CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS318358 Bijlage Geredigeerd

Commissie Ruimte 2 oktober 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Commissiebrief inzake Voortgangsrapportage Dreven, Gaarden en Zichten én Commissiebrief inzake Voortgangsbericht Zuidwest1.814 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 24/6 en SGR 24/46 uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 maart 2024 in de zaken tussen 1. Stichting Bewonersorganisatie Bouwlust-Vrederust, te Den Haag, verzoekster 1

2. Stichting SOS Den Haag, te Den Haag, verzoekster 2

Hierna ook gezamenlijk te noemen: verzoeksters en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, liet college (gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen).

Als derde-partijen nemen aan de zaken deel: Heijmans Vastgoed B.V., te Rotterdam, vergunningboudster, en Stichting Staedion, te Den Haag, belanghebbende. (gemachtigde: mr. J.A. Mohuddy).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om voorlopige voorziening van verzoeksters tegen de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van twee woongebouwen met 220 woningen en twee stallingsgarages aan het Steenzicht en Het Zicht te Den Haag. Met het besluit van 6juni 2023 heeft het college de door vergunninghoudster gevraagde omgevingsvergunning verleend. Met liet bestreden besluit van 1 8 december 2023 op de bezwaren van verzoeksters is het college bij dit besluit gebleven. Verzoeksters hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 1 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoeksters, vergezeld door A. van der Toom, de gemachtigde van het college vergezeld door M.C. van der Poel-Blik en P. Birnage, namens vergunninghoudster F. Rigutto. E. Fleers, F. Brinkman-Markx en B. Verstijnen en namens belanghebbende M. Edens, A. Mooij en D. Boidin.

zaaknummers: SGR 24/6 en SGR 24/46

2

Totstandkoming van het besluit Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het 2. bouwen van twee woongebouwen met 220 woningen en twee stallingsgarages. Dit bouwplan is voorzien ter plaatse van de inmiddels gesloopte woningen aan het Steenzicht 16 tot en met 32 en Het Zicht 2 tot en met 37 in Den Haag en maakt deel uit van een bredere gebiedsontwikkeling van Den 1-laag Zuidwest. Het bouwplan omvat 117 sociale huurwoningen en 103 woningen die bestemd zijn voor middenhuur. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “het 2. 1. bouwen van een bouwwerk” en “het handelen in strijd met de regels van een bestemmingsplan” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het college is daarbij op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wabo afgeweken van het bestemmingsplan. Met het bestreden besluit heeft het college het besluit van 6juni 2023, conform het 2.2. advies van de adviescommissie bezwaarschriften, onder aanvulling van de motivering in stand gelaten. Beoordeling door de voorzieningenrechter Het oordeel van de voorzien ingenrechter heft een voorlopig karakter en bindt de 3. rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden.

Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend véér het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a. van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk v66r dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 11 november 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo nog van toepassing is. Vergunninghoudster en belanghebbende hebben zich op het standpunt gesteld dat 5. verzoeksters geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit en dat de verzoeken reeds daarom moeten worden afgewezen. Uit de statuten van verzoekster 1 blijkt dat zij zich onder meer ten doel stelt om 5.1. primair binnen de wijken Bouwlust en Vrederust de verbetering van het woon- en leefmilieu te stimuleren en de leefbaarheid, een gezond leefmilieu, voorzieningen en verkeer en openbaar vervoer te behouden en te bevorderen. Verzoekster 2 heeft blijkens haar statuten tot doel het behoud, de versterking en de reconstructie van het gewaardeerd stadsgezicht in het algemeen en dat van Den Haag in het bijzonder.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter valt het vergunde bouwplan binnen deze statutaire doelstellingen en hebben verzoeksters door het overleggen van nadere stukken en door hun ter zitting gegeven toelichting voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij feitelijke werkzaamheden verrichten waarmee zij hun doelstellingen trachten te verwezenlijken. Daarmee worden verzoeksters

zaaknummers: SGR 24/6 en SGR 24/46

3

door het bestreden besluit naar voorlopig oordeel rechtstreeks getroffen in een belang dat zij krachtens hun statutaire doelstelling en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Zij zijn daarmee belanghebbenden bij het bestreden besluit. Gebleken is dat de bouwwerkzaamheden in september 2023 zijn gestart en 6. momenteel in volle gang zijn. Aangezien het voortzetten van de bouwwerkzaamheden leidt tot voltooiing van het bouwplan en daarmee gevolgen heeft die bezwaarlijk nog ongedaan te maken zijn, acht de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang aanwezig. 7.

In de omgevingsvergunning staat dat het bouwplan voldoet aan het destijds geldende bestemmingsplan “Steenzicht en Ruimzicht”, met uitzondering van een aantal bouwdelen die de voorgeschreven bouwhoogte met maximaal 60 centimeter overschrijden. Het college heeft deze overschrijding van de toegestane bouwhoogte met toepassing van artikel 10.1, aanhef en onder a, van de planregels toegestaan, omdat de overschrijding marginaal is en geen nadelige invloed heeft op de ruimtelijke belevingswaarde van de gebouwen in deze stedelijke context. In het bestreden besluit is hieraan toegevoegd samengevat weergegeven dat de overschrijding van de maximale bouwhoogte geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de privacy’, het uitzicht en het woongenot van omwonenden en de door hen ervaren schaduwoverlast. —

—

—

—

Bij uitspraak van 20 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4777) heeft de 8. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het bestemmingsplan “Steenzicht en Ruimzicht” vernietigd. 9. Verzoeksters hebben verzocht om schorsing van het bestreden besluit en het primaire besluit. Zij voeren in de kern aan dat deze besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid en onvoldoende zijn gemotiveerd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling over bestemmingsplan “Steenzicht en Ruimzicht” voeren zij aan dat het bouwplan op diverse onderdelen niet voldoet aan de hieraan te stellen eisen. Daarnaast voelen verzoeksters zich onvoldoende betrokken in de procedure die tot het verlenen van de omgevingsvergunning heeft geleid. 10. Het college, vergunninghoudster en belanghebbende hebben afwijzing van de verzoeken bepleit. Zij stellen zich op het standpunt dat de vernietiging van het bestemmingsplan “Steenzicht en Ruimzicht” niet hoeft te leiden tot het oordeel dat ook de verleende omgevingsvergunning geen stand kan houden. Zij wijzen erop dat ten aanzien van de geconstateerde gebreken in het bestemmingsplan “Steenzicht en Ruimzicht”, voor zover nodig, herstelpogingen zijn of zullen worden ondernomen. Daarmee kan volgens hen het ontbreken van een toereikende planologische grondslag voor de verleende omgevingsvergunning worden gerepareerd.

Het college heeft in overweging gegeven om bij wijze van voorlopige voorziening enkele concrete voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de zorgen van verzoeksters met betrekking tot het bouwplan. 10. 1. De voorzieningenrechter overweegt dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in deze zaken meerdere (rechts)vragen voorliggen die zich niet lenen voor beantwoording in een voorlopige voorzieningprocedure. Dat geldt met name voor de vraag of de vernietiging van het bestemmingsplan “Steenzicht en Ruimzicht” in dit geval tot het oordeel moet leiden dat aan de verleende omgevingsvergunning een onherstelbaar

zaaknummers: SGR 24/6 en SGR 24/46

4

gebrek kleeft. Beantwoording van die vraag vergt een nadere beoordeling die zal moeten plaatsvinden in de bodemprocedures. Dit betekent dat de voorzieningenrechter in deze procedure geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel zal geven en dat het oordeel in deze zaken louter zal berusten op een afweging van de betrokken belangen. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeksters die pleiten véér het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college en vergunninghoudster die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeksters als volgt. De kern van het betoog van verzoeksters is dat het bouwplan op een aantal 1 0.2. onderdelen niet voldoet en daarmee niet bijdraagt aan de gewenste ontwikkeling van en leefbaarheid in Den Haag Zuidwest. 1-let gaat hierbij onder meer om de aspecten groen, parkeren. stikstof, de toegankelijkheid van de binnentuinen, sociale veiligheid, het oppervlak van de woningen, de waterberging en de breedte van het straatprofiel. Verzoeksters wensen dat de bouwwerkzaamheden daarom worden stilgelegd tot na de uitspraak in de bodemprocedures. Daartegenover staan de belangen van vergunninghoudster, belanghebbende en het college die er in de kern in zijn gelegen dat de bouwwerkzaamheden kunnen worden voortgezet zodat het bouwplan tijdig kan worden opgeleverd. 10.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen van het college, vergunninghoudster en belanghebbende bij voortzetting van de bouwwerkzaamheden in dit geval zwaarder wegen dan het belang van verzoeksters. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in overweging dat het bouwplan voorziet in een aanzienlijk aantal (sociale) huurwoningen, waaraan in Den Haag een grote behoefte bestaat. Een deel van deze woningen is bovendien bestemd voor mensen die woonden in de woningen die ten behoeve van het bouwplan zijn gesloopt. Het stilleggen van de bouwwerkzaamheden zou betekenen dat zij aanzienlijk langer moeten wachten op hun nieuwe woning. Verder hebben vergunninghoudster en belanghebbende onbetwist naar voren gebracht dat het staken van de bouwwerkzaamheden tot grote financiële schade zou leiden en mogelijk ook gevolgen zal hebben voor de realisatie van andere bouwplannen die in de omgeving zijn voorzien ten behoeve van de beoogde herontwikkeling van Den Haag Zuidwest. Verzoeksters hebben ter zitting bevestigd dat zij zich niet principieel verzetten tegen woningbouw op deze locatie, maar dat zij om uiteenlopende redenen bezwaren hebben tegen dit project. De gronden die zij hebben aangevoerd zien in essentie op uitvoeringsaspecten van het bouwplan.

Die gronden leveren naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet een zodanig zwaarwegend belang op dat zij het geheel stilleggen van de bouwwerkzaamheden rechtvaardigen. Met betrekking tot het aspect parkeren komt daar nog bij dat de vermeende parkeerhinder zich niet tijdens de bouwfase zal voordoen maar pas na oplevering en ingebruikname van het bouwplan. De conclusie is daarom dat niet gebleken is van dermate zwaarwegende belangen 11. aan de zijde van verzoeksters dat de bouwwerkzaamheden nu moeten worden gestaakt. Conclusie en gevolgen 1 2. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat de bouwwerkzaamheden mogen doorgaan. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

zaaknummers: SGR 24/6 en SGR 24/46

5

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 maart2024.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

1 .ÇMRÏ ZOZ

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13944049/1