RIS318069 Bijlage Afvalproject Den Haag feb 2024
Tekst van het document
ACHTER AFVAL
(werktitel)
Een onderzoek naar de achterliggende oorzaken van afvaloverlast in Den Haag
Door Erasmus Governance Design Studio (EGDS) Erasmus Universiteit Rotterdam, Department of Public Administration & Sociology Februari 2024
AANLEIDING Waarom is het niet schoon op straat? Afvalplaatsing in de openbare ruimte is een hardnekkig stedelijk probleem dat vele gezichten kent (Merkelbach, Dewies & Denktas, 2021). Veel interventies hebben slechts tijdelijk effect, werken alleen in wijken met hoge sociale cohesie, of lijken zich meer te richten op het bestrijden van symptomen dan op het wegnemen van oorzaken. Rond die oorzaken leven ook tal van beelden en aannames, maar de vraag is in hoeverre die op feiten zijn gestoeld. De gemeente Den Haag doet al veel om te werken aan een schone stad en een schone stoep, maar deze inspanningen sorteren nog onvoldoende effect. Dit baseren we mede op het gesprek dat we voerden met vertegenwoordigers van de gemeente Den Haag, waarin wordt verwezen naar het onderzoek ‘Schoon op papier’ van de Haagse rekenkamer. De gemeente zoekt een meer fundamentele bezinning op het vraagstuk van een schone stad en zoekt naar meer inzicht in de dieperliggende oorzaken van afvaloverlast. In de collegebrief van wethouder Mulder van 18 november 2022 wordt dit omschreven als het eerste spoor, waarbij wordt gesteld: “Om deze dieperliggende oorzaken vast te stellen en de aanbeveling vanuit het rekenkamerrapport op te volgen om onze aanpak hierop te baseren, is onderzoek nodig.
Dit onderzoek zou een brede scope moeten hebben; het moet zich niet alleen richten op de directe oorzaken van vervuiling en het afvalgedrag, maar het moet in samenhang worden bekeken met overbewoning, woonomstandigheden en (slecht) verhuurderschap.”
In dit onderzoeksvoorstel stellen we een aanpak voor om inzicht te krijgen afvaloverlast in Den Haag en concrete aangrijpingspunten te ontwerpen voor actie. Door middel van actieonderzoek krijgen we meer inzicht in de onderliggende oorzaken van afvaloverlast. We gebruiken een wetenschappelijke vernieuwende combinatie van kwalitatief onderzoek waarbij we de lens van ‘social practice theory’ gebruiken voor een holistische kijk op dit vraagstuk, en ontwerpend onderzoek om de waardevolle input van gebruikers mee te kunnen nemen in de onderzoeksresultaten. Dit tezamen geeft vernieuwende wetenschappelijke inzichten over afvaloverlast, maar ook over deze combinatie van ontwerpende onderzoeksmethoden. Deze inzichten worden gespiegeld aan internationale contexten en wetenschappelijk gepubliceerd.
ONS VOORSTEL De onderzoeksaanpak die wij voorstellen bestaat uit een drietrapsraket, waarbij we starten met een vooronderzoek, vervolgens een meer gerichte en verdiepende onderzoeksfase ingaan en afsluiten met een vooruitblikkende fase waarin we de inzichten vertalen naar aanknopingspunten voor actie. In alle drie de fasen is er ruimte voor iteratief, reflecterend en ontwerpend denken.
1. Analyse en afbakening van het probleem (verkennende fase) De eerste fase is een vooronderzoek waarbij we de scope van het onderzoek scherper afbakenen. We doen dit vooronderzoek op basis van gesprekken met de betrokken organisaties en ambtenaren van de gemeente Den Haag, interviews met wetenschappelijke en lokale deskundigen, burgers in de betreffende wijken – ofwel ervaringsdeskundigen (met een focus op de plekken waar veel overlast is van afval), en een verkennend literatuuronderzoek. Ook trekken we op met relevante organisaties zoals Stichting Managing Public Space (MPS. In deze fase krijgen we een beeld van de meest
belangrijke interpretaties en aannames over de problematiek. In deze fase bepalen we samen de beste manier om onderliggende oorzaken van vuil op straat te achterhalen. Wat zijn de mechanismen die we moeten kennen om het probleem daadwerkelijk aan te pakken, en hoe gaan we die onderzoeken? We ronden deze fase af met een rondetafelgesprek met deskundigen waarin we feedback vragen op de richting voor fase 2. Bovendien plannen we tijdige afstemming met het projectteam van de gemeente Den Haag en een werkbespreking voor leden van de gemeenteraad. De feedback verwerken we in een bondig onderzoeksvoorstel, wat we ter goedkeuring voorleggen aan het projectteam van de gemeente.
2. Analyse van oorzaken en mechanismen (verdiepende fase) Op basis van de scope die we bepaald hebben in de verkennende fase, organiseren we het verdiepende onderzoek van fase 2. We zetten een mix van onderzoekstechnieken in. In deze fase organiseren we twee keer een presentatie aan de gemeente Den Haag en een rondetafelgesprek met (andere) deskundigen om de tussentijdse resultaten te valideren. We ronden deze fase af met een de rapportage van de onderzoeksbevindingen, en een voorstel voor fase 3. Theoretische lens: kijk verder dan gedrag van de individu Het doel van dit onderzoek is om inzicht te krijgen in de dieperliggende oorzaken van vervuiling en de samenhang met andere problemen. Ook zal gewerkt worden aan inzicht in de mate waarin vervuiling als probleem wordt ervaren door inwoners van de betreffende wijken, en welke sociale, culturele, economische of materiele structuren en mechanismen hieraan ten grondslag liggen. Hiervoor kiezen we een holistische aanpak: we kijken naar bestaande sociale praktijken in hun context om zo meer zicht te krijgen op het grotere plaatje en de wijze waarop verschillende elementen samenhangen. Social Practice Theory is een theoretische lens die zeer geschikt is voor deze problematiek, omdat de focus niet ligt op individueel gedrag, maar op de manier hoe bepaalde actuele routinematige handelingen volgen uit historisch gevormde patronen.
De volgende elementen geven vorm aan hoe een sociale praktijk tot uitdrukking komt: middelen, competenties en betekenis (Watson, Pantzar & Shove, 2012). Ook leefomgeving valt onder de ‘middelen’ waartoe bepaalde groepen mensen beschikken. Het onderzoeken van deze elementen in hun sociale context geeft meer inzicht in de aard van gedrag rondom afval-plaatsing in een publieke setting (Perry, Juhlin & Normark, 2010). Deze inzichten kunnen vervolgens worden gebruikt om door middel van actieonderzoek mogelijke samenwerkingen, eigenaarschap en gedeelde verantwoordelijkheid te verkennen.
De drie elementen binnen een sociale praktijk: Middelen, betekenis en competenties
Methoden In de tweede fase gebruiken we een mix van kwalitatieve methoden om inzicht krijgen in sociale praktijken die zich verhouden tot afval in de publieke ruimte. Dit kan door middel van observaties, informele straatinterviews, diepte-interviews en eventueel ook focusgroepen met betrokken partijen en inwoners. Wij denken hierbij bijvoorbeeld aan ‘mental mapping’ exercities om dieperliggende oorzaken van vervuilding te visualiseren en samen in kaart te brengen. Door middel van participatief actie-onderzoek krijgen we een beter beeld van de belevingswereld van burgers en de omstandigheden die leiden tot bepaalde routines, en is er ook directe maatschappelijke impact. De keuze voor de in te zetten onderzoeksmethoden zal worden bepaald naar aanleiding van het vooronderzoek van fase 1. In het onderzoeksontwerp bepalen we ook samen met de gemeente de beste eenheid van analyse (wijk, straat, huishoudens) en de partners die we nodig hebben voor deze fase. 3. Vertaling naar aangrijpingspunten voor actie (ontwerpende fase) In de derde fase vertalen we de inzichten uit het verdiepend onderzoek door naar concrete aanknopingspunten voor actie. We organiseren een aantal (co-)ontwerpsessies die bedoeld zijn om te interveniëren in de belangrijkste mechanismen die we in het verdiepend onderzoek hebben blootgelegd.
De vorm van deze sessies wordt nader bepaald naar aanleiding van de uitkomsten en inzichten van fase 2. Afhankelijk van de wensen en behoeften houden we dit beperkt tot een eerste inventarisatie van kansrijke denkrichtingen, of werken we prototypes uit tot concrete interventies die de gemeente direct kan toepassen. Dit doen we bij voorkeur samen met verschillende belanghebbenden. Door middel van actiegericht (co-)ontwerpend onderzoek verkrijgen we beter inzicht in onderliggende sociale aspecten waarmee men rekening moet houden bij een effectief en legitiem afvalbeheer (Gutberlet, 2015). Deze manier van werken richt zich op het maken van zoveel mogelijk impact, het maakt dat de oplossing breed wordt gedragen onder de verschillende stakeholders omdat zij onderdeel zijn van het produceren van die oplossing. Daarbij helpt een sociale-praktijken-lens om de achterliggende oorzaken van vervuiling aan te pakken. De EGDS heeft expliciet ervaring met research-by-design en co-design van interventies in sociale praktijken.
Planning Om de gemeente de mogelijkheid te bieden om mee te denken in de ontwikkeling van het onderzoek, organiseren we deze in drie fasen. De eerste fase duurt ongeveer drie tot vier maanden. De exacte opzet en de planning van fase 2 en 3 hangen af van de gekozen scope en het ambitieniveau van de gemeente. Wij denken op dit moment dat een half jaar realistisch is voor het verdiepende onderzoek in fase 2, en 4-6 maanden voor de laatste fase. Voor het schrijven van de wetenschappelijke publicatie hebben we in deze planning 1 jaar. De reviewprocedure duurt daarna vaak nog een aantal maanden. Het is dus waarschijnlijk dat de wetenschappelijke publicatie pas plaatsvindt na de afronding van het project. De onderzoekers zullen ook hun eigen onderzoekstijd besteden aan het tot stand brengen van deze publicatie. Dit is een inkind bijdrage van de universiteit.
Databeheer Onderzoekers van de Erasmus School of Social and Behavioural Sciences (ESSB) van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) zijn gebonden aan de beginselen van databeheer als beschreven in de Research Data Management (RDM) policy of the Erasmus University Rotterdam. Deze standaarden houden in dat data zal bewaard worden op beveiligde cloud-opslag van de Erasmus Universiteit Roterdam (EUR), waar het gedurende de uitvoer van het project alleen toegankelijk is voor betrokken onderzoekers met multi-factor authentication. Geïnterviewde worden volledig geïnformeerd over de verwerking van hun gegevens en krijgen een pseudoniem toegekend. De contactgegevens van de deelnemers worden apart van de gegeven antwoorden opgeslagen. Opnames worden kort na het interview in de beveiligde cloud-opslag van de EUR geplaatst en verwijderd van de opname apparatuur. Voorafgaand aan analyse worden de opnames getranscribeerd. Voor iedere set van gegevens wordt bekeken wie voor hoe lang toegang tot de gegevens nodig heeft. Toegang wordt beheerd door de hoofdonderzoeker. In samenspraak met de facultaire Research Data Steward en Privacy Officer zullen nadere adequate maatregelen worden genomen ter anonimisering of pseudonimisering en voor veilige en goed gedocumenteerde dataopslag.
Na afloop zal de data voor een periode van 10 of 20 jaar (in afstemming met de opdrachtgever) bewaard worden in het digitale archief van de EUR (EUR Yoda Vault; htps://www.eur.nl/en/data-archiving-eur-yoda-vault). Geanonimiseerde data kunnen worden overgedragen aan WODC. Overigens zullen de onderzoekers ook een verplichte ethische toetsing van het uiteindelijke onderzoeksplan binnen hun faculteit doorlopen. Ethische toetsing Al het onderzoek wat aan de Erasmus School of Social and Behavioural Sciences (ESSB) van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) plaatsvindt wordt onderworpen aan een ethische toetsing. Het onderzoeksvoorstel met de uitwerking daarvan is dus altijd onder voorbehoud van goedkeuring van de ethische commissie.
Referenties Gutberlet, J. (2015). More inclusive and cleaner cities with waste management co-production: Insights from participatory epistemologies and methods. Habitat International, 46, 234-243. Merkelbach, I., Dewies, M., & Denktas, S. (2021). Committing to keep clean: nudging complements standard policy measures to reduce illegal urban garbage disposal in a neighborhood with high levels of social cohesion. Frontiers in Psychology, 12, 660410. Perry, M., Juhlin, O., & Normark, D. (2010). Laying waste together: The shared creation and disposal of refuse in a social context. Space and Culture, 13(1), 75-94. Watson, M., Pantzar, M., & Shove, E. (2012). The dynamics of social practice: Everyday life and how it changes. The dynamics of social practice, 1-208.