RIS318484-Bijlage 2 Bijlage achtergrondinformatie over warmtebronnen 28 maart
Tekst van het document
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen In deze bijlage worden de verschillende type duurzame warmtebronnen beschreven die relevant zijn voor Den Haag. Per potentiële warmtebron wordt beschreven hoe deze bron kan bijdragen aan de warmtevoorziening in Den Haag en wat de stand van zaken is van de realisatie en toepassing van dit type warmtebron op verschillende locaties. Tot slot worden concrete acties beschreven die we ondernemen om de bronnen te realiseren of de toepassing van de warmteoplossing te stimuleren.
1/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
1 Geothermie 1.1 1.2
Wat is nodig om een geothermiebron te realiseren? Geothermie in Den Haag
3 3 4
1.2.1 Locatie Leyweg (HAL)
5
1.2.2 Locatie De Constant Rebecqueplein (CR-plein)
5
1.2.3 Locatie Ypenburg Spoorlaan
6
1.2.4 Locatie Binckhorst
6
1.3 1.4
6 7
Overige zoeklocaties Wat is nodig om de realisatie van geothermiebronnen verder te brengen?
2 Bodemenergie (WKO) 2.1 2.2 2.3
Bodemenergie in Den Haag Bodemenergieplannen Wat is nodig om het gebruik van bodemenergie te stimuleren?
3 Aquathermie 3.1
Aquathermie in Den Haag
9 10 11 11
13 13
3.1.1 TEO (locaties Trekvliet, Laakhaven en CR-plein)
13
3.1.2 TEA (locatie Houtrust)
14
3.1.3 TED (locaties Binckhorst en Zuidwest)
15
3.2
15
Wat is nodig om de aquathermie verder te brengen?
4 Restwarmte 4.1
16
Restwarmte in Den Haag
16
4.1.1 WarmtelinQ Vlaardingen-Den Haag
17
4.1.2 WarmtelinQ Rijswijk-Leiden
17
4.2 4.3
18 18
Benodigde warmteoverdrachtsstation (WOS) Wat is nodig om de restwarmte die via WarmtelinQ aankomt toe te passen?
5 (Hybride) warmtepompen 5.1 5.2
Inzet van (hybride) warmtepompen in Den Haag Wat is nodig om het gebruik van (hybride) warmtepompen te stimuleren?
20 20 21
2/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
1 Geothermie
Geothermie is duurzame warmte uit de ondergrond, vanaf 500 meter diepte tot zo’n 4 kilometer. De hernieuwbare warmte (of koude) die wordt gewonnen of opgeslagen tot 500 meter diep valt onder de noemer bodemenergie (hoofdstuk 2). Geothermie kan gebruikt worden voor de verwarming van woningen en gebouwen door middel van een grootschalig, collectief warmtenet. Op een boorlocatie worden twee putten geboord: een productieput en een injectieput. Deze putten worden samen een doublet genoemd. Via de productieput wordt warm water omhoog gepompt uit de aarde. De warmte van dit water wordt gewonnen via een warmtewisselaar. Nadat het warme water haar warmte heeft afgegeven aan een afgiftesysteem, gaat het afgekoelde water terug de aarde in via de injectieput. Een moderne geothermiebron met één doublet kan circa 8.000 woningen voorzien van warmte op midden temperatuur.1 Indien mogelijk wordt een dubbel doublet gerealiseerd waarmee de capaciteit van die bron verdubbelt. De temperatuur die geothermie levert is afhankelijk van de diepte van de productieput (vaak 70 tot 90 graden). Dit is vergelijkbaar met een moderne cv-ketel. Het lauwwarme water dat na het voeden van het warmtenet weer terugkomt in de hoofdtransportleiding richting de bron kan vervolgens ook ingezet worden om beter geïsoleerde woningen te verwarmen.
Beter geïsoleerde woningen kunnen immers af met een lagere aanvoertemperatuur.
1.1 Wat is nodig om een geothermiebron te realiseren? Bij het realiseren of ontwikkelen van een geothermiebron zijn we afhankelijk van grote investeringen door (markt)partijen. Daarnaast spelen externe factoren een belangrijke rol, zoals de eisen aan een zoekgebied, de zekerheid rond het afzetten van de warmte uit de bron en de voorwaarden aan het (bestaande) warmtenet. Binnen het huidige juridische kader is de rol van marktpartijen groot. In Den Haag ligt op dit moment de verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen en exploiteren van geothermiebronnen bij marktpartijen. Figuur 1: Geothermie uitgelegd. Bron: Energie Beheer Nederland.
De ontwikkeltijd van een geothermiebron is relatief lang, waarbij de meeste werkzaamheden bij de exploitant liggen. Er is voorbereidingstijd nodig om een samenwerking op te zetten en om zekerheid te krijgen over in welke wijken de geothermie gebruikt gaat worden. Vanaf het moment dat is vastgelegd aan welke bestaande of nieuwe warmtenetten de bron zal gaan leveren, is nog circa drie tot vijf jaar tijd nodig voor het boren, afbouwen en opstarten van de bron. Ook het organiseren van de warmtevraag 1
Midden temperatuur is in deze context 70 graden of hoger, maar onder de 90 graden. Naast moderne cv-ketels, levert ook het (overwegend gasgestookte) warmtenet in Den Haag nog grotendeels hoge temperatuur. Woningen en gebouwen zijn vrijwel altijd geschikt voor hoge temperaturen wanneer er weinig tot geen isolatie is. Door te isoleren kan de warmtevraag wel fors worden teruggedrongen.
3/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
door middel van het (laten) uitbreiden en aanleggen van nieuwe warmtenetten 2, vervolgens het aanleggen zelf en het laten ‘vollopen’ van warmtenetten kost tijd. Van begin tot eind kost het realiseren en operationeel maken van een geothermiebron en warmtenet circa acht tot tien jaar. Voor het sluitend krijgen van de businesscase van geothermie is een SDE++-subsidie nodig. Pas na het
Figuur 2: Globale ontwikkeltijd geothermiebronnen.
verkrijgen van SDE++ wordt de voorbereiding voor realisatie echt opgestart. De rol van de gemeente beperkt zich (indien nodig) tot de locatiekeuze, de aanpassing van omgevingsplannen, de uitgifte van de locatie en het meewerken aan de aan te vragen subsidies. Als de grond van een geschikte potentiële locatie in ons bezit is, houden we de locatie vrij en moeten we de grond uitgeven aan de ontwikkelaar van de geothermiebron. De bron wordt pas geslagen als een groot deel van het achterliggende netwerk (warmtenet) is aangelegd of wanneer er garantie is op de afname van de warmte. Voor nieuwe bronnen wordt een minimum aantal gegarandeerde aangesloten woningen gehanteerd van vierduizend. De reden hiervoor is dat de investeringskosten, circa 25-30 miljoen, hoog zijn, terwijl de inkomsten afhankelijk zijn van de afzet van de warmte.
1.2 Geothermie in Den Haag De diepe ondergrond in en rond Den Haag is erg geschikt voor de opwek van energie uit de aarde, de potentie is hoog in vergelijking met andere steden of regio's van Nederland. Op dit moment kennen we, naast één operationele geothermiebron aan de Leyweg, negen potentiële locaties voor het ontwikkelen van geothermie. Op vier van deze negen locaties in Den Haag bestaat de mogelijkheid om een dubbel doublet te realiseren, waarmee circa zestienduizend woningen verwarmd kunnen worden. De locatie Leyweg en alle potentiële geothermiebronnen samen kunnen in totaal 4 petajoule (PJ) leveren, dit is genoeg om te voorzien in ongeveer een derde van de Haagse warmtevraag (na het nemen van isolatie- en besparingsmaatregelen). De gemeente wil de relatief hoge temperatuur van geothermie vooral inzetten om woningen en gebouwen te verwarmen waar goede isolatie nog niet mogelijk of erg kostbaar is. 2
Door middel van een concessie verleent de gemeente een exclusief recht aan een warmtebedrijf in een bepaald
geografisch gebied voor een bepaalde periode, waarbij dat warmtebedrijf voor eigen rekening en risico de aanleg en exploitatie van het warmtenet op zich neemt. In het huidige juridische kader kan de gemeente de collectieve vraag naar warmte organiseren door de uitgifte van warmteconcessies. De (evt. na een aanbestedingsprocedure) geselecteerde warmteleverancier zorgt ervoor dat de woningen en/of gebouwen in het concessiegebied de mogelijkheid krijgen om te worden aangesloten op het warmtenet. Onder de Wcw worden niet langer warmteconcessies verleend, maar wijst de gemeente warmtekavels aan.
4/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
De negen potentiële locaties zijn geprioriteerd. Deze prioritering is onder andere tot stand gekomen door te kijken hoever de verkenningen en voorbereidingen voor het realiseren van de bron zijn, de ontwikkelingskansen die het gebied biedt, de ruimte onder- en bovengronds en de mogelijkheden om de warmte in te zetten in woningen en gebouwen in wijken met een bestaand warmtenet (of in buurten die in de TVW zijn aangegeven als warmtenetbuurt voor 2030, de ‘groene buurten’).
Figuur 3: Overzicht prioritering potentiële geothermie locaties.
1.2.1 Locatie Leyweg (HAL) De geothermiebron aan de Leyweg is sinds eind 2021 operationeel en is de eerste binnenstedelijke geothermiebron van Nederland. Deze bron levert warmte aan zo’n tweeduizend huishoudens en biedt ruimte voor nog eens tweeduizend nieuwe aansluitingen. Om de bron volledig te benutten moet het bestaande warmtenet verder ‘vollopen’. Er is al een aantal renovatie- en nieuwbouwprojecten gestart in Zuidwest waarmee de volloop gerealiseerd wordt. Deze initiatieven met woningcorporaties in onder andere de wijken de Oorden en de Venen zijn onderdeel van het Uitvoeringsplan Zuidwest. Op dit moment is het niet nodig om meer initiatieven te starten voor de afzet van warmte van de bron aan de Leyweg. 1.2.2 Locatie De Constant Rebecqueplein (CR-plein) De gemeente werkt samen met Uniper, Eneco, GasUnie en Haagse Aardwarmte om de mogelijkheden te verkennen om op het terrein van de Uniper stadscentrale bij het De Constant Rebecqueplein (CRplein) een grote stap in de energietransitie te zetten. Op dit terrein is het mogelijk om twee nieuwe lokale duurzame warmtebronnen te ontwikkelen, namelijk geothermie en grootschalige hoge temperatuur aquathermie (zie hoofdstuk 3). Ook zal hier de warmtetransportleiding van WarmtelinQ aanlanden met restwarmte uit de Rotterdamse haven (zie hoofdstuk 4).
De realisatie van deze drie energieprojecten hangen sterk met elkaar samen vanwege de ruimtelijke inpassing op het Uniper terrein, maar ook vanwege het afzetten van de warmte die op deze centrale plek wordt gewonnen of aankomt. Haagse Aardwarmte bereidt de ontwikkeling van twee geothermiedoubletten op het CR-plein voor. Het geothermieproject bevindt zich op dit moment in de haalbaarheidsfase en de huidige planning is dat deze bron in 2028 operationeel is en maximaal 16.000 woningen kan voorzien van warmte. Of het water uit de geothermiebron (81-85 graden) geschikt is om direct toe te passen, of dat er nog een warmtepomp wordt ingezet om de temperatuur te verhogen naar ongeveer 100 graden, hangt af van welk warmtenet gevoed gaat worden met de geothermie van het CR-plein. Een van de mogelijke scenario’s is dat de geothermie en aquathermie op het CR-plein met warmtepompen wordt opgewaardeerd naar ruim 100 graden en gemengd wordt met de warmte van WarmtelinQ en de gasgestookte warmte op het CR-plein. Vanuit een centraal punt wordt warmte door een groot deel van de stad gedistribueerd. In een ander scenario leveren WarmtelinQ en de gascentrale de warmte op hoge temperatuur, boven de 100 graden, aan het bestaande hoge temperatuur warmtenet in de stad.
5/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
Voor dit warmtenet is die hoge temperatuur voorlopig nodig. Indien nodig vult de warmte van de geothermiebron op het CR-plein, opgewerkt met een warmtepomp naar hoge temperatuur, de hoge temperatuur warmte aan. De nieuw aan te leggen warmtenetten worden bediend door een leiding op midden temperatuur 3, rond de 70 graden. Die warmte moet geleverd gaan worden door de geothermie- en aquathermiebron op het CR-plein. Bij pieken in de vraag wordt voorlopig met aardgas bijgestookt. 1.2.3 Locatie Ypenburg Spoorlaan Tot 2027 is er ruimte gereserveerd voor het ontwikkelen van een geothermiebron op het kavel Spoorlaan in Ypenburg (RIS312726). Haagse Aardwarmte bereidt hier de ontwikkeling voor van twee geothermiedoubletten die warmte leveren op een temperatuur van 65 tot 77 graden. Voor de ontwikkeling van de bron is al een SDE++ subsidie verleend. Waar de warmte afgezet kan worden, wordt nog verkend. Eén van de mogelijkheden is om het bestaande hoge temperatuurwarmtenet in Ypenburg te voeden. In dat geval is naverwarming nodig omdat de warmte die deze bron levert ongeveer 70 graden is, in tegenstelling tot de huidige temperatuur van het warmtenet van 95 graden. Voor de naverwarming is elektra nodig, wat de efficiëntie van de bron vermindert.
Een andere mogelijkheid is dat het warmtenet in Ypenburg verwarmd gaat worden met restwarmte van het WarmtelinQ-tracé Rijswijk-Leiden, dat (ondergronds) over het Spoorlaan kavel loopt. Een warmteoverdrachtstation op dit kavel en een leiding naar het warmtenet in Ypenburg maken het mogelijk om de restwarmte in te zetten zonder dat naverwarming nodig is. In dat geval kan de geothermie mogelijk ook worden ingezet in Pijnacker. 1.2.4 Locatie Binckhorst In de Binckhorst zijn meerdere geschikte potentiële geothermielocaties. Omdat het deel van de stad volop in ontwikkeling is, zijn geschikte plekken reeds vastgelegd als geothermielocatie. In de planontwikkeling houden we al rekening met de ruimte die nodig is voor het realiseren van geothermie. De eerste voorkeurslocatie is de locatie Vestaweg. Deze locatie kent een aantal uitdagingen, zoals de inpassing in een groene omgeving, bouwen naast de tunneluitgang van de Victory Boogie Woogietunnel, inpassing in een stedelijke omgeving en de gevestigde tijdelijke school. Daarom is een reservelocatie aangewezen in het ontwikkelingsgebied Binckhorst Noordwest (RIS312726).
1.3 Overige zoeklocaties Naast de drie locaties die prioriteit hebben, zijn er nog zes zoeklocaties waar de ondergrond geschikt is om geothermiebronnen te ontwikkelen (zogenoemde categorie 2 en 3 bronnen). Voor die potentiële bronnen zijn de ontwikkelingen minder ver. Vooralsnog zal de warmte van deze bronnen ingezet gaan worden in de warmtenetbuurten na 2030 uit de TVW. Voor een aantal van de potentiële bronnen zijn locatiescans uitgevoerd op basis waarvan geschikte, meer specifieke locaties gereserveerd kunnen worden als geothermielocatie en op een later moment bestemd kunnen worden in het Omgevingsplan. In 2023 hebben we locatiescans uitgevoerd voor de zoeklocaties in Mariahoeve, Kijkduin en Madestein. Op basis hiervan moeten specifieke locaties worden gereserveerd voor het ontwikkelen van 3
Midden temperatuur ligt in deze context rond de 70 graden. Dit zijn temperaturen die we geleverd kunnen worden door (een aantal) potentiële geothermiebronnen of door grote wijkwarmtepompen in combinatie met aquathermie. Om een huis of gebouw geschikt te maken voor midden temperatuur, moet deze voldoende geïsoleerd zijn en moeten soms de radiatoren worden aangepast.
6/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
geothermie. De beoogde bronnen in Mariahoeve, Madestein en Kijkduin zouden kunnen gaan leveren aan nog aan te leggen warmtenetten in naastliggende buurten die in de TVW zijn aangegeven als warmtenetbuurt voor 2030 (‘groene buurten’). Een locatie voor de bron Madestein is geclaimd in gebied de Uithof. Omdat hier nu een nieuw gebiedsplan wordt gemaakt is belangrijk dat hier al rekening wordt gehouden met de benodigde ruimte voor het ontwikkelen van een geothermiebron. Met name voor de potentiële bron in Mariahoeve is het kansrijk om op korte termijn meer snelheid te maken met het realiseren van de bron. Mariahoeve is in de TVW aangemerkt als warmtenetbuurt voor 2030 en waarbij geothermie geschikt is om als duurzame bron ingezet te worden in de wijk. Bewoners en bewonersinitiatieven in Mariahoeve zijn hier de afgelopen jaren bij betrokken en hebben inmiddels een eigen gebieds- en energiecoöperatie opgericht. In Mariahoeve stellen we samen met de bewonersinitiatieven verschillende scenario’s op voor het ontwikkelen van kleinschalige netten en bronnen in de wijk. Dit hebben we ook vastgelegd in het uitvoeringsplan Mariahoeve. Onderdeel hiervan is het onderzoeken van het starten met een inloopoplossing waarbij gebruik wordt gemaakt van kleine netten die worden gevoed door een (tijdelijke) bron.
Deze kleine netten kunnen op termijn aan elkaar worden gekoppeld en op de potentiële geothermiebron worden aangesloten. Voor de categorie 3 bronnen (zoeklocaties Houtrust, Scheveningen Haven en omgeving Malieveld) is zicht op de zoeklocatie waar de watervoerende pakketten geschikt zijn voor het ontwikkelen van een geothermiebron. Voor deze potentiële bronnen is nog geen exacte locatie bekend waar de fysieke onder- en bovengrondse ruimte geschikt zijn om de bron te slaan en te laten draaien. Hier moeten, net als voor de categorie 2 bronnen is gebeurd, op korte termijn locatiescans worden uitgevoerd. Waarna locaties gereserveerd kunnen worden. Voor de zoeklocatie ‘omgeving Malieveld’ is eerder vastgesteld dat de bron niet op het Malieveld gerealiseerd zal worden.
1.4 Wat is nodig om de realisatie van geothermiebronnen verder te brengen? Om de geothermiebronnen in categorie 1 (locaties CR-plein, Ypenburg Spoorlaan en Binckhorst) te realiseren moeten de volgende stappen worden genomen: • Voordat de drie potentiële bronnen ontwikkeld worden geldt dat er onder andere zicht moet zijn op het afzetten van (een deel van de) warmte via een warmtenet. We verkennen de mogelijke routes om nog voor de inwerkingtreding van de Wcw te starten met het organiseren en vergroten van de vraag naar collectieve warmte door het (laten) uitbreiden van bestaande warmtenetten en het (laten) aanleggen van nieuwe warmtenetten. Nieuwe warmtenetaansluitingen zijn belangrijk om ook de geothermie- en aquathermiebron op het CR-plein te kunnen ontwikkelen. • Daarmee samenhangend wordt een aanpak gemaakt voor de inzet van de warmte van het CR-plein (restwarmte, geothermie en aquathermie) en via welke infrastructuur. Het opwaarderen van de warmte van de geothermie- en aquathermiebronnen naar 100 graden en mengen met de warmte van de andere hoge temperatuur bronnen op het CR-plein. Of het scenario waarin geothermie en aquathermie (70 graden) niet opgewaardeerd worden omdat die warmte toegepast gaat worden in een nieuw aan te leggen midden temperatuur warmtenet.
• De bestemming geothermie voor de locaties De Constant Rebecqueplein en Ypenburg Spoorlaan zal voor 2026 geregeld moeten worden. De bestemming geothermie voor deze locaties zal naar verwachting worden verkregen via een buitenlandse inpassing. Het MER-onderzoek (milieueffectrapportage) voor deze locaties wordt uitgevoerd in opdracht van initiatiefnemer Haagse Aardwarmte. In het kader van de gebiedsvisie Binckhorst zal een MER-onderzoek worden uitgevoerd, waarin geothermie wordt meegenomen.
7/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
•
•
Voor de locatie Ypenburg wordt verkend of de warmte wordt opgewaardeerd en ingezet voor het verwarmen van het bestaande warmtenet in Ypenburg of dat de warmte mogelijk buiten Den Haag gebruikt kan gaan worden. Voor de locatie Binckhorst verkennen we waar de warmte ingezet kan worden door middel van nieuwe warmtenetten. Een mogelijkheid is om warmte te gaan leveren aan de Noordpolderbuurt (in de TVW aangegeven als warmtenetbuurt na 2030). Voor alle geothermiebronnen geldt dat het mogelijk moet zijn voor alle warmteleveranciers om toegang te krijgen tot de warmte van die bronnen. Zo wordt een gelijk speelveld gecreëerd voor warmteleveranciers die in aanmerking willen komen voor een concessieovereenkomst. Bij de verkenning van duurzame bronnen gebeurt het dat marktpartijen afspraken maken met de ontwikkelaar over de toegang tot de potentiële warmtebronnen. Bijvoorbeeld door dit in de verkenningsfase al in een samenwerkingsovereenkomst vast te leggen. De gemeente voorkomt deze exclusieve toegang tot een warmtebron door hier rekening mee te houden bij het organiseren van de warmtevraag.
Voor de zoeklocaties waar we bronnen op de langere termijn gaan realiseren (Mariahoeve, Madestein, Kijkduin, Houtrust, Scheveningen Haven en omgeving Malieveld) geldt: • Om voor 2040 te kunnen voorzien in een groot deel van de voorziene warmte van de potentiële geothermiebronnen moet voor 2026 worden gestart met het reserveren (middels een collegebesluit) van de locaties en de voorbereidingen voor ruimtelijke inpassing van categorie 2 en 3 bronnen. Voor de locaties Houtrust, Scheveningen Haven en omgeving Malieveld moeten nog locatiescans en worden uitgevoerd om de specifieke locaties te bepalen. • Voor alle categorie 2 en 3 zoeklocaties voor geothermie (Mariahoeve, Madestein, Kijkduin, Houtrust, Scheveningen Haven en omgeving Malieveld) moet geothermie worden meegenomen in het MER-onderzoek dat verplicht is voor het opstellen van een warmteprogramma in het kader van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw). Dit programma moet in 2026 zijn vastgesteld en naar verwachting wordt dit MER-onderzoek in 2025 uitgevoerd.
8/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
2 Bodemenergie (WKO)
Bodemenergie is het gebruik van hernieuwbare warmte of koude uit de (ondiepe) ondergrond tot 500 meter diep. Vanaf 500 meter geldt de Mijnbouwwet en spreken we van geothermie (ook wel aardwarmte, hoofdstuk 1). Voor het benutten van bodemenergie bestaan op hoofdlijnen twee technieken, open systemen en gesloten systemen. In een open bodemenergiesysteem wordt gebruik gemaakt van de opslag van warmte en koude in het grondwater in een watervoerend pakket 4 van voldoende dikte. Grondwater wordt hier opgepompt (onttrekkingsbron) en terug geïnjecteerd (injectiebron). De temperatuur van het grondwater wordt gebruikt voor het verwarmen en koelen van gebouwen. Tussen het grondwater en het gebouwsysteem zorgt een warmtewisselaar ervoor dat het grondwater- en gebouwcircuit gescheiden zijn. De onttrekkings- en injectiebron kunnen per seizoen gewisseld worden, zodat er een warme en een koude bron ontstaan en er sprake is van een opslagsysteem. In de zomer wordt het koude water opgepompt voor koeling van de gebouwen en wordt de warmte opgeslagen in de andere bron om in de winter te gebruiken. Een open systeem wordt ook wel warmte- en koudeopslag (WKO) genoemd. Bij een gesloten bodemenergiesysteem wordt geen grondwater opgepompt, maar wordt warmte en koude uitgewisseld door middel van geleiding in de bodem. Door een gesloten leidingenstelsel in de bodem wordt een vloeistof rondgepompt.
Is de vloeistof kouder dan de omringende bodem dan neemt de vloeistof warmte op, is de vloeistof warmer dan koelt deze juist in de bodem af. De vloeistof in het systeem is eigenlijk altijd water, soms met enkele additieven zoals antivries en bacterieremmers. In Den Haag worden de leidingen, ook wel bodemlussen genoemd, doorgaans verticaal geplaatst tot ongeveer 100 meter diep. De laatste jaren worden bodemlussen steeds dieper geplaatst tot wel 250 meter diepte. Gesloten bodemenergiesystemen worden ook wel bodemwarmtewisselaars genoemd. Het temperatuurbereik van een gesloten bodemenergiesysteem ligt tussen -5 en +30 graden, bij een open systeem tussen +5 en +25 graden. Normaal gesproken is voor het leveren van verwarming (warmer dan 35 graden) of warmtapwater (warmer dan 55 graden) met deze systemen nog wel opwaardering van de warmte nodig, waarvoor een warmtepomp wordt ingezet.
Figuur 4: Een WKO-systeem uitgelegd. Bron: WarmteStad.
4
Een bodemlaag die water doorvoert en die aan boven- en onderzijde begrensd wordt door een ondoorlatende laag of
door een vrije waterspiegel. Hieruit kan water gewonnen worden via een bron.
9/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
2.1 Bodemenergie in Den Haag De ondergrond van Den Haag bestaat uit meerdere watervoerende pakketten, die over het algemeen goed geschikt zijn voor het toepassen van bodemenergie. In het verleden zijn meerdere systemen ontwikkeld in het eerste watervoerende pakket, met een gemiddelde diepte tot ongeveer 70 – 80 meter. Deze systemen bevinden zich met name in het Centrum. Vanaf 2016 heeft de provincie ZuidHolland als bevoegd gezag bepaald, dat open bodemenergiesystemen in stedelijk gebied niet meer in het eerste watervoerende pakket gerealiseerd mogen worden, vanwege mogelijk andere belangen in de ondiepe ondergrond. Sindsdien worden de bronnen van open bodemenergiesystemen meestal gerealiseerd in het derde watervoerende pakket, omdat het tweede pakket niet dik genoeg is voor de gewenste opslagcapaciteit. In Den Haag zijn de diepste bronnen geplaatst op 250-300 meter. In Den Haag wordt vooral gebruik gemaakt van bodemenergiesystemen in utiliteitsbouw, zoals kantoren en ziekenhuizen en in recent gebouwde appartementencomplexen door de hele stad. Bijvoorbeeld kantoren in het centrum, en appartementen in de wijken Duindorp, Transvaal, Spoorwijk en het voormalig Norfolkterrein in Scheveningen zijn al aangesloten op een bodemenergiesysteem. Dit gaat om honderden woningen per systeem.
Sinds juli 2018 geldt een verbod op aardgasaansluitingen bij nieuwbouwwoningen en liggen warmtepompen in combinatie met een bodemenergiesysteem voor de hand. Door de goede isolatie in nieuwbouw kan worden volstaan met verwarming op lage temperatuur, maar neemt de behoefte aan koeling toe. Juist de combinatie lage temperatuur verwarming en behoefte aan koeling sluit goed aan bij het temperatuurniveau van bodemenergiesystemen. Voor de toepassing van bodemenergie in de bestaande bouw moeten woningen en gebouwen goed geïsoleerd zijn, zodat ruimteverwarming op lage temperatuur mogelijk is. Aan deze voorwaarde wordt voldaan in de VINEX-wijken van Den Haag. In deze wijken wordt in de TVW het toepassen van warmtepompen voorzien als alternatief voor aardgas (behalve voor Hoge Veld en Ypenburg, die op een warmtenet zijn aangesloten). Bij voorkeur worden warmtepompen in combinatie met bodemenergie toegepast, waardoor het elektriciteitsnet minder verzwaard hoeft te worden en netcongestie wordt voorkomen. Bovendien kan met bodemenergie op energetisch efficiënte wijze koeling worden geleverd, wat richting 2050 steeds belangrijker zal worden. Op dit moment hebben we geen specifiek stimuleringsprogramma voor toepassing van bodemenergie in deze wijken.
Bij de uitwerking van het warmteprogramma en daaropvolgende (wijk)uitvoeringsplannen zal worden bezien of een actievere rol van de gemeente wenselijk is. Voor de overige bestaande bouw is vaak eerst of tegelijk verbetering van de isolatie en/of het afgiftesysteem in de woning of het gebouw noodzakelijk om bodemenergie toe te passen, zodat ruimteverwarming op lagere temperatuur mogelijk is. Voor kantoorgebouwen geldt sinds 2023 een verplichting om te voldoen aan energielabel C, wat in sommige gevallen voldoende kan zijn om over te stappen op bodemenergie. De label C verplichting wordt gehandhaafd door de Haagse Pandbrigade in samenwerking met de Omgevingsdienst Haaglanden. Voor woningen zetten we in op het isoleren van de bestaande bouw (de EFG-label aanpak), maar zonder specifieke koppeling met toepassen van bodemenergie. In het programma EnergieRijk Den Haag (ERDH) doen we onderzoek naar de optimalisatie van de bestaande open bodemenergiesystemen in het centrumgebied en het mogelijk aansluiten van meer gebouwen op deze systemen. De komende jaren zal de toepassing van bodemenergie verder toenemen. Door de verstedelijkingsopgave zullen veel nieuwe woningen en utiliteit toegevoegd worden. Deze nieuwbouw wordt vooral gerealiseerd in de transformatiegebieden: Binckhorst, CID en Zuidwest. Naar verwachting zal het merendeel van deze nieuwbouw worden aangesloten op een
10/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
bodemenergiesysteem. Volgens de huidige inschattingen zal in 2050 voor ongeveer 30% van de warmte gebruik worden gemaakt van omgevingswarmte uit bodem, water en/of lucht. Met name bij toepassen van deze lage temperatuurbronnen die door warmtepompen opgewaardeerd moeten worden is veel elektriciteit nodig voor de pieklast en het warmtapwater. Dit heeft invloed op de groeiende elektravraag in de stad.
2.2 Bodemenergieplannen In de genoemde transformatiegebieden waar veel nieuwbouw komt, zullen veel bodemenergiesystemen in elkaars nabijheid worden ontwikkeld. De opslag van warmte en koude in een watervoerend pakket vraagt ruimte in de ondergrond. Dat betekent dat tussen bodemenergiesystemen een zekere onderlinge afstand moet worden gehouden, om te voorkomen dat de systemen elkaar negatief beïnvloeden (zogenaamde interferentie). Voor een optimale ordening van bodemenergiesystemen moet de gemeente dus regie over de bodem kunnen voeren. Hiervoor is de Verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen vastgesteld. In aangewezen interferentiegebieden kan de gemeente beleidsregels voor vergunningverlening vaststellen, die meestal worden onderbouwd met een bodemenergieplan. Binckhorst en Laakhaven/College Campus zijn inmiddels aangewezen als interferentiegebied. Bij wijziging van de verordening zullen ook de gebieden ‘Omgeving Den Haag CS’ en ‘Morgenstond’ als interferentiegebied worden aangewezen. De aangewezen interferentiegebieden en beleidsregels worden na invoering van de Omgevingswet overgenomen in het Omgevingsplan als gebied specifiek beleid. Bij sommige ontwikkellocaties staat zoveel nieuwbouw gepland, dat de ondergrond niet voldoende capaciteit en ruimte heeft voor allemaal zelfstandige bodemenergiesysteem per ontwikkeling.
Door het koppelen van meerdere bronnen in een collectief systeem kan meer warmte en koude uit de bodem worden gehaald, en kunnen wel alle ontwikkelingen worden voorzien van bodemenergie. Voor de realisatie van een dergelijk collectief systeem kan de gemeente een warmteplan vaststellen als onderdeel van het Omgevingsplan, waardoor nieuwbouw verplicht moet aansluiten. Voor de realisatie van het warmtesysteem verleent de gemeente een concessie aan een warmtebedrijf. Deze aanpak is gevolgd in Laakhaven en het deelgebied Trekvliet-Maanweg in de Binckhorst.
2.3 Wat is nodig om het gebruik van bodemenergie te stimuleren? •
•
Het toepassen van bodemenergiesystemen bij nieuwbouw gebeurt steeds vaker. Het stimuleren van het toepassen van bodemenergiesystemen is niet nodig omdat de toepassing van deze systemen bij nieuwbouw en utiliteitsbouw blijft toenemen. De afstemming over efficiënt gebruik van bodemenergie is wel een aandachtspunt. We voeren regie op de ondergrond door interferentiegebieden aan te wijzen en bodemenergieplannen op te stellen als onderdeel van het Omgevingsplan. Zo benutten we de energiecapaciteit van de bodem maximaal en voorkomen we interferentie. Voor bodemenergiesystemen wordt soms het gebruik van de openbare ruimte toegestaan voor het plaatsen van bronnen en/of leidingwerk, omdat inpassing op het eigen kavel niet mogelijk is. Ook de ruimte in de openbare ruimte is schaars vanwege de vele functies en voorzieningen die daar, zowel boven- als ondergronds, een plek moeten krijgen. We ontwikkelen van een afwegingskader om te sturen op efficiënt ruimtegebruik. Dit helpt ons te bepalen wanneer we dit gebruik van de openbare ruimte wel of niet willen toestaan en voor welke alternatieven gekozen kan worden.
11/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
•
•
5
Verdere beleidsontwikkeling is nodig om meer te kunnen sturen op het gebruik van open of gesloten bodemenergiesystemen. En om te sturen op het inzetten van bodemenergie in combinatie met andere warmtebronnen, bijvoorbeeld aquathermie, om efficiënter te verwarmen. Samen met stadsverwarming kan de piekvraag worden ingevuld door warmte uit de stadsverwarming, bijvoorbeeld voor het warmtapwater, waardoor het vermogen van de elektriciteitsaansluiting van het gebouw veel kleiner kan zijn en het elektranet wordt ontlast. Tot nu toe is bodemenergie vooral toegepast bij nieuwbouw. Toepassing in de bestaande bouw is ook goed mogelijk, maar er zijn gebouwaanpassingen nodig om bestaande bouw met lage temperaturen te kunnen verwarmen. Ontsluiten van bestaande kennis over toepassen van bodemenergie in de bestaande bouw en vertalen naar de Haagse situatie is nodig om verdergaand gebruik van bodemenergie te stimuleren. Hierbij moet samenhang worden gezocht met de ontwikkeling van 5e generatie warmtenetten. 5
5e generatie warmtenetten maken het mogelijk om warmte- en koude uit te wisselen tussen aangesloten gebouwen. Vaak is dit gecombineerd met een vorm van warmte- of koude opslag. Deze systemen werken met lokale bronnen op lage temperatuur of zeer lage temperatuur en de productie en het gebruik vinden decentraal in het net plaats.
12/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
3 Aquathermie
Bij het winnen van energie (warmte of koude) uit water spreken we van aquathermie. Er zijn drie varianten van aquathermie; Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO), uit Afvalwater (TEA) of uit Drinkwater (TED). Aquathermie is een lage temperatuurbron (LT) 6 en is daarom het meest geschikt om goed geïsoleerde woningen en gebouwen te verwarmen (en te koelen), bij voorkeur met een lage temperatuur afgiftesysteem, zoals vloer- en/of wandverwarming. Nieuwbouw is erg geschikt voor deze systemen. Inzet bij gebouwen met minder isolatie via een midden temperatuursysteem (MT) is ook mogelijk, alleen kost dit meer elektriciteit om met een warmtepomp de temperatuur op te waarderen. Een aquathermiebron kan worden ingezet voor één gebouw of afnemer, maar kan ook onderdeel zijn van een collectief systeem met meerdere afnemers. Aquathermie kan direct als primaire energiebron worden ingezet, maar wordt vaak in combinatie met open bodemenergiesystemen (ook wel warmte- koude opslag (WKO) genoemd, zie hoofdstuk 3) toegepast. De warmte of koude uit de aquathermiebron wordt dan tijdelijk opgeslagen in de bronnen van de WKO, om later weer te worden gebruikt afhankelijk van de vraag naar warmte en koude. Ook wordt aquathermie vaak gebruikt voor regeneratie van een WKO, om het systeem in balans te houden.
Figuur 5: Verschillende vormen van aquathermie. Bron: Netwerk Aquathermie.
3.1 Aquathermie in Den Haag Het toepassen van de verschillende vormen van aquathermie in de Haagse gebouwde omgeving heeft veel potentie. Een aantal gebouwen in Den Haag (zoals de Haagse Hogeschool en woningen daar in de omgeving) maakt al gebruik van aquathermie, maar de huidige toepassing is nog beperkt. 3.1.1 TEO (locaties Trekvliet, Laakhaven en CR-plein) Voor thermische energie uit oppervlaktewater is het Hoogheemraadschap bevoegd gezag voor de vergunningverlening. Bij de vergunningverlening beoordeelt het hoogheemraadschap het effect van de koude lozing van het TEO-systeem op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Afkoeling van het oppervlaktewater in de zomer door lozing van koude kan de waterkwaliteit juist ook verbeteren. Tot op heden heeft het hoogheemraadschap een aantal watervergunningen verleend in het Laakkanaal voor 6
Lage temperatuur is in deze context lager dan 50 graden en is afkomstig van bodemenergie, sommige vormen van aquathermie of een warmtepomp.
13/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
de Haagse Hogeschool, Waldo Mountains, Waldo City en Caland Doc. Verder zijn in Den Haag nog geen watervergunningen voor TEO verleend. Voor de nieuwbouwontwikkelingen in Laakhaven en Trekvliet-Maanweg zijn concessies verleend voor de ontwikkeling en exploitatie van een collectief systeem voor de levering van warmte en koude. In beide gebieden wordt rekening gehouden met het toepassen van TEO in combinatie met bodemenergie. In het centrumgebied (Energiekwartier) maakt Uniper gebruik van oppervlaktewater uit de gracht om de energiecentrale af te koelen. In de toekomst wil Uniper, na het benutten van het koelwater voor de bedrijfsprocessen, de warmte in het koelwater opwaarderen en samen met restwarmte en geothermie inzetten in de warmtenetten. Het gaat hier om grootschalige hoge temperatuur aquathermie. Hierbij wordt warmte uit het koelwater en oppervlaktewater gewonnen en met een elektrische warmtepomp opgewaardeerd naar een temperatuur rond de 90 graden. Voor Nederland is dit een nieuwe ontwikkeling. De potentiële aquathermiebron kan 12 tot 15 MW gaan leveren. Uniper, Eneco, GasUnie en Haagse Aardwarmte hebben onder regie van de gemeente Den Haag het initiatief genomen voor een plan om de lokale schone warmtebronnen die op het De Constant Rebecqueplein mogelijk zijn, te realiseren. Gemeente Den Haag biedt ondersteuning bij de uitwerking van dit plan (RIS314509).
TEO wordt zo veel mogelijk meegenomen in de renovatieplannen van de kademuren in de stad. Deze kademuren worden slechts eens per honderd jaar vervangen en renovatiemomenten bieden een kans om alvast TEO-aansluitingen aan te leggen, zodat in de toekomst gebruik gemaakt kan worden van de aansluitingen. Een bijzondere TEO-bron is zeewater. Tot 2020 werd de nieuwbouw in Duindorp verwarmd met warmte uit zeewater. Inmiddels is de zeewatercentrale ontmanteld en is de wijk aangesloten op een WKO-systeem, dat gebruik maakt van warmte uit zeewater voor de regeneratie van de WKO-bronnen. 3.1.2 TEA (locatie Houtrust) In Den Haag is één locatie met grote potentie voor aquathermie uit afvalwater, de afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) Houtrust. Het gezuiverd afvalwater van de AWZI wordt samen met dat van de AWZI Harnaschpolder via een persleiding in zee geloosd. De temperatuur van dit gezuiverde afvalwater varieert tussen de 10 graden en 22 graden. Uit deze grote afvalwaterstroom (200.000 m3 per dag bij droog weer) kan veel warmte worden gehaald voor het verwarmen van woningen en gebouwen. De totale warmtepotentie is geschat tussen 0,31 en 1,23 petajoule (PJ) per jaar, afhankelijk van de onttrekkingsgraad. Als het gezuiverde afvalwater van de AWZI met 4 graden wordt afgekoeld levert dat ongeveer 1 PJ warmte op waarmee circa 20.000 woningen van warmte kunnen worden voorzien.
Ter vergelijking 1 PJ komt overeen met de capaciteit van 2,5 geothermiebronnen. In het coalitieakkoord ‘Haags akkoord 2023-2026’ is opgenomen: We maken een plan voor een aquathermiebron in Houtrust. Van de AWZI Harnaschpolder wordt het gezuiverde afvalwater door een ondergrondse persleiding via Rijswijk naar AWZI Houtrust afgevoerd. Hoogheemraadschap heeft aangegeven, dat deze persleiding niet kan worden benut voor TEA. De leiding wordt als niet voldoende toekomstbestendig beoordeeld, om beschikbaar te stellen als TEA-bron. Vanwege het toenemende drinkwatertekort zou het effluent in de toekomst naar elders afgevoerd kunnen worden, om strategische watervoorraden aan te vullen. Riothermie is een bijzondere vorm van TEA, waarbij warmte uit rioolwater wordt gehaald. In Scheveningen wordt riothermie toegepast in een rioolgemaal, waarmee het zwembad De Blinkerd van warmte wordt voorzien.
14/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
3.1.3 TED (locaties Binckhorst en Zuidwest) In Den Haag is een aantal bronnen voor thermische energie uit drinkwater, zoals de drinkwaterbuffervaten in de Binckhorst en in Zuidwest en de rivierwatertransportleidingen richting de duinen voor de productie van drinkwater. Drinkwaterbedrijf Dunea heeft zich zo georganiseerd dat zij kan opereren als marktpartij (Dunea Warmte & Koude BV) voor het aanbieden van TED. Het drinkwaterbuffervat in de Binckhorst gaat worden ingezet in het nieuwe collectieve warmtesysteem dat onderdeel is van de concessie Trekvliet-Maanweg. De mogelijkheden om het drinkwaterbuffervat in Zuidwest als TED-bron in te zetten zijn onderzocht. Het bleek moeilijk om een match te maken tussen TED en de renovatie- en nieuwbouwprojecten. Er is nu geen zicht op concrete mogelijkheden om het drinkwaterbuffervat Zuidwest op korte termijn in te zetten. Eerder is de mogelijkheid voor TED in de Vruchtenbuurt verkend, maar nu niet uitvoerbaar gebleken. Net als voor het hoogheemraadschap geldt voor Dunea ook het probleem van het groeiende tekort aan drinkwater, waardoor de toekomstige beschikbaarheid van grote (rivierwater)transportleidingen als warmtebron niet kan worden gegarandeerd.
3.2 Wat is nodig om de aquathermie verder te brengen? • •
•
•
In 2024 stellen we in samenwerking met het hoogheemraadschap een projectplan op voor de ontwikkeling van het grote potentieel aquathermie (TEA) op AWZI Houtrust. We vragen meer aandacht voor de kansen voor het inzetten van aquathermie bij nieuwbouw- en renovatieplannen en de efficiëntie die het inzetten van aquathermie kan opleveren voor het verwarmen van de bestaande bouw. Om de ontwikkeling van de grote aquathermiebron (TEO) van Uniper op het De Constant Rebecqueplein mogelijk te maken, werken we aan het organiseren van de collectieve vraag naar warmte door middel van het (laten) aanleggen van nieuwe warmtenetten. Als het aantal systemen voor aquathermie uit oppervlaktewater de komende jaren verder toeneemt, zou een verdelingsvraagstuk kunnen ontstaan. Als meerdere TEO-systemen in hetzelfde waterlichaam worden ontwikkeld, kunnen ze elkaar mogelijk negatief beïnvloeden. Samen met het hoogheemraadschap onderzoeken we deze problematiek. Daarnaast wordt een stadsbrede waterenergievisie en/of gebiedsgerichte waterenergieplannen voorbereid.
15/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
4 Restwarmte
Restwarmte is warmte die vrijkomt bij (industriële) processen en niet opnieuw in het proces gebruikt wordt. Een voorbeeld hiervan is de warmte die vrijkomt bij de Uniper STEG centrale. Deze warmte kan ingezet worden om gebouwen en tapwater te verwarmen. Dit wordt gezien als een milieuvriendelijke en CO2-neutrale manier van verwarmen. Door gebruik te maken van restwarmte die vrijkomt bij industriële processen is er geen gas meer nodig voor de verwarming van woningen. De warmte wordt getransporteerd met warmtetransportleidingen en gedistribueerd via een bestaand of nieuw warmtenet. Restwarmte wordt vaak ingezet in combinatie met andere warmtebronnen: bijvoorbeeld restwarmte voor de levering van de basislast en andere warmtebronnen voor back-up en piekwarmte.7 (Rest)warmte, waarbij de bron zich niet in Den Haag bevindt, moet met warmtetransportleidingen getransporteerd worden naar Den Haag. Een aantal factoren bepaalt of de restwarmte geschikt is als warmtebron voor de gebouwde omgeving: • De temperatuur van de restwarmte is van invloed op de technische en financiële haalbaarheid. • De afstand van de bron tot het warmtenet en de afnemers. • Het is belangrijk dat een combinatie mogelijk is met andere warmtebronnen in verband met de leveringszekerheid. • Het bedrijf dat de restwarmte levert wil vaak geen verdere investeringen doen in een warmtenet of in reservecapaciteit.
In dat geval is dit de rol van een warmteleverancier die verantwoordelijk is voor het warmtenet en een betrouwbare levering aan de afnemers. In het Nationale Klimaatakkoord wordt ingezet op verduurzaming van de industrie waar restwarmte onder andere vandaan komt. Dit betekent dat de processen waarbij restwarmte vrijkomt steeds efficiënter en schoner worden.
4.1 Restwarmte in Den Haag Restwarmte afkomstig van andere bronnen zoals koelrestwarmte is beschikbaar maar wordt nog niet of sporadisch ingezet in duurzame warmtesystemen. Koelrestwarmte komt vrij bij computerserverruimtes, gebouwen of de visafslag en kunnen vooral op lokaal buurtniveau worden ingezet. Als er sprake is van leveringszekerheid op lange termijn zijn koelrestwarmtebronnen interessant om te voorzien in de basislast voor een nieuw aan te leggen lage temperatuur (LT) warmtenet. De grootste hoeveelheid restwarmte die op korte termijn ingezet gaat worden in Den Haag om woningen en gebouwen te verwarmen komt vanuit de Rotterdamse haven via warmtetransportleiding WarmtelinQ. Gasunie is verantwoordelijk voor de aanleg van WarmtelinQ, in opdracht van het ministerie van EZK. De provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor de ruimtelijke inpassing van WarmtelinQ. Voor de gemeente Den Haag zijn twee projecten of tracés relevant: het tracé Vlaardingen-Den Haag en het tracé Rijswijk-Leiden, dat deels over Haags grondgebied loopt en mogelijk ook warmte gaat leveren in Den Haag.
7
De piekvraag doet zich voor op momenten waarop de warmtevraag hoger is. Piekvoorzieningen zijn nodig om ook tijdens deze momenten te garanderen dat er warmte wordt geleverd. In het algemeen geldt dat duurzame bronnen zich vooralsnog toerusten tot het voorzien in de basislast. Nu werken piekvoorzieningen nog vaak op aardgas. Ook voor de back-upvoorzieningen geldt dat deze op termijn moeten worden verduurzaamd.
16/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
In Den Haag wordt restwarmte ingezet als middel om bestaande warmtenetten uit te breiden en nieuwe warmtenetten aan te leggen en zo de energietransitie aan te jagen. Het gebruik maken van restwarmte vanaf het CR-plein biedt een kans om een nieuw warmtenet aan te leggen dat wordt gevoed met restwarmte en waarbij ook steeds meer lokale duurzame bronnen zullen worden bijgeschakeld. In de toekomst zal restwarmte van WarmtelinQ duurzamer worden, doordat de industrie meer gebruik gaat maken van duurzame energiebronnen. 4.1.1 WarmtelinQ Vlaardingen-Den Haag In augustus 2023 is in Den Haag gestart met de voorbereidingen voor de aanleg van de ondergrondse restwarmteleiding WarmtelinQ Vlaardingen-Den Haag. De planning is dat de aanleg van de leiding in 2025 wordt afgerond en vanaf 2026 warmte kan leveren aan het stadsverwarmingsnetwerk in Den Haag. De leiding komt uit in het centrum van Den Haag bij de Uniper Centrale (CR-plein) en is nu nog een aftakking van de Leiding over Noord, een bestaande warmtetransportleiding die de AVR Rozenburg verbindt met Rotterdam. Als er steeds meer woningen worden aangesloten, betekent dit dat er meer warmte geleverd moet worden. Naast de afvalverbrandingsinstallatie zullen meer bedrijven in het havengebied van Rotterdam de restwarmte, die nu verloren gaat, uitkoppelen uit hun productieprocessen.
Via WarmtelinQ zal jaarlijks 2 petajoule (PJ) restwarmte vanuit Rotterdam worden vervoerd, dit is genoeg om te voorzien in ongeveer een zesde van de Haagse warmtevraag (na goede isolatie- en besparingsmaatregelen). Op de langere termijn moeten de WarmtelinQwarmtetransportleidingen naast restwarmte ook gevoed worden met geothermie en wellicht ook aquathermie en zonthermie. 4.1.2 WarmtelinQ Rijswijk-Leiden WarmtelinQ Rijswijk-Leiden is een aftakking van het tracé Vlaardingen-Den Haag en loopt over het grondgebied van acht gemeenten. De leiding loopt circa 7 kilometer (ondergronds) over Haags grondgebied bij Ypenburg en Leidschenveen en gaat mogelijk ook bijdragen aan de warmtevoorziening in Den Haag. WarmtelinQ en Eneco hebben een warmtetransportovereenkomst om warmte vanuit de leiding die tussen Rijswijk en Leiden loopt in te zetten in het Eneco hoge temperatuur warmtenetten. Mogelijk zal ook WarmtelinQ-warmte in Ypenburg worden afgenomen. Het voordeel hiervan is dat het Eneco-warmtenet in Ypenburg zo op relatief korte termijn kan worden verduurzaamd en uitgebreid. Daarnaast is in eerdere berekeningen van de verduurzaming van de Haagse warmtevraag geen rekening gehouden met de mogelijkheid om het warmtenet Ypenburg te verwarmen met restwarmte afkomstig van tracé Rijswijk-Leiden.
Het nadeel is dat het leveren van restwarmte in Ypenburg mogelijk ten koste gaat van de businesscase voor de potentiële geothermiebron Ypenburg. De geothermie kan alsnog worden benut wanneer meer vraag wordt gecreëerd door meer huizen aan te sluiten op het bestaande warmtenet of door het aanleggen van nieuwe stadsverwarmingsnetten. De gemeente Pijnacker-Nootdorp ontwikkelt een regiovisie waarbij nieuwe warmtenetten worden voorzien in die regio waarbij rest- en geothermiewarmte nodig zijn. Ypenburg zou daarom een warmtehub kunnen gaan worden. Als het tracé Leiden-Rijswijk geen warmte gaat leveren aan Den Haag is er alleen sprake van ruimtelijke gevolgen. De planontwikkeling rond het tracé wordt afgestemd met de provincie, met name omdat er bovengronds niets zonder toestemming van Gasunie mag gebeuren op het tracé. Daarnaast heeft de aanleg effect op het groen rond het tracé en de aanleg kan tot overlast leiden. Het ontwerp provinciaal inpassingsplan is in december 2023 ter inzage gelegd, en de gemeente Den Haag heeft hier in januari 2024 een zienswijze op ingediend. Het tracé moet gerealiseerd worden in 2025 en 2026 en kan eventueel vanaf 2027 het warmtenet in Ypenburg voeden met restwarmte.
17/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
4.2 Benodigde warmteoverdrachtsstation (WOS) Warmtetransportleidingen hebben bij het begin- en eindpunt een warmteoverdrachtsstation (WOS) nodig. Met zo’n overdrachtsstation is het mogelijk om te reguleren hoeveel warmte er nodig is. In Den Haag zijn drie warmteoverdrachtsstations voorzien voor WarmtelinQ: op het CR-plein, in Zuidwest en in Ypenburg. CR-plein De afspraken over een WOS op de locatie CR-plein, in de hal van Uniper, zijn in een vergevorderd stadium. Deze WOS zal worden ontwikkeld door Eneco en voorziet in de vervanging van een groot deel van de huidige gasvoorziening voor het verwarmen van het Centrum warmtenet. Zuidwest Voor de WOS die in Zuidwest moet komen is nog geen locatie bekend en worden verschillende mogelijkheden verkend in relatie tot het vinden van een geschikte locatie. Op dit moment worden locaties aan de randen van Den Haag verkend en wordt verkend of de WOS op Rijswijks grondgebied kan komen (in plaats van in Zuidwest). Dit zou leiden tot een samenwerking met de gemeente Rijswijk om te komen tot een combi-WOS die gebruikt gaat worden door zowel Rijswijk als door een deel van Zuidwest. De combi-WOS zou de vorm moeten krijgen van een warmtehub waar tevens een geothermiebron gerealiseerd kan worden.
Deze WOS moet een startpunt vormen om in de toekomst een warmtenet aan te leggen in Moerwijk, Morgenstond, Groente- en Fruitmarkt en een stukje Spoorwijk. Voor deze buurten bestaan beperkte mogelijkheden om lokale duurzame bronnen bij te schakelen. De meest nabije geothermiemogelijkheid in de buurt van Zuidwest bevindt zich in de Uithof. Ypenburg De WOS in Ypenburg komt op het kavel Spoorlaan en kan worden ingezet voor de verduurzaming van het bestaande hoge temperatuur warmtenet in Ypenburg. Op deze locatie is ook ruimte gereserveerd voor het ontwikkelen van een geothermiebron (zie hoofdstuk 1.2 in deze bijlage).
4.3 Wat is nodig om de restwarmte die via WarmtelinQ aankomt toe te passen? •
•
De potentiële beschikbaarheid van restwarmte binnen de gemeentegrens van Den Haag is niet in beeld. De potentiële beschikbaarheid van restwarmte uit de warmtetransportleiding WarmtelinQ en van de Uniper STEG centrale is wel bekend. Er moet nader worden onderzocht wat de potentie is van bijvoorbeeld lokale (koel)restwarmte en welke kansen dit biedt om in te zetten. Bij het maken van projectplannen kan vanuit het oogpunt van bijvoorbeeld betaalbaarheid, leveringszekerheid en draagvlak aansluiting gevonden worden bij deze lokale restwarmtebronnen. WarmtelinQ Vlaardingen-Den Haag zal de basislast voor bestaande, gasgestookte warmtenetten gaan vervangen. Naast het uitbreiden van de bestaande warmtenetten is het ook noodzakelijk dat er nieuwe warmtenetten worden aangelegd om de restwarmte volledig te benutten omdat restwarmte op dit moment niet schaars is en een aanjager kan zijn voor het ontwikkelen van lokale bronnen. Het organiseren van de warmtevraag door middel van het (laten) aanleggen van nieuwe warmtenetten speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van de duurzame warmtebronnen op het CR-plein en is onder andere bepalend voor de hoeveelheid warmte die toegepast gaat worden die via WarmtelinQ aankomt, waar deze warmte wordt ingezet en per wanneer.
18/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
•
•
•
Naast een WOS op het CR-plein is een tweede locatie voor een WOS noodzakelijk in de omgeving van Zuidwest. Deze WOS is nodig om de warmte toe te kunnen passen in nieuw aan te leggen warmtenetten in onder andere Moerwijk, Morgenstond, Groente- en Fruitmarkt en eventueel een stukje Spoorwijk. Wanneer Eneco besluit dat er een WOS komt op het Spoorlaan kavel moet daarvoor een vergunning worden aangevraagd bij de gemeente. Er wordt in 2024 een beeldkwaliteitsplan gemaakt voor dit kavel omdat er boven- en ondergronds veel bij elkaar komt in dit gebied: een Tstuk, de WOS voor WarmtelinQ, een geothermiebron inclusief bijbehorende WOS, groen en waterberging. Een aandachtspunt voor de gemeente in de gesprekken met Gasunie is dat het inzetten van restwarmte niet mag leiden tot vertraging van de verduurzaming van de industrie die de restwarmte levert. Dat Den Haag restwarmte afneemt mag geen perverse prikkel bieden voor de industrie om te vertragen met energiebesparing en verduurzaming. Afspraken over de verduurzaming van de industrie worden vastgelegd in Cluster Energiestrategieën.
19/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
5 (Hybride) warmtepompen
Een warmtepomp is een apparaat dat warmte haalt uit een bepaalde bron. Verschillende warmtepompen gebruiken verschillende bronnen. Hierbij kan gedacht worden aan de buitenlucht (meest voorkomend), bodemwarmte in de ondiepe ondergrond, ventilatielucht of een warmtenet van lage temperatuur. Dit zijn nagenoeg allemaal lokale warmtebronnen. Met elektriciteit wordt deze warmte op een temperatuur gebracht waarmee woningen en gebouwen kunnen worden verwarmd. In tegenstelling tot de warmte die gebruikt wordt, is de elektriciteit grotendeels geen lokale bron.8 Sommige warmtepompen zijn volledig elektrisch. Volledig elektrische warmtepompen genereren veelal lage temperaturen (tot zo’n 50-55 graden). Niet alle woningen zijn hiervoor geschikt. Of een woning geschikt is, is afhankelijk van het isolatieniveau van de woning in samenhang met het afgiftesysteem. In algemene zin kan gesteld worden dat voor lage temperaturen (lager dan 50 graden) minimaal energielabel B nodig, is in combinatie met een lage temperatuur afgiftesysteem. Denk hierbij aan vloerverwarming en/of lage temperatuur radiatoren. Des te lager de aanvoertemperatuur, des te hoger het vereiste energielabel. Naast volledig elektrische warmtepompen, zijn er ook hybride warmtepompen. Een hybride warmtepomp werkt samen met een cv-ketel. De cv-ketel verwarmt het kraanwater, de warmtepomp verwarmt het water voor de verwarming.
Als het buiten erg koud is en de warmtepomp het binnen niet meer efficiënt warm kan krijgen, springt de cv-ketel automatisch bij. Voor hybride warmtepompen is vaak niet direct extra isolatie nodig en ook het aanpassen van het afgiftesysteem is niet direct nodig. Beiden kunnen later wel – eventueel stapsgewijs – opgepakt worden. Dit vergroot de efficiëntie van de hybride warmtepomp. Zowel volledig elektrische warmtepompen als hybride warmtepompen bestaan vrijwel altijd uit twee delen: een buitenunit met een ventilator (vergelijkbaar qua grootte met een buitenunit van een airco) die vaak op het dak of aan de gevel wordt geplaatst en een binnenunit (vergelijkbaar qua grootte met een hoge koelkast). Bij volledig elektrische warmtepompen komt daar ook nog een buffervat bij voor warm tapwater.
5.1 Inzet van (hybride) warmtepompen in Den Haag De TVW geeft per buurt aan welke warmteoplossing het meest geschikt is. Sommige buurten zijn in de TVW bestempeld als ‘warmtepompbuurten’. Op de TVW-kaart zijn dit de blauwe buurten. Het gaat hier om volledig elektrische warmtepompen. Deze buurten zijn te typeren als buurten met relatief veel jonge woningen en relatief veel grondgebonden woningen. Warmtepompen zijn hier voor het gros van de woningen een goede oplossing. Andere buurten zijn ‘hybride warmtepompbuurten’. Dit zijn de gele buurten op de TVW-kaart. Voor deze buurten is de eindoplossing nog niet bepaald. Zowel volledig elektrische warmtepompen als collectieve warmtenetten zijn voor deze buurten nog zeer kostbare oplossingen. Op korte termijn zorgen hybride warmtepompen wel direct voor een grote vermindering van CO2-uitstoot, vaak zonder dat er direct ingrijpende aanpassingen nodig zijn aan de woning. Daarnaast blijft het aantrekkelijk om stapsgewijs isolatie aan te brengen, omdat de hybride warmtepomp efficiënter werkt bij lagere 8
Binnen Den Haag kan maar een beperkt deel van de elektriciteit worden opgewekt. Dit deel is lang niet voldoende om in de vraag te voorzien.
20/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
temperaturen. Een hybride warmtepomp heeft een technische levensduur van gemiddeld 15 jaar en een economische levensduur van 10 jaar. De hybride warmtepomp staat daarmee een keuze op de langere termijn voor andere oplossingen (zoals warmtenetten, volledig elektrische warmtepompen of een mix daarvan) niet in de weg. De voorgestelde warmteoplossing in de TVW is op buurtniveau. Dit houdt in dat de gekozen warmteoplossing voor de meerderheid van de woningen in een bepaalde buurt een goede oplossing is. Dit betekent dat er ook woningen geschikt zijn om te worden verwarmd met (hybride) warmtepompen in buurten waar volgens de TVW andere (collectieve) warmteoplossingen voor de hand liggen. Of wanneer bewoners niet willen aansluiten op een warmtenet of hier niet op willen wachten. In de praktijk komen we (hybride) warmtepompen dus overal tegen in de stad.
5.2 Wat is nodig om het gebruik van (hybride) warmtepompen te stimuleren? De (hybride) warmtepomp is – in tegenstelling tot een warmtenet – voornamelijk een individuele warmteoplossing. Het al dan niet aanschaffen en toepassen van een (hybride) warmtepomp is dan ook primair een keuze van de gebouw/woningeigenaar. Volledig elektrische warmtepompen zijn ook mogelijk als klein-collectief. De afstemming over, of toestemming voor, de toepassing van buitenunits gebeurt soms wel in VvE-verband. Het toepassen van (hybride) warmtepompen gebeurt steeds vaker in de stad. In de TVW worden volledig elektrische warmtepompen voornamelijk voorzien voor de warmtepompbuurten. De toepassing in de stad is echter breder: iedere woning met minimaal energielabel B (relatief ‘jonge’ woningen of na-geïsoleerde woningen) kan in potentie met een geschikt afgiftesysteem een volledig elektrische warmtepomp toepassen. Hybride warmtepompen kunnen veel breder worden toegepast. In de TVW zijn er specifiek hybride warmtepompbuurten, maar ook voor buurten waar het warmtenet pas op de langere termijn aangelegd worden is een hybride warmtepomp een goede tussenoplossing. Het Rijk heeft een actieplan opgesteld (‘Actieplan hybride warmtepompen 2022 t/m 2024’) om de toepassing van (hybride) warmtepompen zoveel als mogelijk te faciliteren.
Er is een aantal mogelijkheden en ontwikkelingen die het inzetten van (hybride) warmtepompen stimuleren: • Een lagere prijs draagt bij aan het kiezen voor een (hybride) warmtepomp. Op dit moment is er een subsidieregeling voor (hybride) warmtepompen bij het Rijk, waarbij 30% van de aankoopkosten en de installatie vergoed worden. In het eerdergenoemde actieplan zet het Rijk in op 40% kostenreductie in 2030 t.o.v. het prijsniveau van 2021. • De gemeente geeft bewoners handelingsperspectieven. Veel bewoners hebben vragen over (hybride) warmtepompen. Welke isolatiegraad heeft mijn woning nodig, waar kan de buitenunit geplaatst worden, hoe zit het met potentiële geluidsoverlast? 9 Deze vragen spelen vooral bij Hagenaars die in gestapelde bouw in hybride warmtepompbuurten wonen. We doen momenteel onderzoek naar eventuele obstakels en handelingsperspectief voor bewoners. De resultaten van dit onderzoek zullen gebruikt worden in het verbeteren van het handelingsperspectief op verschillende plekken, zoals de Haagse Adreszoeker en de Routekaart richting aardgasvrij die momenteel ontwikkeld worden. We informeren inwoners onder andere via de Hou van je Huisinformatiepunten, de VvE-balie, informatiebijeenkomsten en onze website. Zie voor meer informatie hierover de Werkagenda Energietransitie (RIS317123). 9
Per 1 april 2021 worden nieuwe geluidseisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking. Het gaat hierbij om warmtepompen en airco’s die worden toegepast bij woningen en woongebouwen. Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren. Met deze landelijke geluidsnorm worden buren beter beschermd tegen geluid van warmtepompen en wordt de ontwikkeling van stillere warmtepompen bevorderd.
21/22
Bijlage: achtergrondinformatie over warmtebronnen
•
•
We maken de energietransitie mogelijk door drempels weg te nemen voor het nemen van verduurzamingsmaatregelen in alle type woningen en gebouwen in Den Haag. De benodigde vergunningsprocedures voor verduurzamingsmaatregelen en wanneer vergunningen wel of niet nodig zijn, maken we minder ingewikkeld. Dit geldt ook voor de elf rijksbeschermde stadsgezichten en tien gemeentelijk beschermde stadsgezichten. Wanneer de beschermde bestemmingsplannen botsen met het inzetten van bijvoorbeeld warmtepompen, zoeken we hier een oplossing voor. Het Rijk werkt momenteel aan een normering voor verwarmingsinstallaties vanaf 2026. Dat betekent dat bij vervanging van de cv-installaties mensen moeten overstappen op een duurzamer alternatief. In veel gevallen is dit een hybride warmtepomp, maar ook alternatieven zoals de volledig elektrische warmtepomp of een aansluiting op een warmtenet zijn mogelijk. Het kabinet wil hiermee voor leveranciers, installateurs en woning- en gebouweigenaren duidelijkheid bieden en wijzigt hiervoor het bouwbesluit.