CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS317708 Bijlage 1

Commissie Samenleving 23 mei 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Raadsmededeling: Caseloadverlaging jeugdbescherming en jeugdreclassering7.619 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Handreiking

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Release 2024.1.0

Handreiking Landelijk tarief en bekostiging jeugdbescherming en jeugdreclassering Inleiding De minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van VWS stellen deze ‘Handreiking tarieven en bekostiging GI’s' (hierna: de handreiking) ter beschikking aan Gecertificeerde Instellingen (“GI’s”) en gemeenten als handreiking om partijen in staat te stellen afspraken te maken die bijdragen aan een reële bekostiging van de GI’s, op basis waarvan de GI’s op adequate wijze uitvoering kunnen geven aan hun wettelijke taak - de maatregelen voor kinderbescherming en jeugdreclassering - tot het moment dat daarvoor wettelijke instrumenten van kracht worden. De handreiking is vormgegeven in de vorm van een ‘modelafspraak’ die kan worden gebruikt door gemeenten om met GI’s individuele afspraken te maken. Gemeenten zijn vrij in de keuze om al dan niet gebruik te maken van de handreiking. Deze handreiking is een bijlage van de bestuurlijke afspraken Landelijk tarief en bekostiging voor jeugdbescherming en jeugdreclassering. De handreiking kan worden toegepast door individuele partijen voor de uitvoering van wettelijke maatregelen, die daarover met elkaar of contractuele afspraken of subsidieafspraken maken. 1. Definities In deze handreiking (en de daarbij behorende bijlagen) worden de definities van de Jeugdwet gehanteerd. In aanvulling daarop wordt verstaan onder: a. b. c. d.

e. f.

Bekostiging: het door een opdrachtgever of belanghebbende partij als weder prestatie voorzien van financiële middelen aan een leverancier van goederen en diensten. Beschikbaarheidsfunctie: het beschikbaar hebben van voldoende capaciteit van een GI aan mensen en middelen om aan de wettelijke termijnen te voldoen bij een nieuwe aanmelding. Bestuurlijke afspraken: de Bestuurlijke afspraken Landelijk tarief en bekostiging jeugdbescherming en jeugdreclassering. Buffer of buffervermogen: het vrij beschikbare vermogen van een GI, bijvoorbeeld in de vorm van een algemene of overige reserve, of een (niet gebonden) egalisatiereserve, om tegenvallers op te vangen. Gedwongen kader: verzamelterm voor wettelijke maatregelen en voorwaarden die een GI uitvoert. GI: Gecertificeerde instelling: rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig

certificaat als bedoeld in artikel 3.4 van de Jeugdwet en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel uitvoert.

g.

Gemeente: het college, bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet. Het begrip ‘gemeente’ wordt onder meer gebruikt als aanduiding van de wederpartij van een GI en houdt ook in meerdere gemeenten, samenwerkende gemeenten en jeugdregio’s, als die als wederpartij optreden. h. Hervormingsagenda: de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028. i. KKPB: kwaliteitskader en de prestatiebeschrijvingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering, zoals beschreven in de rapporten van Significant Public van januari 2023. j. Onderhoudsorganisatie: onafhankelijke organisatie die onderhoud pleegt aan de afspraken in deze handreiking en die informeert en adviseert. k. Outputgerichte bekostiging: het bekostigen van een leverancier op basis van het volume van geleverde prestaties. Dit wordt in deze handreiking ook wel aangeduid als p*q bekostiging. l. Pupilkosten: door derden aan de GI doorbelaste kosten voor cliënten, en ook eigen kosten van de GI in verband met de administratie daarvan. m. Toekomstscenario: het Toekomstscenario kind en gezinsbescherming, het voornemen tot herijking van het stelsel van jeugdbescherming.

1

Handreiking

n. o.

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Release 2024.1.0

Wettelijke maatregel of voorwaarde: een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsbegeleiding opgelegd door de rechter; Workload: het gemiddeld aantal wettelijke maatregelen op organisatieniveau (GI) dat een jeugdbeschermer, jeugdreclasseringsmedewerker of andere medewerker, die taken uit het KKPB uitvoert, per jaar uitvoert, als maatstaf voor diens werkdruk.

2. Doel 1.

2.

De handreiking heeft tot doel om te voorzien in modelafspraken die kunnen worden gebruikt om op korte termijn te kunnen bijdragen aan een adequate bekostiging van de wettelijke taken van GI’s tot het moment dat daarvoor wettelijke instrumenten van kracht worden. De handreiking heeft geen betrekking op andere activiteiten van GI’s dan de in het eerste lid genoemde wettelijke taken; wel kunnen die andere activiteiten beïnvloed worden door de onderwerpen van deze handreiking.

Toelichting De handreiking voorziet in een landelijk tarief dat is gebaseerd op een onafhankelijk bepaalde reële ureninzet van professionals en op onafhankelijk vastgestelde gemiddelde kosten. Dit biedt een solide uitgangspunt voor een gezonde bekostiging van GI’s én voor een reële werklast van professionals. 3. Kwaliteitskader en prestatiebeschrijvingen (KKPB) 1.

Het kwaliteitskader en de daarop gebaseerde prestatiebeschrijvingen (KKPB) kunnen worden gebruikt om te bepalen welke activiteiten en daaraan gekoppelde tijdsinzet van jeugdbeschermers nodig zijn voor een adequate uitvoering van een wettelijke maatregel. 2. KKPB is in deze handreiking als uitgangspunt genomen voor het gemiddeld aantal uren dat nodig is voor de uitvoering van een maatregel (uren per maatregel). 3. Tot het moment van herziening kan worden uitgegaan van het rapport van Significant Public van 3 februari 2023 (jeugdbescherming). Dit rapport is als bijlage bij de handreiking opgenomen. 4. Nadat de jeugdreclassering KKPB is vastgesteld kan daarvan worden uitgegaan voor het landelijk tarief, voor de bij dat KKPB onderscheiden maatregelen, met ingang van de bij die vaststelling te bepalen datum. Tot die tijd kunnen de urennormen jeugdreclasseringsmaatregelen gelden, die zijn genoemd in de VNG-brochure Tarieven 2014, verhoogd met 20%.

Toelichting 1. Dit onderdeel regelt dat de KKPB-urennormen als uitgangspunt voor de tarieven worden genomen. Deze zijn opgenomen op blz. 24 van het Significant-rapport Prestatiebeschrijving Jeugdbescherming (9 februari 2023). 2. Het KKPB-rapport focust op de ureninzet van jeugdbeschermers. Het rapport geeft aan dat er inzet mogelijk is van niet-SKJ-geregistreerde personen, wat leidt tot lagere inzet van jeugdbeschermers. Het KPMG-rapport rekent inzet van niet-SKJ-geregistreerde personen mee omdat uit de data-uitvraag blijkt dat dit plaatsvindt en deze personen in de praktijk (ook) jeugdbeschermingstaken uitoefenen, en dus declarabele activiteiten verrichten. Voor de eerstkomende herijking van KKPB is de (mate van) inzet van niet-SKJ-geregistreerde medewerkers een aandachtspunt. 3. Het KKPB-rapport licht toe dat de opgestelde urennorm uitgaat van de wenselijke situatie (wat moeten jeugdbeschermers doen voor een adequate uitvoering). Tegelijkertijd neemt het rapport ook de huidige situatie m.b.t. beschikbaarheid van jeugdhulp als gegeven, namelijk dat GI’s veel tijd besteden aan het vinden van passende hulp. Dit laat zien dat het nodig is om KKPB te zijner tijd te herijken, wat Significant ook adviseert. 2

Handreiking

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Release 2024.1.0

4. Het KKPB-onderzoek voor jeugdreclassering is nog niet afgerond bij het opstellen van deze handreiking. Dit betekent dat geen nieuwe KKPB-normen voor jeugdreclassering beschikbaar zijn als basis voor een landelijk tarief in 2024. Pas in 2025 kan er door aanpassing van deze handreiking een landelijk tarief worden gebruikt dat is gebaseerd op een actuele KKPB-norm. Wel is in het kostprijsonderzoek al rekening gehouden met een workloadverlaging gelijk aan die bij ondertoezichtstelling; zie ook de toelichting op onderdeel 7. Dat betekent ook voor deze activiteiten een belangrijke verbetering in de bekostiging. 4. Karakter van het landelijk tarief 1. 2.

3. 4.

Voor maatregelen voor kinderbescherming en jeugdreclassering wordt in deze handreiking een landelijk tarief geïntroduceerd. Het landelijk tarief is een basistarief. Dit betekent dat er in individuele gevallen naar boven en naar beneden van kan worden afgeweken, als een gemeente en een GI dat overeenkomen en als individuele context specifieke omstandigheden daarom vragen. Onderdeel 9 geeft het kader voor individuele afwijkingen. Het in deze handreiking opgenomen landelijk tarief is bedoeld om te voorzien in een adequate bekostiging van de maatregelen voor kinderbescherming en jeugdreclassering. Een gemeente kan met een GI een gezinstarief afspreken door een omrekenfactor toe te passen op het landelijk tarief. Alle uitgangspunten in deze handreiking kunnen daarop worden toegepast.

Toelichting Dit onderdeel geeft aan dat in deze handreiking een landelijk tarief wordt aangeboden en wat de tariefsoort is. De handreiking volgt het advies van KPMG om als landelijk tarief een basistarief te hanteren 1. Specifieke situaties kunnen aanleiding vormen om hiervan af te wijken, bijvoorbeeld wanneer er individuele (grote) verschillen zijn in kostenfactoren van maatregelen. Een punttarief zou daarom nu niet passend zijn. Dat zou een risico-opslag vergen, met hogere macrokosten en minder doelmatigheidsprikkels dan de voorgestelde methode. Als landelijk tarief is gekozen voor de gemiddelde kostprijs van alle GI’s. Het is gegeven de huidige spreiding niet realistisch om te verwachten dat op korte termijn alle GI’s op hetzelfde (gemiddelde) kostenniveau komen. Het onderdeel geeft ook aan dat het tarief bedoeld is voor structurele bekostiging van de in onderdeel 4, lid 1 genoemde maatregelen. Daarmee wordt bedoeld dat incidentele subsidies of andere bijdragen niet geschikt worden gevonden als solide bekostiging voor wettelijke maatregelen van GI’s. Het derde lid heeft als achtergrond dat een landelijk tarief op basis van KKPB dat uitgaat van een reële werklast voor jeugdbeschermers, adequate bekostiging oplevert. Daaraan doet niet af dat de vorm waarin dat wordt gerealiseerd (bestuurlijke afspraken en deze handreiking) een tijdelijk instrument is.

Ook tijdelijke extra bekostiging loopt in deze gedachtegang via het tarief en dan via een tijdelijke opslag. Overigens laat deze handreiking onverlet dat gemeente en GI afspraken kunnen maken over activiteiten buiten het gedwongen kader. Het vierde lid betreft gevallen dat er een tarief per gezin wordt gehanteerd. Dat vraagt een omrekenfactor waarvan de hoogte regionaal kan verschillen, bijvoorbeeld omdat de gezinssamenstelling per regio verschilt. 5. Systematiek van het landelijk tarief 1. 2. 3.

1

Het landelijk tarief wordt uitgedrukt als een bedrag per maatregel ondertoezichtstelling, voogdij of jeugdreclassering. Het kostprijsonderzoek over 2022 vormt de basis voor het landelijk tarief. Het landelijk tarief neemt als basis: de gemiddelde integrale kostprijs per uur voor een medewerker die directe arbeid aan een maatregel verricht, vermenigvuldigd met het aantal uren per maatregel volgens KKPB.

Zie deel 2: Bekostigingsvormen, blz. 13.

3

Handreiking

4. 5.

6. 7.

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Release 2024.1.0

Alle aan de wettelijke maatregelen toe te rekenen kosten worden uitgedrukt in de integrale kostprijs per uur. Hierbij wordt het gemiddelde berekend van de kosten in 2022 van alle GI’s. Voor de berekening van de integrale kostprijs per uur wordt voorts uitgegaan van het gemiddelde totaal aantal beschikbare uren per fte per jaar voor maatregelen voor werkzaamheden zoals beschreven in het KKPB van een medewerker die directe arbeid aan een maatregel verricht. Gemaakte kosten gelden als uitgangspunt, waarbij grote afwijkingen buiten beschouwing blijven. In het rapport van het kostprijsonderzoek over 2022 is dit verantwoord. Het rapport van het kostprijsonderzoek jeugdbescherming en jeugdreclassering 2022 en de daarbij behorende notitie van uitgangspunten is als bijlage bij de handreiking opgenomen.

Toelichting Dit onderdeel legt de systematiek vast van het landelijk tarief. Deze systematiek is de basis van het KPMG-onderzoek, dat met medewerking van de betrokken partijen, GI’s en gemeenten, is uitgevoerd. Zie ook hoofdstuk 5 van het KPMG Kostprijs-onderzoek (deel 1), dat de methodologie beschrijft. Het initiatief om via een onafhankelijke derde partij tot een kostendekkend tarief te komen is bij de start van dit traject besproken en ondersteund door de ministeries, de VNG en Jeugdzorg Nederland. Relevant is verder dat er een algemene maatregel van bestuur (amvb) reële prijzen Jeugdwet in voorbereiding is. Die bepaalt welke kostprijselementen ten minste in een reële prijs voor jeugdzorg verdisconteerd dienen te worden. In bijlage 3 wordt de wijze waarop er in het KPMG-onderzoek en deze handreiking invulling wordt gegeven aan de kostprijselementen uit de amvb reële prijzen Jeugdwet toegelicht. De handreiking gaat verder omdat een landelijk tarief in feite neerkomt op het normeren van de kostprijscomponenten in de amvb. 6. Normatieve opslagen en andere correcties op de kostprijs 6.1 Buffervermogen voor risico’s 1. Als maximumniveau van het buffervermogen van een GI wordt in principe beschouwd een bedrag ter grootte van 10% van de gemiddelde totale jaaromzet gedurende de drie meest recente boekjaren. 2.

Partijen die deze handreiking gebruiken maken afspraken over de risico’s waarvoor de buffer kan worden aangesproken door de GI. 3. De GI voegt exploitatieoverschotten toe aan het buffervermogen. 4. Zolang het buffervermogen niet op het niveau is van 10%, of een lager percentage, als dat is afgesproken, geldt een opslag van 2% op de kostprijs die volgt uit onderdeel 5. Deze opslag gebruikt de GI om het buffervermogen aan te vullen. 5. Op basis van de jaarrekening wordt vastgesteld of het buffervermogen voldoet aan de afgesproken norm, tenzij gemeente en GI voor deze vaststelling een andere methode afspreken. 6.2 Verzuim, verloop en inwerktijd 1. Het verzuimpercentage is een medebepalende factor voor de kostprijs. Een hoog verzuim betekent minder beschikbare uren per medewerker per jaar voor het uitvoeren van maatregelen. Een hoog verloop betekent dat er meer tijd van jeugdbeschermers nodig is om nieuwe medewerkers in te werken en op te leiden. Ook dat leidt tot minder beschikbare uren per medewerker per jaar voor het uitvoeren van maatregelen. 2. In 2022 was het gemiddelde verzuimpercentage in het kostprijsonderzoek 6,3% en het verloop was gemiddeld 19%.

Hoewel deze gemiddelden als relatief hoog worden ervaren hanteert deze handreiking niettemin vooralsnog - gegeven de huidige situatie die moet overgaan naar een situatie met een lagere werkdruk - deze componenten voor de gemiddelde kostprijs. 3. De ontwikkeling van deze componenten wordt gevolgd via monitoring. Als de verwachte daling in verzuim, verloop en inwerktijd uitblijft kan dat aanleiding zijn om bij de eerstkomende gelegenheid voor deze componenten een bijstelling van het tarief te bespreken.

4

Handreiking

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Release 2024.1.0

6.3 Pupilkosten 1. Uit het kostenonderzoek blijkt dat pupilkosten sterk variëren tussen GI’s. Om die reden is een gemiddelde kostenopslag voor pupilkosten niet in het landelijke tarief opgenomen omdat sommige GI’s dan te veel en andere te weinig bekostigd worden. 2. Bij pupilkosten is doorgaans geen sprake van eigen kosten van de GI maar van doorbelaste kosten door derden. Voor de GI zijn deze kosten doorgaans niet beïnvloedbaar. 3. Twee methoden voor de doorbelasting van pupilkosten als opslag op het tarief zijn: a. Gemeente en GI spreken een gemiddeld bedrag per kinderbeschermingsmaatregel af. Het gemiddelde bedrag wordt tot het moment van herziening geïndexeerd; daarvoor wordt de indexeringsmethode van deze handreiking gebruikt. b. Gemeenten vergoeden per cliënt de werkelijk doorbelaste pupilkosten. 4. Totdat er landelijke regelgeving van kracht wordt over zak- en kleedgeld kunnen gemeente en GI de afspraak maken dat de GI zak- en kleedgeld voor cliënten administreert en deze kosten declareert bij de gemeente. Dit bedrag wordt op de wijze bepaald die is beschreven in het derde lid. 6.4 Coördinatietijd 1. In toenemende mate zetten GI’s medewerkers in die de jeugdbeschermers in hun werkzaamheden ondersteunen. Uit een oogpunt van beperking van de werklast van jeugdbeschermers en van verbetering van de kwaliteit vinden gemeenten en GI’s dit een wenselijke ontwikkeling.

Deze ontwikkeling draagt ook bij aan het vinden van oplossingen voor de krapte op de arbeidsmarkt van jeugdbeschermers. 2. Het inzetten van ondersteuners is nog in een vroege fase van ontwikkeling. Deze inzet heeft voordelen maar kan ook tot extra kosten leiden. Jeugdbeschermers moeten tijd besteden om de werkzaamheden van ondersteuners te begeleiden en coördineren. Dit is een kostenverhogend effect. Ten aanzien van de loonvoet kunnen er voordelen of nadelen zijn, afhankelijk van het soort ondersteuning. 3. Het is van belang dat de bekostiging ruimte biedt aan de inzet van ondersteuners. 4. Gezien de recente ontwikkeling naar meer inzet van ondersteuners en omdat onderzocht moet worden wat per saldo het effect op de totale kosten is, is er onvoldoende reden om hiervoor nu een normatieve opslag in het landelijk tarief toe te passen. Wel wordt deze ontwikkeling gemonitord en wordt dit betrokken bij het jaarlijks overleg, dat is voorzien in de bestuurlijke afspraken. Als na twee jaar blijkt dat er per saldo structureel aanzienlijke kosten zijn kan dat een reden zijn voor aanpassing van de handreiking. Toelichting In principe stelt onderdeel 5 het landelijk tarief vast op het niveau van de gemiddelde kostprijs. Onderdeel 6 regelt vervolgens dat er op de gemiddelde kostprijs correcties kunnen komen. Die kunnen generiek zijn, waardoor het landelijk tarief hoger of lager wordt.

Correcties kunnen ook individueel zijn. Onderdelen 6.1 en 6.3 beschrijven individuele opslagen, waarbij wel is beschreven hoe de berekening plaatsvindt. De correcties in 6.2 en 6.4 zijn generiek van karakter; als en zodra die componenten worden vastgesteld - en dat gebeurt nu nog niet - gelden deze algemeen en leiden dus tot wijziging van het landelijk tarief, dat dan gaat afwijken van de gemiddelde kostprijs. Omdat er thans geen opslagen en correcties aan de orde zijne is het landelijk tarief gelijk aan de gemiddelde kostprijs die uit onderdeel 5 volgt. Voor het gebruik van het landelijk tarief kan een inlooppad worden afgesproken (onderdeel 13). 6.1 Bufferfunctie: Het KPMG onderzoek (deel 2) geeft aan dat het voor het opvangen van onvoorziene risico’s wenselijk is om een gemaximeerd buffervermogen op te bouwen en aan te houden. Daarbij is 10% van de gemiddelde bekostiging een gebruikelijke norm. Dit is hier een indicatie, er kan aanleiding zijn om een hoger of lager percentage aan te houden. De buffer is bedoeld voor tegenvallers in de exploitatie en dus niet voor investeringen e.d. Zolang het vermogen onder 10% is, geldt een tariefopslag van 2%, met de bedoeling dat de GI die gebruikt 5

Handreiking

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Release 2024.1.0

voor opbouw van de buffer. Als er een lager bufferpercentage is afgesproken geldt deze opslag totdat dat lagere percentage is bereikt. Voor zover hij dat kan, moet de GI zelf de buffer opbouwen en aanvullen als er een exploitatieoverschot is. Voor liquiditeit is geen tariefcomponent nodig, het is aan partijen die deze handreiking gebruiken om hier zo nodig regionaal afspraken over te maken, bijvoorbeeld over bevoorschotting ingeval van liquiditeitsproblemen. 6.2 Verzuim, verloop/inwerken: De gemeten waarden voor deze componenten zijn hoger dan wenselijk en gebruikelijk in vergelijkbare sectoren. Dit is te verklaren door de huidige situatie van GI’s waarin de werkdruk te hoog is. Omdat de hiermee gepaard gaande kosten voor de korte termijn gegeven zijn, ligt voor de hand om deze gemeten kosten nu in het tarief op te nemen. Wel zal worden gemonitord of de verwachte en beoogde daling optreedt. Als dat niet het geval is kan dat bij een eerste herijking een reden zijn om een correctie op het tarief toe te passen. Voor de eerstkomende tijd leidt deze bepaling dus niet tot een wijziging van het tarief. 6.3 Pupilkosten: deze worden indien nodig apart in rekening gebracht als een opslag. Deze maken geen deel uit van het landelijk tarief omdat de variatie tussen GI’s daarvoor te sterk is.

Bovendien zijn het geen eigen kosten van de GI maar is sprake van doorbelaste kosten, zoals Zvw-premie, kosten voor tolkdiensten, forensisch onderzoek of identiteitsbewijzen. Gemeente en GI kunnen hier kiezen tussen twee methoden: een vast gemiddeld bedrag per maatregel voor pupilkosten of het bedrag van de werkelijk doorbelaste kosten per pupil. Voor de bekostiging van zak- en kleedgeld is een handreiking opgesteld door VNG, Jeugdzorg Nederland, VGN en GGZ Nederland. Deze handreiking biedt verschillende opties voor de bekostiging. Gemeenten en GI’s kunnen o.a. kiezen voor de in lid 4 genoemde afspraak. Momenteel wordt er gewerkt aan een nieuwe handreiking zak- en kleedgeld en een landelijke regeling. Zodra die handreiking is opgeleverd of de regeling in werking treedt gelden de daarin genoemde richtlijnen en bepalingen. 6.4 Coördinatietijd: De inzet van ondersteuners leidt tot extra werkzaamheden voor jeugdbeschermers. De inzet kan ook tot kostenvoordelen leiden, als de loonvoet van ondersteuners lager is dan die van jeugdbeschermers. Voor de eerstkomende tijd leidt deze bepaling dus niet tot een wijziging van het tarief. 7. Hoogte van het Landelijk tarief 1.

Het landelijk tarief in euro’s van 2024 luidt als volgt: a. OTS € 13.525 per maatregel per cliënt op jaarbasis. b. Voogdij € 10.342 per maatregel per cliënt op jaarbasis. c. Jeugdreclassering € 11.615 per voorwaarde voor begeleiding per cliënt op jaarbasis. Het onder a genoemde tarief geldt voor OTS van zowel korter als langer dan een jaar. 2. Het landelijk tarief voor 2024 is geïndexeerd volgens de methode, genoemd in onderdeel 11. 3. Het landelijk tarief wordt voor de jaren na 2024 jaarlijks geïndexeerd volgens de methode genoemd in onderdeel 11. Overgangsbepalingen jeugdreclassering 4.

5. 6.

Als een GI ten aanzien van reguliere jeugdreclassering met een gemeente afspraken heeft gemaakt over een hoger tarief dan onder lid 1, onder c bedoeld, blijven deze afspraken van kracht, tenzij bij overeenkomst anders is bepaald. Voor specifieke maatregelen bij de jeugdreclassering wordt uitgegaan van de in bijlage 1 genoemde tarieven. De overgangsbepalingen in het vierde en vijfde lid vervallen zodra er een of meer op KKPBjeugdreclassering gebaseerd landelijk tarief van kracht wordt.

6

Handreiking

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Release 2024.1.0

Toelichting Onderdeel 7 bevat afspraken over de hoogte van het tarief. Het gaat hier om het tarief gebaseerd op het kostprijsonderzoek over 2022. Na indexatie ontstaat het tarief van 2024; de methode daarvoor is vastgelegd in onderdeel 10. In bijlage 1 wordt een overzicht gegeven van de kostprijzen voor 2022 zoals die uit het onderzoek volgen. Omdat KKPB-jeugdreclassering nog niet gereed is, ligt voor deze maatregelen een overgangsvoorziening in de rede. Het tarief bedoeld onder lid 1, onder c, gaat voor jeugdreclassering uit van een workload verlaging van gelijk niveau als bij ondertoezichtstelling. Dit betekent een norm voor reguliere jeugdreclassering van 87,6 uur. Ook bij de specifieke JR-maatregelen (waarvan de tarieven in bijlage 1 zijn ogenomen) is uitgegaan van een workload verlaging van gelijk niveau als bij ondertoezichtstelling (OTS). Beoogd is om vanaf 2025 het landelijk tarief voor jeugdreclassering te baseren op een KKPB. De maatregelen genoemd in het vijfde lid kunnen betreffen Intensieve trajectbegeleiding (ITB), Samenloop en Gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM). Bij het onderzoek van KKPB voor jeugdreclassering wordt bezien welke producten er voor deze categorie maatregelen als standaard moeten worden vastgesteld. 8.

De bekostigingswijze.

8.1 Outputgericht met waarborgen 1. Gemeente en GI hanteren de outputgerichte bekostiging voor maatregelen. 2 Als basis geldt daarbij het landelijk tarief ongeacht het aantal maatregelen in een jaar. 2. Gemeente en GI stellen een meerjarenraming vast van opbrengsten, kosten en het aantal maatregelen. De raming wordt voor 1 september van elk jaar opgesteld en beslaat drie jaar: het lopende jaar t en de eerstkomende twee jaren, t+1 en t+2. 8.2 Groei en krimp 1. Gemeente en GI voeren overleg als gedurende het boekjaar duidelijk wordt dat er een aanzienlijke daling of groei van het volume optreedt. 3 Zij bespreken daarbij welke maatregelen mogelijk zijn om de effecten op te vangen. Zij bespreken tijdig of, en zo ja hoe de vangnetregeling in lid 2 of de bijplusregeling in lid 3 kan worden ingeroepen. 2. Als het aantal maatregelen in een jaar ten opzichte van de productieraming daalt met meer dan 10% treedt een vangnetregeling in werking. Deze kan de volgende vormen hebben: a. Het budget voor het jaar waarin de daling plaatsvindt wordt afgerekend op 90% van het volume van het voorgaande jaar; b. Voor de door de daling niet te dekken vaste kosten wordt een compensatie toegepast. c. Andere afspraken die een voldoende vangnet bieden. 3. Als het aantal maatregelen in een jaar ten opzichte van productieraming met meer dan 10% stijgt maken gemeente en GI een van de volgende afspraken: a.

Het landelijk tarief wordt voor de desbetreffende GI verhoogd met een nader af te spreken opslag op de landelijke kostprijs; b. Voor specifieke meerkosten, zoals werving of inwerken, wordt een opslag toegepast. c. Andere afspraken die een voldoende vangnet bieden. 4. Bij toepassing van lid 2 of lid 3 maken GI en gemeente een afspraak over de duur van de uitzonderingssituatie. De GI stelt een plan van aanpak op over de manier waarop en het tijdvak waarna zij weer binnen het basistarief kan opereren, dan wel dat duidelijk wordt dat dit niet is te verwachten. Het plan van aanpak is transparant over kosten en opbrengsten,

2 Het KPMG-rapport (deel 2) hanteert de term “outputgericht” voor bekostiging die met het volume varieert en definieert onder “inspanningsgerichte” bekostiging een tarief per uur of andere tijdeenheid. Gemeenten merken de bekostiging per wettelijke maatregel als outputgericht aan. Daarom volgt de handreiking deze terminologie. Elders is gebruikelijk om deze vorm “inspanningsgericht” te noemen, zodat er geen eenduidige nomenclatuur op dit punt is. 3 Mochten er zodanig effecten zijn dat er zorgen ontstaan over de continuïteit, dan komt het Convenant continuïteit jeugdhulp en het daarbij afgesproken Draaiboek Continuïteit in beeld. Dit convenant is ook van toepassing op GI’s.

7

Handreiking

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Release 2024.1.0

vermogenssituatie en de gevolgen van een mogelijk tekort en de ontwikkeling van deze parameters in de tijd. 8.3 Beschikbaarheidsfunctie 1. In de context van outputgerichte financiering hebben gemeente en GI beide belang bij het borgen van een beschikbaarheidsfunctie die passend is om aan de wettelijke termijnen voor de start van begeleiding te voldoen. 2. De bekostiging per GI moet ruimte bieden om de beschikbaarheidsfunctie te organiseren voor pieken in acute vraag naar begeleiding. 3. Voor het borgen van de beschikbaarheidsfunctie voeren GI en gemeente overleg. Dit kan leiden tot een opslag op het regionale tarief die geoormerkt wordt besteed, of andere afspraken. Hierbij wordt het bepaalde in het vierde lid betrokken. 4. De beschikbaarheidsfunctie wordt tegen het eindigen van het inlooppad besproken in het jaarlijkse monitoroverleg. Tijdig voor 1 januari 2026, doch uiterlijk op 1 oktober 2025, wordt op basis van het tweede jaargesprek een beslissing genomen of het nodig is dat de handreiking voorziet in de mogelijkheid van een opslag voor de beschikbaarheidsfunctie. 8.4 Transitie naar toekomstscenario

1. Een gemeente en een GI die een werkwijze volgens het Toekomstscenario beproeven kunnen voor de inrichting van de bekostiging afspraken maken die afwijken van hetgeen in 8.2 is bepaald. 2. De afspraken bedoeld in het eerste lid kunnen mede betrekking hebben op inzet van jeugdbeschermers in het vrijwillige kader. 3. Onder meer is mogelijk dat, als de inzet van jeugdbeschermers in het vrijwillig kader toeneemt, die inzet bekostigd wordt met middelen die beschikbaar komen door daling van het aantal maatregelen in het gedwongen kader. In een dergelijk geval blijft 8.2, tweede lid, buiten toepassing. 4.

Naast de in het derde lid genoemde mogelijkheid kunnen gemeente en GI andere bekostigingsafspraken maken in het kader van transitie naar het Toekomstscenario.

Toelichting 8.1. Onderdeel 8 gaat over de wijze van bekostiging. Uit het rapport van KPMG blijkt dat een outputgerichte bekostiging het best passend is. Deze vorm van bekostiging kiest de geleverde prestaties (product of dienst) als basis. Dit heeft het voordeel dat de omvang van het werkaanbod een sleutelrol vervult in de bekostiging en daarmee in het gesprek tussen GI en gemeenten. Bij deze p*q bekostiging passen twee flankerende instrumenten (“ventielen”): een voorziening voor grote groei of krimp en afspraken voor reservecapaciteit om aan acute vraagpieken te kunnen voldoen. Vanwege de variabiliteit van de p*q bekostiging is het wenselijk dat de betrokken partijen zich gezamenlijk een meerjarig beeld vormen van de ontwikkeling van volume en van kosten, opbrengsten en van de vermogenssituatie. Daarom is voorzien in het opstellen van een meerjarenraming. 8.2 Dit onderdeel biedt overeenkomstig het advies KPMG een vangnet voor grote individuele volumedalingen en een ‘bijplus’-regeling voor grote individuele volumestijgingen. KPMG adviseert een grenswaarde van 10% als drempel. Het gaat daarbij om groei of krimp die niet vooraf is voorzien (lid 2). Lid 2 geeft opties om het vangnet, resp. het bijplussen vorm te geven, zodat er ruimte is voor maatwerk en inbreng vanuit de GI die een beroep op de uitzondering doet.

De drempel voorkomt dat er (te) snel een uitzonderingsregeling gaat gelden. 8.3. Beschikbaarheidsfunctie: bij p*q bekostiging is extra aandacht nodig voor de vraag of het tarief voldoende ruimte biedt om de beschikbaarheidsfunctie voor nieuwe aanmeldingen te organiseren. Immers is de capaciteit ingericht op het gemiddelde werkaanbod, dat plotseling kan pieken. Met name voor kleinere GI’s kan dat een opgave zijn, omdat zij binnen de tariefstelling minder gemakkelijk reservecapaciteit kunnen organiseren dan grote organisaties. De omvang van reservecapaciteit is onder meer afhankelijk van de grootte van de GI. Hierdoor is het moeilijk om

8

Handreiking

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Release 2024.1.0

hiervoor een algemeen toepasbare norm te geven. Gemeente en GI bespreken wat er nodig is qua beschikbaarheidsomvang en ook hoe dat kan worden gerealiseerd. Een opslag op het tarief met geoormerkte besteding is hierbij een van de mogelijkheden. Dit onderwerp komt na het aflopen van het inlooppad aan de orde, dus nadat het landelijk tarief realiteit is. Om regionale discussies te beperken is afgesproken om dit onderwerp tijdig voor het eindigen van het inloop pad te bespreken; hiervoor kan het overleg dienen dat in de bestuurlijke afspraken is voorzien. Dat overleg kan tot algemene principes leiden, die richting geven aan het in lid 3 bedoelde overleg. 8.4. Transitie. Er worden soms specifieke afspraken gemaakt tussen gemeente en GI die het toekomstscenario beproeven. Die kunnen inhouden dat jeugdbeschermers worden ingezet bij activiteiten in het zgn. vrijwillig kader of bij preventie. Deze inzet heeft als (beoogd) effect dat minder vaak dan zonder die inzet de noodzaak ontstaat om wettelijke maatregelen toe te passen. Als dit tot gevolg heeft dat het volume en het budget voor wettelijke maatregelen daalt, kan er sprake zijn van verschuiving naar andere activiteiten van dezelfde GI, zoals bijv. preventieve activiteiten. Het kan daarom nodig en passend zijn om specifieke afspraken te maken.

Het gebruik maken van de bepaling van dit onderdeel (8.4) moet geen negatieve gevolgen hebben voor jeugdbeschermers. Dit betekent dat voor andere activiteiten het tarief, evenals voor wettelijke maatregelen, moet zijn gebaseerd op een reële ureninzet. 9. Individuele afwijking van het landelijk tarief 1.

Gemeenten kunnen afwijken van het landelijk tarief als zij daarover overeenstemming bereiken met GI’s. 2. Een afwijking is bijvoorbeeld passend in geval van een cumulatief effect van verschillen tussen de regionale situatie ten opzichte van het landelijk tarief bij de hierna genoemde kostencomponenten van het landelijk tarief, en alleen in de volgende gevallen: a. Kostencomponenten of productieve uren i.v.m. verzuim, verloop en daarmee verband houdend inwerken van nieuwe medewerkers; b. Vaste kosten als gevolg van schaaleffecten; c. Structurele complexiteit van de doelgroep, waardoor de KKPB-urennormen niet representatief zijn voor de desbetreffende GI. 3. De verzoekende partij onderbouwt een voorgestelde afwijking. 4. Een afwijking kan tijdelijk zijn of mogelijk structureel. Bij een afwijking maken lokale partijen een afspraak voor de duur van de toepassing daarvan. 4 Bij een afwijking maakt de GI een plan van aanpak, net zoals 8.2, lid 4 dat voorschrijft. 5. Dit onderdeel wordt toegepast nadat eerst onderdeel 8 is toegepast. Toelichting. Dit onderdeel voorziet in de mogelijkheid van individuele afwijkingen naast de afwijkingsmogelijkheid bij grote krimp en groei (onderdeel 8). De reden voor deze mogelijkheid is toegelicht bij onderdeel 4. 1. Bij het idee van een basistarief hoort dat individuele afwijkingen mogelijk zijn.

Dit is ook het advies van KPMG, dat inspiratie voor deze bepaling is. De afwijkingsmogelijkheid voorkomt dat het landelijke tarief – dat anders een punttarief wordt – een te strak keurslijf is. In de startsituatie zijn er ongereguleerde prijzen en is sprake van een aanzienlijke spreiding in de kostenstructuur van GI’s. Ook voor gemeenten is een afwijkingsmogelijkheid relevant om overbekostiging van efficiënte GI’s te voorkomen. 2. Het aantal afwijkingsmogelijkheden wordt ingekaderd om een te groot aantal uitzonderingssituaties en uiteenlopende regionale onderhandelingen te voorkomen. Ten aanzien van complexiteit (2c) wordt het volgende opgemerkt. Het KKPB-rapport hanteert één landelijke urennorm, waarin de gemiddelde complexiteit is verwerkt. Het is echter mogelijk dat een De duur kan korter zijn vanwege een tijdelijke situatie, of langer of zelfs onbepaald als er een structureel andere kostensituatie is. 4

9

Handreiking

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Release 2024.1.0

individuele GI structureel een zwaardere of lichtere gemiddelde complexiteit kent. Er zijn dan meer (minder) uren per maatregel nodig. Het is dus wenselijk dat er een mogelijkheid is om hierover apart afspraken te maken tussen GI en gemeente. Daarbij is het aan degene die een afwijking wenst, om dit te onderbouwen. Bijlage A van het Significant-rapport geeft lokale partijen, die dat beide willen, aanknopingspunten voor onderscheid naar complexiteit. Om discussies hierover te kanaliseren en het bepalen van complexiteit te objectiveren is het wenselijk dat de onderhoudsorganisatie een kader ontwikkelt voor de beoordeling van complexiteit. Dit kader moet draagvlak hebben bij beide partijen (gemeenten en GI’s). Zo’n kader maakt ook duidelijk welke registratie nodig is voor onderbouwing van het aantal complexe zaken. Ook voor het onderhoud van de landelijke KKPB-ureninzet is zo’n kader nodig en dient dus meerdere doelen. 3. Deze bepaling vereist een (adequate) onderbouwing die voor de wederpartij redelijkerwijs overtuigend is. 4. Het advies van KPMG volgend is een plan van aanpak onderdeel van de afspraken over afwijkingen. Waar mogelijk is het wenselijk dat de GI na verloop van tijd weer binnen de kostencondities van het landelijk tarief opereert. 5. Er kan samenloop zijn met de krimp/groei-regeling van onderdeel 8.

Bij afwijkingen wordt eerst bezien of die regeling van toepassing is. Als na de toepassing van dat artikel blijkt dat het probleem niet is opgelost (bijvoorbeeld omdat volumemutaties onder de daar genoemde grenzen blijven) komt onderdeel 9 aan de orde. 10. Uniforme tariefafspraken voor landelijk werkende GI’s 1.

2.

Voor landelijk werkende GI’s wordt gestreefd naar uniforme afspraken tussen de landelijk werkende GI en gemeenten over de toepassing van deze handreiking. Dit streven geldt ook voor andere contractvoorwaarden. De VNG neemt op zich om voor de in het eerste lid bedoelde afspraken een advies op te stellen.

Toelichting Dit onderdeel voorkomt dat landelijk werkende GI’s regionaal met verschillende tarieven te maken hebben en afwijkingen in elke regio moeten afspreken. Daarom voorziet deze bepaling in landelijke afspraken voor elke landelijk werkende GI. 11. Indexering 1. Het tarief voor het eerste jaar waarin deze handreiking geldt (2024) is gebaseerd op het kostenonderzoek over 2022, waarbij er vanaf 2023 indexering wordt toegepast om het prijspeil op 2024 te brengen, zoals hieronder aangegeven. 2. Het tarief wordt voor de jaren na 2024 eenmaal per jaar geïndexeerd volgens een vaste methodiek. 3. Wanneer er een nieuw kostenonderzoek plaatsvindt wordt de kostprijs volgend uit dat onderzoek gebruikt als uitgangspunt voor indexering, naar analogie van lid 1. 4. De basis voor indexering is de gemiddelde kostprijs, bedoeld in onderdeel 5, inclusief eventuele bijstellingen op de kostprijs die op grond van onderdelen 6 en 9 zijn toegepast. 5. Als index wordt uitgegaan van de OVA-index voor 90% van het tarief voor personele kosten en van de PPC-index voor 10% van het tarief, voor materiële kosten. 6. Bij het indexeren wordt aangesloten op de systematiek die is afgesproken in de contractstandaarden Jeugd. 7. Er vindt voorlopige en definitieve indexering plaats. Gemeente en GI verwerken beide indexeringsmomenten in hun afspraken over het tarief.

Het tarief voor jaar t+1 wordt vastgesteld op basis van de voorlopige indexering voor dat jaar. Het effect van de definitieve indexering van jaar t wordt eveneens verwerkt in het tarief van t+1. 8. De onderhoudsorganisatie publiceert de tarieven voor het komende jaar uiterlijk op 1 oktober.

10

Handreiking

Release 2024.1.0

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Toelichting. Van belang is dat indexering volgens een uniform model gebeurt en aansluit op de werkwijze in de jeugdzorg, zie: 1 Overeenkomst Contractstandaarden · Implementatie contractstandaarden Jeugd · Ketenbureau i-Sociaal Domein. Als er nieuwe of herziene standaarden worden afgesproken, gelden die ook voor deze handreiking. Ook wordt voorzien in voorlopige en definitieve vaststelling. De definitieve index wordt vaak pas bekend als de tarieven al in werking zijn. Dus toegepast op deze handreiking: Tarief 2024 bevat kostprijs 2022, definitieve index 2023 en voorlopige index 2024. Tarief 2025 bevat inhaalindex 2024 (definitief -/- voorlopig) en voorlopige index 2025. Tarief 2026 bevat inhaalindex 2025 (definitief -/- voorlopig) en voorlopige index 2026, en zo verder. In het kader van de contractstandaarden Jeugd wordt gewerkt aan een handreiking voor de wijze waarop wordt omgegaan met voorlopige en definitieve indexatie. Zodra deze regeling is afgesproken is deze ook van toepassing op de wijze van indexatie in de JB/JR. • • •

12. 1. 2. 3. 4. 5.

Invoeren landelijk tarief (inloop-pad). Het streven is dat het landelijk tarief 5 door gemeenten zo spoedig mogelijk wordt gebruikt als basistarief in de afspraken met GI’s en per 1 januari 2024 waar dat kan. Gemeente en GI passen waar mogelijk hun bestaande afspraken aan om spoedige invoering te realiseren. Om het landelijk tarief ten volle te realiseren is het inlooppad hoogstens twee jaar, waarbij per 1 januari 2026 gemeenten als uitgangspunt en GI het landelijk tarief hanteren. Het verloop van het inlooppad kan per regio verschillen. Het inloop pad wordt bepaald door het regionale tarief in stappen te verhogen naar het landelijk tarief. Het tarief wordt daarbij zo vastgesteld dat een deel van het gat tussen huidig en landelijk tarief wordt overbrugd, zoals weergegeven in onderstaande tabel. 6

Gat in 2023 tussen huidige regionale tariefopbrengst en de regionale tariefopbrengst als het landelijk tarief van kracht was geweest 7

<10% 10-20% 20-30% >30%

6.

7.

Te overbruggen percentage van het gat in: 2024 2025 2026 100% 75% 50% 33%

100% 75% 67%

100% 100%

Als ondergrens voor de toepassing van het vijfde lid geldt het tarief dat nodig is om alle fte’s voor jeugdbeschermers te bekostigen die de GI daadwerkelijk inzet. Daarbij wordt de kostprijs per fte uit het KPMG-rapport gehanteerd. Als bovengrens voor de bekostiging geldt het absorptievermogen van de GI om benodigde extra medewerkers aan te trekken. Het totaal aantal benodigde medewerkers per GI wordt bepaald door het landelijk tarief. Het absorptievermogen is het aantal medewerkers waarvan de GI aan de gemeente aangeeft dat zij die kan verwerven voor het komende contractjaar.

Dit is het tarief voor 2022 na toepassing van indexatie voor 2023 en 2024. In het kader van de regionale impactanalyse per GI zal KPMG berekenen welke tarieven corresponderen met de percentages in de tabel. 7 Dit is het gat zoals KPMG dat definieert, ofwel gat = opbrengst op basis van landelijk tarief -/- werkelijke tariefopbrengst van wettelijke maatregelen. Andere opbrengsten, buiten het tarief om, worden hierbij niet meegerekend. Als percentage wordt het gat uitgedrukt in (=als fractie van) de landelijk tarief-opbrengst. De landelijk tariefopbrengst is de fictieve opbrengst die geldt als de landelijke tarieven worden toegepast op de werkelijke volumes per GI. 5 6

11

Handreiking

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Release 2024.1.0

Toelichting Een korte periode is wenselijk om de werkdruk te verlagen. In elk geval is het inlooppad maximaal twee jaar, te rekenen vanaf 1 januari 2024. Dit betekent dat 2024 en 2025 overgangsjaren zijn, waarin het landelijk tarief nog niet ten volle geldt. Per 1 januari 2026 moet de bedrijfsvoering zó worden bekostigd dat aan de KKPB-normen is voldaan. Dit betekent dat de fte-bezetting jeugdbeschermers per eind 2025 op sterkte van KKPB is. GI en gemeenten maken regionaal afspraken en daarvoor wordt een inlooppad uitgezet dat stapsgewijs de budgettaire afstand (“gat”) tussen de huidige en de wenselijke bekostiging overbrugt. De tabel geeft dat aan. Voor de toepassing van deze tabel geldt als bodemniveau – dat dus altijd als minimum geldt – de bekostiging die nodig is om de huidige fte-bezetting (2023) te dekken. Uit het KPMG-onderzoek blijkt dat een behoorlijk aantal fte jeugdbeschermers met niettarief opbrengsten en dus tijdelijke of incidentele middelen wordt gefinancierd. Dat verandert dus met de genoemde bekostigingsregel die voor de bezetting in de startsituatie van het landelijk tarief zekerheid biedt van bekostiging via tarieven. Zoals in onderdeel 9 aangegeven komen discussies over afwijkingen van het landelijk tarief logischerwijze eerst goed tot hun recht nadat het landelijk tarief is gerealiseerd.

Vandaar dat onderdeel 9 pas in werking treedt nadat het inloop pad is afgelopen. 13. Onderhoud, monitoring en governance Er zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over het onderhoud, de onderhoudsorganisatie, monitoring en het beheer van de handreiking, waaronder de besluitvorming over aanpassingen en daaraan voorafgaande overleg. Partijen die de handreiking toepassen kunnen worden gevraagd om aan deze activiteiten hun medewerking te verlenen, zodat de werking van deze handreiking goed kan worden gevolgd en de handreiking actueel kan worden gehouden. 14. Alternatieve geschilbeslechting De partijen die de handreiking toepassen kunnen bepalen dat zij geschillen over de toepassing van de handreiking voorleggen aan de Geschillencommissie sociaal domein.

12

Handreiking

Release 2024.1.0

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Bijlage 1. Tarieven

Maatregel

Kostprijs 2022

OTS Voogdij Reclassering ITB-Harde Kern ITB-Criem STP GBM advies GBM begeleiding Samenloop

€ 12.138 € 9.282 € 10.424 € 1.856 € 2.470 € 2.470 € 2.570 € 10.410 € 2.956

Kostprijs 2023 € € € € € € € € €

12.918 9.878 11.094 1.976 2.629 2.629 2.736 11.079 3.146

Tarief 2024 € € € € € € € € €

13.525 10.342 11.615 2.068 2.753 2.753 2.864 11.599 3.294

Per jaar Per jaar Per jaar Per maand Per maand Per maand Per advies Per jaar Per jaar

13

Handreiking

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Release 2024.1.0

Bijlage 2. Monitorparameters, bedoeld in artikel 15. Bij monitoring, voorzien in de Bestuurlijke Afspraken Handreiking Landelijk tarief en bekostiging jeugdbescherming en jeugdreclassering zijn in elk geval de volgende parameters van belang, waarbij voor de begrippen wordt verwezen naar het KPMG-rapport (deel 1): 1.

De ontwikkeling van de kosten voor de drie personele categorieën (personeel voor maatregelen, personeel gerelateerd aan personeel voor maatregelen en overig en indirect personeel) en de overige kostensoorten (huisvesting, automatisering, afschrijving, apparaat, overige kosten, financiële baten en lasten).

2.

De opbouw van het bestand van personeel dat de wettelijke maatregelen, als beschreven in KKPB, uitvoert.

3.

De verhouding tussen het personeel dat werkt aan wettelijke maatregelen (zie KKPB) en aan dit personeel gekoppelde functies.

4.

Het aandeel van indirect personeel in de personele kosten.

5.

De ontwikkeling van de materiële kosten per kostensoort.

6.

Ten aanzien van de beschikbare uren:

7.

a.

Het ziekteverzuim;

b.

De instroom direct personeel en het verloop;

c.

De benodigde uren per fte voor opleiding;

d.

De benodigde uren per fte voor de initiële opleiding;

e.

De benodigde uren per fte voor inwerken;

f.

De benodigde uren voor organisatie overleggen;

g.

De benodigde uren per fte voor coördinatie van ondersteuners;

h.

De uren aan cliëntgebonden taken buiten het KKPB.

De verhouding tussen complexe en zeer complexe zaken ten behoeve van de normtijden in het KKPB.

De onderhoudsorganisatie specificeert waar nodig de parameters in consultatie met vertegenwoordigers van de gemeenten en GI’s.

14

Handreiking

Release 2024.1.0

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Bijlage 3. Verhouding met de amvb reële prijzen Jeugdwet. Deze bijlage gaat in op de verhouding tussen deze handreiking en de in voorbereiding zijnde algemene maatregel van bestuur (amvb) voor een reële prijs van jeugdzorg 8. Het voornemen is dat deze amvb per 1 juli 2024 in werking treedt. Op grond van artikel 2.11, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Jeugdwet moeten gemeenten in hun verordening regels stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdzorg en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. De amvb geeft nadere regels over deze verplichting, doordat de amvb de kostprijselementen bepaalt die ten minste in een reële prijs voor jeugdzorg verdisconteerd moeten worden. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de Handreiking ‘Inzicht in tarieven’ uit het Convenant continuïteit jeugdzorg van 2021. De amvb zal tot gevolg hebben dat gemeenten en aanbieders bij het opstellen van een contract zorgvuldiger tot een reële prijs komen. De gemiddelde kostprijzen in het kostenonderzoek van KPMG - dat als basis dient voor het landelijk tarief– zijn berekend op basis van informatie die is opgevraagd bij de dertien GI’s. Op basis van dit kostprijsonderzoek is de hoogte van deze kostprijselementen vastgelegd. Zowel de amvb als de handreiking en het KPMG-rapport hanteren kostprijselementen.

De hierbij toegepaste terminologie is vergelijkbaar, maar komt niet exact overeen. Daarom is het van belang om de verhouding tussen deze stukken inzichtelijk wordt gemaakt. De onderstaande tabel geeft aan hoe de handreiking en het door KPMG uitgevoerde kostprijsonderzoek op elkaar aansluiten. Kostprijselementen Amvb reële prijzen Jeugdwet Kosten van beroepskrachten

Cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten

Kostprijsonderzoek 9 Personeel voor maatregelen (A)

Kosten voor indexering

Personeel gerelateerd aan personeel maatregelen (B) en Pupilkosten (E) Overig en indirect personeel (C) Overige kosten (D) -

(Geen andere componenten)

-

(Geen urennorm)

Uren beschikbaar voor maatregel (G)

(Geen prestatiebeschrijving)

KKPB (Significant)

Overheadkosten

Handreiking Artikel 5 (systematiek tarief) Art 6.2 (verzuim e.d.) 10 Art. 6.4 (coördinatietijd) Artikel 9, B, lid 2a (verzuim) Artikel 5 Art. 6.3 (pupilkosten)

Artikel 5 Art. 9, B, lid 2b (schaaleffecten) Artikel 11 (indexering) Art. 6.1 (opslag buffer) Art. 8.3 (Beschikbaarheidsfunctie) Artikel 5 Art 6.2 (verzuim e.d.) Art. 6.4 (coördinatietijd) Artikel 9, B, lid 2a (verzuim) Artikelen 3, 5, 7 Artikel 9, B, lid 2c (complexiteit)

8 Jeugdzorg wordt gebruikt als verzamelterm voor jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. 9

KPMG-onderzoeksrapport, deel 1, blz. 19.

10 Verzuim en coördinatietijd zijn op zichzelf kosten van beroepskrachten; deze komen echter niet rechtstreeks in het tarief, maar via de omweg van het aantal beschikbare uren per fte voor wettelijke maatregelen. Immers, door verzuim of coördinatietijd neemt het aantal beschikbare uren af en stijgt daardoor de gemiddelde integrale kostprijs per uur.

15

Handreiking

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Release 2024.1.0

Zoals uit de tabel blijkt kent de handreiking kostencomponenten die in het landelijk of individuele tarief (kunnen) worden opgenomen en die anders zijn verwoord dan de kostprijselementen in de amvb. In de tabel is aangeven hoe de kostprijselementen uit de amvb invulling hebben gekregen in het kostprijsonderzoek en de handreiking. Daarnaast kent de handreiking een aantal elementen die een aanvulling vormen op de kostprijselementen uit de amvb.

16

Handreiking

Bijlage 4

Landelijk tarief en bekostiging JBJR

Release 2024.1.0

Kwaliteitskader jeugdbescherming en jeugdreclassering, Significant, 2023.

Bijlage 5. Prestatiebeschrijvingen jeugdbescherming en jeugdreclassering, Significant, 2023. Bijlage 6. Kostprijsonderzoek, landelijk tarief en bekostigingsvormen Gecertificeerde Instellingen, KPMG, 2023.

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13792507/1