CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS317810 Natuurkwaliteit Westduinpark bijlage 1

Commissie Leefomgeving 6 maart 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Vervolg debat 20/02: Debat over het Strand9.169 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Advies over de Natuurdoelanalyse Westduinpark & Wapendal, provincie Zuid-Holland

9 januari 2024

1. Het advies van de Ecologische Autoriteit De provincie Zuid-Holland heeft een natuurdoelanalyse (NDA) opgesteld voor het Natura 2000-gebied Westduinpark en Wapendal. De NDA moet duidelijk maken of de bestaande en geplande maatregelen voldoende zijn voor het halen van de doelen voor het in stand houden van de beschermde natuur, of dat aanvullende maatregelen nodig zijn. Ook moet blijken of wordt voldaan aan het verbod dat de beschermde natuur niet mag verslechteren. De provincie Zuid-Holland heeft de Ecologische Autoriteit (EA) gevraagd te toetsen of de NDA een goede kennisbasis vormt voor de maatregelen die in het gebiedsprogramma worden opgenomen.

In dit advies: •

De NDA stelt dat het oppervlak en kwaliteit van meerdere habitattypen vermoedelijk is afgenomen1. De natuur in Westduinpark en Wapendal is dus waarschijnlijk verslechterd en verdere verslechtering is niet uitgesloten2. Uit de NDA valt niet af te leiden of met de bestaande en geplande maatregelen de doelen worden gehaald. Omdat waarschijnlijk al verslechtering is opgetreden, is het niet toegestaan om te wachten met het treffen van maatregelen totdat (verdere) verslechtering optreedt.3

•

Maatregelen die snel genomen moeten worden zijn het verder verminderen van de stikstofbelasting van het systeem, voortzetten en plaatselijk intensiveren van het natuurbeheer (en het extensiveren van het strandbeheer), maar ook niet uitgevoerde maatregelen alsnog uitvoeren zoals lokaal dennenbos verwijderen en recreatiedruk (verder) reguleren.

•

De referentiesituatie en de huidige kwaliteit van de natuur moeten beter in beeld worden gebracht. Daarnaast moeten de doelen voor verbetering van natuur in Westduinpark en Wapendal meer concreet gemaakt worden.

•

De natuur in het gebied moet robuuster worden. Bijvoorbeeld door kansen te benutten bij bestaande initiatieven, zoals de plannen voor de Haagse Beek en Nationaal Park Hollandse Duinen.

Het Natura 2000 gebied Westduinpark & Wapendal is gelegen aan de westzijde van Den Haag. Het Westduinpark ligt op een oude strandwal4 die zich vroeger uitstrekte van Monster tot aan de voormalige monding van de Oude Rijn bij Katwijk aan Zee. Toenemende verstedelijking heeft Westduinpark en de Bosjes van Poot inmiddels fysiek gescheiden van de duinen bij Wassenaar en de duinen ten zuiden van Kijkduin. Vanwege de ligging pal naast de bebouwing van Den Haag en Kijkduin, speelt het Westduinpark een belangrijke rol in het opvangen van lokale en regionale recreatiebehoeften. Het meer landinwaarts gelegen Wapendal is een restant van een oude, ontkalkte strandwal. Deze grensde vroeger aan een laaggelegen vochtige strandvlakte (wapel). Hier lieten boeren uit de omgeving hun schapen grazen. Dit heeft, in combinatie met de kalkarme bodem, geleid tot een gebied met duingrasland, duinheide en brem- en gaspeldoornstruweel. In het centrale, laaggelegen deel is ook een klein loofbos ontstaan. Het gebied ligt gescheiden van het Westduinpark en is nu geheel omsloten door wegen en bebouwing en afgesloten voor bezoekers. De aan de Ecologische Autoriteit voorgelegde NDA is opgesteld 14 maart 2022, dus vóór het

1

2

3 4

In de NDA wordt, op basis van de gegevens die beschikbaar zijn, aangegeven dat in Westduinpark en Wapendal de oppervlakte van het habitattype Grijze Duinen (kalkrijk) vermoedelijk is afgenomen. Voor dit habitattype, maar ook bij een aantal andere habitattypen, te weten Grijze duinen (kalkarm), Duinheiden met struikheide en Duinbossen is daarnaast naar verwachting de kwaliteit afgenomen. In de NDA is het volgende opgemerkt: de uitvoering van herstelmaatregelen heeft voor een deel van de habitattypen in eerste instantie gezorgd voor een afname in oppervlak omdat de aanwezige kalkrijke duinen deels zijn afgeplagd (zie bladzijde 59). Zie paragraaf 3 van de interpretation guide Natura 2000-beheer en dit arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie: C-418/04. Een strandwal is een door de branding opgeworpen, boven het zeeniveau liggende, zandbank.

1

beschikbaar komen van de ‘Handreiking natuurdoelanalyses’. Nadien heeft de provincie aanvullende informatie over beheer en monitoring verzameld, maar die informatie is niet betrokken in dit advies.

Wat staat in de natuurdoelanalyse Westduinpark en Wapendal? De NDA geeft een overzicht van de Natura 2000-doelen voor Westduinpark en Wapendal en bevat een uitgebreide historische analyse van het duingebied5. De NDA bevat een op onderdelen verbeterde en geactualiseerde systeemanalyse, gebaseerd op de analyse die eerder voor het Beheerplan6 voor dit gebied is uitgevoerd. Ze geeft een beeld van de actuele problemen waar het gebied mee kampt en een aanzet voor mogelijke oplossingen. Tenslotte worden er conclusies getrokken over de haalbaarheid van de doelen voor het gebied. De NDA hanteert daarbij als uitgangspunt dat de stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitattypen en leefgebieden onder de kritische depositie waarde (KDW) zal dalen. De NDA geeft verder aan dat er, ondanks extra gegevens, nog steeds data ontbreken en er daarmee onzekerheid bestaat over de synthese en conclusies. Aangezien er geen goed beeld is van de huidige situatie is het niet mogelijk om trends te bepalen. Een nieuwe kartering moet inzicht geven in de werkelijke toestand en ontwikkeling van oppervlakten en kwaliteit. Op basis daarvan is pas een goed beeld te vormen van eventuele opgaven en kunnen hier ook de benodigde aanvullende maatregelen uit voortvloeien.

In de NDA worden als belangrijkste risico’s genoemd het gebrek aan winddynamiek, overbelasting door stikstofdepositie en de toenemende invloed van invasieve exoten. De NDA stelt dat om op langere termijn verslechtering te voorkomen en de instandhoudingsdoelen te halen, aanvullende (systeem)maatregelen nodig zijn. Met name dynamiek van wind is daarvoor essentieel. Ook moet volgens de NDA de stikstofdepositie naar beneden.

Wat vindt de Ecologische Autoriteit van de analyse en de conclusies? De NDA Westduinpark en Wapendal bevat veel informatie, met een compacte samenvatting en overzichtelijke tabellen. De NDA heeft een logisch opgebouwde structuur. De NDA geeft op hoofdlijnen een goed inzicht in de instandhoudingsdoelen, de gewenste omgevingscondities om deze doelen te realiseren en een analyse en beoordeling van de drukfactoren. De NDA constateert tegelijkertijd dat er belangrijke kennistekorten zijn en dat daardoor een analyse van een deel van de natuurdoelen bemoeilijkt wordt. Het kennistekort, zowel vegetatiekundig als abiotisch, leidt ook tot een gebrek aan inzicht in het functioneren van het landschapsecologisch systeem als geheel. De Ecologische Autoriteit deelt de conclusie dat gebrek aan dynamiek, stikstofdepositie en invloed van exoten de belangrijke drukfactoren zijn. De (hoge) recreatiedruk wordt in de NDA ook genoemd als een knelpunt, maar is verder niet uitgebreid beschreven. De drukfactor verstedelijking en connectiviteit komt helemaal niet aan bod, maar is volgens de Ecologische Autoriteit wel van toepassing. Het Westduinpark ligt namelijk aan de noord-, zuid- en oostzijde ingeklemd tussen woonwijken waardoor geen verbinding aanwezig is met andere duingebieden. Wapendal is zelfs volledig omsloten door bebouwing. Uitgevoerde en geplande maatregelen zijn beschreven in de NDA.

De NDA stelt dat het oppervlak en kwaliteit van meerdere habitattypen is afgenomen. Het is daardoor waarschijnlijk dat de natuur in Westduinpark en Wapendal verslechterd is. Verdere verslechtering is niet uitgesloten en aanvullende maatregelen zijn nodig. Deze zijn in de NDA opgenomen, maar de focus van deze aanvullende maatregelen ligt in eerste instantie voor een groot deel op aanvullend onderzoek. Het complete pakket aan benodigde maatregelen is hierdoor niet voldoende in beeld, waardoor onvoldoende zekerheid is of de doelen behaald worden. Informatie over de (actuele) depositie van stikstof op het gebied is buiten beschouwing gelaten. Als uitgangspunt voor de effectiviteit van maatregelen wordt in de NDA gesteld dat er een daling van stikstofdepositie zal optreden tot onder de KDW. Het is echter onzeker of de reductie van stikstofdepositie in 2030 of 2035 ook echter behaald gaat worden. Het hanteren van het gestelde uitgangspunt heeft tot gevolg dat een goed beeld

5 6

Bestaande uit een landschapsecologische systeemanalyse van het gebied inclusief beschrijving van de historische ontwikkeling. Beheerplan bijzondere natuurwaarden Westduinpark en Wapendal, Sweco, 2018.

2

van de opgave ontbreekt, net als een eenduidig beeld van de op te lossen knelpunten. Het is daarom zinvol om ook de situatie in beeld te brengen, dat alle maatregelen getroffen worden maar dat stikstofmaatregelen onvoldoende of niet tijdig effect sorteren. De Ecologische Autoriteit adviseert de NDA te verbeteren op de volgende punten: • Referentiesituatie. De NDA verwijst voor de referentiesituatie naar de T0+ (Tnulplus), die de situatie weergeeft van 2010 (en latere jaren). De referentie is echter het jaar waarin het gebied is aangemeld, te weten 2004. Verder ontbreekt een T1 kaart met de huidige situatie, hiervoor wordt eveneens de T0+ gebruikt. Hierdoor kan niet goed bepaald worden of de doelen gehaald worden, via trends, maar is ook niet met zekerheid te zeggen of voor habitattypen het verslechteringsverbod wordt overtreden. • Instandhoudingsdoelen. In de NDA zijn de uitbreidingsdoelen met een theoretische exercitie gekwantificeerd. Verbeterdoelen zijn niet gekwantificeerd. De gebruikte methode kent onzekerheden en het is bovendien niet duidelijk wat de (bestuurlijke) status van deze gekwantificeerde doelen is. • Inzicht in landschapsecologisch systeem. De NDA bevat een uitgebreide landschapsecologische systeemanalyse en gaat in op recente ontwikkelingen in het natuurgebied.

Hieruit blijkt op hoofdlijnen welke ecologische condities nodig zijn om de instandhoudingsdoelen te bereiken. De analyse van de huidige natuurkwaliteit is echter onvoldoende onderbouwd. Gebruikte gegevens en analysemethoden moeten uitgebreider worden beschreven en worden aangevuld met meetgegevens van de abiotische parameters. Daardoor kunnen de gevolgen van stikstofdepositie, versnippering en recreatie beter worden beoordeeld en ontstaat er meer inzicht in mogelijke herstelmaatregelen. • Effectiviteit maatregelen. De NDA beschrijft dat maatregelen uit het Beheerplan uit 2018 zijn of worden uitgevoerd, maar de resultaten van de maatregelen, en dus de effectiviteit, zijn niet in beeld. Deze informatie is nodig om te bepalen of de doelen worden gehaald en in hoeverre (verdere) verslechtering wordt voorkomen. • Onderbouwing en aanpassing conclusies. Vanwege onvoldoende inzicht in de huidige natuurkwaliteit en in de effectiviteit van de maatregelen is het niet goed mogelijk conclusies te trekken over het halen van doelen. • Connectiviteit verbeteren. In de omgeving van het gebied zijn verschillende initiatieven om de natuur te verbeteren, waaronder de inrichting van de Haagse Beek als ecologische zone. Daarnaast is Westduinpark onderdeel van het Nationaal Park Hollandse Duinen.

Daar waar kansen liggen voor het versterken van de robuustheid in en rondom het Natura 2000 gebied moet aangesloten worden bij de ambities en de uitvoering van beide initiatieven. • Kennisprogramma. Neem een paragraaf op over gewenste kennisthema’s, waarin het benodigde onderzoek dat uit bovenstaande punten voortvloeit, wordt voorzien van een bestuurlijk verantwoordelijke, een budget en een planning. De resultaten kunnen vervolgens vertaald worden in een maatregelenpakket. Neem hierbij, naast monitoring, ook voor zover aanwezig gebiedskennis van bijvoorbeeld de beheerders mee en zorg hierbij voor een goede (beleidsmatige) borging. In de NDA wordt gesteld dat het oppervlak en kwaliteit van meerdere habitattypen vermoedelijk is afgenomen7. De Ecologische Autoriteit constateert dat daarmee het waarschijnlijk is dat de natuur in Westduinpark en Wapendal is verslechterd. Bovendien is verdere verslechtering niet uitgesloten en valt uit de NDA niet af te leiden of met de bestaande en geplande maatregelen de doelen worden gehaald. Het is wettelijk niet toegestaan om te wachten met het treffen van maatregelen totdat (verdere) verslechtering optreedt. De richting voor nieuwe maatregelen in de NDA geeft onvoldoende zekerheid dat de Natura 2000-doelen in het gebiedsprogramma worden gehaald.

Het aanvullen van de NDA, met name met inzicht in de referentiesituatie en de huidige kwaliteit en oppervlakte van de habitattypen is daarom noodzakelijk. Dan kan worden bepaald hoe groot de problemen zijn en welke (extra) maatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat doelen worden gehaald.

7

In de NDA is het volgende opgemerkt: de uitvoering van herstelmaatregelen heeft voor een deel van de habitattypen in eerste instantie gezorgd voor een afname in oppervlak omdat de aanwezige kalkrijke duinen deels zijn afgeplagd (zie bladzijde 59).

3

Welke maatregelen moeten snel worden genomen? Een aantal knelpunten voor het halen van de doelen in het gebied is duidelijk en het uitstellen van deze maatregelen kan een (verdere) verslechtering tot gevolg hebben en zal het halen van doelen bemoeilijken. Het is daarom aan te raden om de maatregelen waarvan nu al zeker is dat ze nodig zijn, en waarvan de ecologische risico’s gering tot nihil zijn, zo snel mogelijk uit te voeren. Dit geldt vooral voor: • Verlagen van de stikstofdepositie door bronaanpak. De relevante stikstofbronnen moeten daarom zo snel mogelijk in beeld worden gebracht. Totdat de stikstofdepositie verlaagd wordt, blijven de negatieve effecten toenemen, waardoor maatregelen steeds minder effectief zijn en de natuur zal verslechteren. De NDA benoemt stikstofdepositie als knelpunt, maar onderbouwt dit verder niet. De effecten op de natuur zijn cumulatief, dit is in het gebied Westduinpark en Wapendal onder andere te zien aan het verruigen en vergrassen van duinvegetaties. Deze processen leiden tot een lagere diversiteit van flora en fauna. • Het onverminderd voortzetten (en plaatselijk intensiveren) van het huidige natuurbeheer. Dat is nodig om aanwezige natuurwaarden te behouden.

Het gaat hier onder meer om maaien en afvoeren, zowel intensief als extensief, exotenbeheer waaronder Japanse Duizendknoop en andere gebiedsvreemde soorten, en stimuleren dynamiek in de zeereep door creëren stuifkuilen. Monitor hierbij ook effecten op onder meer bodemleven en andere natuurwaarden. Daarnaast moeten het natuurbeheer in het Westduinpark en het intensieve strandbeheer beter op elkaar afgestemd worden. Het extensiveren van het strandbeheer – in elk geval in bepaalde seizoenen en/of lokaal - kan een positieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling van embryonale duinen. Laat bij keuze van locaties en intensiteit beheer ook het behoud van bijzondere groeiplaatsen meewegen, zoals jeneverbes (binnen het habitattype Duinheide met struikheide). • Lokaal verwijderen van naaldbos. In de NDA wordt voor het duincomplex “de Plak” het verwijderen van naaldbos als maatregel genoemd. Ook bij de bosjes van Poot wordt dit als optie genoemd. De Ecologische Autoriteit ondersteunt deze maatregel en adviseert deze zo snel mogelijk uit te voeren. • Recreatiedruk verminderen. Aangezien recreatie als knelpunt wordt gezien, is het aan te bevelen om hier zo snel mogelijk maatregelen voor te treffen.

Dit kan door (strikt) vast te houden aan of verder te intensiveren van het huidige recreatiebeleid, waarbij ook handhaving van het verbod op buiten de paden lopen, aanlijngebod honden en opruimplicht hondenontlasting noodzakelijk is.

Waarom een natuurdoelanalyse? Het Rijk ziet dat de kwaliteit van natuur onder druk staat, onder meer als gevolg van intensief gebruik van land en water, emissies van stikstof en klimaatverandering. Met de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (WSN) en het bijbehorende verbeterprogramma8 wil Nederland die negatieve trend keren. In die regelgeving is ook vastgelegd dat per Natura 2000-gebied een zogenoemde natuurdoelanalyse (NDA) moet worden gemaakt. Daarin moet blijken wat de actuele natuurkwaliteit is, welke knelpunten (‘drukfactoren’) er zijn en hoe de natuurdoelen voor dat gebied kunnen worden behaald. Een NDA biedt op zijn beurt input voor een gebiedsprogramma waarin wordt opgenomen welke maatregelen9 daadwerkelijk genomen zullen worden. Waarom een advies van de Ecologische Autoriteit? De provincie Zuid-Holland heeft de NDA Westduinpark en Wapendal voorgelegd aan de Ecologische Autoriteit. De Ecologische Autoriteit toetst of in de NDA alle essentiële ecologische informatie werd betrokken waarmee het bevoegd gezag later goed onderbouwde besluiten kan nemen over onder meer gebiedsplannen en

8

9

Het programma Stikstofreductie en Natuurverbetering. https://www.rvo.nl/sites/default/files/2022-05/Ontwerpprogramma-Stikstofreductie-en-Natuurverbetering.pdf. Het programma Stikstofreductie en Natuurverbetering geeft invulling aan de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (WSN). In deze wet is vastgelegd dat de stikstofdepositie omlaag gebracht moet worden en de natuur verbeterd moet worden om de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitattypen en soorten (alsnog) te realiseren. Zie voor de reikwijdte van deze maatregelen de interpretation guide Natura 2000-beheer, lid 2.4, hieruit: ‘De instandhoudingsmaatregelen kunnen de vorm aannemen van "passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen" en "zo nodig" de vorm van "passende beheersplannen".’ https://ec.europa.eu/environment/nature/natura2000/management/docs/art6/Provisions_Art_6_nov_2018_nl.pdf.

4

gebiedsprogramma’s.10 In de bijlage bij dit advies staan de werkwijze, samenstelling van de werkgroep en andere projectgegevens. De projectstukken die bij het advies zijn gebruikt zijn te vinden door nummer 5013 op www.ecologischeautoriteit.nl in te vullen in het zoekvak.

Leeswijzer bij het vervolg van dit advies Hoofdstuk 2 bevat, per onderdeel van de NDA, hoe bovenstaand advies uitwerkt. In hoofdstuk 3 staan adviezen van de Ecologische Autoriteit voor het provinciale gebiedsprogramma.

Figuur 1: Ligging en begrenzing Natura 2000 gebied Westduinpark en Wapendal (Bron: NDA)

10

Zie het instellingsbesluit: stcrt-2022-24607.pdf (officielebekendmakingen.nl).

5

2. Toelichting op het advies per onderdeel NDA In dit hoofdstuk licht de Ecologische Autoriteit haar oordeel toe, in de volgorde van de NDA. Daar waar de Ecologische Autoriteit vindt dat informatie aangevuld moet worden, is dit opgenomen in een tekstkader. Deze ecologische informatie is essentieel om het belang van beschermde natuur volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming over Westduinpark en Wapendal door de provincie Zuid-Holland.

2.1 Algemene opmerkingen over vorm en navolgbaarheid De NDA Westduinpark en Wapendal is gepubliceerd op 22 maart 2022. Tijdens het opstellen van de NDA waren de ‘Handreiking natuurdoelanalyses’, het advies van de Ecologische Autoriteit daarover, en ook het document ‘Ondersteuning beoordeling herstelstrategieën’ nog niet beschikbaar. Desondanks sluit de NDA qua opbouw op hoofdlijnen hier goed bij aan, wat volgens de Ecologische Autoriteit een compliment waard is. De Ecologische Autoriteit vindt de NDA in grote lijnen goed leesbaar en navolgbaar. De samenvatting is compact en voorzien van goede overzichtstabellen. Daarnaast is de beschrijving van maatregelen en wat nader onderzocht moet worden duidelijk. De inbreng en inzichten van terreinbeheerders zijn verwerkt in de NDA’s. Op verschillende plekken verwijst de NDA naar het Methodiekendocument 11. Het Methodiekendocument is door de provincie Zuid-Holland opgesteld om te helpen bij een ‘consistente, heldere, navolgbare en transparante uitvoering van de doelanalyses in de verschillende Natura 2000-gebieden’. Het document beschrijft de verschillende stappen die de provincie heeft doorlopen om tot een NDA te komen. De Ecologische Autoriteit heeft voor dit advies kennisgenomen van het Methodiekendocument.

Ze wijst erop dat voor elk gebied duidelijk en navolgbaar moet zijn welke gegevens op welke wijze geanalyseerd zijn en hoe hieruit conclusies zijn afgeleid. De Ecologische Autoriteit geeft in dit advies geen oordeel over (de kwaliteit van) het Methodiekendocument en richt zich uitsluitend op de NDA.

2.2 Referentie en instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelen vormen de basis voor de op te stellen gebiedsprogramma’s en moeten zoveel mogelijk SMART12 geformuleerd worden om het doelbereik van uitgevoerde en geplande maatregelen goed te kunnen beoordelen. SMART-geformuleerde doelen zorgen ervoor dat de provincie Zuid-Holland weet waar ze in het gebiedsprogramma op moet sturen, en hoe ze dat kan doen. In het Aanwijzingsbesluit zijn de instandhoudingsdoelen geformuleerd in kwalitatieve termen van ‘behoud’ of ‘uitbreiding’ van oppervlakte en ‘behoud’ of ‘verbetering’ van kwaliteit. Om te kunnen bepalen of deze doelen gehaald gaan worden moet duidelijk zijn wat op het moment van aanmelding de staat van de natuur was, de T 0 en wat de huidige staat is, de T1. In het onderstaande kader wordt dit nader toegelicht. De referentie en de betekenis daarvan voor de doelen De referentiesituatie is formeel het moment van aanmelden van het gebied als Habitatrichtlijngebied bij de Europese Commissie. 13 Dit referentiemoment is belangrijk om te kunnen bepalen hoe het Natura 2000-gebied ervoor staat. Daarom is het van belang voor dit moment van aanmelding zo goed mogelijk een zogenaamde T0 te bepalen.

11 12 13

Methodieken doelenanalyses Provincie Zuid-Holland. De Boer et al., 2020. SMART staat voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden. Voor de doelen die later, met een wijzigingsbesluit, zijn toegevoegd (of verwijderd), is de situatie zoals beschreven in dit wijzigingsbesluit de referentie, en niet het moment van aanmelden van het gebied. Voor vogelrichtlijn-doelen is het moment van aanwijzen de referentie.

6

•

Voor het verslechteringsverbod is de T0 de referentie; ten opzicht hiervan kan bepaald worden of al verslechtering is opgetreden. Trends in het natuurgebied, zowel op het gebied van de ontwikkeling van planten (oppervlakte en kwaliteit) en dieren, maar ook abiotische trends kunnen een maatstaf zijn voor verslechtering.

•

Bij een behouddoelstelling valt het doel samen met de referentie, de T0. De T0 maakt het dan mogelijk de behoudsdoelstelling SMART te maken.

•

Voor een verbeterdoelstelling (kwaliteit) dan wel uitbreidingsdoelstelling (oppervlakte) is de T0 niet het doel, maar moet ten opzichte van de T0 een verbetering of uitbreiding worden gerealiseerd.

Gebruik van de juiste gegevens voor referentie en huidige situatie In paragraaf 4.1. stelt de NDA dat de referentiesituatie14 (T0) voor het gebied Westduinpark en Wapendal niet meer te reconstrueren is. Daarom wordt de referentiesituatie verder niet behandeld in de NDA15. Hierdoor is er geen uitspraak te doen over de staat van de natuur op de referentiedatum. Daardoor is het trekken van conclusies over het halen van de behoudsdoelstelling, maar ook of er verslechtering is opgetreden, niet goed mogelijk. Ook biedt dit geen duidelijk vertrekpunt voor de verbeterings- en uitbreidingsdoelen (zie volgende paragraaf). Dit leidt ertoe dat, ook al is de systeemkennis van het gebied weliswaar voldoende is, de omvang van de opgave niet inzichtelijk is. De Ecologische Autoriteit merkt overigens op dat voor het tot stand brengen van duurzaam systeemherstel ook omstandigheden nodig kunnen zijn die afwijken van de referentiedatum, bijvoorbeeld omdat op de referentiedata al verslechtering van abiotische condities had plaatsgevonden. Een goed beeld van de abiotische randvoorwaarden, die nodig zijn om de doelen te halen, en hoe dit zich verhoudt tot de huidige situatie in het gebied is daarom ook essentiële informatie voor een NDA. In de NDA wordt aangegeven dat er geen actuele vegetatie- en habitatkartering beschikbaar is die de huidige situatie T1 weergeeft.

In plaats daarvan is gebruik gemaakt van een “T0+”kaart (Tnulplus) die de situatie weergeeft rond 2010 en waarin actualisaties t/m 2016 zijn verwerkt. De natuurkwaliteit in de huidige situatie is ingeschat op basis van overwegend indirecte (a)biotische indicatoren. De NDA schat in dat voor het grootste deel van de habitattypen sprake is van een opgave voor kwaliteitsverbetering. Voor de beoordeling van abiotische randvoorwaarden is in de NDA echter gebruik gemaakt van een gering aantal metingen met een zeer beperkt aantal parameters. Het is daardoor niet bekend hoe representatief de resultaten uit deze metingen zijn en wat dit betekent voor de aannames m.b.t. de relatie tussen abiotiek en vegetatie. Ook is bij een aantal habitattypen niet bekend in welke mate deze zich ontwikkeld hebben door herstelmaatregelen. Hierdoor is niet goed vast te stellen wat de aard en omvang is van de opgave om de gunstige staat van instandhouding te behalen ten aanzien van habitatkwaliteit. Vul de NDA aan met een schatting van arealen en kwaliteit van habitattypen ten tijde van de aanmelding van het gebied als Natura 2000 gebied. Dit kan gebeuren op basis van historische bronnen en kennis van (voormalige) gebiedsbeheerders. Maak zo een reconstructie van de referentiesituatie en daarmee inzicht in de opgave.

Als alternatief kan ervoor gekozen worden om een bestaande vegetatiekartering uit een nabijgelegen jaar te gebruiken (zonder schattingen, maar op basis van daadwerkelijk gekarteerde arealen). Voor bepaling van de huidige situatie T1 is het advies om de kartering die beschikbaar komt in 2024 te gebruiken om een zo actueel mogelijk beeld te verkrijgen.

Werk verbeter- en uitbreidingsdoelstellingen uit Voor uitbreidingsdoelstellingen is het van groot belang dat deze zo goed mogelijk gekwantificeerd worden en opgenomen in hoofdstuk 2 van de NDA. Voor een aantal habitattypen kunnen deze worden ontleend aan het

14 15

Jaar van aanmelding van het gebied Westduinpark en Wapendal op de communautaire lijst: 2004. In de NDA wordt in dit verband verwezen naar Methodiekendocument.

7

Natura 2000-Beheerplan uit 201816, voor enkele andere17 moeten deze nog worden uitgewerkt. Zie voor meer informatie onderstaand kader. Gebiedspecifieke doelen moeten nog concreter, landelijke doelen komen er nog bij De huidige doelen van het gebied kennen naast behoudsdoelstellingen ook verbeter- en uitbreidingsdoelstellingen. Het realiseren hiervan is dan ook nodig voor het behalen van de doelen van het gebied én de landelijke gunstige staat van instandhouding. Voor het behalen van de gunstige landelijke staat van instandhouding, zijn de Natura 2000-gebieden uiteraard van groot belang; zij bevatten ongeveer de helft van de soorten en habitattypen die hiervoor nodig zijn. Echter, nog niet alle soorten en habitattypen hebben al een goede plek in Nederland gekregen. Sommige zullen niet (alleen) binnen Natura 2000-gebieden gerealiseerd moeten worden. Andere doelen moeten nog toegevoegd worden aan gebieden. Op dit moment werkt LNV aan de doorvertaling van wat dit concreet betekent voor de gebieden. Daardoor zijn mogelijk nog verdergaande uitbreidingsdoelen nog niet bekend. Dit betekent dat voor dit gebied zowel de ‘eigen’ verbeter-/uitbreidingsdoelen nog verder ingevuld moeten worden en dat hier op termijn mogelijk nog landelijke doelen bij komen. De oppervlaktes van de aangewezen habitattypen in de T0+ zijn beschreven in de NDA en doelen zijn gekwantificeerd.

Op basis van WUR-publicatie is een theoretisch gebiedsdoel afgeleid uit de landelijke instandhoudingsdoelen. Het theoretische gebiedsdoel wordt gebruikt als hulpmiddel om te bepalen wanneer de doelen (specifiek voor oppervlakten) bereikt worden. De resultaten zijn in een overzichtstabel samengevat, waarmee de doelen (Td) in beeld zijn gebracht. Uit de NDA blijkt echter niet goed hoe dit proces plaatsvond en wat de bestuurlijke status van deze theoretische doelen is. Daardoor is niet duidelijk hoe betrouwbaar ze zijn bij vervolgbesluitvorming en voor het gebiedsprogramma. Verbeterdoelstellingen moeten worden uitgewerkt met abiotische kenmerken van deelgebieden. Daarvoor zijn inzicht in de referentiesituatie, de huidige situatie, historische gegevens, de ecologische potentie van het gebied en de trends van belang. De Ecologische Autoriteit adviseert daarom om, naast de uitbreidingsdoelen-, ook doelstellingen voor het verbeteren van kwaliteit van habitattypen SMART te maken. Doe dit op basis van de potenties van het gebied, met de (indicatie van) plaats18 (waar), tijd (wanneer) en de omvang/gewenste kwaliteit. Maak daarbij gebruik van de gereconstrueerde referentie T0 en de binnenkort beschikbare huidige situatie T1.

Gebruik inzichten uit de systeemanalyse (zie 2.3 van dit advies) en historische gegevens over de potenties van het gebied voor verdere ontwikkeling en kwaliteitsverbetering van habitattypen.

2.3 Inzicht in het landschapsecologische systeem en drukfactoren Actueel inzicht in het landschapsecologische systeem is noodzakelijk Inzicht in het landschapsecologische systeem is de basis van de analyse van de huidige natuurkwaliteit en oppervlakte en van oorzaken van het niet realiseren van doelen, inzicht in gewenste condities, beoordeling van drukfactoren en het bepalen van aanvullende maatregelen. De systeemanalyse in de NDA beschrijft achtereenvolgens de ontstaansgeschiedenis, het klimaat, de geologie en geomorfologie, de hydrologie, de bodem, de vegetatie, de fauna en (de invloed van) de mens van het gebied. Deze landschapscomponenten tezamen bepalen in welke mate het duingebied functioneert. Deze analyse is een verdere uitwerking en actualisering van het Beheerplan.

16 17 18

Zie paragraaf 6.2 van het Natura 2000-beheerplan. Te weten de habitattypen H2120, H2190C en H3260A. In een dynamisch gebied als Westduinpark en Wapendal is het niet altijd mogelijk een precieze locatie aan te duiden. Bijvoorbeeld door de verwijdering van dennen kan de oppervlakte van grijze duinen worden uitgebreid. Vooraf is niet precies te zeggen waar die duinen zullen ontstaan.

8

Uit de systeemanalyse in NDA komen onderstaande knelpunten en drukfactoren naar voren: • gebrek aan dynamiek in het duinlandschap; • optreden van vermesting en verzuring (door stikstofdepositie); • (interne) versnippering en isolatie van habitattypen; • aanwezigheid (en uitbreiding) van exoten; • recreatiedruk. De NDA moet duidelijk maken hoe groot het gebied is waar deze drukfactoren invloed hebben op de kwalificerende habitats binnen de begrenzing. Dit bepaalt namelijk ook waar mogelijkheden zijn om de kwaliteit te verbeteren. De omvang van dit gebied kan per aspect verschillend zijn. De analyse voor Westduinpark en Wapendal richt zich vooral op het gebied zelf. De invloed van de situatie buiten de begrenzing, zoals de binnenduinrand krijgt te weinig aandacht. Denk bijvoorbeeld aan de invloed van al aanwezige bebouwing in de binnenduinrand op de hydrologische situatie in het gebied (ontwatering, grondwater). Het kaartmateriaal in de NDA laat zien dat er nog veel “grijze” gebieden zijn, waarover door gebrek aan gegevens geen of slechts beperkt uitspraken mogelijk zijn over het ecologisch functioneren. Door de landschapstypen en abiotische landschapskenmerken (zoals dynamiek, hoogte, kalk- en vochtgehalte) te combineren met de abiotische eisen van habitattypen is een zogenoemde landschapskaart gemaakt.

Het landschap is hierop ingedeeld in zeven zones die elk (potentieel) geschikt zijn voor één of meerdere habitattypen of soorten. De Ecologische Autoriteit ziet een dergelijke kaart als een goed hulpmiddel bij het bepalen van potenties en maatregelen. De NDA concludeert dat als de vegetatie op orde is dat dan de abiotiek ook goed is (onder andere op pagina 98) en omgekeerd. De Ecologische Autoriteit constateert dat de systeemanalyse gebaseerd is op een beperkte dataset en dat er wezenlijke leemtes in kennis zijn, en ook een groot gebrek aan meetgegevens (zowel ten aanzien van vegetatie als abiotische situatie).

Beoordeling drukfactoren In de NDA worden drukfactoren (knelpunten) benoemd in zowel de samenvattende tabel 4-52 als (meer in detail) in de tabellen met maatregelen in hoofdstuk 5. De Ecologische Autoriteit constateert dat het relatieve belang van de knelpunten voor de verschillende habitattypen niet navolgbaar in de NDA terugkomt. Een voorbeeld hiervan is het habitattype Witte duinen, waar in tabel 4-52 wordt gesproken over verstruweling met duindoorn en rimpelroos als knelpunt, terwijl in tabel 5-2 ook recreatie, strandbeheer, gebrek aan dynamiek en gering oppervlak als knelpunten worden benoemd. Gebrek aan verstuivingsdynamiek Een voorwaarde voor een hoge soortenrijkdom is de aanwezigheid van veel diversiteit in milieuomstandigheden, zoals nat-droog en begroeid-onbegroeid. Daarvan is sprake als er veel reliëf en dynamiek is, waarbij natuurlijke processen vrij spel hebben. Volgens de NDA kunnen karakteristieke duinvormingsprocessen vanaf het strand, zoals de vorming van mobiele duinen, niet meer plaatsvinden door de hoge en gesloten dijkvormige zeereep. Ook vastlegging van verstuivende delen in zeereep, zeeduin en middenduin, door aanplant van onder andere helm en naaldbossen, heeft tot verminderde dynamiek geleid. Daardoor vindt minder overstuiving van (kalkrijk) zand plaats, wat vooral nadelig is voor pioniervegetaties en grijze duinen.

Het gebrek aan verstuivingsdynamiek wordt genoemd als drukfactor/knelpunt, maar door eerdergenoemde inconsistenties is niet geheel navolgbaar voor welke habitattypen dit nu daadwerkelijk aan de orde is. De Ecologische Autoriteit onderschrijft dat de winddynamiek sinds het einde van de 19de eeuw is afgenomen. In de afgelopen jaren zijn er echter succesvolle maatregelen genomen om de winddynamiek terug te brengen in het gebied, er is onder andere naaldbos verwijderd en er zijn stuifkuilen gereactiveerd. Uit de NDA komt onvoldoende naar voren wat deze ingrepen hebben bijgedragen aan het verhogen van de winddynamiek. Dit neemt niet weg dat op veel plaatsen verstuivingsdynamiek nog steeds beperkt is. De aanwezigheid van dennenbos op relatief korte afstand van zee waardoor verstuivingsdynamiek in het midden- en binnenduin 9

wordt afgeremd verdient bijvoorbeeld aandacht. Ook wordt in de NDA genoemd dat aan de zeezijde in de zonering de embryonale duinen ontbreken als gevolg van intensief strandbeheer. Hierbij wordt het opgestoven zand bij strandbebouwing en opgangen verwijderd en weggeveegd, en de stranden schoongemaakt met beachcleaners, waarbij ook vloedmerkvegetatie19 wordt verwijderd. Onderbouw in de NDA bij welke habitattypen het gebrek aan verstuivingsdynamiek een drukfactor is. Beschrijf ook de effecten en daarmee de bijdrage van de maatregelen die zijn uitgevoerd om windynamiek te verhogen. Ga ook in op de relatie tussen het intensieve strandbeheer en gevolg voor ontwikkeling van duinen.

Stikstof De NDA gaat niet of slechts beperkt in op stikstof(depositie). Daaruit blijkt dat er voor sommige habitattypen een overschrijding is van de Kritische depositiewaarde (KDW). In de huidige situatie zijn er negatieve effecten te zien in de vegetatie die samen (kunnen) hangen met stikstofdepositie, zoals vermesting en verzuring. Dit kan veroorzaakt worden door accumulatie van stikstof in de bodemorganische stof gedurende de afgelopen decennia. Er is geen onderbouwing opgenomen die ingaat op de werkelijke stikstofdepositie op het gebied en de effecten hiervan, en ook de samenhang met overige drukfactoren. Ook de invloed die een voortdurende hoge stikstofdepositie heeft op de effectiviteit van maatregelen wordt niet beschreven en of hier rekening mee moet worden gehouden bij het uitwerken van aanvullende maatregelen. Het is bijvoorbeeld relevant om te weten wat de (belangrijke) bronnen van stikstof zijn. De Ecologische Autoriteit geeft hierbij nog mee dat er recent een aanpassing is gedaan van KRW, zie het kader voor meer informatie.

Aanpassing van de kritische depositiewaarden Onlangs zijn de kritische depositiewaarden (KDW) voor de verschillende habitattypen en leefgebieden van soorten op basis van nieuwe wetenschappelijk onderzoek nader ingevuld.20 Dit is verwerkt in de nieuwe versie van AERIUS Monitor (5 oktober 2023), samen met onder andere de nieuwe cijfers over de totale stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Deze nieuwe waarden waren op het moment van opstellen van de NDA nog niet beschikbaar. Toch zijn deze relevant voor de opgave voor dit gebied. De Ecologische Autoriteit beveelt daarom sterk aan in een aanvulling op de NDA aan te geven of de KDW’s voor dit gebied zijn aangepast. Geef aan wat dit betekent voor de opgave voor dit gebied.21 Omdat AERIUS jaarlijks wordt aangepast, is het nodig om de cijfers ook in toekomstige versies van de NDA actueel te houden. Over stikstof wordt de aanname gedaan dat de depositie daalt onder de KDW en daarbij wordt terecht benoemd dat het halen van deze stikstofdoelen onzeker is. Er is nog geen zicht op daadwerkelijke borging van stikstofpakketten die moeten gaan leiden tot een reducering. Het hanteren van het gestelde uitgangspunt heeft tot gevolg dat een goed beeld van de opgave ontbreekt, net als een eenduidig beeld van de op te lossen knelpunten.

Voor de NDA is het daarom belangrijk dat in beeld is wat de gevolgen zijn voor de effectiviteit van maatregelen en haalbaarheid van de doelen als de stikstofreductie in 2030 of 2035 niet gehaald wordt. Vul de NDA aan met een gedegen onderbouwing van de invloed van stikstof en de mate waarop dit een drukfactor is voor dit gebied. Betrek bij deze onderbouwing het voorkomen van indicatorsoorten voor verzuring en/of vermesting, de huidige staat van de habitattypen en historische gegevens over typische soorten en de bodemgesteldheid. Zie ook paragraaf 3.2 van dit advies over de relatie met het stikstofspoor met het oog op de besluitvorming over de gebiedsprogramma’s.

19 20 21

Vegetatie die zich spontaan vestigt en zand vasthoudt waardoor langzaam een duin ontwikkelt: Embryonale duinen. Wamelink et al, 2023. https://research.wur.nl/en/publications/overzicht-van-kritische-depositiewaarden-voor-stikstof-toegepast-. In het gebied kunnen specifieke omstandigheden aan de orde zijn die zorgen dat ondanks een overschrijding van de KDW, toch een goede kwaliteit aanwezig kan zijn. Let op bij de vaststelling van de KDW voor het type natuur, niet al met deze omstandigheden is rekening gehouden; deze omstandigheden mogen dan namelijk niet nogmaals meegenomen worden voor het gebied.

10

Invloed van menselijke activiteiten (recreatie) In de NDA zijn menselijke activiteiten genoemd als een drukfactor, vooral in de vorm van recreatie, onder andere voor de habitattypen Grijze duinen (kalkrijk) en Binnenduinrandbossen. Gebieden met overgangen tussen open duin en duingrasland ontwikkelen nauwelijks door intensieve betreding. Grenzen tussen open gebied en bos worden daardoor veel scherper en de bodemvorming wordt beperkt. Effecten van recreatiedruk zijn volgens de NDA het meest van invloed in deelgebieden Bosjes van Poot, maar ook voor Natte Pan, de Plak en Radio Scheveningen. Verder wordt genoemd dat de hoge recreatiedruk leidt tot mogelijke verstoring van typische vogelsoorten van open duingrasland. In sommige situaties kan een (hoge) recreatiedruk overigens juist gunstig werken op ontwikkeling van specifieke natuurwaarden, door bijvoorbeeld het openhouden van delen van gebieden waardoor dynamiek kan toenemen bij o.a. zandverstuivingen/ stuifkuilen. Uit de NDA wordt niet duidelijk in hoeverre recreatie als drukfactor gevolgen heeft voor de haalbaarheid van instandhoudingsdoelen voor de habitattypen die hierdoor beïnvloed worden. Wel is aangegeven dat recreatiedruk beperkt moet worden, waarbij maatregelen als parkeerplaatsen uitplaatsen en betreding beperken worden genoemd. Deze zijn echter niet SMART geformuleerd.

Ook wordt onvoldoende de relatie gelegd tussen enerzijds het strand en beheer en inrichting aldaar (onder andere beachcleaning, de vele strandslagen, en de bereikbaarheid daarvan, incl. fietsenstallingen) en het halen van de instandhoudingsdoelen anderzijds. Geef in de NDA aan wat de gevolgen zijn van de hoge recreatiedruk en in welke opzichten deze mogelijk kunnen leiden tot het niet behalen van instandhoudingsdoelen. Benoem ook de situaties waarin recreatie (betreding) juist gewenst is. Beschrijf vervolgens de maatregelen die kunnen bijdragen aan reguleren van de recreatiedruk en op welke wijze deze recreatiemaatregelen behoud van natuurwaarden niet in de weg staan of daar zelfs aan kunnen bijdragen.

Klimaatverandering Klimaatverandering als drukfactor óp het gebied komt bijna niet aan bod, terwijl dit, ook voor de toekomst, wel een belangrijke rol speelt in het dynamische duinsysteem. Denk aan verandering in windrichting en -kracht, de verspreiding van exoten en de invloed van langdurige droogte op de grondwaterstanden en het optreden van kwel, maar ook invloed van hogere bodemtemperatuur, waardoor biologische processen in de bodem sneller kunnen gaan verlopen met gevolgen voor effecten als verzuring en toe/afname voedselrijkdom. Klimaatverandering betekent dat in de toekomst arealen van soorten en habitattypen kunnen opschuiven van zuid naar noord, of dat populaties kunnen toe- of afnemen. Dit kan zowel betekenen dat Westduinpark en Wapendal minder geschikt worden voor bepaalde doelen (onder andere habitattypen met struikheide), maar ook dat dit gebied een grotere bijdrage kan leveren aan het landelijke doel voor andere soorten en habitattypen. Geef in de NDA een beschouwing over de mogelijkheden voor dergelijke veranderingen in (leefgebieden van) soorten en habitattypen. Beschrijf ook in hoeverre habitattypen bestand zijn tegen de effecten van droogte, langdurige regenval en hogere temperaturen en wat er aanvullend nodig is om de robuustheid en veerkracht van het systeem te vergroten. Ga tenslotte in op wat de mogelijke toekomstige claims op het gebied kunnen betekenen.

Invasieve exoten De NDA noemt invasieve exoten als drukfactor voor vrijwel alle habitattypen. In de NDA worden per habitattype de verschillende invasieve exoten genoemd die een knelpunt vormen. Uit de NDA blijkt echter niet wat de omvang van het probleem is, terwijl uit gesprekken met de beheerder dit wel naar voren kwam en ook tijdens het veldbezoek bij een aantal habitattypen duidelijk zichtbaar was. Amerikaanse vogelkers is aanwezig in de Duinbossen, rimpelroos is verspreid over het gehele Natura 2000 gebied te vinden en lokaal komt ook Japanse duizendknoop op.

11

Om de omvang van dit probleem beter in beeld te krijgen zijn recente karteringen van de verschillende invasieve exoten nodig. Gebruik deze karteringen vervolgens voor de prioritering van maatregelen en de planning daarvan.

Bodem De ontwikkeling van bodemparameters als organische stofgehalte, aanwezigheid voedingstoffen (N, P), zuurgraad, zuurgraad en gehalte aan kationen, maar ook de staat (aan/afwezigheid) van het bodemleven speelt mogelijk een belangrijke rol bij het ontstaan van negatieve effecten van stikstofdepositie. Het is een sleutelfactor bij het nemen van de juiste maatregelen om negatieve effecten tegen te gaan en het (lokale) ecosysteem duurzaam te herstellen. Ruimtelijk gezien kunnen op kleine schaal relatief grote verschillen aanwezig zijn in de bodemontwikkeling die medebepalend kunnen zijn voor een goede analyse van knelpunten. In de NDA wordt aangegeven dat er vrijwel geen gegevens beschikbaar zijn van relevante abiotische kenmerken, waardoor een vlakdekkend beeld van de bodemkwaliteit ontbreekt. Abiotische kenmerken worden in plaats daarvan afgeleid uit vegetatie, waarbij wordt aangenomen dat als de vegetatie op orde is de abiotiek dat ook is en vice versa. Dit is echter een aanname die slechts een indicatie geeft en bovendien ook niet altijd op gaat en is daarom onvoldoende om als basis te dienen voor de volgende stappen (zoals beoordeling van genomen en te nemen maatregelen). Beschrijf in de NDA de ontwikkeling van de bodem in ieder geval in termen van organische stofgehalte, stikstofgehalte, fosfaatgehalte, zuurgraad en gehalte aan kationen.

Maak deze leemten in kennis onderdeel van het kennisprogramma.

Connectiviteit en oprukkende verstedelijking Versnippering van gebieden en daarmee isolatie van populaties wordt in de NDA niet genoemd als knelpunt. Gezien de ligging van Westduinpark en Wapendal, ingeklemd in stedelijk gebied van Den Haag, is dit zeer waarschijnlijk wel het geval. Aan de oostzijde van Westduinpark zijn woonwijken gelegen en aan de noordzijde de Scheveningse Haven, het deelgebied Wapendal is zelfs geheel omsloten door bebouwing. In de NDA wordt niet ingegaan op de mogelijke gevolgen van (toekomstige) stedelijke ontwikkelingen in de context van connectiviteit en wat dit betekent voor de haalbaarheid van instandhoudingsdoelen. Door oprukkende verstedelijking (o.a. in Kijkduin) is niet uit te sluiten dat Westduinpark verder geïsoleerd raakt. Het Natura 2000 gebied maakt onderdeel uit van Nationaal Park Hollandse Duinen. Daarnaast werkt de Gemeente Den Haag aan connectiviteit van onder meer de Haagse Beek als ecologische structuur, waar kansen liggen voor het realiseren van verbindingen met de duingebieden. In de NDA wordt niet verder ingegaan op zowel de functie die het gebied heeft (of kan hebben) binnen het Nationaal Park, als de kansen die de Haagse Beek kan bieden. Benoem in de NDA de mogelijkheden om natuurgebieden te verbinden via het realiseren van verbindingen.

Geef ook aan welke functie/rol Westduinpark heeft (en kan hebben) binnen de context van het Nationaal Park Hollandse Duinen. En welke potenties er in de verschillende gebieden aanwezig zijn voor het realiseren van instandhoudingsdoelen, en ook op het gebied van recreatiezonering.

2.4 Bestaande maatregelen en verwacht effect bestaande zekere maatregelen In paragraaf 5.2 van de NDA wordt zeer beperkt ingegaan op maatregelen die in de Westduinpark en Wapendal zijn uitgevoerd of zijn gepland (in het kader van het beheerplan). Er is geen omschrijving van de uitgevoerde maatregelen en het onderscheid met “mogelijke” maatregelen (zoals per habitattype omschreven in paragraaf 5.4) is niet altijd even duidelijk. De Ecologische Autoriteit kan uit de NDA niet duidelijk afleiden in hoeverre er ook gebruik is gemaakt van informatie van beheerders over de effectiviteit van maatregelen. Hierdoor is niet duidelijk in welke mate de resultaten van de maatregelen worden gemonitord en geëvalueerd, en als dit het geval is, wat daaruit geconcludeerd is/ kan worden over de effectiviteit van de betreffende maatregelen. Hierdoor is eveneens niet te herleiden of maatregelen elkaar onderling versterken, hinderen of zelfs uitsluiten. 12

Beschrijf in de NDA alle bestaande en geplande maatregelen. Doe dat zo, dat per drukfactor duidelijk wordt hoe de invloed wordt verminderd of opgeheven (geborgd en gepland). Maak de maatregelen zo SMART mogelijk en beschrijf, waar mogelijk, de effectiviteit. Maak de locatie van de uitgevoerde en geplande maatregelen (beter) inzichtelijk op kaart. Gebruik deze kaart voor een ruimtelijke analyse waarbij de locaties van maatregelen in verband worden gebracht met locaties waar sprake is van onvoldoende doelrealisatie en met de aard hiervan (zie paragraaf 2.3). Geef per maatregel aan of sprake is van een systeemherstelmaatregel of een overlevings(patroon)maatregel. De informatie over de effectiviteit van maatregelen kan als onderbouwing dienen voor de conclusies in de NDA en komt hiermee beschikbaar als onderlegger voor de afwegingen die moeten worden gemaakt in het gebiedsproces. Maatregelen kunnen soms (onverwacht) negatief uitpakken voor (andere) natuurwaarden en andere natuurdoelen. De NDA gaat beperkt in op mogelijke ecologische neveneffecten van maatregelen, zoals hoe die maatregelen inwerken op de algehele natuurwaarden. 22 Dit geldt met name voor maatregelen als begrazing, het kappen van bos, en het intensief (elektrisch) bestrijden van Japanse duizendknoop.

De herhaaldelijke elektrische bestrijding van Japanse duizendknoop lijkt effectief te zijn, maar onduidelijk is wat het effect hiervan is op het lokale bodemleven. Begrazing is een succesvolle maatregel tegen vergrassing, maar houdt de achteruitgang van korstmossen en sommige kruiden vaak niet tegen of verergert het zelfs. Ook kan de bodem vertrapt worden bij te hoge graasdruk. De bossen zijn ook leefgebied voor talrijke soorten en daar moet aandacht voor zijn bij de voorgenomen verwijdering van bos. Breng in de NDA in beeld welke neveneffecten elke maatregel kan hebben op de bestaande beschermde en nietbeschermde natuur. Geef bij aanzienlijke negatieve effecten aan hoe deze kunnen worden voorkomen of beperkt. Dat geldt in het bijzonder voor maatregelen die ingrijpen op de bodem; geef in dat geval een grondige onderbouwing van de noodzaak van deze maatregelen, inclusief een analyse van alternatieve maatregelen, en beschrijf ook negatieve effecten van de maatregelen. Dergelijke maatregelen lijken soms op korte termijn soelaas te bieden, maar kunnen op langere termijn zeer negatief uitpakken voor het leven boven en in de bodem en daarmee natuurverbetering en systeemherstel in de weg te staan.

2.5 Synthese en conclusie Oordeel over de conclusies Volgens de handreiking natuurdoelanalyses moet een goede NDA laten zien: 1. of verslechtering is opgetreden en welke maatregelen zijn voorzien om dit terug te draaien; 2. met bestaande en geborgde, geplande maatregelen toekomstige verslechtering kan worden voorkomen; 3. met bestaande en geborgde, geplande maatregelen de doelen duurzaam te realiseren zijn; 4. Welke aanvullende maatregelen nodig zijn voor de situatie onder 1, 2 en 3. De NDA moet dit ook voor de individuele habitattypen en soorten in beeld brengen, waar dat relevant is op verschillende locaties. De NDA moet ook een beeld schetsen van de consequenties van het ontbreken van gegevens voor de keuze voor maatregelen en de mogelijk te trekken conclusies. Ook moet duidelijk onderbouwd worden aangegeven waarom conclusies soms wel degelijk getrokken kunnen worden ondanks het ontbreken van een deel van de gegevens. De Ecologische Autoriteit heeft de volgende kanttekeningen bij de conclusies in tabel 6.1 van de NDA Westduinpark en Wapendal:

22

Ook daarom is het van belang om naast de locatie/het gebied van de ingreep het maatregel effectgebied in beeld te brengen.

13

• Conclusies niet altijd navolgbaar. In de NDA zijn tabellen met maatregelopties opgenomen die wel richting geven, maar onvoldoende zekerheid geven over het behalen van de doelen. De wijze waarop conclusies getrokken worden is niet altijd navolgbaar23. • Onzekerheid stikstofreductie. In de conclusie is bij de stikstofgevoelige habitattypen uitgegaan van de situatie dat de stikstofdepositie dusdanig gereduceerd wordt (2030) dat deze onder de KDW ligt. Deze aanname is onzeker, aangezien er niet op voorhand vanuit kan worden gegaan dat deze reductie ook daadwerkelijk behaald gaat worden. Er dient rekening te worden gehouden met een situatie dat stikstofdepositie hoog blijft (en niet onder de KDW komt). • Onderbouwing maatregelen. De maatregelen die worden genoemd om tot de conclusie ‘ja’ te komen zijn onvoldoende concreet en moeten beter onderbouwd worden. Geef in de NDA aan of de doelen gehaald worden en, los daarvan, of verslechtering heeft opgetreden en verdere verslechtering uit te sluiten is. Geef duidelijk aan wat de reden van het eindoordeel is. Geef vervolgens ook aan welk deel van de aanvullende maatregelen nodig is voor het halen van de doelen.

Richting voor nieuwe maatregelen In de NDA wordt in paragraaf 5.5. een samenvatting gegeven van mogelijke maatregelen en het effect op het doelbereik voor alle habitattypen. Als maatregel voor robuust systeemherstel wordt in het NDA vooral “natuurlijke ontwikkeling” genoemd. Andere, aanvullende maatregelen worden beperkt beschreven en houden verband met toename overstuiving, begrazing, plaggen, terugdringen exoten en recreatiedruk. Als kanttekening moet hierbij worden meegegeven dat deze maatregelen vrij algemeen zijn en niet altijd navolgbaar geformuleerd. Door ook de locatie (in welk deelsysteemgebied) en omvang van de maatregelen te duiden kan een nadere concretisering worden aangebracht (kaarten). De Ecologische Autoriteit ziet aanvullend nog de volgende mogelijke (onderzoeks)maatregelen die de natuurkwaliteit in het Natura 2000 gebied verder kunnen verhogen: • Het realiseren van (extra) kerven24 in de zeereep: Door het maken van kerven kan zand het gebied instuiven. Extra dynamiek zorgt voor verbetering van de kwaliteit van Witte duinen en verjonging van de bodem in aangrenzende Grijze duinen. Doe onderzoek naar geschikte locatie(s) waar dit geen negatieve effecten heeft voor waterveiligheid en de achter de zeereep gelegen habitattypen en functies.

• Potenties vochtige duinvalleien in beeld brengen: Vochtige duinvalleien zijn weliswaar niet aangewezen als habitattype met een instandhoudingsdoelstelling, maar het habitattype is lokaal wel aanwezig in het gebied (met een redelijk tot goede kwaliteit) en is in de NDA ook al wel meegenomen in de ecologische analyse. De EA adviseert om de hydrologische condities en het handelingsperspectief van maatregelen in de omgeving van de huidige standplaatsen verder te onderzoeken. Op basis van dit onderzoek kan de provincie de potentie van verbetering en instandhouding /uitbreiding van het habitat beoordelen (en eventueel ook toekomstige aanwijzing van dit habitattype overwegen). • Kansen benutten voor connectiviteit: Ga na waar kansen liggen om natuur robuuster te maken en recreatie beter te zoneren. Bijvoorbeeld door aan te sluiten bij bestaande initiatieven, zoals de plannen voor de Haagse Beek en Nationaal Park Hollandse Duinen. Per habitattype moet alleen aangegeven worden welke maatregelen voor dat type genomen moeten worden om duidelijk omschreven problemen op te lossen. Deze maatregelen moeten goed beschreven worden, waar mogelijk gekwantificeerd en geprioriteerd en op kaart aangegeven. Werk de concrete maatregelen voor Westduinpark en Wapendal verder uit voor het gebiedsprogramma van de provincie Zuid-Holland.

23

24

Een voorbeeld hier is de conclusie "Ja” voor het habitattype Duinheiden met struikhei. Deze conclusie lijkt te voorbarig, aangezien de kwaliteit overal matig is en er daarnaast nog uitbreiding nodig is met tenminste 1,5 ha. Ook de conclusie “Ja” voor H2130A lijkt te optimistisch, gezien aanwezigheid exoten en onzekere reductie stikstof (en mogelijk ook vanwege onvoldoende dynamiek). Kerven zijn inkepingen in de zeereep, waar doorheen zand vanaf het strand naar de achtergelegen duinen kan stuiven.

14

2.6 Kennisprogramma Westduinpark en Wapendal NDA’s van de eerste cyclus moeten nadrukkelijk gezien worden als de start van een iteratief proces, waarin steeds meer informatie beschikbaar komt en er steeds meer duidelijkheid komt over de te nemen maatregelen. Het gebruik van goed onderbouwde werkhypotheses en duidelijke tussenconclusies zorgt er dan voor dat een deel van de maatregelen uit de NDA’s eerste cyclus wel kan worden onderbouwd en een kwantitatief beeld ontstaat van de effectiviteit van maatregelen. Ondanks het ontbreken van gegevens kunnen sommige conclusies wel degelijk al getrokken worden, bijvoorbeeld omdat de mate van onzekerheid kleiner is dan de grootte van het effect.

Actuele informatie toevoegen Een belangrijk onderdeel van een NDA is het bieden van inzicht in gegevens- en kennishiaten. Er dienen monitoringsprogramma’s gericht op verspreiding, aantallen en standplaatsfactoren opgezet te worden, zo staat in de NDA. Denk daarbij bijvoorbeeld ook aan het vastleggen van uitgevoerd beheer in GIS-systemen. De NDA gaat deels al in op kennishiaten en ontbrekende gegevens, maar een volledig beeld van de benodigde informatie, uitgesplitst naar gebiedsonderdelen, ontbreekt echter nog. Om goed onderbouwd uitspraken te kunnen doen is het noodzakelijk om, naast al genoemde kennisvragen in de NDA, op onderstaande punten nog informatie te verzamelen: • Actuele vegetatie- en habitatkartering (geplande oplevering in 2024). • Vlakdekkende inventarisatie exoten (momenteel zijn alleen de meest kritische in beeld). • Abiotische parameters, daar waar nodig ten behoeve van inzicht verkrijgen in omgevingscondities en effecten van beheer (waaronder exoten bestrijding). • Een vertaling van data/informatie naar trends, ook in relatie tot de kenmerkende dynamiek van het duinsysteem. • Een analyse van toekomstige effecten ten aanzien van klimaatverandering. • Scenario in geval N-depositie niet onder KDW komt.

• Verbeterd inzicht in het recreatieve gebruik en (toekomstige) stedelijke ontwikkelingen in/rond het gebied als drukfactor – in samenhang met beleid en ontwikkelingen in Nationaal Park Hollandse Duinen • Kennis benutten van terreinbeherende organisaties, opzet systematiek/systeem voor (beheergrensoverstijgende) data verzameling (in opdracht van provincie, onder andere door TBO's, maar ook door vrijwilligers) ten behoeve van gebruik in de NDA. Geef aan welk onderzoek of monitoring moet en kan worden ingezet om de maatregelen te volgen en om kennisleemtes op te vullen voor de volgende NDA-cyclus en benoem wie daarvoor verantwoordelijk is en welke planning er is voorzien. Beschrijf wat op nationaal, provinciaal en gebiedsniveau wordt aangepakt. Ga ook in op de manier waarop kennisbeheer plaatsvindt, zoals opslag, eigendomssituatie, gezamenlijke toegang tot data (ophalen en aanleveren), waarbij aandacht is voor de bestuurlijke complexiteit.

15

3. Relatie met het provinciale gebiedsprogramma In dit hoofdstuk wordt uitsluitend de relatie die het NDA heeft met het gebiedsprogramma en waar relevant aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van het gebiedsprogramma nu en in de toekomst, te verbeteren. Dit is geen complete lijst met aanbevelingen, zie hiervoor het advies over de handreiking gebiedsprogramma’s waarin wordt gewezen op het grote belang van samenhang.25

3.1 Relatie instandhoudingsdoelen met andere doelen van het provinciale gebiedsprogramma In de nog op te stellen gebiedsprogramma’s per provincie wordt gestreefd naar een integrale aanpak op de onderwerpen natuur, water en klimaat. De Ecologische Autoriteit merkt in dit verband op dat de NDA nog niet ingaat op hoe de instandhoudingsdoelen voor Westduinpark en Wapendal zich verhouden tot andere doelen. Ecologisch gezien kunnen deze doelen sterk samenhangen, elkaar versterken (denk aan zandsuppleties voor de kust), of elkaar tegenwerken. Ook in het advies over de handreiking gebiedsprogramma’s vraagt de Ecologische Autoriteit aandacht voor de samenhang en prioritering van de doelen. Voor dit gebied gaat het specifiek over de volgende onderwerpen: • Waterkwaliteit en natuur opgenomen in de Kaderrichtlijn Water (KRW). • Realisatie van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). • Kansen voor robuustheid (met verbindingen) binnen Nationaal Park Hollandse Duinen. • Afwegingen tussen de diverse functies en belangen zoals recreatie en natuurbehoud.

3.2 Relatie stikstofspoor De NDA geeft nog een beperkt inzicht in ‘het stikstofspoor’, omdat is gekozen om dit in het gebiedsprogramma pas meer in detail te betrekken. De Ecologische Autoriteit adviseert de informatie voor het provinciale gebiedsprogramma aan te vullen met inzicht in de herkomst van de stikstofbelasting. Geef voor overbelaste, stikstofgevoelige habitattypen, naast de actuele totale stikstofbelasting ook aan wat de bijdrage is van zeer lokale bronnen (binnen bijvoorbeeld 1 km), wat de bijdrage is van regionale bronnen (binnen bijvoorbeeld 3 km) en wat de landelijke achtergronddepositie uit Nederland en het buitenland is. Dit geeft inzicht in de meest effectieve maatregelen om de stikstofdepositie te reduceren.

3.3 Relatie kustpact en verstedelijkingsopgave Specifiek voor de duingebieden geldt dat ook het convenant kustpact 26 van belang is. Hierin worden in elke provincie afspraken vastgelegd over zonering van stranden (o.a. strandhuisjes toegestaan, of natuurstranden zonder strandhuisjes). Omdat Westduinpark en Wapendal ingeklemd zijn tussen zee aan de ene kant en stedelijk gebied aan de andere kant, is er sprake van een scherpe begrenzing en grote ruimtelijke druk. Daarom beveelt de Ecologische Autoriteit aan om ook de relatie met (en de mogelijke impact van) de verstedelijkingsopgave (bijvoorbeeld geplande woningbouw) te betrekken bij het bepalen van het doelbereik in de NDA en het gebiedsprogramma. Ook beveelt de Ecologische Autoriteit aan om de verbinding te zoeken met het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13735662/1