RIS317713 Bijlage Brief zienswijze DH op OPIP en OMER WarmtelinQ Rijswijk Leiden
Tekst van het document
Retouradres: Postbus 12600, 2500 DJ Den Haag
Uw brief van
1-12-2023 College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland Postbus 90602 2509 LP DEN HAAG
Uw kenmerk
PZH-2023-842660195/ DOS-20190003044 Ons kenmerk
DSB/10674149 Contactpersoon
C. Kustermans Dienst
Stadsbeheer Datum
Afdeling
1 februari 2024
Opdrachtgeving Telefoonnummer
14 070
Onderwerp
WarmtelinQ Rijswijk – Leiden: zienswijze Den Haag op het Ontwerp PIP en de Ontwerp MER
E-mailadres
Clenn.kustermans@denhaag.nl
Geacht college van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid Holland, Op 1 december 2023 heeft u een brief gestuurd met kenmerk PZH-2023-842660195-DOS-20190003044 waarin wordt vermeld dat Gedeputeerde Staten op 14 november 2023 het ontwerpinpassingsplan “WarmtelinQ Rijswijk-Leiden en aanlandlocatie” en de MER vastgesteld en vrijgegeven heeft voor de terinzagelegging, samen met de ontwerpbesluiten op de aangevraagde vergunningen in cluster 1. Het Ontwerp Provinciaal inpassingsplan en de Ontwerp milieueffectrapportage inclusief alle bijbehorende onderliggende documenten in het kader van de ruimtelijke inpassing van de warmtetransportleiding WarmtelinQ Rijswijk – Leiden zijn van 8 december 2023 tot en met 18 januari 2024 ter inzage gelegd. Met deze brief maakt Den Haag een zienswijze kenbaar. Op 9 januari 2024 heeft het college reeds een pro forma zienswijze bij u ingediend. Het college verzocht daarin om een verlenging van de periode voor het indienen van de gronden voor de zienswijze van uiterlijk 18 januari 2024 naar uiterlijk 1 februari 2024, zodat de gemeenteraad in de gelegenheid was in te stemmen met de zienswijze. Hartelijk dank voor uw medewerking hierin.
Onze zienswijze gaat over de volgende punten: • Planning van de terinzagelegging tijdens het kerstreces • Keuze voor het voorkeursalternatief voor het tracé • Interferentie met gebiedsontwikkeling Spoorlaankavel, GAVI-kavel en Henri Faasdreef • Geen belemmeringen voor lokale bronnen (inclusief lagere temperatuur bronnen) en coöperatieve initiatieven • Groenbehoud/ecologie • Voorkomen overlast als gevolg van werkzaamheden • Duidelijke informatie en nadeelcompensatie voor ondernemers en bewoners • Formulering van de planregels • Structuur van de MER • Redactionele adviezen
Gemeente Den Haag
Spui 70 Den Haag
Postbus 12600 2500 DJ Den Haag
T 14070 www.denhaag.nl
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB/10674149
Planning van de terinzagelegging tijdens het kerstreces De terinzageleggingstermijn van de stukken is gepland van 8 december 2023 t/m 18 januari 2024. Den Haag waardeert het niet dat de provincie deze zienswijzeperiode zodanig heeft gepland dat het kerstreces erbinnen valt. Dit omdat het bestuurlijk proces om te komen tot een zienswijze nu nog moeilijker wordt. Dit is niet acceptabel voor de gemeente maar ook niet voor bewoners en bedrijven in Den Haag, en voor het betrekken van de gemeenteraad van Den Haag bij het instemmen van de gemeentelijke zienswijze omdat dit onmogelijk vóór het einde van de terinzagelegging, en hierdoor een pro forma zienswijze nodig is. Den Haag zag liever dat op voorhand de terinzageleggingstermijn voor iedereen langer zou zijn dan 6 weken en rekening gehouden werd met een Kerstreces. De keuze voor het voorkeursalternatief voor het tracé Gelet op het collegebesluit (zie RIS314694; 16 maart 2023) heeft het college binnen de voorliggende varianten de volgende voorkeur uitgesproken: • Bundel zo veel mogelijk met de rijksweginfrastructuur A4 en A12 om overlast in verkeer en groen/ecologie in de wijken te verminderen (dus: variant 2b en 2c in Ypenburg en 2d en 2k in Leidschenveen). • Ontzie de GAVI-kavel, zodat het ontwikkelpotentieel behouden blijft (dus: variant 2A in Ypenburg).
• Indien variant 2 in Leidschenveen technisch niet haalbaar blijkt kan er wat betreft het college worden teruggevallen op de Loire-subvariant of op variant 1 (Tiber en Oude Middenweg). In het Ontwerp-PIP (H4; paragraaf 4.2.1.2) wordt het voorkeursalternatief onderbouwd met de volgende uitleg, citaat: ”De tracévariant 2 langs de A4 en de waterkering heeft de voorkeur van de gemeente Den Haag, gelet op groen(behoud), een beschermingszone vanwege de warmteleiding die (toekomstige) gebiedsontwikkelingen kan beperken en tijdelijke (verkeers)overlast die in deze variant minder is voor omwonenden en ondernemers. Bij tracévariant 2 kan de waterveiligheid echter onvoldoende worden geborgd omdat het tracé van de warmteleiding langs het ADO-stadion en de noordkant van het bedrijventerrein Forepark, vervolgens parallel, dat wil zeggen in de lengterichting, in de waterkering van het Hoogheemraadschap van Delfland (HHD) zou komen te liggen. Voor verschuiving van het tracé buiten deze zone is onvoldoende ruimte. Een dergelijke parallelligging is in strijd met de beleidsregel Medegebruik Waterkering van HHD (paragraaf 9.2, onderdelen 6 en 9) en met de NEN 3651 (paragraaf 7.3.3). De beleidsregel van HHD beoogt risico's voor waterkeringen, bijvoorbeeld door uitspoelingsgevaar bij een leidingbreuk te voorkomen.
Afwijking van deze beleidsregel is alleen in uitzonderlijke omstandigheden mogelijk, namelijk als er grote maatschappelijke belangen spelen en er geen alternatieven zijn. Aangezien er in dit geval een tracé mogelijk is waarin de parallel-ligging kan worden voorkomen (tracévariant 1), is een afwijking van dit beleid vanuit oogpunt van waterveiligheid voor HHD niet acceptabel. Bij dit oordeel speelt ook mee dat de in de NEN 3651, par. 7.3.3 genoemde afwijkingsmogelijkheid niet geldt voor dit type (vloeistof-)leidingen, vanwege de afmetingen en de druk. Om de waterveiligheid bij parallelligging afdoende te kunnen borgen, zou een waterkering vervangende constructie kunnen worden gerealiseerd, bestaande uit het aanbrengen van zware en diepe damwanden van circa 15 meter diep over de lengte van de waterkering. Deze damwandconstructie levert echter een blijvende verslechtering van de waterkering op (ten opzichte van de huidige situatie), zowel voor het beheer als voor de toetsing. Ook zijn de maatschappelijke beheer- en onderhoudskosten van deze tracédelen onevenredig veel hoger.” (einde citaat).
2/7
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB/10674149
Den Haag begrijpt dat keuzes worden gemaakt t.a.v. bepaalde belangen zoals maatschappelijke kosten, niet afwijken van een beleidsregel ‘Medegebruik waterkering’ en technische uitdagingen. Opgemerkt kan echter worden dat de kansen op een breuk van zowel een leiding als van een waterkering zeer klein zijn. Uiteindelijk is de vraag hoe groot de risico’s zijn en welke risico’s acceptabel en beheersbaar zijn. De onderbouwing van de keuze van het voorkeursalternatief door het college van GS van PZH en WTS B.V. is helder en duidelijk en de belangenafweging is te volgen. Een tracévariant langs de A4 voor de wijken Ypenburg en Leidschenveen vindt het college van burgemeester en wethouders van gemeente Den Haag nog steeds wenselijk gelet op het belang van groen(behoud), een beschermingszone vanwege de warmteleiding die (toekomstige) gebiedsontwikkelingen kan beperken en tijdelijke (verkeers)overlast die in de A4 variant minder is voor omwonenden en ondernemers. Door een parallelligging aan de A4 wordt bovendien interferentie met gebiedsontwikkelingen op het GAVI-kavel en de Henri Faasdreef vermeden. De komst van WarmtelinQ Rijswijk-Leiden leidt ertoe dat er in de gebruiksfase van de leiding, na het vaststellen van het PIP en aanleg van deze leiding, een belemmeringenstrook door het stadsdeel Leidschenveen-Ypenburg zal lopen die beperkingen en of voorwaarden oplegt voor o.a.
medegebruik van deze belemmeringenstrook. Toekomstige door de gemeente gewenste ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld gebiedsontwikkeling, wegen of kabels & leidingen zullen hierdoor niet persé onmogelijk worden gemaakt maar waarschijnlijk wel bemoeilijkt worden indien er knelpunten ontstaan op bijvoorbeeld het vlak van externe veiligheid of toegankelijkheid van de leidingen. Het leidt in dat geval tot benodigde afstemming met WTS B.V, en er zullen wellicht aanpassingen in plannen nodig zijn die tot meerkosten of een langere realisatietijd zullen leiden. Indien zich in de toekomst dergelijke situaties zullen voordoen vragen wij om goede en effectieve afstemming en samenwerking. Interferentie met gebiedsontwikkeling Spoorlaankavel, GAVI-kavel en Henri Faasdreef Spoorlaankavel - Invloed op de komst van geothermie In het eerdere gemeentelijke advies op de concept NRD (RIS312703) en de eerdere gemeentelijke vooroverlegreactie (RIS316000) op het Voorontwerp PIP heeft het college aangegeven dat de komst van WarmtelinQ Rijswijk – Leiden de ontwikkeling van lokale bronnen voor hernieuwbare warmte niet mag schaden, laat staan onmogelijk mag maken. In Ypenburg betreft het in ieder geval de komst van een geothermiebron. WarmtelinQ Rijswijk-Leiden moet de businesscase van lokale bronnen zoals geothermie ondersteunen en niet verslechteren.
We zijn met alle betrokken partijen tot goede afspraken gekomen over de precieze, adequate ruimtelijke inpassing van de toekomstige geothermiebron en WarmtelinQ, de bijbehorende voorzieningen, het vereiste groen en de ruimte voor waterberging op de Spoorlaankavel. Den Haag vertrouwt erop dat deze afspraken uiteindelijk op adequate wijze zullen worden uitgevoerd. GAVI-kavel De GAVI-kavel is een belangrijk ontwikkelgebied voor de gemeente Den Haag. De ruimteclaim die WarmtelinQ Rijswijk – Leiden op deze kavel legt dient om die reden zo klein mogelijk te zijn. Een uiterst zorgvuldig inpassing is daarom geboden, wat betekent dat werkstroken minimaal moeten zijn maar ook de beschermingszone. Zie de paragraaf ‘groenbehoud/ecologie’ voor de relatie tussen het herinrichtingplan groen voor WarmtelinQ en de huidige en toekomstige situatie van het groen op de GAVI-kavel. Henri Faasdreef In de eerdere gemeentelijke vooroverlegreactie (RIS316000) op het Voorontwerp PIP gaf het college aan dat de aanlegfase van WarmtelinQ Rijswijk-Leiden de ontwikkelingen van voorzieningen op het gebied van wonen en maatschappelijke ondersteuning door de gemeente op de kavel aan de Henri Faasdreef niet in de weg mag staan of vertragen.
3/7
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB/10674149
De structurele aanwezigheid van de leidingen en de belemmerende strook als gevolg van de komst van WarmtelinQ in de gebruiksfase mag het ontwikkelpotentieel niet verkleinen of vertragen. In het najaar van 2023 heeft veel overleg over de uit te voeren aanlegwerkzaamheden plaatsgevonden vanwege een besluit over de gebiedsontwikkeling aldaar (RIS316365; 29 september 2023; nieuwe woonwagenlocatie). Na enige aanpassing van de precieze ligging van de werkstroken is een modus gevonden waarbij de plannen van de gemeente niet in de weg worden gezeten. Den Haag vertrouwt erop dat deze afspraken uiteindelijk op adequate wijze zullen worden uitgevoerd. Groenbehoud/ecologie Graag brengen wij onder de aandacht dat onze stedelijke groene hoofdstructuren en ecologische verbindingszones worden geraakt door het leidingentracé in dit project (zie ARCGIS viewer). Den Haag is bezorgd over het grote aantal te kappen bomen dat in het plan-MER indicatief is aangeduid (blz. 166/167). Dit is onwenselijk. Optimalisaties, om bomen te sparen, dienen gevonden te worden in: • De breedte van de voorziene werkstroken. Door de hoeveelheid ruimte voor de aanleg zoveel als mogelijk te verkleinen kan kap of verplaatsing van bomen worden vermeden. • Detailontwerp en wijziging van aanlegtechnieken.
Bij het in detail ontwerpen van het tracé dient goed gekeken te worden of met bepaalde ingrepen of wijzigingen bomen toch behouden kunnen blijven. Hiervoor doen we als gemeente al actief suggesties. • Veranderde ligging. Specifiek langs het GAVI-kavel, naast het Valutapad, heeft zich een gebied met natuur ontwikkeld met ecologische waarde. Dit behoort niet tot de ecologische zone maar door aanlegwerkzaamheden van de leiding wordt een deel van deze natuur geraakt. De gemeente Den Haag heeft op 12 december 2023 het ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg A12 zone’ vastgesteld. In dit bestemmingsplan is een groenzone bestemd (bekend in diverse plannen als de Ypenburg ecologische zone) daar waar een boring onder de A12 is gepland (van GAVI-kavel naar Tiber). Gelet op het collegebesluit (zie RIS314694; 16 maart 2023) heeft het college mede daarom de voorkeur dat het leidingen tracé parallel gaat lopen aan de A4 om de impact op groen op het GAVIkavel te minimaliseren. Een nota van uitgangspunten is momenteel in voorbereiding voor de gebiedsontwikkeling van de Gavi-kavel. In paragraaf 3.2.1.2 (inpassingsplan) en de paragrafen daarvoor wordt uitgelicht hoe belangrijk ‘groen’ voor de provincie is. De conclusie van de omgevingsvisie Zuid-Holland (paragraaf 3.2.1.2) luidt, citaat:”…..
Hierin is de gezamenlijke opgave om zowel binnen als buiten de stad te versterken en de samenhang tussen de verschillende groene ruimtes te vergroten”. Wij willen de provincie graag uitnodigen voor een gesprek om met elkaar te bespreken hoe deze gezamenlijke opgave wordt ingevuld. Zoals opgemerkt vindt de gemeente het aantasten van ecologisch waardevol groen zeer ongewenst is.
Overlast als gevolg van werkzaamheden Overlast voor omwonenden en ondernemers (blz. 273-294; paragraaf 11.4.2 omgevingshinder projectMER) De aanleg van WarmtelinQ Rijswijk – Leiden zal heel wat hinder en ongemak voor bewoners en bedrijven in Leidschenveen-Ypenburg teweeg brengen. Het gaat daarbij (wellicht) om geluid, trillingen, licht, bouwverkeer en uitzicht. Bij de aanleg van een groot infrastructureel werk als WarmtelinQ is dat niet geheel te vermijden.
4/7
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB/10674149
Wel vragen we om bewoners en ondernemers tijdig van tevoren en uitgebreid te informeren over wanneer werkzaamheden in hun omgeving zullen plaatsvinden, en wat zij daarbij kunnen verwachten. Bij de communicatie activiteiten door WTS B.V. tijdens de aanleg van WarmtelinQ Vlaardingen – Den Haag hebben we hierbij tot nu toe goede ervaringen opgedaan. Ondernemers in het gebied zouden intensief gewezen moeten worden op de mogelijkheden voor nadeelcompensatie, en waar nodig begeleid worden bij het starten van hun aanvraag hiertoe. Verkeershinder (blz. 287 - projectMER; paragraaf 11.4.2.4) Den Haag acht het van belang dat de verkeershinder bij de aanleg van WarmtelinQ als gevolg van het openbreken of afsluiten van wegen en tramrails, maar ook als later de warmtetransportleiding moet worden beheerd of hersteld, tot een minimum wordt beperkt. Percelen en terreinen van bedrijven dienen bereikbaar te blijven. In de afgelopen maanden zijn de aanvankelijke plannen voor de aanleg mede na overleg met de gemeente op een aantal locaties verbeterd waardoor de bereikbaarheid is bevorderd. Speciale aandacht verdient nog wel de situatie voor de Oude Middenweg. In de projectMER wordt dit knelpunt niet specifiek beoordeeld.
Wij vragen om secure, gedetailleerde planvoorbereiding aldaar zodat bedrijven zo goed mogelijk bereikbaar blijven, sluipverkeer door de (woon)buurt wordt voorkomen en omrijroutes zo min mogelijk nodig zijn. Ontwerp-PIP en formulering van de planregels De gemeente Den Haag heeft kennisgenomen van het Ontwerp provinciaal inpassingsplan WarmtelinQ Rijswijk – Leiden en aanlandlocatie (Ontwerp PIP) en daartegen wordt onderstaande zienswijze ingebracht: De gemeente Den Haag heeft op 12 december 2023 het ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg A12 zone’ vastgesteld en ter inzage gelegd van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024 (zie RIS317344 en planviewer). In de toelichting, paragraaf 1.4, moet dit worden aangepast. De informatie in paragraaf 1.4 is namelijk verouderd. In artikel 8.2 (bouwregels) van het Ontwerp PIP is de planregel opgenomen, citaat: “De warmtetransportleidingen worden binnen de beschermingszone gerealiseerd en liggen minimaal 4 meter uit de grens van de bestemming ‘Leiding - Warmtetransportleiding’”. In de planregel had moeten worden opgenomen dat de ondergrondse warmtetransportleidingen binnen de hiervoor op de verbeelding aangegeven bestemming moeten worden gerealiseerd (in plaats van binnen de beschermingszone).
De voorwaarde dat de warmtetransportleidingen minimaal 4 meter uit de grens van de bestemming ‘LeidingWarmtetransportleiding’ moet liggen is verwarrend omdat je die regel zo zou kunnen uitleggen dat de leidingen buiten het tracé van deze dubbelbestemming zouden moeten liggen. Bovendien biedt een afstand van 4 meter uit de grens, uitgaande van een ligging binnen de bestemming, geen enkele flexibiliteit op plekken waar de bestemming LeidingWarmtetransportleiding maar een breedte heeft van ca. 9 m. De leiding zal dan binnen de bestemming aan beide zijden 4 meter uit de bestemmingsgrens moeten liggen, waardoor de positionering van de leiding volledig geconditioneerd wordt (en er onvoldoende ruimte is om daar, als dat van toepassing mocht zijn, twee leidingen naast elkaar te leggen). Gelet hierop wordt voorgesteld om deze planregel te herformuleren. Een optie is conform het onherroepelijke PIP Vlaardingen-Den Haag, te weten: “De hartlijn van de warmtetransportleiding wordt gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding hartlijn ‘Leiding - Warmtetransportleiding' dan wel binnen een afstand van 1 meter uit deze aanduiding”. Overigens dient bij het overnemen van deze optie de hartlijn van de warmtetransportleiding dan nog wel bij de vaststelling op de verbeelding te worden opgenomen.
5/7
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB/10674149
-
Ter aanvulling van de bouwregels wordt in overweging gegeven om hieraan nog toe te voegen dat er uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in lid 1 genoemde bestemming mogen worden gebouwd. De breedte van de strook volgt uit de verbeelding zoals opgenomen in Ruimtelijke plannen. Daaruit blijkt dat de bestemming leiding soms een breedte heeft van ca. 9 meter en soms van ca. 15 meter. Een breedte van 15 meter is fors. Voor de GAVI-kavel en het TNO terrein geldt deze ruime bestemmingslegging. Dat betekent dat voor bouwontwikkelingen ten behoeve van de onderliggende bestemmingen binnen de strook van de leiding altijd een afwijking (vrijstelling) nodig is. In het Ontwerp PIP is ten onrechte geen afwijkingsbevoegdheid om te kunnen bouwen overeenkomstig de onderliggende bestemmingen opgenomen. Daarom wordt voorgesteld: Voeg artikel 8.3 toe aan de planregels (de planregels springen in het Ontwerp PIP van 8.2 direct naar 8.4) en neem daarin op dat het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning kan afwijken van de bouwregels als bedoeld onder 8.2 (onder a en b als dat van toepassing is) voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemmingen, indien het leidingbelang niet onevenredig wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder(s).
Structuur van de O-MER In de ontwerp MER wordt in het algemeen aangegeven dat in het geval van negatieve milieueffecten mitigerende maatregelen genomen zullen moeten worden. Graag zien we aangegeven om welke mitigerende maatregelen het in die gevallen gaat, en welke positieve effecten deze maatregelen naar verwachting zullen hebben (tot welke verandering in scores op milieueffecten het naar verwachting zal leiden). De beoordelingen in de MER zijn vaak kwalitatief van aard: het gaat om scores, en daarbinnen vaak relatieve scores. Vaak zijn deze scores onderbouwd in één van de onderliggende documenten. In de gevallen waarin geen inhoud uit een onderliggend document aan de score ten grondslag ligt zien we graag nader beschreven hoe tot de betreffende scores is gekomen. Een aantal van de adviezen van de commissie mer op de NRD zijn wel overgenomen, maar een aantal ook niet. Het belangrijkste advies dat niet is overgenomen gaat dat op basis van de milieueffecten de mogelijke alternatieven om de warmtelevering te verduurzamen te onderzoeken. Er is wel naar alternatieven gekeken en die zijn onderzocht, maar dit is gedaan op andere criteria, zoals haalbaarheid (financieel), duurzaam warmtegebruik, waarborgen van leveringszekerheid en toepasbaarheid in stedelijk gebied.
Onduidelijk is het verder of dit in een eerder stadium wel gekeken naar de milieueffecten van de verschillende alternatieven. We zien graag een puntsgewijze reactie op adviezen van de commissie mer tegemoet met een verklaring waarom een aantal adviezen wel of niet zijn overgenomen. Redactionele adviezen • De planMER heet Milieueffectrapportage fase 1 en de projectMER Milieueffectrapportage Fase 2. Dit wordt pas in MER fase 2 in de samenvatting uitgelegd en wij stellen daarom voor om het dit eerder in het document aan te geven. • Grote delen van de planMER komen geheel terug in de project MER. Het eerste deel van de projectMER is bijna identiek aan het eerste deel van de planMER, met hier en daar kleine verschillen? Dit maakt de projectMER onnodig lijvig en ingewikkeld. • Onder paragraaf 8.1 Ontwerp-PIP (de bestemmingsomschrijving) is het volgende citaat optie b? Citaat: “Een en ander met de bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en bijbehorende voorzieningen”.
6/7
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSB/10674149
In onze zienswijze zijn we ingegaan op de zaken die voor Den Haag belangrijk zijn. We hechten veel waarde aan een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van het project waarbij zo goed mogelijk tegemoet wordt gekomen aan de belangen van onze bewoners en ondernemers en maakten daarom graag gebruik van deze mogelijkheid die u ons bood. We zijn benieuwd naar uw reactie. Het college van burgemeester en wethouders, mede namens de publieksrechtelijke rechtspersoon gemeente Den Haag en de raad van de gemeente Den Haag. de secretaris,
de burgemeester,
Ilma Merx
Jan van Zanen
7/7