RIS316087 bijlage
Tekst van het document
6.1.
Relatie lbo’s met de gemeente is soms complex: afhankelijkheid en wantrouwen
Uit de interviews en de werksessie blijkt dat de relatie tussen de gemeente en de religieuze en levensbeschouwelijke organisaties een belangrijke belemmering kan zijn voor de totstandkoming en de continuering van structureel interreligieus overleg. Dit geldt voor ongeveer de helft van de geïnterviewde respondenten. Dit komt omdat lbo’s enerzijds veel verwachten van de gemeente rondom eventueel toekomstig interreligieus overleg; de gemeente zou als initiatiefnemer, gespreksleider en gesprekspartner moeten optreden, maar anderzijds is er sprake van wantrouwen jegens de gemeente onder religieuze en levensbeschouwelijke organisaties. Dit wantrouwen is hoofdzakelijk gebaseerd op een of meerdere ervaringen uit het verleden. Zoals we in hoofdstuk twee beschreven gaat het dan om gebrek aan continuïteit in het contact met de gemeente, ook rondom interreligieus overleg.
Daar komt bij dat een deel van de religieuze en levensbeschouwelijke organisatie een afhankelijkheidsrelatie met de gemeente heeft. De lbo’s zijn bijvoorbeeld vaak afhankelijk van de gemeente omtrent huisvesting, subsidies en vergunningen. Daar waar er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie, kan er ook sprake van teleurstelling en onvrede. In de gesprekken met de lbo’s is door meerdere respondenten benoemd dat zij ontevreden zijn over de gemeente omtrent een van bovenstaande thema’s. Hoewel de religieuze en levensbeschouwelijke organisaties aangeven dat deze onvrede over de gemeente hieromtrent niet meeweegt in de overweging om wel of niet deel te nemen aan interreligieus overleg (indien de gemeente dit aan hen vraagt), wordt de gemeente door de meerderheid van de lbo’s wel met argusogen bekeken.
6.2.
Gemis aan erkenning en wederkerigheid
Lang niet alle lbo’s voelen deze afhankelijkheid even sterk. Er zijn ook enkele lbo’s die zeggen zich bewust te zijn van hun eigen kracht in relatie tot de overheid. En in die relatie draait het om veel meer dan het contact rond huisvestingszaken, vergunningen of subsidies, zo geven respondenten aan. De behoefte aan erkenning van het belang van religieuze en levensbeschouwelijke organisaties en hun inspanningen voor de eigen gemeenschapen en soms ook veel bredere groepen inwoners van Den Haag. Deze behoefte hangt samen met de wens naar (meer) wederkerigheid. Als voorbeeld geven meerdere lbo’s aan dat zij benaderd werden wanneer de gemeente een verzoek had (bijvoorbeeld door het vaccinatieprogramma bekender te maken bij de gemeenschap), maar wanneer zij de gemeente benaderen, zij geen gehoor kregen. “Op het moment dat je als de gemeente ziet wat die religieuze gemeenschappen allemaal doen voor ouderen en jongeren in het oerwoud van wet- en regelgeving. Dit moeten we koesteren. Ik bedoel nu ook met corona, lbo’s hebben een enorme rol gespeeld als het gaat om de vaccinatiebereidheid.” Levensbeschouwelijke organisatie 24
“Zonder ons is er geen gezond maatschappelijk leven. Haal ons maar eens uit de maatschappij, dan heb je een ramp. Misschien dat de gemeente dan beseft hoeveel wij doen. If they don’t appreciate your presence, let them appreciate your absence. Er mag best meer erkenning komen voor de maatschappelijke rol van de kerk. Het is niet alleen bidden.” Christelijke organisatie
“De overheid, dus ook de gemeente, moet weten wie we zijn en dat erkennen. En dan bedoel ik niet: ik ken u, dus ik kan beroep op u doen. De wederkerigheid is erg belangrijk.” Islamitische organisatie
“Met de gemeente hebben we gesprekken gevoerd over de staat van sociale huurwoningen in de wijk, die is heel slecht (…) Ze geven de indruk dat ze weinig belangen erbij hebben om de situatie te verbeteren. Je krijgt dan het gevoel dat je gebruikt wordt. Wanneer ze ons nodig hebben, weten ze ons te vinden. Maar als wij iets nodig hebben, krijg je nul op rekest. Het moet een wederzijdse relatie worden.” Christelijke organisatie
Enkele respondenten geven aan dat ze het an sich ook moeilijk vinden om contact te leggen met de gemeente. Dit komt volgens hen mede door vele wisselingen binnen de gemeente, zodat het onduidelijk is bij welke ambtenaar zij terecht kunnen. “Wij merken soms dat als we de gemeente nodig hebben voor informatie en/of samenwerking, je heel lastig binnen komt. Er is geen ambtenaar die tijd en zin heeft om dit soort dingen te doen.” Levensbeschouwelijke organisatie
Ook is er soms het gevoel steeds weer opnieuw contact te moeten leggen, steeds weer aan vertrouwen te moeten werken, steeds weer opnieuw te moeten uitleggen wat je doet: “Er is sprake van een vertrouwensbreuk tussen het veld en de overheid. We zien dat goede medewerkers bij de gemeente vertrekken en dat er veel wisselingen in de bezetting zijn. Er is ook een grote reorganisatie gaande. Dat zorgt voor interne onrust, dat merken wij ook.” Christelijke organisatie
6.3.
Niet alle lbo’s staan open voor interreligieuze ontmoeting
Een volgende belemmering die religieuze en levensbeschouwelijke organisaties benoemen, is dat de bereidheid om in dialoog te treden met andere levensbeschouwelijke stromingen niet altijd even groot is. Drie respondenten stellen vast dat niet het hele levensbeschouwelijke veld interreligieuze ontmoeting als een belangrijke prioriteit ziet. De intentie is er vaak wel, maar tot daadwerkelijke ontmoeting en overleg komt het niet altijd, laat staan dat men bereid is tijd en energie in regelmatig terugkerend overleg te steken. Daarbij geldt wel, hoe persoonlijker het contact is, en hoe duidelijker en praktischer het doel is, hoe groter de bereidheid om structureel bijeen te komen. Ook in wijken is er zeker wel sprake van ontmoeting en samenwerking. Ook wordt gesignaleerd dat er spanningen bestaan tussen sommige verschillende levensbeschouwelijke en religieuze organisaties. Hierbij gaat het zowel over spanningen tussen verschillende religies als spanningen binnen een religie (met betrekking tot verschillende religieuze stromingen). Die spanningen komen niet altijd aan de oppervlakte, maar worden zeker wel ervaren, zo geven verschillende respondenten aan. Zij vrezen dat dit er bijvoorbeeld voor kan zorgen dat bepaalde organisaties niet (meer) willen deelnemen aan interreligieuze overleggen, omdat ze daar genegeerd zullen worden door (een deel van de) andere aanwezigen.
Enkele respondenten zeggen dat ook zo ervaren te hebben: 25
Een respondent van een islamitische organisatie gaf aan bij een bijeenkomst van de gemeente over een actueel thema een mening te hebben gegeven, waar andere islamitische organisaties het niet mee eens waren en daarom de respondent gingen negeren. Deze respondent had graag gewild dat de voorzitter oog had voor dit soort mechanismen en had gelet op de onderlinge samenwerking. Iedereen moet zich vrij voelen om zijn of haar mening te geven en de gespreksleider heeft een belangrijke functie om voor die veilige sfeer te zorgen.
6.4.
Conclusie
Van de drie genoemde belemmeringen voor het succes van toekomstig interreligieus overleg, hebben twee betrekking op de relatie met de gemeente. Het wantrouwen jegens de gemeente en het gemis aan erkenning zijn geen nieuwe signalen. In het eerdere Haagse onderzoek (Van den Toorn et al., 2018) kwam dit ook aan bod, en werd er uiteindelijk geadviseerd om te investeren in vertrouwen en in het contact te zorgen voor gelijkwaardigheid en wederkerigheid. Ook nu blijkt dat de meerderheid van de gesproken respondenten een gemis aan erkenning ervaart. Duidelijk is dat dit nog steeds thema’s zijn die binnen het veld spelen en doorlopend aandacht behoeven. In het kader van toekomstig interreligieus overleg, maar wellicht ook breder in het kader van de relatie tussen de gemeente en de lbo’s. Ook de derde belemmering, die meer betrekking heeft op de relatie tussen lbo’s onderling, is geen nieuw signaal. Vanwege de duidelijke voorkeur die de lbo’s hebben uitgesproken voor een dialogue of actions in plaats van een theological dialogue (waarbij het doel is om misvattingen en vooroordelen bij elkaar weg te nemen) voor eventueel toekomstig overleg, is het echter de vraag of deze onderlinge spanningen daadwerkelijk een belemmering (moeten) vormen voor interreligieus overleg in deze vorm.
26
7
Randvoorwaarden
De religieuze en levensbeschouwelijke organisaties onderkennen dat het opzetten en onderhouden van een structurele vorm van interreligieus overleg een complexe taak is. Op basis van ervaringen vanuit het verleden met overleg en ontmoeting, zijn er volgens de lbo’s een aantal belangrijke randvoorwaarden waaraan voldaan moet worden bij eventueel toekomstig interreligieus overleg.
7.1.
Continuïteit in visie en betrokkenheid gemeente
In het tweede hoofdstuk van dit rapport beschreven wij dat het waarborgen van de continuïteit van interreligieus overleg een belangrijke geleerde les is uit het verleden. Lbo’s stellen dat dit een belangrijke randvoorwaarde is. De lbo’s geven aan grote behoefte te hebben aan voorspelbaarheid en continuïteit in de visie en het handelen van de overheid rond de waardering van interreligieuze ontmoeting in de stad en rond het bevorderen ervan. Het gaat de religieuze en levensbeschouwelijke organisaties om een duidelijke langetermijnvisie die houvast biedt en om langdurige en actieve betrokkenheid bij het veelvormige en veelkleurige veld van levensbeschouwelijke organisaties in de stad. Hierbij is het voor de lbo’s belangrijk dat kennis, bereidheid om contact te onderhouden en het vermogen om interreligieuze ontmoeting en overleg te stimuleren worden geborgd in het ambtelijke apparaat van de gemeente, op stedelijk- en wijkniveau en zo minder afhankelijk wordt van personele wisselingen of blijft liggen bij welwillende ‘trekkers’ alléén. Een aantal organisaties geeft expliciet aan te twijfelen aan het nut van verdere deelname aan overleggen, mocht deze stabiliteit in koers en betrokkenheid niet gerealiseerd worden.
“Ik ben niet cynisch, maar wel heel kritisch op de opstelling van de overheid. We zijn door schade en schande wijs geworden. We kunnen nu wel alles praktisch proberen in te vullen, maar ik heb behoefte aan visie. De overheid moet laten zien dat het menens is. Er moet een goede voedingsbodem zijn voor dialoog en samenwerking. Nu wordt er vaak gelijk om plantjes gevraagd, maar die zijn er niet zomaar. Ze moeten eerst gestekt, gevoed en onderhouden worden.” Christelijke organisatie
7.2.
Onderling respect en gelijkwaardigheid
Een andere belangrijke randvoorwaarde die religieuze en levensbeschouwelijke organisaties benoemen is onderling respect en gelijkwaardigheid. De organisaties benoemen dat alle deelnemende lbo’s respectvol met elkaar om dienen te gaan en elkaars visies en meningen in openheid moeten willen aanhoren. Wanneer er sprake is van onderlinge acceptatie, kan het onderlinge vertrouwen ook groeien, zo stellen meerdere respondenten. Binnen het overleg moet er, volgens de lbo’s, ook een gelijkwaardige relatie zijn tussen de organisaties en de gemeente in de zin dat ze gelijkwaardige partners zijn, die elk hun eigen rol vervullen. Meerdere lbo’s benadrukken ook dat alle deelnemers als gelijken moeten worden behandeld, en dat niet de grootste organisaties de meeste ‘spreektijd’ claimen of krijgen of op grond van hun omvang de meeste invloed op het gesprek hebben. Als initiatiefnemer en/of organisator van interreligieus overleg zou de gemeente ook het creëren van een open sfeer en het bewaken van een respectvolle onderlinge omgang voor haar rekening moeten nemen.
27
7.3.
Overige randvoorwaarden
Tot slot zijn er nog enkele randvoorwaarden die door enkele religieuze en levensbeschouwelijke organisaties zijn genoemd, te weten: Resultaatgericht overleg In het verlengde van de eerder gestelde randvoorwaarde van een langetermijnvisie, geven enkele lbo’s aan dat een toekomstig interreligieus overleg een bepaald resultaat of opbrengst voor ogen moet hebben. Hierbij moeten er volgens de organisaties korte- en lange termijn doelen gesteld worden, die het liefst ook meetbaar zijn, zodat er ook gemonitord kan worden of deze doelen behaald worden. z
7.4.
Conclusie
De twee belangrijkste randvoorwaarden die door de religieuze en levensbeschouwelijke organisaties worden genoemd, staan in directe verbinding met de eerdere ervaringen met interreligieus overleg en de mogelijke belemmeringen die de lbo’s zien voor het succes van interreligieus overleg. Hierbij gaat het zowel over de verwachtte rol van de gemeente, maar ook over het gezamenlijk creëren van een veilige, vruchtbare omgeving waarin verschillende ideeën, meningen, en visies er mogen zijn en er gezamenlijk gewerkt kan worden aan een breder, groter, maatschappelijk doel. Al eerder werd in de literatuur (Vernhout, 2017) duidelijk dat onder andere het ervoor zorgen dat alle organisaties vanuit een gelijkwaardige positie input kunnen geven tijdens een overleg, onderlinge communicatieproblemen kan voorkomen.
Erkenning religieuze achtergrond/drijfveren Hoewel de overgrote meerderheid van de religieuze en levensbeschouwelijke organisaties aangeeft geen behoefte te hebben om het tijdens de overleggen over religie te hebben, zouden sommigen van hen het wel fijn vinden als het geen taboeonderwerp is. Lbo’s geven aan te ervaren dat vanwege de gehanteerde interpretatie van de scheiding tussen kerk en staat, religie wordt vermeden in bijeenkomsten die geïnitieerd worden door de gemeente. De lbo’s geven echter aan dat het feit zij maatschappelijk betrokken zijn, deels voortkomt uit hun religieuze overtuiging. Om deze reden zouden ze het fijn vinden dat tijdens bijeenkomsten er ten minste erkenning is voor hun overtuiging, zonder dat daar inhoudelijk uitgebreid op in gegaan hoeft te worden. z
“Dat wij maatschappelijk betrokken zijn, daar speelt het geloof een belangrijke rol in. Dat is onze drijfveer. Ik denk ook dat bij overleg het niet weggepoetst moet worden, maar dat het er juist mag zijn (...) Je hebt een veel natuurlijker gesprek als het geloof er mag zijn. Als het niet besproken mag worden, wordt het onwennig. Het is de bron waaruit je opereert.” Christelijke organisatie
28
8
Overkoepelende conclusies
De hoofdvraag van dit onderzoek was: Welke behoefte is er onder Haagse geloofsgemeenschappen en levensbeschouwelijke organisaties aan structurele interreligieuze ontmoetingsbijeenkomsten en overleggen? Om antwoord te kunnen geven op deze vraag zijn er 19 een-op-een interviews afgenomen met een selectie van Haagse religieuze en levensbeschouwelijke organisaties en hebben 2 organisaties kort schriftelijk of telefonisch input gegeven. Daarnaast is er gemeenschappelijke online werksessie gehouden waarvoor alle Haagse lbo’s zijn uitgenodigd. Bij deze werksessie waren in totaal 16 organisaties aanwezig. Er is in samenwerking met de opdrachtgever (gemeente Den Haag) getracht zo veel mogelijk verschillende geloofsgemeenschappen en levensbeschouwelijke organisaties in het onderzoek te betrekken. Op basis van de gesprekken met de lbo’s kunnen we stellen dat er inderdaad behoefte is aan structurele interreligieuze bijeenkomsten. De organisaties zijn maatschappelijk betrokken en zetten zich (veel) in voor hun eigen gemeenschap en deels ook voor andere inwoners van Den Haag. De organisaties lopen echter ook tegen beperkingen aan, zoals beperkte beschikbare menskracht en middelen. De organisaties zien daarom een grote meerwaarde in het gezamenlijk inzetten voor maatschappelijke problematiek (zoals armoede, eenzaamheid, overlast op straat).
Structurele interreligieuze ontmoetingsbijeenkomsten of overleggen kunnen dan een uitgelezen mogelijkheid zijn om tot samenwerking te komen. Dat de lbo’s door deelname aan dergelijke bijeenkomsten beter weten welke andere geloofsgemeenschappen en levensbeschouwelijke
organisaties er in Den Haag zijn en zij elkaar beter leren kennen (een andere reden waarom de organisaties aangeven behoefte hebben aan structureel overleg) is een welkom bijeffect. In welke mate álle geloofsgemeenschappen en levensbeschouwelijke organisaties in Den Haag behoefte hebben aan ontmoeting en overleg, kunnen we op basis van dit verkennende onderzoek niet vaststellen. De vraag is ook in hoever dat van belang is. In Den Haag zijn er enkele honderden geloofsgemeenschappen en levensbeschouwelijke organisaties. Het is niet werkbaar om structurele bijeenkomsten/overleggen te houden met honderden deelnemers. Waarschijnlijk is zo’n groot animo overigens ook niet aanwezig. Dát een selectie van de organisaties (met een goede verdeling over de verschillende geloofsgemeenschappen en levensbeschouwelijke organisaties) behoefte heeft aan dergelijke bijeenkomsten/overleg is een duidelijk signaal. Als de bijeenkomsten door de deelnemers als zinvol worden ervaren, trekken de interreligieuze overleggen op termijn ook wellicht meer deelnemers. Hoewel de lbo’s aangeven behoefte te hebben aan structurele samenkomsten, vindt het grootste deel dat het initiatief hiertoe niet vanuit de lbo’s moet komen. Deze organisaties zien een grote rol hierin weggelegd voor de gemeente.
Veel religieuze en levensbeschouwelijke organisaties zien de gemeente als de ultieme verbinder die de organisaties samen kan brengen. De gemeente heeft volgens de organisaties hier ook de beste papieren voor, qua beschikbare middelen en connecties. De gemeente kan ook het beste zorgdragen voor continuïteit in de bijeenkomsten. Enkele organisaties wijzen daarbij wel op de eigen verantwoordelijk van de levensbeschouwelijke organisaties en gemeenschappen om óók zelf de noodzakelijke energie in de onderlinge uitwisseling te steken. Hoewel de meeste religieuze en levensbeschouwelijke organisaties graag zien dat de gemeente het voortouw neemt in het opzetten, organiseren en 29
onderhouden van structurele interreligieuze ontmoetingsbijeenkomsten of overleggen, geven zij ook aan beperkt vertrouwen beperkt vertrouwen in de gemeente te hebben hieromtrent in verband met eerdere gestrande initiatieven tot structurele interreligieuze samenkomsten. Organisaties geven aan niet altijd een goede verstandhouding te hebben met de gemeente. Dat hangt samen met eerdere negatieve ervaringen met het niet kunnen bereiken van de juiste personen binnen de gemeente, of met eerdere conflicten rond subsidies of huisvestingskwesties. Bovenstaande situatie laat een dubbel beeld zien: de organisaties hebben behoefte aan structurele samenkomsten en verwachten dat de gemeente daarin het voortouw neemt, maar hebben tegelijkertijd niet altijd even veel vertrouwen in de gemeente om dit geheel zorgvuldig en duurzaam op te kunnen zetten. Anderzijds zien de organisaties ook wel hun eigen verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de structuur en de continuïteit. Daar spreekt de wens uit om de verstandhouding met de gemeente te verbeteren en de samenwerking te versterken.
30
9
Aanbevelingen
Dit onderzoek toont aan dat er draagvlak is voor structurele interreligieuze ontmoetingsbijeenkomsten en overleggen onder Haagse religieuze en levensbeschouwelijke organisaties. Tegelijkertijd zal een dergelijk initiatief hoogstwaarschijnlijk niet tot stand komen zonder de inzet en inspanningen van de gemeente. Niet alle organisaties en gemeenschappen kunnen of willen hier blijvend energie in steken. Bovendien is er behoefte aan de neutrale en verbindende rol die de gemeente kan spelen: niet alle religieuze en levensbeschouwelijke organisaties vertrouwen dat elkaar toe en het ontbreekt in Den Haag aan interreligieuze samenwerking tussen organisaties en personen die breed vertrouwd en geaccepteerd worden en die dit gezamenlijk zouden kunnen opzetten. De ervaring van veel betrokken organisaties in Den Haag dat pogingen om structureel bij elkaar te komen relatief snel stranden, draagt ook niet bij aan het animo om veel energie in interreligieus overleg te steken. Mocht de gemeente besluiten om gehoor te geven aan de behoefte van de organisaties, doen wij hieromtrent de volgende aanbevelingen: 1.
Neem als gemeente de regie in de organisatie van interreligieus overleg Hoewel de lbo’s soms een complexe relatie hebben met de gemeente, spreken zij bijna allemaal het vertrouwen uit dat de gemeente in staat is om een interreligieus overleg te organiseren, partijen bij elkaar te brengen en zorg te dragen voor de continuïteit van een dergelijk overleg. 2. Richt stedelijk interreligieus overleg in als een ‘dialogue of actions’ Lbo’s geven aan dat zij weinig meerwaarde zien in een interreligieus overleg waarbij theologische discussie (theological dialogue) het hoofddoel is. Levensbeschouwelijke en religieuze organisaties zien vooral een meerwaarde
in interreligieus overleg wanneer maatschappelijke problematiek in de stad en/of wijk besproken kan worden, en idealiter ook gezamenlijk acties opgezet kunnen worden om zich gezamenlijk in te spannen om deze maatschappelijke problemen te verminderen en te bestrijden. De eerder genoemde ervaringen uit andere steden kunnen worden meegenomen in de vormgeving van het overleg: 1. 2. 3. 4.
Alle groepen die deelnemen aan interreligieuze dialoog en samenwerking kunnen vanuit een gelijkwaardige positie input leveren. Vertegenwoordigers kennen elkaar voldoende, er is voldoende onderling vertrouwen en de deelnemers zijn in staat open te communiceren. Er is sprake van continuïteit in de bijeenkomsten. Vertegenwoordigers in het overleg in staat zijn om een brugfunctie te vervullen tussen de formele (gemeentelijke) instituties en de eigen achterban.
Ook zou er gedacht kunnen worden aan een constructie waarbij er een voorbereidingsgroep wordt ingesteld die, samen met de gemeente, zorg draagt voor de organisatie van de bijeenkomsten. Deze voorbereidingsgroep zou divers moeten worden samengesteld vanuit de lbo’s. 3.
Zoek ook naar praktische en thematische samenwerking in wijken en buurten Varieer in vormen van ontmoeting en overleg en investeer vooral ook in contact en overleg in wijken en buurten. Dat zorgt op termijn voor een goede voedingsbodem voor stedelijk interreligieus overleg. Investeer ook als overheid in vertrouwen via het aanmoedigen van praktische samenwerking in buurten en wijken. Stimuleer daarbij ook de samenwerking tussen levensbeschouwelijk geïnspireerde (informele) initiatieven en formele zorg- en welzijnsaanbieders. En nodig maatschappelijk betrokken lbo’s waar en wanneer dat relevant is ook uit voor reguliere thematische netwerken van de gemeente op stedelijk of wijkniveau. 31
Vervolgens doen wij nog enkele aanbevelingen die betrekking hebben op de randvoorwaarden voor het verdere succes en het slagen van interreligieus overleg. 4. Ontwikkel een langetermijnvisie op interreligieuze ontmoetingsbijeenkomsten Meerdere respondenten hebben aangegeven met lede ogen hebben moeten aanzien hoe eerdere initiatieven tot interreligieuze ontmoetingsbijeenkomsten of overleg vroegtijdig stranden. Om de duurzaamheid van een nieuw initiatief de waarborgen, is het raadzaam om te zorgen voor een vaste groep contactpersonen vanuit verschillende gemeentelijke domeinen die werken aan borging van het contact met de lbo’s in de gemeentelijke organisatie. Zodat de inspanningen rondom de samenkomsten geen speelbal worden van ongefundeerde en plotselinge veranderingen in visie en koers of het slachtoffer worden van personele wisselingen. Het is aan te raden om een langetermijnvisie te ontwikkelen op interreligieuze ontmoetingsbijeenkomsten en overleggen. Deze visie moet in ieder geval bevatten welk doel de samenkomsten dienen, wat er van de betrokken organisaties wordt verwacht en, indien mogelijk, welk (type)resultaten de bijeenkomsten zouden moeten opleveren.
De visieontwikkeling zou kunnen worden gecombineerd met een training of studiedag voor zowel gemeentelijke vertegenwoordigers als voor vertegenwoordigers van lbo’s die bereid zijn de interreligieuze ontmoetingsbijeenkomsten mede voor te bereiden. Op deze wijze kunnen de doelen en voorwaarden met elkaar verkend worden. In andere steden is met dergelijke trainingen al positieve ervaring opgedaan. 5. Investeer in de relatie met religieuze en levensbeschouwelijke organisaties Zoals gesteld hebben niet alle organisaties een even goede verstandhouding met de gemeente, terwijl zij dat in grote meerderheid wel zouden willen. Voor het slagen van structurele interreligieuze bijeenkomsten/overleggen, is het raadzaam om (extra) te investeren in de relatie tussen de gemeente en de organisaties. Uitvoering van bovenstaande aanbeveling zal al een positieve
uitwerking kunnen hebben op de bereidheid van organisaties om deel te nemen aan de samenkomsten. Bij het investeren in de relatie met lbo’s denken wij aan de volgende acties; z
z
z
Mogelijk is het helpend om een visie te ontwikkelen omtrent de samenwerking met religieuze en levensbeschouwelijke organisaties in verschillende domeinen. Binnen het investeren in de relatie met de lbo’s moet er ook ruimte zijn om te werken aan een vertrouwensband met hen. Dat vraagt om erkenning van het belang van lbo’s in de stad (naast alle andere verbanden). En dat vraagt om een goed beeld bij de gemeente van het veld van de lbo’s, van de maatschappelijke rol van lbo’s en wijze waarop contact tussen lbo’s en overheid kan plaatsvinden. Kennisopbouw en -overdracht in en tussen beleidsafdelingen van de gemeente, maar ook in de uitvoerende afdelingen. Beschouw lbo’s als gespreks- en samenwerkingspartner rond maatschappelijke vragen: benader lbo’s niet alleen als doorgeefluik van informatie of vragen, als vindplaats van groepen die de gemeente wil bereiken of als bron van vrijwilligers.
Met betrekking tot de duurzaamheid van een mogelijk op te zetten interreligieus overleg, doen wij tenslotte nog een aanvullende aanbeveling, te weten: 6.
Monitor de voortgang, tevredenheid en resultaat van interreligieuze ontmoetingsbijeenkomsten of overleggen Het monitoren van de voortgang, tevredenheid en resultaat van interreligieuze ontmoetingsbijeenkomsten of overleg kan een waardevol hulpmiddel zijn om de duurzaamheid van een nieuw initiatief te waarborgen. Door voor een bepaalde periode (mogelijk een pilotfase) te monitoren hoe de samenkomsten worden ervaren, wat er goed gaat en wat beter kan, kan er tijdig bijgestuurd worden en gebouwd worden aan een stevig fundament.
32
Literatuur Engbersen, R. & T. Lupi (2015). Het belang van slow social work. Den Haag: Platform31. Bellaart, H. (2018, 14 november). Samenwerken met de moskee: ja of nee? Waar komt de religieuze kramp vandaan en hoe kunnen we het oplossen? Geraadpleegd via Samenwerken met de moskee: ja of nee? | Kennisplatform Inclusief Samenleven (kis.nl) Bellaart, H. (2018). Kennisatelier religie in het publieke domein. Samenwerking gemeenten en religieuze organisaties bij aanpakken maatschappelijke problemen. Geraadpleegd via www.kis.nl. Davelaar, M., Toorn, J. van den, Witte, N. de, Beaumont, J. & Kuiper, C. (2011). Faith-based Organisations and Social Exclusion in the Netherlands. Leuven: Acco. Garfinkel, R. (2004, 13 juli). What works? Evaluating interfaith dialogue programs. Geraadpleegd via What Works? Evaluating Interfaith Dialogue Programs | United States Institute of Peace (usip.org).
Platform Zorgzaam uit Overtuiging (2018). Reactie aan gemeente Den Haag op rapport ‘Levensbeschouwelijke organisaties en de Wmo in Den Haag’. Remkes, J. (2020, 16 juni). Afdoening motie: ‘Stimuleren inter-levensbeschouwelijke overleg en initiatieven. Geraadpleegd via RIS302623+Afdoening+motie+Stimuleren+inter-levens beschouwelijke+overleg+en+initiatieven (raadsinformatie.nl). Toorn, van der, J., Davelaar, M., de Winter-Kocak, S., & Badou, M. (2018). Levensbeschouwelijke organisaties en de Wmo in Den Haag: Een inventarisatie onder levensbeschouwelijke organisaties en gemeentelijke vertegenwoordigers naar kansen voor samenwerking. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut. Toorn, van der, J. Davelaar, M., Hamdi, A., Reches, L., & Keulen, van, M. (2020). Omvang en karakter van de maatschappelijke activiteiten van levensbeschouwelijke organisaties in Rotterdam. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut. Vernhout, M. (2017). Paul F. Knitter over interreligieuze dialoog (Doctoral dissertation). VNG (2016). 12 richtlijnen voor interreligieuze dialoog op lokaal niveau. Geraadpleegd via: https://vng.nl/files/vng/12-principles-nld-web.pdf
Gemeenteraad Den Haag (2019). Motie ‘Stimuleren inter-levensbeschouwelijke overleg en initiatieven’. RIS-nummer: 302623 Stuknummer: O.3. Geraadpleegd via O_3 (raadsinformatie.nl). Jetten, M. (2011). Samen op weg naar verdieping. Christenen en moslims in dialoog. Geraadpleegd via Samen op weg naar verdieping. Christenen en moslims in dialoog Mijke Jetten (handelingen.com). Moyaert, M. (2013). Interreligious Dialogue. In D. Cheetham, D. Pratt, & M. Thomas (Eds.), Understanding Inter-religious Relations (pp. 193-217). Oxford University press. OCJM (2016, 9 januari). Ontstaan van OCJM. Geraadpleegd via https://www.ojcm.nl/ over-het-ojcm/ontstaan-van-ojcm-2/. Orton, A. (2016). Interfaith dialogue: seven key questions for theory, policy and practice. Religion, State & Society, 44(4), 349-365.
33
COLOFON Opdrachtgever Auteurs
Foto omslag Uitgave
Gemeente Den Haag S. de Winter-Koçak, MSc A. Mesic, MSc Drs. M. Davelaar Drs. H.B. Bellaart Canva - Lyke van der Maas, BA Verwey-Jonker Instituut Kromme Nieuwegracht 6 3512 HG Utrecht T (030) 230 07 99 E secr@verwey-jonker.nl I www.verwey-jonker.nl
De publicatie kan gedownload worden via onze website: http://www.verwey-jonker.nl ISBN 978-94-6409-177-9 © Verwey-Jonker Instituut, Utrecht, juli 2022. Het auteursrecht van deze publicatie berust bij het Verwey-Jonker Instituut. Gedeeltelijke overname van teksten is toegestaan, mits daarbij de bron wordt vermeld. The copyright of this publication rests with the Verwey-Jonker Institute. Partial reproduction of the text is allowed, on condition that the source is mentioned.