie dat ieder geschikt dak in Den Haag zonnepanelen en zonneboilers heeft, groen is of anders wit. Leefomgeving Het opvangen van de groei van de stad dient met de ambitie van een gezonde, aangename leefomgeving gepaard gaan. Dit vraagt een maximale inzet op klimaatbestendigheid (omgaan met wateroverlast, hitte en droogte) en een sterke vooruitgang in milieukwaliteit. Klimaatbestendigheidsmaatregelen moeten zo mogelijk samenvallen met andere fysieke werkzaamheden in de stad, zoals gebiedsontwikkelingen, herinrichtingen en grootschalig onderhoud. Groen in de stad wordt kwalitatief ontwikkeld, zodat groen toekomstbestendig wordt. In intensiveringsgebieden zal groen in, op, en aan gebouwen een belangrijk middel zijn om bij te dragen aan de verschillende functies van groen in de stad (natuurontwikkeling, bijdragen aan klimaatbestendigheid, bieden plekken voor rust en ontspanning). Voorts wordt ingezet op schone lucht en bodem, aangenaam omgevingsgeluidsniveau en externe veiligheid.
Het behalen van milieunormen is hierbij niet voldoende. Uitganspunt is dat ontwikkelingen in de stad op een verantwoorde wijze worden mogelijk gemaakt. Een afgewogen gebruik en beheer van de boven- én ondergrond wordt steeds belangrijker.
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 30
Mobiliteit Den Haag kiest vooral voor vervoer dat weinig ruimte vraagt, duurzaam en gezond is: lopen, fietsen, lichte elektrische voertuigen (LEV's) en OV. Bij het inrichten van de buitenruimte krijgt dit prioriteit. Daarbij is extra aandacht voor de mensen met een beperking. Den Haag zet in op schoon vervoer. Dat doet de gemeente onder meer door het stimuleren van elektrische voertuigen. Elektrische auto's kunnen bijdragen aan een evenwicht tussen vraag en aanbod van stroom en aan een efficiënt gebruik van het stroomnetwerk in de stad. De groei van de stad vraagt om een andere organisatie van parkeren, rekening houdend met de omstandigheden en behoeften per wijk. Alternatieven worden gestimuleerd, zoals het gebruik van (elektrische-) deelauto's. De parkeernormen voor nieuw woongebouwen worden flexibeler en meer gebiedsgericht; binnen het invloedsgebied van de OV-corridors en rond OV-knopen kan een lagere parkeernorm gaan gelden. Grondstoffen Den Haag wil inzetten op hergebruik dat lokaal het meest kansrijk is en de meeste impact heeft. Met dat doel voor ogen zal Den Haag zich concentreren op zes sporen: gebruiksgoederen delen en hergebruiken, hergebruik uit huishoudelijk afval, hergebruik uit de bouw, plastic terugdringen, voedselverspilling tegengaan, ondernemers ondersteunen in grondstoffenmanagement.
De gemeente stelt eisen aan circulair gebruik van materialen en grondstoffen bij al haar opdrachten in zowel de bouw en sloop van gebouwen als de grond-, weg- en waterwerkzaamheden in de buitenruimte. Daarnaast zal de gemeente bij gebiedsontwikkeling en gronduitgifte het circulair gebruik van materialen en grondstoffen stimuleren middels gunningscriteria in ontwikkelcompetities. Grote winst is te behalen met slimme, modulaire ontwerpoplossingen in bouwprojecten. Uitvoeringsplan Duurzame Stedenbouw (2012; RIS 251776) Het document beschrijft de belangrijkste principes van duurzame stedenbouw en gaat in op voor Den Haag relevante opgaven, zoals het terugdringen van energieverbruik, het aanpassen van kust-klimaat-groen aan klimaatverandering, het stimuleren van loop en fiets bewegingen, en bouwen en hergebruiken van gebouwen. Duurzame stedelijke ontwikkeling betekent kiezen voor schone en gezonde systemen, rekening houdend met de eindgebruiker en met de mogelijkheid van geleidelijke vernieuwing. Stedenbouwkundige en planologische keuzes ten aanzien van de situering van functies, afstemming tussen functies en (ruimtelijke) inrichtingselementen, grondgebruik (dichtheden), structuren en maatvoering kunnen bijdragen aan een duurzame ontwikkeling.
Het doel is een adaptieve stedelijke omgeving die met zorgvuldig gebruik van grondstoffen en zonder ingrijpende aanpassingen lang meegaat en mooi kan verouderen. Den Haag kiest voor stedelijkheid en efficiënt grondgebruik, met een lage milieubelasting, minder energieverbruik en een beperkte mobiliteitsbehoefte. Dit betekent in grote lijnen dat er ingezet wordt op hoge dichtheid bij een OVknooppunt. Duurzaam bouwen in Den Haag Nieuwbouw in het plangebied dient te voldoen aan de beleidskaders voor duurzaam bouwen uit het Bouwbesluit en de daaraan gekoppelde energieprestatie. Deze energieprestatie is de afgelopen jaren stapsgewijs aangescherpt. Vanaf 1 januari 2021 dient alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, te voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). 3.4.10.1 Relatie tot ontwikkeling Vanaf 1 januari 2021 dient alle nieuwbouw te voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De woningen worden gasloos uitgevoerd. Het gebouw en de verschillende gebruiksfuncties binnen het gebouw voldoen aan de beleidskaders voor duurzaam bouwen uit het Bouwbesluit en de daaraan gekoppelde energieprestatie. Waar nodig en eventueel extra mogelijk worden op de daken van het gebouw zonnepanelen toegepast.
De energieopwekkingsinstallatie, welke geleverd en geëxploiteerd wordt door Eneco, zal zowel verwarming/warm tapwater als comfortkoeling leveren aan het gebouw. Dit gebeurt middels een open monobron systeem (warme en koude bron) met warmtepompinstallatie. Met de koude bron wordt direct koeling geleverd. Voor eventueel benodigde aanvullende verwarming zal de installatie worden gekoppeld aan het Aardwarmtenet van Eneco in Den Haag. De woningen in de torens worden voorzien van een duurzaam ventilatieprincipe. Via centrale luchtbehandelingskasten met warmteterugwinning wordt op
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 31
basis van vraagsturing (CO2-regeling) de vereiste ventilatie in de verblijfsruimten voorzien. Het zorggedeelte wordt geventileerd door middel van centrale luchtbehandeling met warmteterugwinning. Met betrekking tot groen en leegomgeving is door ECHO Urban Design een ontwerp voor de binnenplaats gemaakt. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten opgenomen als ruimtelijke ambitie: - Aantrekkelijke groene ruimte - Aansluiting op omgeving - Waar mogelijk bestaand groen behouden - Comfortabel en overzichtelijk in gebruik (mensen die slecht ter been zijn) - Informele looproute over terrein In het ontwerp is gebruik gemaakt van grote bomen om vanuit de kamers zicht te hebben op een groen en vol bladerdek. Met het oog op klimaatadaptiviteit en natuurinclusiviteit wordt ingezet op diversiteit, schaduwwerking en mogelijkheid tot infiltratie op de parkeerplaatsen. Daarnaast zullen de gevels van de fietsenstalling vergroenen door klimplanten die langs de gevels worden aangeplant. Ook wordt invulling gegeven aan natuurinclusief bouwen. In de bijlage is de puntentelling en zijn de beoogde maatregelen weergegeven. Figuur 12. Maatregelen klimaatadaptief & natuurinclusief (bron: ECHO Urban Design).
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 32
Figuur 13. Impressie ontwerp groene gevels parkeervoorziening.
3.4.10.2 Conclusie Het voorgenomen initiatief is in lijn met de duurzaamheidsagenda van de gemeente.
Cultuurhistorische Verkenning - herijking cultuurhistorische waarden Den Haag Zuidwest Crimson Historians & Urbanists heeft in november 2021actualisatie van de Cultuurhistorische Verkenning uit 2000 naar het Haagse stadsdeel Zuidwest, bestaande uit wijken Moerwijk, Morgenstond, Bouwlust/Berestein en Vrederust. Deze wijken zijn deels voorafgaand maar vooral na de Tweede Wereldoorlog gefaseerd tot stand kwamen als grootschalig gepland antwoord op de toenmalige woningnood en de grote ambities voor de toekomst van de stad Den Haag. In de cultuurhistorische verkenning is een ruimtelijke analyse gemaakt van de verschillende wijken binnen stadsdeel Zuidwest waarna een beoordeling van de afzonderlijke gebouwen en structuren is gemaakt. Het doel van deze inventarisatie is het beschikken over een praktisch en geactualiseerd document waarin de afzonderlijke gebouwen in Den Haag Zuidwest zijn geïnventariseerd en voorzien van een beknopte waardenstelling ten aanzien van hun ‘monumentaliteit’ of mate van ‘bijzonderheid’. Alle objecten zijn ook bijzondere ensembles, compositorische gehelen en structuren zijn per wijk opgenomen in een overzichtswaarderingskaart en in relevant voorzien van een kleurcodering en een nummer of een letter die verwijst naar de bijbehorende beschrijving. Deze kleurcodering bepaalt de mate van ‘bijzonderheid’.
Morgenstond De wijk Morgenstond is vlak na de Tweede Wereldoorlog W.M. Dudok ontworpen. Waar in eerste instantie een gevarieerde woonwijk voorzien was met 7.500 woningen, werd dit door de woningnood, aangepast naar een plan met 9.500 woningen. Door deze ingreep werd de bouwhoogte vrij uniform en ontstond een
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 33
homogene wijk van vier bouwlagen op een half verdiepte plint. Dudok hechtte daarbij met name waarde aan een heldere, regelmatige ruimtelijke structuur. Het plan van Dudok liet slechts op enkele locaties aan de Loevesteinlaan en de Melis Stokelaan bebouwing toe van zes bouwlagen. Daar is van afgeweken door aan de Loevesteinlaan in een gelijkmatig ritme een serie flatgebouwen te bouwen die een kruispunt of toegang van de wijk markeren. Figuur 14. Waardenkaart Morgenstond (bron: Crimson Historians & Urbanists).
Na bestudering van Den Haag Zuidwest luidt de conclusie dat de ruimtelijke hoofdstructuur, inclusief de integraal mee ontworpen groene en blauwe structuren, nog volledig intact is en van grote waarde. Het groen van het assenkruis heeft een belangrijke ordenende functie maar is niet nadrukkelijk ingericht op verblijf. De architectuur is over het algemeen verzorgd in detaillering en materialisering, zeer divers en gaaf en nieuwe ruimtelijke ingrepen zijn relatief beperkt maar zorgen voor versnippering/fragmentatie. Uit het rapport volgt de aanbeveling om bij het opstellen en wijzigen van bestemmingsplannen, ontwikkelingsvisies, beeldkwaliteitsplannen en het beoordelen van sloop-en omgevingsvergunningen rekening gehouden moet worden met de cultuurhistorische kwaliteiten en daar naar te handelen. Ten aanzien van stedenbouw en architectuur zijn ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen onder andere de volgende punten relevant: Ontwikkelingen mogen niet ten kosten van: de landschappelijke kwaliteit van het groene assenkruis / groene zone; het onderliggende structurerende karakter; open ruimtes. En het wordt aanbevolen rekening gehouden wordt met: Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 34
Verdichting, vernieuwing en schaalvergroting is goed voorstelbaar langs de continue hoofdverkeersaders in de vorm van langgerekte woonschijven. Hoogbouw vindt idealiter alleen ter hoogte van de kruispunten plaats, conform de ruimtelijke principes van oorspronkelijke stedenbouw plan. Creëer en behoud gemeenschappelijke semi-toegankelijk tuinen die vanaf de straat ervaarbaar zijn. Creëer waar mogelijk open plinten, handhaaf het zicht en de toegankelijkheid op het groen en het water en steek door waar het opportuun is.
3.4.11.1 Relatie tot ontwikkeling De bebouwing en structuur op het kavel van Loevesteinlaan 355 is niet opgenomen op de waardenkaart ten aanzien van ‘monumentaliteit’ of mate van ‘bijzonderheid’. Voor het gebouw en het kavel gelden geen specifieke aanbevelingen vanuit de Cultuurhistorische Verkenning. Ten behoeve van de ontwikkeling aan de Loevesteinlaan 355 is een kavelpaspoort opgesteld. In het kavelpaspoort wordt, aangezien de locatie niet is opgenomen op de waardenkaart, niet specifiek gerefereerd aan de cultuurhistorische verkenning. Wel is opgenomen dat de bestaande boomstructuur buiten de kavelenvelop in de aangrenzende straten Dalerveenstraat, Loevesteinlaan en Fluitenbergstraat gehandhaafd dient te worden. Daarnaast is opgenomen dat de bebouwing aan de Loevesteinlaan uit minimaal 7 bouwlagen bestaat. De bebouwing aan de Loevesteinlaan mag onderbroken worden en worden opgedeeld in maximaal drie afzonderlijke bouwvolumes. Minimaal 60% van de rooilijn aan de Loevesteinlaan dient bebouwd te worden. Dit sluit aan bij het principe van hogere bouwvolumes langs de Loevesteinlaan in het ontwerp van Dudok, maar wordt wel de hoogte van dat plan overstegen. De parkeervoorzieningen dienen goed te worden ingepast in het ontwerp van de onbebouwde ruimte in en rond het complex of in/onder het gebouw zelf.
Een parkeergarage kan verdiept of half verdiept worden gerealiseerd binnen het bouwvlak. Hiermee wordt getracht de open ruimtes die bestaan te behouden zoals aanbevolen in de Cultuurhistorische Verkenning. Wel sluit het kavelpaspoort voor de ontwikkeling deels aan bij de algemene aanbevelingen voor de wijk Den Haag Zuidwest. De afwijking op de bestaande structuur is dat hoogbouw plaatsvind op een locatie waar in het oorspronkelijke ontwerp van Dudok geen hoogbouw van dit volume voorzien was. 3.4.11.2 Conclusie Voor de bebouwing en structuren op de locatie zijn in de Cultuurhistorische verkenning geen bijzondere of cultuurhistorische waarden opgenomen. Wel sluit het kavelpaspoort voor de ontwikkeling deels aan bij de algemene aanbevelingen voor de wijk Den Haag Zuidwest. Daarmee kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling de structuur van de wijk niet aanpast, maar in bouwhoogte wel een afwijking vormt op de bestaande structuur waarin hoogbouw op de hoeken van de ontsluitingsassen geconcentreerd is.
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 35
4
OMGEVINGSASPECTEN STEDENBOUWKUNDIGE ONDERBOUWING LOEVESTEINHOF De locatie van dit project bevindt zich in de wijk Morgenstond-Oost, aan de Loevesteinlaan direct aan het Zuiderpark. De wijk is opgezet volgens het structuurplan van Willem Dudok uit 1949. De orthogonale hoofdstructuur van de wijk wordt gevormd door de Leyweg, de Loevesteinlaan, de Hengelolaan en de Melis Stokelaan. Een groene, secundaire hoofdstructuur wordt gevormd door de Maartensdijklaan, de Hengelolaan en de groene zone aan de Melis Stokelaan. De oorspronkelijke bebouwing betreft voor het overgrote deel portiek- en galerijwoningen van vier bouwlagen met bergingen in een half verdiepte plint. De verkaveling bestaat uit stroken in het centrumgebied (rond de Leyweg) en open bouwblokken aan de randen. De bebouwing in de wijk bestaat doorgaans uit drie á vier bouwlagen, maar er zijn veel uitzonderingen. Zo bestaat de bestaande bebouwing op de locatie (een voormalig zorggebouw van Florence) uit zeven bouwlagen en de recente nieuwbouw naast de planlocatie aan de Loevesteinlaan uit tien bouwlagen. De bebouwing tussen de Hengelolaan en de Fluitenbergstraat zal bovendien plaats maken voor hoogbouw tot zeventig meter. Daarmee verandert de stedenbouwkundige context van de locatie aanzienlijk.
Het plan voor dit project zal enerzijds aansluiting moeten vinden bij de kwaliteiten van de oorspronkelijke opzet van de wijk, en anderzijds bij de toekomstvisie van de gemeente voor dit stuk stad. In die toekomstvisie vormt de bebouwing aan de Loevesteinlaan een stedelijke wand naar het Zuiderpark toe. Als referentie voor een grootstedelijke wand aan een park is het Central Park in New York aangehaald. De bebouwing aan het Zuiderpark zal niet zo grootstedelijk worden als in New York, maar de ambitie is wel om op de schaal van de stad een duidelijke wand te creëren. Vanuit het park bezien geeft die wand schaal aan de ruimte. Vanuit de wijk Morgenstond-Oost vormt de wand de begrenzing en tegelijkertijd een sterke stedelijke as. Van de hoge dichtheid van de bebouwing zal een zekere levendigheid uitgaan. Die ruimtelijke beleving helpt bij het verbinden van winkelcentrum Leyweg en het Zuiderpark, via bijvoorbeeld de Fluitenbergstraat. Voor het project is een kavelpaspoort opgesteld door de gemeente Den Haag, dat past binnen die geschetste toekomstvisie. Dit kavelpaspoort ligt ten grondslag aan de ruimtelijke verschijningsvorm van het project. Aan de parkzijde vormen twee woontorens, verbonden door een stedelijke laag, onderdeel van de ‘wand’ aan de Loevesteinlaan.
Naar het binnenterrein toe wordt er een lager gebouwdeel dwars op de stedelijke wand geplaatst, in het midden van de kavel. Dit bouwdeel sluit in hoogte aan op de bestaande bebouwing. Dat is een schaalsprong van ‘stad’ naar ‘bouwblok’ en creëert aan beide kanten van de locatie een stedelijke ruimte die een waardevolle ruimtelijke toevoeging aan de wijk geven en die een secundaire route mogelijk maken voor de bestaande woongebouwen langs van Haagwonen, tussen Fluitenbergstraat en Dalerveenstraat. De entrees van deze woongebouwen komen zo veel beter tot hun recht, beter bereikbaar en zichtbaar. De architectonische opzet van het project volgt de richtlijn ‘eyeline-skyline’ van de gemeente Den Haag. Daarin wordt voorgeschreven dat hoogbouw moet bestaan uit een levendige plint, een stedelijke laag, en daarboven torens die worden afgesloten met een kroon. De plint en de stedelijke laag vormen in het plan een ‘T’ die aansluit op de bestaande bebouwing tussen de Fluitenbergstraat en de Dalerveenstraat. Het plan wordt als één coherent gebouw vormgegeven en niet opgedeeld in verschillende delen met elk een andere architectuur. Dat is in lijn met de schaal en éénduidige vormgeving van de strokenbouw in de wijk. De verschillende elementen ‘plint’, ‘stedelijke laag’, ‘torens’ en ‘kroon’ worden echter wel op subtiele manier
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 36
onderscheiden door verschillen in het metselwerk van de gevel. Die gevel wordt getekend door een ‘weefwerk’ van gemetselde banden. De toepassing van metselwerk past bij de overige bebouwing aan de Loevesteinlaan. Op de grens van Morgenstond en het Zuiderpark wil het plan een balans houden tussen de pragmatisch functionele bouwvormen van de wijk en de romantische aspiraties van het park dat deels stoelt op de traditie van de Engelse landschapstuin. De soberheid van de wederopbouwarchitectuur uit de wijk Morgenstond werd ingegeven door financiële beperkingen, maar ook door functionalistische en modernistische opvattingen, waarbij ruimte, licht en lucht als kwaliteiten werden geplaatst boven bijvoorbeeld esthetische diversiteit. Hoewel sober, zijn de gebouwen uit de wederopbouw wel zorgvuldig en met oog voor detail vormgegeven. Rond de portiekentrees en de daklijsten zijn vaak ornamenten toegepast. De gebouwen hebben op de schaal van het gebouwvolume geen functioneel onnodige toevoegingen, maar op de schaal van het element (dakrand, deur, venster) zijn ze wel voorzien van accenten. Ook in dit project worden de gebouwvolumes gevormd door de functionele stapeling van programmaonderdelen, resulterend in een eenvoudige hoofdvorm. Op detailniveau wordt juist de verfijning gezocht. Dat is de aansluiting op de wijk Morgenstond.
Naar het park toe moet het gebouw worden gezien als ‘back-drop’ die schaal geeft aan het park en niet als ‘eye-catcher’ of als onderdeel van de scenografie van het park. De symmetrische opzet van het plan is een uiting van de functionele indeling (met name ingegeven door het zorgprogramma in de stedelijke laag). De twee woontorens aan de Loevesteinlaan zijn identiek en gaan tot de maximale bouwhoogte. Het gebouw staat niet op een zichtas en de symmetrie zal dan ook niet sterk worden beleefd vanaf de straat en de wijk. De symmetrie past wel in het grotere geheel van het totale gevelbeeld aan het Zuiderpark. De plint van het gebouw is 4,7 meter hoog en bevat veel publieke functies; de gevels zijn vrijwel overal open. Op de koppen van de gebouwen zijn de maatschappelijke- commerciële functies conform het kavelpaspoort gesitueerd. De entrees van de woontorens en de hoofdentree van de zorginstelling bevinden zich aan de Loevesteinlaan. Aan de achterzijde is in de plint een gemeenschappelijke fietsenberging geplaatst. Al deze functies bij elkaar zorgen voor een leefbare en veilige openbare ruimte rondom het gebouw. Figuur 15. Gevel aan de Loevesteinlaan.
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 37
Figuur 16. Gevel nieuwbouw aan de Loevesteinlaan.
MOTIVERING BEHOEFTE / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 38
Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen:
Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Artikel 3.1.6 van het Bro:
Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. Het voorgenomen initiatief heeft betrekking op het bouwen van twee woontorens (298 appartementen) een stedelijke laag (144 zorgstudio’s) een commerciële plint (begane grond) en parkeervoorzieningen. Het plan kan daarmee, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, worden getypeerd als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. In het kader van de Ladder van duurzame verstedelijking, dient de behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. In de Monitor Haagse Woningmarkt 2019 is opgenomen dat de bevolking van Den Haag blijft groeien. Per 1 januari 2020 telt Den Haag 271.500 huishoudens op basis van 546.300 personen. Naar verwachting zal de bevolking in 2030 groeien naar zo’n 598.000 personen en 298.400 huishoudens. De sterkste groei in absolute zin zal zich vooral gaan voordoen in wijken waar nieuwbouw is geconcentreerd, zoals in Laakkwartier en Spoorwijk, de Binckhorst, Stationsbuurt, Bezuidenhout en Kraayenstein en Vroondaal. Daarnaast zal in de wijken Centrum, Waldeck, Moerwijk, Morgenstond en Wateringse Veld de bevolking meer dan in de overige wijken van Den Haag toenemen. In de woningmarktverkenning is opgenomen dat in Den Haag in vrijwel elke doelgroep de behoefte aan woningen stijgt.
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 39
Figuur 17. Woningbehoefte naar doelgroep Den Haag (Bron: Staat van Zuid-Holland).
Geconcludeerd kan worden dat zowel voor de korte als de lange termijn er onvoldoende harde plannen zijn om aan de gewenste groei van de regionale woningvoorraad (woningbehoefte) tegemoet te komen. Ook de zachte planvoorraad is (zeer waarschijnlijk) op de korte termijn en lange termijn onvoldoende om de gewenste groei van de woningvoorraad te accommoderen. Figuur 18. Ontwikkeling woningvoorraad naar ABF-Woonmilieu (Bron: Staat van Zuid-Holland).
Naast deze kwantitatieve behoefte is er ook een kwalitatieve behoefte aan de woonmilieus dat wordt toegevoegd in het plangebied als gevolg van voorliggend initiatief. Er is namelijk binnen de gemeente een grote vraag naar woningen waar voorliggend initiatief in voorziet. Het plan omvat namelijk zorgstudio’s, middeldure- en vrije sector woningen. Als gevolg van het plan is er sprake van een kwaliteitsimpuls en differentiatie in Den Haag Zuid West, aangezien als gevolg van het plan verschillende typologie woningen worden gerealiseerd. Tot slot is er binnen de gemeente een tekort aan woningen voor zorgdoelgroepen, zo blijkt uit de Woonagenda 2020-2023 (RIS305711). In de Woonagenda is de ambitie opgenomen om in de periode 20202023 meer (tijdelijke) zelfstandige woningen te realiseren voor deze groepen. Dit moet er onder andere voor zorgen dat de uitstroom uit maatschappelijke opvang en beschermde woonvormen niet stokt door een tekort aan zelfstandige woningen. Ook wil de gemeente de realisatie van goed en passend zorgvastgoed faciliteren om langjarige leegstand te voorkomen. Het voorgenomen initiatief draagt hier aan bij.
Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is met succes doorlopen.
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 40
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2022 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.
Relatie tot ontwikkeling Archeologie De projectlocatie kent op grond van het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Een vergunning is benodigd bij werkzaamheden met een totaal grondoppervlakte van meer dan 50 m2 en een diepte van meer dan 0,5 meter. Het betreft de hieronder genoemde werkzaamheden:
Het wijzigen van het maaiveld door middel van het verlagen, afvragen of egaliseren van grond waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; Het aanleggen en verbreden van sloten, vijvers en andere wateren, waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; Het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies.
Op grond van de archeologische waarden- en verwachtingen kaart van de gemeente blijkt dat de projectlocatie is gelegen in de zone met archeologische verwachting (Waarde 2). Voor bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld is archeologisch vooronderzoek benodigd om risico’s kaart in kaart te brengen.
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 41
Figuur 19. Uitsnede Archeologische waarden- en verwachtingen Den Haag.
In het kader van de planologische procedure vormt het aspect archeologie geen belemmering. Door de Afdeling Archeologie en Natuur- en Milieueducatie, Dienst Stadsbeheer, van de gemeente Den Haag is reeds een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de projectlocatie. De rapportage is als bijlage toegevoegd. Op grond van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat op basis van de verwachte geologie het gebied in het neolithicum bewoonbaar was op duinzand, voor de ijzertijd geldt datzelfde voor mogelijk veraard veen en in de Romeinse tijd, middeleeuwen en nieuwe tijd geldt dat voor de klei van de Gantel Laag. Een deel van het plangebied is in de tweede wereldoorlog als (moes)tuinen in gebruik geweest waardoor de opbouw van de ondergrond tot 1,5 m – NAP verstoord is geraakt. Hierbij zijn eventueel aanwezige archeologische resten uit de Romeinse tijd en jongere perioden geheel verstoord geraakt. Ook de realisatie van de huidige, te slopen, bebouwing heeft voor verstoring van de ondergrond gezorgd. Voor de geplande nieuwbouw wordt de fundering tot 2 m – peil (omstreeks 1,6 tot 1,8 m – NAP) ontgraven. Om de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek te toetsen is een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd.
Op basis van zeven boringen, waarvan zes geslaagd zijn, kwam vast te staan dat het gebied tot minimaal 1,3 m – NAP (boring 1), maar vaak aanzienlijk dieper (tot 2,2 m – NAP in boring 2) verstoord is geraakt. Restanten van intacte humeuze bodems op en in de Gantel Laag ontbreken. De veraarding van het veen hangt samen met de sterk fluctuerende grondwaterspiegel. Bewoning op duinzand is binnen het plangebied niet waarschijnlijk. Het aangetroffen duin wordt (binnen het plangebied) omringd door een actief getijdengebied. Geconcludeerd is dat de beoogde werkzaamheden zonder verdere voorwaarden uitgevoerd kunnen worden. Toevalvondsten moeten wel bij het bevoegd gezag gemeld worden (meldingsplicht).
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 42
Cultuurhistorie Binnen de projectlocatie is geen Rijks, provinciaal of gemeentelijk monument aanwezig. Noch is de projectlocatie gelegen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.
Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Gebieden langs een hoofdinfrastructuur betreffen een gemengd gebied.
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 43
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemming ‘Maatschappelijk - 1’ met de functieaanduiding ‘gezondheidszorg’ Omliggende bestemmingen betreffen overwegend ‘Wonen’, ‘Maatschappelijk’ en ‘Gemengd’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat sprake is van een gemengd gebied. Voorliggend initiatief voorziet in de ontwikkeling van zowel zorg- als reguliere woningen. Aan de zuidwestzijde van de projectlocatie aan de Fluitenbergstraat en Dalerveenstraat zijn de gronden bestemd als ‘Wonen – 2’, waarvan een deel de functieaanduiding ‘Maatschappelijk’ kent. Figuur 20. Uitsnede QGIS.
Ter plaatse van deze functieaanduiding zijn maatschappelijke voorzieningen I met een vloeroppervlakte van niet meer dan 400 m2 toegestaan. Dit betreffen educatieve, sociaal-medische, levensbeschouwelijke voorzieningen, bibliotheken, waaronder begrepen peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang. Kinderopvang wordt gekwalificeerd als milieucategorie 2 (SBI – 2008: 8891) met een bijbehorende richtafstand van 10 meter binnen een gemengd gebied. In de huidige situatie is deze bebouwing verbonden met de bebouwing binnen voorliggend project gebied. Voorliggend initiatief betreft een sloopnieuwbouwontwikkeling, waarmee de nieuwe bebouwing op meer dan 10 meter van deze bestemming wordt beoogd.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 44
BEZONNING Algemeen Bij bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm:
De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam. De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.
Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht. De Haagse bezonningsnorm gaat ervan uit dat de ondergrens op tenminste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober, uitgaande van een zonhoogte van meer dan 10 graden, moet liggen. In afwijking van de lichte TNO-norm is in de Haagse norm de bezonning van gevels maatgevend, onafhankelijk van de plaats van de ramen
Relatie tot ontwikkeling Door Nelissen ingenieursbureau is een bezonningsstudie uitgevoerd. De rapportage (kenmerk 4795.117.ur.rwi) is als bijlage toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing. In deze bezonningsstudie is aangesloten bij het beleid van de gemeente Den Haag waarin de lichte norm uit de TNO richtlijn voorbezonning als toetsingskader wordt gehanteerd. In deze norm wordt uitgegaan van de streefwaarde van twee mogelijke bezonningsuren per dag gedurende de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Uit de beoordeling van de resultaten van de bezonningsstudie waarbij 19 februari, 21 juni en 21 oktober zijn beschouwd, blijkt dat de omliggende bebouwing op deze data voldoen aan de lichte TNO-norm van een minimale bezonning van 2 uur. Het openbare park (Zuiderpark) tegenover het plangebied ondervindt op 19 februari en 21 oktober vanaf 13:00 een verslechtering in de bezonning ten opzichte van de huidige situatie.
Conclusie Op grond van de bezonningsstudie kan geconcludeerd worden dat dit aspect geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
WIND Het is wenselijk om te kunnen vaststellen of er een aanvaardbaar windklimaat optreedt na voltooiing van het plan en derhalve geen windgevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Windhinder op een bepaalde plek is het aantal uur per jaar dat het op deze plek harder waait dan de gestelde grens van 20 km/h. In de NEN 8100 zijn vijf kwaliteitsklassen opgenomen, A t/m E, waarbij A overeenkomt met het minst aantal uren en E met het grootste aantal. Hoe iemand het windklimaat ervaart hangt af van zijn activiteit. In een park of speeltuin is meer behoefte aan een rustiger windklimaat dan op een parkeerplaats. De norm beschrijft een drietal activiteitsklassen. De waardering van het lokale windklimaat wordt gekwalificeerd met goed, matig of slecht.
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 45
Figuur 21. Kwaliteitsklassen wIndhinder
NEN8100:2006 geeft richtlijnen omtrent het bepalen van het niveau van windhinder en windgevaar en de classificering en beleving die hieruit voortkomt. Het geeft echter geen eisen betreffende het al dan niet acceptabel zijn van een situatie. De Gemeente Den Haag heeft hier echter prestatie-eisen voor vastgelegd in de ‘actualisering van de normen ten aanzien van bezonning en windhinder’ d.d. 9 februari 2010. Het Haags beleid vermeldt: Als ondergrens moet minimaal een ‘matig’ (zoals gekwalificeerd in NEN 8100) windklimaat worden nagestreefd. Een ‘slecht’ windklimaat wordt slechts bij hoge uitzondering en onder nadere voorwaarden toegestaan. Bij windgevaar worden twee kwalificaties gegeven: ‘beperkt risico’ en ‘gevaarlijk’. Het spreekt voor zich dat de kwalificatie ‘gevaarlijk’ in beginsel moet worden voorkomen.
Relatie tot ontwikkeling In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Actiflow een windhinderonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is weergegeven in de rapporten AFR-7126 versie 1.2 d.d. 18-08-2022 (zonder parkeergarage) en AFR – 7126 versie 1.1 d.d. 29-03-2022 (met parkeergarage). Door middel van CFD-simulaties is het windcomfort op voetgangersniveau in de omgeving van het projectgebouw beoordeeld. Tevens is het windklimaat op de private buitenruimten van de nieuwbouw beoordeeld. Uit deze onderzoeken volgen de volgende resultaten. Situatie zonder parkeergarage (windhinderonderzoek versie 1.0, later gewijzigd in versie 1.2) Openbare buitenruimten Dicht bij de zuidwestelijke gevel van Blok A en B wordt windhinderklasse A gevonden. Dit biedt een goed comfort voor alle activiteiten. Echter is windhinderklasse A tot en met C gevonden op enige afstand van de gevel, verder in de binnentuin van beide blokken. Het grootste gedeelte hier heeft windhinderklasse C. Dit biedt een matig comfort voor slenteren en een goed comfort voor doorlopen. Dichter bij de noordoostelijke gevel van de aangrenzende bebouwing in het zuidwesten ontstaat weer eerder klasse B en uiteindelijk klasse A. De binnentuinen zullen als parkeerterrein gaan dienen. Op een parkeerterrein dient een goed doorloopklimaat te heersen.
Uit de resultaten blijkt er op de binnentuinen condities heersen die voornamelijk worden gekenmerkt door klasse A t/m C. Deze klassen bieden een goed klimaat om doorheen te lopen en daarmee hebben de binnentuinen een goed klimaat voor beoogd gebruik. Het centrale deel van de binnentuin bevat een overdekte fietsenstalling met rondom een gedeeltelijk open afscherming. Doordat deze afscherming doorlatend is kan er nog enige wind door deze fietsenstalling stromen. Hierbij ontstaat in de fietsenstalling met name windhinderklasse A, met aan de randen kleine zones windhinderklasse B en tegen de gevel een heel klein gebied met windhinderklasse C. Dit maakt het windklimaat in de fietsenstalling comfortabel voor het gewenste gebruik.
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.0.RO
Pagina | 46
Rondom de westelijke hoek van Blok A is er met name windhinderklasse D gevonden, maar er is ook een zone met klasse E. Volgens NEN 8100 biedt windhinderklasse E een oncomfortabel klimaat en dient daarom vermeden te worden. Windhinderklasse D betreft een matig klimaat voor doorlopen. Deze locatie op de westelijke hoek van Blok A zal veelvuldig door voetgangers worden gebruikt en derhalve dienen maatregelen getroffen worden om hier het windklimaat te verbeteren. Nabij de noordoostelijke gevel van beide blokken wordt met name windhinderklasse A gevonden, een goed klimaat voor elke activiteit. Op de Loevesteinlaan worden windhinderklassen A (goed klimaat voor elke activiteit) tot en met C (matig klimaat voor slenteren, goed voor doorlopen) gevonden. Nabij de zuidoostelijke gevel van Blok B wordt met name windhinderklasse C en D gevonden. Dicht tegen de gevel aan wordt een klein gebied met klasse A gevonden. In de Dalerveenstraat is er tussen de nieuwbouw en de aangrenzende bebouwing grotendeels windhinderklasse C, maar ook een gebied met windhinderklasse D aanwezig. Dit geeft een matig klimaat voor slenteren in zones met klasse C en een matig klimaat voor doorlopen in klasse D. Om de zuidelijke hoek van Blok B is naast klasse D ook een kleine zone met klasse E gevonden. De condities in klasse E bieden een slecht klimaat voor alle voetgangersactiviteiten.
Hier zullen maatregelen getroffen moeten worden om het windklimaat te verbeteren. Alle entrees van de nieuwbouw bevinden zich in zones waar windcondities heersen die gekenmerkt worden door klasse A. De condities in klasse A bieden een uitstekend klimaat voor het gebruik van een entree. Figuur 22. Weergave windcondities.
Private buitenruimten Op grond van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat op de private buitenruimten enkel windhinderklassen A en B gevonden worden. Er wordt enkel windhinderklassen A en B gevonden, dit biedt een comfortabel windklimaat voor het gewenste gebruik. Situatie met parkeergarage (windhinderonderzoek versie 1.1) De windcondities rond de nieuwbouw met garage zijn redelijk vergelijkbaar met de resultaten van het eerdere ontwerp (zonder garage), zie onderstaand figuur. Dit wil zeggen dat er nog steeds enkele locaties zijn waar de windcondities niet geschikt zijn voor de beoogde voetgangersactiviteiten op deze locaties. Op deze locaties worden mitigerende maatregelen voorgesteld, deze zijn in het originele rapport (AFR - 7126 Versie 1.2) gedetailleerd beschreven.