RIS316628 Bijlage 3 Europees en G4 vergelijkend onderzoek referentienormen versie september 2023 20230911
Tekst van het document
Europees en G4 vergelijkend onderzoek naar het gebruik van referentienormen
Gemeente Den Haag , 2023
1
2
Inhoud Samenvatting........................................................................................................................................... 4 1.
Inleiding ........................................................................................................................................... 5
2.
Gebouwde voorzieningen in twee Europese steden ...................................................................... 6 2.1 Kopenhagen................................................................................................................................... 6 2.2 Stad Antwerpen ............................................................................................................................. 7
3. G4 vergelijkend onderzoek naar het gebruik van referentienormen bij de planning van gebouwde maatschappelijke voorzieningen ........................................................................................... 8 3.1
Onderwijs ................................................................................................................................ 8
3.2 Zorg & Welzijn ............................................................................................................................... 8 3.2
Recreatie.................................................................................................................................. 9
3.3
Cultuur & Bibliotheken ............................................................................................................ 9
3.4
Sport ........................................................................................................................................ 9
3.5
Commercieel ........................................................................................................................... 9
3.6
Hulpdiensten en overige voorzieningen.................................................................................. 9
3.7 Overig .......................................................................................................................................... 10 4. Europees en G4 vergelijkend onderzoek naar het gebruik van referentienormen voor de openbare ruimte en groen .................................................................................................................... 12 4.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 12 4.2
Beschouwde rapporten ......................................................................................................... 12
Natuur in en om de stad (PBL, 2023) ............................................................................................ 12 Groennormen in de stad en omgeving (Wageningen Universiteit, 2022) .................................... 13 A proposal for Green norm 2.0 (Green Cities Denmark, 2021) ..................................................... 13 4.3 Meer groen .................................................................................................................................. 13 4.3.1
Manier van meten (oppervlak) ...................................................................................... 14
4.3.2
Gelaagd normeren......................................................................................................... 15
4.3.3
Aanvullende aspecten ................................................................................................... 15
4.4
Beter groen ............................................................................................................................ 16
4.4.1
Ecosysteemdiensten en meer ....................................................................................... 17
4.4.2
Netwerken ..................................................................................................................... 17
4.4.3
Meervoudig ruimtegebruik ........................................................................................... 18
4.4.4
Conclusie ....................................................................................................................... 18
3
Samenvatting Tijdens de bespreking van “Haagse referentienormen maatschappelijke voorzieningen” (RIS307513) op 10 juni 2021 is de motie ‘Vergelijkend onderzoek naar hoogstedelijke gebieden’ (RIS309197 ) aangenomen. Daarin werd gevraagd om onderzoek te doen naar welke normen andere Europese steden hanteren. In dit onderzoeksrapport wordt in deze behoefte voorzien. Doel van dit onderzoek is dat er geleerd kan worden van andere steden. Vanwege de culturele verschillen en andere wetgeving, denk aan subsidies voor kinderopvang, sportklimaat en regels over klasgrootte, zijn vergelijkingen van normen van gebouwde voorzieningen niet snel representatief. Vergelijking met Antwerpen en Kopenhagen levert dan ook weinig inzicht op. Interessant is dat er in Kopenhagen gecombineerd gedeeld ruimtegebruik is met een mengvorm van bibliotheek en buurthuis, en idem voor een combinatie van cultuur en beweging. Van Antwerpen valt te leren dat er aparte jeugdontmoetingscentra zijn. Het G4-vergelijkend onderzoek naar referentienormen van gebouwde voorzieningen levert een aantal inzichten op. De inzichten zijn beperkt, omdat bij de opstelling van de Nota referentienormen ook al naar de G4 is gekeken. Veel inzichten zijn daarom al zijn verwerkt in de Haagse opzet.
Interessant is de aanvullende norm voor jongerencentra, die Amsterdam en Utrecht hebben en Amsterdam die een norm heeft voor dagbesteding voor ouderen. Daarnaast hebben Rotterdam en Amsterdam een norm voor stedelijke culturele voorzieningen. Deze zijn met IHP Cultuur & Bibliotheken ook in Den Haag geïmplementeerd. Voor groen is er zowel Europees als met de G4 steden vergeleken. Dit levert de volgende inzichten op: •
•
•
Het hanteren van een platte norm, zoals Den Haag doet met een min of meer harde norm in het CID houdt geen rekening met waar het groen het meest toevoegt. Groen is er voor verschillende doelen, maar dat wordt met de norm niet geborgd. Daarbij gaat het om kwalitatieve aspect, zoals het creëren van langere groene routes door Den Haag, behoefte aan ontmoeting in en verbinding met stadsparken, biodiversiteit, klimaatadaptatie, mentale en hittestress. Ook zorgen toevallige grenzen en ontbreken van een gelaagdheid (van buurt tot stadsniveau). Deze aspecten komen in methodieken van andere steden wel naar voren. Andere steden hanteren geen harde oppervlaktenorm (in vierkante meters) of gaan uit van biofactor (Berlijn en Londen) of een gelaagde benadering (veel in Duitsland), die flexibiliteit bieden met verticaal groen of gebruik van bomen. Ook hebben steden afstandsnormen, aanvullend op of in plaats van oppervlaktenormen, met een minimale afstand tot een stadspark of wijkgroen. Veel normen zijn op stedelijk of gebiedsniveau en niet op projectniveau. Er zijn geen steden gevonden die op projectniveau een harde norm hanteren. De gemeente Amsterdam heeft in hun coalitie-akkoord opgenomen de flexibele (maar hogere liggende) groennorm nog verder te flexibiliseren. In Utrecht wordt nadruk meer op kwalitatieve aspecten gezet en Rotterdam hanteert alleen afstandsnormen voor groen en spelen.
Andere steden hanteren kortom de norm flexibeler, maar hebben ook kwalitatieve referentienormen of referentiewaarden. Hiermee wordt ingezet op meer bomen, die een beperkte hoeveelheid groen op maaiveld hebben (de stam + boomspiegel), maar dragen met de boomkroon substantieel bij aan biodiversiteit en tegengaan van hittestress.
4
1. Inleiding Tijdens de bespreking van “Haagse referentienormen maatschappelijke voorzieningen” (RIS307513) op 10 juni 2021 de motie ‘Vergelijkend onderzoek naar hoogstedelijke gebieden’ (RIS309197) aangenomen. Daarin werd gevraagd om onderzoek te doen naar welke normen andere Europese steden hanteren. In dit onderzoeksrapport wordt in deze behoefte voorzien. Doel van dit onderzoek is dat er geleerd kan worden van andere steden. Het onderzoek bestaat uit 3 onderdelen: 1. Onderzoek naar gebouwde voorzieningen in twee Europese steden Vanwege de culturele verschillen en andere wetgeving, denk aan subsidies voor kinderopvang, sportklimaat en regels over klasgrootte, zijn vergelijkingen van normen niet snel representatief. Er is op bestuurlijk verzoek naar twee steden gekeken: Antwerpen en Kopenhagen. Hierbij worden verschillen toegelicht. Ingegaan wordt op specifieke voorzieningen en combinaties die er in deze steden zijn, die in Haagse context ook relevant kunnen zijn. 2. G4-vergelijkend onderzoek naar gebouwde voorzieningen. Omdat het moeilijk is te vergelijken met Europese steden is een vergelijking gemaakt van de normen binnen de G4 in Nederland. 3.
Onderzoek naar referentienormen voor groen en openbare ruimte Anders dan gebouwde voorzieningen is er voor groen en openbare ruimte wel goed mogelijk vergelijking te maken met andere Europese steden, maar zijn daarnaast de normen en werkwijze van andere Nederlandse (G4) steden ook relevant. Het onderzoek heeft vooral plaatsgevonden op basis van deskresearch. Er zijn ook een paar interviews gehouden en is er gesproken met ambtenaren van andere G4 gemeenten om ervaringen uit te wisselen.
5
2. Gebouwde voorzieningen in twee Europese steden Voor het bepalen van de referentienormen is naar andere Europese hoogstedelijke milieus gekeken. Vanwege de culturele verschillen en andere wetgeving, denk aan subsidies voor kinderopvang, sportklimaat en regels over klasgrootte, zijn degelijke vergelijkingen niet representatief en heeft dit onderzoek niet geleid tot verandering van inzicht. Er is verzocht daarbij naar twee steden te kijken, waarbij verschillen worden toegelicht. Hierbij is gekozen voor twee steden met een vergelijkbaar aantal inwoners als Den Haag en qua welvaart en cultuur raakvlakken met Nederland.
2.1 Kopenhagen In Kopenhagen geldt de leerplicht vanaf zes jaar (klas 0) en blijven de kinderen tot hun zestiende in dezelfde school (klas 9 of 10). De klassen zijn bovendien kleiner met gemiddeld 20 leerlingen. Het aantal uur dat er aan gym gedaan moet worden ligt veel hoger als in Nederland dat met 45 minuten per dag bewegen, waarbij gymzaal en buitenruimte zelf onvoldoende zijn en ook ruimte wordt ingeraamd om in gangen e.d. te bewegen (zogeheten beweegscholen). De stad voorziet in andere sportvoorzieningen, omdat andere sporten favoriet zijn. Sporten die hier populair zijn zoals hockey- en korfbal, worden daar nauwelijks beoefend en voor het daar geliefde handbal voorziet de stad juist in voldoende sporthallen met een aanzienlijk grotere tribunecapaciteit dan wij in Den Haag kennen. In Kopenhagen zijn in meerdere wijken combinaties van gebouwen van cultuur (theater) en sport, met als doel de participatie in buurten te vergroten en de gezondheid te bevorderen. Deze mengvorm kennen we in Nederland minder en enkel als special met ook dans in Haagse Sportcentrale. Exemplarisch is ‘huis voor cultuur en beweging’ is de Streethal in Orestad, een nieuwe wijk in Kopenhagen. In dat gebouw is ruimte voor dansen en yoga, lokalen voor creatieve cursussen, een klimmuur en een basketbalzaal.
De bibliotheek is vaak de hoofdfunctie van een sociaal centrum, hier bekend als het Kulturhus. Er is dan geen apart welzijnscentrum. Deze kulturhussen hebben de vorm van verzamelcomplexen: naast bibliotheek en bijeenkomstruimte, ook VVV-toeristeninformatie, peuterspeelzaal, gezondheidskliniek en cultuurcursussen. Tot slot vallen in Kopenhagen andere diensten onder de 1e lijnszorg, zoals 6
bijvoorbeeld de spoedeisende hulp van ziekenhuizen en geldt dit bovendien als een gemeentelijke dienst.
2.2 Stad Antwerpen Antwerpen kent vanuit de Vlaamse overheid een 10 jarige volledige leerplicht voor 6 t/m 15 jarigen, gevolgd door een deeltijdleerplicht. Een leerling volgt van zijn zesde tot en met zijn twaalfde levensjaar primair onderwijs op een basisschool. De lagere school bestaat uit zes leerjaren. Het maximum aantal kinderen in een klas is 25. De kinderopvang voor baby’s en peuters is in België goedkoper dan in Nederland. Daarnaast mogen kinderen al vanaf 2,5 jaar naar school. De kleuterafdeling van een basisschool is voor kinderen vanaf 2½ tot 6 jaar. In ons land gaan kinderen pas vanaf 4 jaar naar school. Voor die tijd betalen ouders in Nederland (afhankelijk van hun inkomen) veel geld voor de kinderopvang. Qua groepsruimtes zijn er ook verschillen tussen Nederland en België. De ruimtes in België zijn vaak groter en in Nederland wordt meer gewerkt met herkenbare hoeken waar de kinderen kunnen spelen. Hiermee zijn de onderwijsnormen voor basisscholen niet te vergelijken met België. Net als in Nederland is voetbal populair. Maar naast voetbal zijn tennis en basketbal zeer populaire sporten. De verdeling van eigenaarschap van de sportvoorzieningen verschilt ook met die bij ons. Zo beschikt het onderwijs bijvoorbeeld over het belangrijkste aandeel van de sportzalen en is er daarnaast Administratie Vlaanderen met een aanzienlijk aandeel.
Voor welzijn geldt dat er aparte jeugdontmoetingscentrum zijn. Opvallend is de komst van Fablabs. Dit zijn technieklokalen voor school en buurt met 3D-printer en machines.
7
3. G4 vergelijkend onderzoek naar het gebruik van referentienormen bij de planning van gebouwde maatschappelijke voorzieningen Voor de evaluatie van de Nota referentienormen is ook naar de andere G4 gekeken. Bij de opstelling van de Nota Referentienormen in 2020 is ook al gekeken naar de normen binnen de G4. Daarom levert de vergelijking beperkt inzicht op. Opvallend is het verschil met Rotterdam als het gaat om de hardheid van de norm. De norm is in Rotterdam globaler van aard met een norm voor hele stad en geen differentiatie naar woonmilieus. In Rotterdam heten de norm ook geen normen, maar referentiewaarden. Deze referentiewaarden zijn vooral als vuistregel en start van het gesprek bedoeld en niet als harde norm. Grote projecten of combinaties van projecten in eenzelfde gebied hebben er wel mee te maken. In zowel Utrecht als Rotterdam zijn referentienormen/waarden onderdeel van de Omgevingsvisie. De verschillen zijn per type functie hieronder toegelicht.
3.1 Onderwijs In vergelijking met andere G4-steden is er voor onderwijs nagenoeg geen verschil in het gebruik van referentienormen. Amsterdam geeft wel aan soms naast integraal kindcentrum ook apart kinderopvangruimte te reserveren, omdat er ook behoefte is aan een aparte voorziening naast een integraal kindercentrum.
3.2 Zorg & Welzijn Bij zorg en welzijn geldt dat andere G4-steden meer normen hanteren dan Den Haag, doordat normen zijn uitgesplitst. Utrecht maakt daarbij ook onderscheid in wijken met meer of minder sociale woningbouw. Dit is voor de bestaande stad relevant, maar met een vast percentage sociale woningbouw over de stad als doel is een gedifferentieerde norm voor Den Haag niet noodzakelijk. In Utrecht en Amsterdam wordt ook een norm voor een jongerencentrum, -huiskamer of jeugdhonk gehanteerd. Aan deze voorziening is ook behoefte in Den Haag. Omdat voor centrum stedelijke gebieden de norm echter slechts 1 per 10.000 woningen is (voor een centrum van 200 m2 bvo, die makkelijk inpasbaar is), wordt deze in de praktijk weinig in voorzieningennota’s voor een gebied specifiek opgenomen. De norm helpt wel om te zorgen dat er met de groei van de bevolking voldoende jongerencentra bijkomen. Bij eerstelijnszorg is in Utrecht en Amsterdam sprake van één norm. Hierin is in tegenstelling tot Den Haag binnen deze norm een categorie ‘overig zorg’ opgenomen, die in Den Haag ontbreekt. Bij deze categorie overig worden genoemd psycholoog, diëtist, logopedist, kraamzorg, maatschappelijk werk. Feitelijk gaat het hier over wijkgerichte tweedelijnszorg. Deze functie ontbreekt in definitie van Den Haag.
Als we echter naar metrage van de norm kijken is er geen verschil en komen de normen van G4 met elkaar overeen. Dan hebben sommige G4 gemeenten ook normen voor verpleeghuis en hospice. Deze hebben echter in praktijk geen relatie met groei van de stad, maar met demografische ontwikkelingen. Vanuit evaluatie vanuit andere gemeenten krijgen we dan ook mee dat deze norm niet altijd wordt toegepast en er voornemens zijn om geen normen meer te hanteren. Dit geldt ook voor de norm voor voedselbanken.
8
Wel geldt dat Amsterdam een norm heeft voor dagbesteding en daar ook financiële behoeften worden gekoppeld aan de groei van de stad.
3.2 Recreatie Amsterdam heeft als enige G4-stad referentienormen voor schooltuinencomplex, volkstuinen, speeltuingebouw en kinderboerderij. Deze wordt in praktijk echter nauwelijks gebruikt.
3.3 Cultuur & Bibliotheken Amsterdam en Rotterdam hebben anders dan Den Haag geen aparte norm voor cultuuranker en bibliotheek, maar een norm voor beide. Dit is voor Den Haag niet logisch, gelet op het subsidiestelsel voor cultuurankers en personeel van bibliotheken in gemeentelijke dienst. Wel geldt dat in de andere gemeenten de norm op wijkniveau is, terwijl de Haagse cultuurankers op stadsdeelniveau zijn georganiseerd. Vanuit maatwerk wordt in Den Haag ook op wijkniveau cultuurankers opgenomen met in het IHP Cultuur & Bibliotheken binnen de grote gebiedsontwikkelingen cultuurankersatelieten opgenomen. Amsterdam en Rotterdam hebben daarnaast ook een norm voor stedelijke voorzieningen. Met de beantwoording van de motie “neem cultuur serieus in de gebiedsontwikkeling” is dat nu voor Den Haag ook het geval, waarmee er op dit vlak geen verschillen meer zijn. Wel geldt dat Amsterdam nog een norm heeft voor voldoende aandacht voor beeldbepalende kunst in de openbare ruimte. De norm is echter niet kwantitatief van aard, het is meer een doel. Het is aan te bevelen dit doel ook voor Den Haag toe te passen. Den Haag heeft namelijk ook beleid dat hierop aansluit.
3.4 Sport Alle G4-gemeenten hebben referentienormen voor sport. Den Haag houdt als enige rekening met Fitness/sportschool en Dans/vechtsport. Dat gebeurt in de Binckhorst (norm in voorzieningennota Binckhorst) en is ook in het voorzieningenonderzoek CID meegenomen. De hoogte van de norm is wel verschillend. Voor buitensport zijn kentallen flink verschillend. Amsterdam heeft voor centrum stedelijk een fors lagere norm, terwijl Rotterdam weer een hogere norm heeft. Dit hangt vermoedelijk samen met verschil in samenstelling met in Amsterdam veel minder kinderen.
3.5 Commercieel Geen enkele G4-stad heeft referentienormen voor commercieel vastgoed. Den Haag houdt wel rekening met horeca en dienstverlening, in het voorzieningenonderzoek CID met normen gekoppeld aan de groei van de stad. De reden dat andere gemeenten dit niet doen, heeft te maken met een scheiding tussen maatschappelijke voorzieningen en economisch beleid en marktwerking. Er wordt echter daarover wel nagedacht bij andere gemeenten.
3.6 Hulpdiensten en overige voorzieningen De gehele G4 heeft geen oppervlaktenorm voor hulpdiensten. Bij groeiend inwonertal neemt druk op die voorzieningen ook toe, vooral politie en ambulance. Brandweer, politie en ambulancediensten hebben ieder hun eigen huisvestingsbeleid. Die worden niet vanzelf meegenomen bij gebiedsontwikkeling. Het valt aan te bevelen om hun huisvestingsbehoeften te benoemen in de nota referentienormen, zonder oppervlaktenorm. Zo worden ze wel meegenomen in gebiedsontwikkeling.
9
3.7 Overig Hieronder valt onder meer gebedsruimte. Geen enkele G4-stad heeft hier referentienormen voor. Gemeenten hebben geen taak om te voorzien in gebedsruimte, maar kunnen per geval meewerken aan initiatieven vanuit geloofsgemeenschappen. Vergelijkend overzicht G4 Den Haag
Utrecht
Rotterdam
X X X X (x) onderdeel X basisnorm
X X (x) onderdeel basisnorm
X X X
Zorg & Welzijn Buurthuis
X
X en onderscheid wijksterkte X
X
Jeugdhonk/ Jongerenhuiskamer Servicepunt XL Centrum Jeugd en gezin
X verdeeld in 2 normen X
X X
X (wijkzorg) X In 2 normen
X X
X X
X X X X X
X Onder overig X X Onder overig X X
X Een norm
X
Onderwijs Basisschool en kinderopvang Middelbare school Speciaal onderwijs
Eerstelijnszorg • huisarts • tandarts • apotheek • fysiotherapeut • verloskundig • Psycholoog diëtist, logopedist, kraamzorg, maatsch. werk Dagbesteding Hospice Verpleeghuis Hulp richting werk en armoede Begeleid wonen, vervangend tehuis en opvang Voedselbank
Recreatie Schooltuinencomplex/ Volkstuinen Speeltuingebouw/ Kinderboerderij Scouting Hulpdiensten Brandweer Politie Ambulancepost
Amsterdam
X
X X
X X
X in 2 normen (maar zonder norm)
X
X
(maar zonder norm)
X
X X
X
10
Cultuur & Bibliotheken Cultuuranker Broedplaats/atelier
X
Bibliotheek
X
Musea/Stedelijke zaal (schouwburg bioscoop, poppodia) Kunst in de openbare ruimte Sport Sporthal Fitness/sportschool/ Dans/vechtsport
Zwembad Buitensport
Werk en inkomen Servicepunt (070) Sociale werkplaats Commercieel Horeca
Dienstverlening (kledingreparatie-, kapper, stomerij, pakketophaalpunt, darkstores)
X Bij cultuur wijk Bij cultuur wijk X
X
X Bij cultuur wijk Bij cultuur wijk X
X
X
X
X tussen 2 m2 en 9 m2 per woning
X Via prognose
X Tussen 4,3 m2 en 7,9 per woning (omgerekend norm is per bewoner)
X X Wel Binckhorstnorm en voorzieninge nonderzoek CID X Tussen 4m2 en 10 m2 per woning (voorzieninge nonderzoek CID 2,6 m2 per woning)
Wel voorzieninge nonderzoek CID Wel voorzieninge nonderzoek CID
Bedrijfsruimte (lastmile stadsdistributie, onderhoud en reparatiediensten, circulaire dienstverlening, fietsreparatie) Vrijetijd/kleinschalige Wellness Overig Gebedsruimte
11
4. Europees en G4 vergelijkend onderzoek naar het gebruik van referentienormen voor de openbare ruimte en groen 4.1 Inleiding Wereldwijd leeft de discussie over normeren van groen sinds een paar jaar weer op. Het hanteren van een groennorm is gangbaar maar er is geen uniforme manier om groen te meten of te normeren. Dat maakt het in het kader van dit onderzoek ook onmogelijk om de Haagse groennorm direct te vergelijken met die van andere Europese steden; het maakt immers nogal uit wat je wel en niet meerekent (bijvoorbeeld privaat groen en sportplaatsen wel of niet meerekenen). Het ligt niet voor de hand om een bestaande norm van een andere Europese stad te kopiëren, maar we kunnen wel ingrediënten van de aanpak van andere steden overnemen. Interessante ingrediënten zijn: -
de waarde en betekenis van bomen benutten qua belang mentale en hittestress en biodiversiteit en vooral te zorgen dat groen ook evenredig is verdeeld - De gelaagde normering is vooral interessant om de betekenis van grote groengebieden, de duinen en het strand als betekenis voor wonen in Den Haag te betrekken. Plus om ook in Binckhorst en Zuidwest op een vergelijkbare manier te kunnen werken. - Aandacht voor het ontwerpproces van de openbare ruimte, waar alle ingrediënten bij elkaar komen - Aanvulling is wenselijk door kwalitatieve ingrediënten toe te voegen en hier in financiële berekening rekening mee te houden. - Kijken naar bereikbaarheid van groen en sport vanuit de woning en de koppeling aan sportieve en groene netwerken. Routes door gras/groen of langs het water zijn van hogere kwaliteit dan via trottoirs of door stegen. De hernieuwde discussie over normeren van groen is ingegeven door verdichting van steden, klimaatverandering en een toenemende zorg over de leefomgeving en leefbaarheid. In Nederland trok Natuur & Milieu in februari 2022 aan de bel om te waarschuwen dat Nederland steeds verder versteent. Het antwoord daarop is vooralsnog vooral praktische acties zoals ‘tegelwippen’ en extra bomen planten. Maar ook klimaatbeleid met “groen tenzij” als algemeen uitgangspunt.
Maar tegelijkertijd ontbreekt het Natuur & Milieu aak aan concrete richtlijnen en handvatten om dit te bereiken.
4.2 Beschouwde rapporten In dit vergelijkend onderzoek hebben een drie rapporten gediend als input. In deze rapporten is ook vergelijkingen gemaakt zijn tussen verschillende steden. Deze rapporten geven inzicht in de werking van de groennorm en alternatieve methodieken.
Natuur in en om de stad (PBL, 2023) Het Planbureau voor de leefomgeving (PBL) heeft recent gepoogd hier antwoord op te geven, met het rapport Natuur in en om de stad (pbl.nl). Hieruit komt een aanpak waarbij een aantal randvoorwaarden belangrijk zijn. Het gaat dan met name om ruimtelijke (hoeveelheid, ruimtelijke samenhang) en kwalitatieve (ontwerp, inrichting en beheer) randvoorwaarden. Het PBL concludeert dat op het eerste oog een eenvoudige, kwantitatieve norm voordelen biedt wat betreft het kunnen monitoren van de hoeveelheid groen en het kunnen vergelijken van gemeenten. Uit een schets van de huidige en potentiële ruimte voor groen in Nederlandse steden blijkt echter dat zo’n norm in het merendeel van de situaties niet of nauwelijks sturend zal zijn. Onduidelijk is of aan de norm al is voldaan, kan worden voldaan en/of deze als onrealistisch (en dus niet haalbaar) zal worden ervaren. Dat zal zelfs gelden als normen verder worden gedifferentieerd naar type van 12
gebied of ontwikkeling (bestaand of nieuwbouw). Daarbij geldt dat de inspanningen om alle benodigde data consistent te verzamelen en te verwerken bij differentiatie snel toenemen en het voordeel van de eenvoudige monitoring en de vergelijkbaarheid al snel verloren gaat.
Groennormen in de stad en omgeving (Wageningen Universiteit, 2022) De Wageningen Universiteit publiceerde in december 2022 het rapport Groennormen in de stad en omgeving. Dit rapport brengt in beeld hoe goed de baten van groen in en om de stad en gemeentelijke groennormen wetenschappelijk onderbouwd zijn. Het rapport komt tot de conclusie dat er voldoende wetenschappelijk bewijs is over de meerwaarde van stedelijk groen voor de baten biodiversiteit, gezondheid & leefbaarheid en klimaatadaptatie. De Wageningen Universiteit geeft aan dat er negen groennormen geëvalueerd zijn op hun wetenschappelijk onderbouwing van de baten: 1. Puntensysteem Natuurinclusief Bouwen 2. Zicht op drie bomen 3. 300 m tot groene ontmoetingsplek 4. 75 m2 groen per woning binnen 300 m 5. 30% kroonbedekking op wijkniveau 6. 50 m2 stadsgroen per inwoner (min. 9m2 ) 7. 1,6 m groene route per inwoner 8. Minimaal 3000 m groene route van gemiddeld 50 m breed binnen 500 m 9.
Recreatieve opvangcapaciteit De Wageningen Universiteit doet de volgende aanbevelingen voor het huidige gebruik van gemeentelijke groennormen: • Duidelijk aangeven wat onder groen wordt verstaan; • Behalve kwantiteit ook kwaliteit opnemen; • Duidelijk aangeven voor welk(e) gebied(en) een norm geldt; • Bij voorkeur zou een norm meerdere baten moeten opleveren, want dat is efficiënter; • Een zekere mate van flexibiliteit, afhankelijk van de situatie ter plekke; • Een vorm van afdwingbaarheid, bijvoorbeeld in de vorm van verplichte opname in tenders bij ontwikkeling woningbouwlocaties, het halen van een minimumaantal punten in een biodiversiteitspuntensysteem bij vergunningen of het verplicht inschakelen van een groendeskundige beleidsmedewerker aan het begin van een woningbouw- of gebiedsproces.
A proposal for Green norm 2.0 (Green Cities Denmark, 2021) Het onderzoek “A proposal for Green norm 2.0” van Green Cities Denmark (Januari 2021) geeft een goede momentopname van de aanpak in Denemarken en van steden in een aantal andere lidstaten. Er wordt hierin onderscheid gemaakt tussen meer groen en beter groen. Dat is in dit onderzoek aangevuld met ervaringen bij G4 gemeenten.
4.3 Meer groen De groennorm wordt Europees verschillend ingezet: een ambitie om naartoe te werken, een keiharde randvoorwaarde of een ondergrens als stoplicht. In de meeste steden gaat het vooral om ambitie.
13
4.3.1 Manier van meten (oppervlak) Er bestaat geen uniforme manier om groen te meten. Dat is de uitkomst van “A proposal for Greennorm 2.0”, (Januari 2021). Elke stad doet het op zijn eigen manier, ook binnen verschillende landen. De ene stad hanteert een groennorm voor de stad als geheel en de andere voor een specifiek gebied. Verschillen zitten er ook in een groennorm per inwoner of woning en een groennorm om het aantal m2 groen toe te laten nemen. Een vergelijkende studie onder 29 Deense steden is illustratief. Bijna geen van de steden meet haar doelstelling op dezelfde manier. Sommige steden meten al het groen mee: van sport- en speelplaatsen met kunstgras, groen op schoolterreinen, groen in straatprofielen en privaat groen. Andere steden hebben een lagere norm en tellen alleen parken. 21 van de 29 steden in het Deense onderzoek hebben een ambitie op het gebied van groen. Echter slechts 3 steden hebben een plan en systeem om het doel voor meer groen ook echt te bereiken. G4-steden en andere Nederlandse steden De G4 steden in Nederland zijn allemaal bezig met groennormen. Amsterdam is het verst en differentieert de norm naar drie bebouwingstypologieën. De Haagse referentienormen zijn voor een belangrijk deel hiervan overgenomen. Hierbij heeft Amsterdam ook onderscheid in ecologisch en gebruiksgroen gemaakt.
Met de vaststelling van de normen in Amsterdam zijn de discussies er niet minder van geworden. De norm halen is in stedelijke gebieden lastig en vraagt dure ingrepen. De norm wordt daarmee per gebied ook snel anders gedefinieerd of van afgeweken. Anders definiëren houdt in dat hoe dichterbij het centrum hoe meer er wordt meegeteld (privaat, daken). Afwegen betekent dat de norm zacht is en beredeneerd afwijken mogelijk is. In Amsterdam is flexibilisering van de groennorm opgenomen in het coalitieakkoord opgenomen. Dit moet 10 miljoen Euro per jaar opleveren aan minder investerings- en onderhoudskosten. Dat de norm hoger is als Den Haag is in de uitwerking niet altijd het geval. Het is een streefnorm, waarvan wordt afgeweken. De bezuiniging betekent niet dat groen geen aandacht krijgt. Groen doet ertoe, krijgt aandacht en is een ruimtelijke claim met waarde. De Integrale Ontwerpmethode Openbare Ruimte (IOOR) wordt vooral ingezet om de juiste integrale afwegingen transparant te kunnen maken. Dus zonder aanvullende of verfijnde normen/rekenmethodes. In Utrecht ligt een groenstructuurplan dat zich laat samenvatten als: beter groen in de stad, sneller naar buiten met goede verbinden en meer groen om de stad. Het plan is om vooraf aan de randen van de stad groen toe te voegen en gaat uit van normen voor de stad als geheel. Dus niet verfijnd naar stadsdelen of wijken.
Rotterdam heeft te maken met veel woningbouw in hoogstedelijk gebied. Met hoge dichtheid wordt het behalen van groennorm lastiger, daarom gaat Rotterdam uit van afstandsnormen, waarbinnen aaneengesloten groen aanwezig moet zijn. Een aantal steden heeft de 3-30-300 regel geadopteerd, waaronder Zwolle. De regelkomt neer op 3 bomen zichtbaar vanuit elk huis, 30% bladerdek (boomkroondekking) in elke buurt en binnen 300 meter vanaf iedere woningen een park of groene ruimte (https://digitaal.hortipoint.nl/vergroenenvan-de-stad/de-3-30-300-vuistregel/). Deze laatste norm is in de ogen van het planbureau vooral zo geformuleerd vanwege zijn sterke communicatieve waarde. Een eenvoudige, makkelijk te onthouden norm maakt het makkelijker om aandacht te vragen voor het meenemen van voldoende groen in besluitvormingsprocessen. De norm richt zich niet op oppervlakte groen, maar op realiseren van bomen.
14
Openbare ruimte Groen
Den Haag
Amsterdam
Utrecht
Rotterdam
Harde norm CID (Structuurvisie), Zachte norm afhankelijk gebied inclusief spelen en veldjes en sport 10 tot 26 m2 per inwoner
Zachte norm 16 m2 –28 m2 per inwoner, onderscheid ecologisch en gebruiksgroen
Kwalitatief Niet per inwoners afstandsnorm en stad als geheel.
Niet per inwoner, maar afstandsnorm voor aaneengesloten groen/sport en spelen van 1.000 m2 en 5.000 m2
Figuur 1 G4 vergelijking naar referentienormen in de openbare ruimte
4.3.2 Gelaagd normeren Het gebruik van groennormen is niet nieuw. In de jaren 70 definieerden we de kwaliteit van de leefomgeving met het kwantificeren van de hoeveelheid blok-, buurt-, wijk- en stadsgroen. In Duitsland zijn in 1973 zelfs landelijke afspraken gemaakt met een gelaagdheid naar woongebied, stadsdeel en stad. Deze aanpak is in Duitsland nog steeds de leidraad getuigt een recent onderzoek. Berlijn spant de kroon met het monitoren hoe de inwoners “verzorgd” worden met groen. In de Duitse 1973 norm wordt uitgegaan van minimaal 6-15 m2 groen per inwoner die vervolgens gelaagd wordt uitgewerkt afhankelijk van locatie kenmerken. Dus verdeeld naar woning, woonomgeving, stadsdeel en stad. Dat biedt de mogelijkheid om met een zeer groen ommeland als München een lagere norm van 4 m2 groen per inwoner voor lief te nemen. Voor Den Haag is de kwaliteit van de duinen en de zee onmiskenbaar en zou op die manier kunnen meewegen evenals het Haagse Bos op stadsdeel/CID-niveau.
4.3.3 Aanvullende aspecten In het Deense onderzoek “A proposal for Greennorm 2.0” is naast gelaagd normeren uitgezocht welke aanvullende rekenmethodes er worden gebruikte om op kwantiteit te sturen. 1. Minimale afstanden tot stadsparken (leefkwaliteit) 2. Normen voor natuurinclusief bouwen (BIO-factor) 3. Eisen voor groene daken, gevels en andere groene infrastructuur (klimaatadaptatie). 4. Bomenplan met aandacht voor diversiteit en bladoppervlak (hittestress) De laatste drie punten passen wij in Den Haag al toe, voor zover juridisch mogelijk. Dus naast de kwantitatieve referentienormen.
15
1 Afstanden Vergelijkbaar met onze voormalige jaren ’70 normen1 van blok, buurt, wijk en stad gebruiken ze in Scandinavië en Duitsland een vergelijkbare norm. Voor iedereen binnen een afstand van 300-500 meter een park van 2000-5000m2 voor spelen en ontmoeting. Dit lijkt een goede graadmeter voor zowel omvang als nabijheid van substantieel groen dat ruimte geeft voor sporten, spelen, ontspannen en ontmoeten. Het zou te overwegen zijn voor CID ook een dergelijke aanvullende norm te hanteren. Amsterdam heeft dat ook: zowel buurtgroen als stadsparken dienen te voet binnen circa 10 minuten te bereiken te zijn. Voor buurtgroen is een norm gesteld van 250 meter. Stadsparken kennen een afstandsnorm van 750 meter. Hierbij is de omvang van stadsparken en buurtgroen niet nader gedefinieerd. Dit is gebeurd vanuit het principe: hoe verder van het centrum van de stad hoe ruimer een stadspark en omgekeerd hoe dichterbij het stadscentrum hoe meer meetelt om kwaliteit te realiseren. 2 De bio-factor Hoe groen is groen? Met een simpele benadering (spreadsheet) kunnen gebiedsontwikkelingen of plotontwikkeling worden doorgerekend aan de hand van een van te voren meegegeven score. Bijvoorbeeld een biofactor van 0,6 betekent dat alle onderdelen (asfalt, water, gras) in oppervlaktes word gescoord op biologische waarde en dat het gemiddeld op de 0,6 moet uitkomen.
Er zijn wereldwijd meerdere systemen (Seattle, Sweden, Berlijn, Londen) maar het principe gaat over de biofactor. Deze norm is goed te combineren met andere normen die alleen over m2 groen op een hoger schaalniveau waar kwaliteit buiten beschouwing blijft. Hierbij zitten er ook grote verschillen tussen steden. Londen heeft 0,4 als factor , terwijl Berlijn met bijna dezelfde rekenmethodiek 0,6 hanteert als minimale score. Dit kan verklaard worden door grote inzet van Londen op bomen. 3 Daken en muren benutten Singapore hanteert het simpele principe dat alle ingenomen groene ruimte op daken of muren moet worden gecompenseerd. Een simpele rekensom die op plotniveau kan worden toegepast. Andere (Europese) steden meten de hoeveelheid groene daken afgezet tegen het aantal inwoners, Zo doet Stuttgart het erg goed met 5,7 m2 omdat het vergroenen van daken bij nieuwe ontwikkelingen verplicht stelt. Londen heeft tussen 2010 en 2017 de hoeveelheid vergroend dak verdubbeld maar blijft met 0,17 m2 per inwoner achter op Stuttgart. 4 Bomenplan en bladoppervlak Net als veel andere Europese steden heeft Den Haag een goed beeld van het aantal straatbomen en voert een strak vervangingsbeleid. In sommige landen wordt voor elke verdwenen boom 2 stuks terug gepland.
Ook wordt er meer gekeken naar de kwaliteit in de zin van soortendiversiteit en het belang van toekomstbomen in verband met kroonoppervlakte. Londen monitort bijvoorbeeld de hoeveelheid bladoppervlak in plaats van stammen tellen. In Kopenhagen streven ze naar een totaal kroon oppervlak van 20% van de totale openbare ruimte. Den Haag zet met het coalitie-akkoord 2022 in op uitbreiding van het kroonoppervlak met 5%. In dit onderzoek en ook elders in de literatuur is geen norm gevonden, die het aantal inwoners koppelt aan het aantal bomen of de hoeveelheid kroonoppervlak. Ook zijn er geen normen die gaan over de nabijheid van bomen anders dan de nabijheid van substantieel groen (parken onder handbereik).
4.4 Beter groen Kwantiteit en kwaliteit gaan hand in hand. Vanuit die insteek beschrijft het Deens onderzoek twee invalshoeken. In deze notitie worden de kwalitatieve aspecten die voor Den Haag relevant zijn kort beschreven. 1
Dat heette “Parken onder handbereik”
16
4.4.1 Ecosysteemdiensten en meer De waarde van de leefomgeving voor mens, plant en dier wordt op verschillende manieren gemeten en beschreven. De benadering van ecosysteemdiensten (economische waarde) is internationaal gangbaar. Daarnaast is er per stad beleid op groen gerelateerde onderwerpen. Dat kan gaan over bomen, ecologie, educatie, gezondheid, spelen, recreatie of combinaties. Vaak is beleid doorvertaald naar ontwerpstandaards.
4.4.2 Netwerken Niet alleen de vierkante meters tellen maar vooral ook het netwerk dat groen vormt en de bruikbaarheid voor mens, plant en dier. Netwerken zijn over het algemeen opgenomen in beleidsnota’s met de ambitie deze te laten aansluiten op regionale structuren. De uitwerking op gebiedsniveau is onderdeel van het ontwerp. Netwerken kunnen meegenomen worden bij ruimtelijke planvorming: draagt de gebiedsontwikkeling bij aan verbinden van groen, of onderbreekt het juist groene netwerken (of ecologische netwerken zoals vliegroutes). Natuur en Recreatief netwerk In tal van Europese steden is de inzet om een groen netwerk in steeds smallere verbindingen, diep de stad te laten binnendringen. Elementen zijn hierbij bomen, maaiveld groen en wateroevers. Bij groenblauwe verbindingen gaat het in Amsterdam, Eindhoven en Utrecht om de groene scheggen of wiggen: de grote groengebieden die tot diep in de stad binnendringen, en daarmee voor stadsbewoners de groene verbindingen naar het buitengebied vormen. Voor het CID zijn deze met Haagse Bos op orde en wordt met visie voor doortrekking Groene Schenk hierop verder ingezet. Sportief netwerk Naast deze rekenmethodes is er ook veel aandacht voor netwerkbenaderingen. Hierbij gaat het zowel om stedelijk ecosysteem gericht op dier als recreatief of sportief netwerk.
In Amsterdam Noord is recent ingezet op sportief netwerk, waarbij nieuwe compacte sportvelden/playgrounds XL worden gerealiseerd in nieuw gemengd stedelijk gebied. Ingezet wordt om verder gelegen locaties intensiever te gebruiken (meer kunstgras) en nieuwe grootschalige sportvelden worden gerealiseerd aan de rand van de stad. Het geheel wordt ingericht als een sportief netwerk met sporttoestellen en kindvriendelijke langzaam verkeer verbindingen. Deze sporttoestellen worden in het straatprofiel opgelost.
In de Amsterdam Noordse systematiek wordt ook onderscheid gemaakt in ruimtegebruik per sport. Basketbal en footy (5 tegen 5 of jeugdvoetbalveld) met minder ruimtegebruik wordt wel centrum17
stedelijke geaccommodeerd, maar ruimte extensieve sporten zijn meer aangewezen op rand van de stad. Dergelijke ruimtelijke constellaties met sport komen ook in andere Europese steden veel voor. Toegankelijkheid van stadsgroen voor kinderen Voor kinderen geldt dat stadsgroen, bijvoorbeeld op weg naar school of om in buiten te spelen, bijdraagt aan hun ontwikkeling en gezondheid. De TU Delft onderzoekt momenteel voor een aantal Europese steden, waaronder Den Haag, de toegankelijkheid van groen voor kinderen van 6-12 jaar. De resultaten worden verwacht in april 2024.
4.4.3 Meervoudig ruimtegebruik Waar de ruimte boven en ondergronds schaars is, zien we wereldwijd een toenemend aantal creatieve oplossingen. Dat kan gaan op het maken van groen op of tegen gebouwen en kunstwerken (zoals overkluizingen). Zeer inspirerend maar lang niet altijd toekomstvast en uitermate kostbaar om te bouwen en in stand te houden. Maar ook spelen en sporten wordt steeds vaker slim gecombineerd in of onder gebouwen en kunstwerken. In (Europese) binnensteden zijn sportvelden ver te zoeken en zijn net buiten de binnensteden basketbalveldjes te vinden of kleinere velden gelegen bij scholen, die ook voor buitengym gebruikt worden. Wel wordt in veel steden ruimtelijk mogelijkheden die er zijn door creatief gebruik maximaal benut. Oevers van rivieren en kanalen worden benut. Zoals in Helsinki met een nieuw verwarmd zwembad aan stadshaven. In het centrum van München worden de oevers van de Isar en daken voor groen gebruikt. In Zaandam is een skate- en basketbalveld onder een stadsviaduct geplaatst. Buiten Europa zijn in Shenzen (China) recentelijk plannen voor sportvelden bovenop een centraal gelegen spooroverkluizing.
4.4.4 Conclusie Hoewel de hoeveelheid groen internationaal goed is te vergelijken is er geen uniforme manier om groen te meten of te normeren. Het ligt daarom niet voor de hand om een bestaande norm van een andere Europese stad te kopiëren. Binnen de G4-steden worden referentienormen voor groen toegepast als beleidskader voor ontwikkelgebieden. De juridische norm op gebiedsniveau uit de structuurvisie CID is een uitzondering. Een kwantitatieve norm zal in het merendeel van de situaties niet of nauwelijks sturend zijn, omdat dit vraagt om een moeilijk per deelgebied te definiëren opgave en monitoring. Andere steden bieden met hun aanpak wel ingrediënten die in Den Haag toepasbaar zijn. Voor een leefbare stad moeten we naar meer kijken dan alleen vierkante meters groen. Van belang zijn ook: Meer groennormen 1. 2. 3. 4. 5.
Minimale afstanden tot stadsparken of wijkgroen (bereikbaarheid) Onderdelen (asfalt, water, gras) in oppervlaktes scoren op biologische waarde (BIO-factor) Normen voor natuurinclusief bouwen – in Den Haag is hiervoor al een puntenstelsel Eisen voor groene daken, gevels en andere groene infrastructuur (klimaatadaptatie). Bomenplan met aandacht voor diversiteit en bladoppervlak (hittestress)
Kwaliteit van het groen 6. Ecologisch en sportief/recreatief netwerk 7. Meervoudig ruimtegebruik
18
De punten 3 t/m 5 worden al toegepast in Den Haag. Echter door de grote nadruk op behalen van de groennorm lijken deze kwaliteitsaspecten soms ondergeschikt.
19