RIS316007 Bijlage Richtlijn Toegankelijkheid Openbare Ruimte
Tekst van het document
Richtlijn toegankelijkheid in de openbare ruimte Ontwerprichtlijnen voor een toegankelijke inrichting van de Haagse openbare ruimte voor mensen met en zonder een functiebeperking
Samenwerken aan een toegankelijke stad
Richtlijn toegankelijkheid in de openbare ruimte De ‘Richtlijn toegankelijkheid in de openbare ruimte’ is van toepassing voor mensen met en zonder een functiebeperking. Om toegankelijkheid in de openbare ruimte te (waar)borgen zijn, op basis van de in de ‘Handreiking naar een toegankelijke buitenruimte’ (RIS-314096) geformuleerde uitgangspunten vertaald en uitgewerkt. De richtlijn bestaat uit een overzicht van functionele ontwerprichtlijnen en maatvoeringen die bij elkaar genomen duidelijk maken hoe een toegankelijke openbare ruimte er idealiter uitziet. Het geeft richting aan hoe de openbare ruimte van Den Haag fysiek toegankelijkheid is ingericht. Het geeft handvatten voor het integraal ontwerpen, ontwikkelen, bekijken en beoordelen van een toegankelijke openbare ruimte. De richtlijn is dan ook het uitgangspunt bij inrichting en onderhoud, en een hulpmiddel bij beheer van de openbare ruimte. De richtlijn vormt dus tevens een ‘toetsingskader’ bij plantoetsing. Het consequent en gemotiveerd toepassen van de toegankelijkheidsrichtlijnen garandeert op lange termijn de kwaliteit in de hele stad. Dat betekent niet dat altijd aan alle ontwerprichtlijnen kan worden voldaan of dat het op die plekken niet beter kan. Er zijn situaties waar er simpelweg geen ruimte bestaat om hoogteverschillen te overbruggen met een hellingbaan die aan de richtlijnen voldoet.
Ook financiële redenen en de belangen van andere ruimtevragers kunnen een optimaal toegankelijke inrichting in de weg zitten. Wanneer de ontwerprichtlijnen, ondanks een uiterste inspanning, niet haalbaar zijn voor een specifieke situatie, dan dient dit altijd in de toelichting op een ontwerp te worden gemotiveerd. Dit draagt bij aan een transparante besluitvorming over een ontwerp. Bij het beheer van de stad kunnen deze uitgangspunten aanleiding zijn de openbare ruimte te verbeteren mits daar financiële middelen en capaciteit voor beschikbaar zijn. De richtlijn is in overleg met ervaringsdeskundigen en belangenbehartigers inhoudelijk opgesteld en te raadplegen via www.hor.denhaag.nl.
2
3
Bij planvorming voor een herinrichtings- of vervangingsopgave gaat ‘speciale aandacht’ uit naar de volgende ontwerprichtlijnen. 1. Bij het ontwerpen van de openbare ruimte wordt het ‘STOMP-principe’ toegepast voor prioritering van de verkeersruimte. Zo ook in tijdelijke situaties, zoals bij wegwerkzaamheden en bouwprojecten. 2. De vrije doorloopruimte voor een toegankelijke trottoir is in nietvoetgangersgebieden is ≥ 1,80 m en in voetgangersgebieden ≥ 2.40 m. 3. Looplijnen zijn logisch en obstakelvrij met een rechte oversteek, straatmeubilair wordt in een voorzieningenstrook gepositioneerd. 4. Trottoirs en oversteken zijn voorzien van routegeleiding (gids- en geleidelijnen). 5. Kleine en grote hoogteverschillen zijn vindbaar en voelbaar.
Vier voorwaarden voor een toegankelijk ontwerp Een integraal toegankelijke openbare ruimte ontwerp voor mensen met en zonder een functie beperking voldoet aan de volgende vier voorwaarden. Bereikbaar
Bereik ik mijn bestemming vlot en zonder obstakels?
Betreedbaar
Kom ik ongehinderd naar binnen en buiten?
Beschikbaar & bruikbaar
Kan ik voorzieningen gebruiken wanneer ik die nodig heb en kan ik doen wat ik wil doen?
Begrijpelijk
Vind ik gemakkelijk mijn weg en begrijp ik waar ik ben?
kunnen verblijven en de aanwezige inrichtingselementen kunnen gebruiken. Anders gezegd: toegankelijkheid gaat over de eigenschappen en onderlinge verhouding tussen de inrichting van; routes, ruimten en gebruiksobjecten. Routes Een route wordt gebruikt om je te verplaatsen naar een bepaalde bestemming. Dat kan zijn van de woning naar een station, winkel, toilet of gewoon wat wandelen. Routes zijn praktisch, begrijpelijk en bruikbaar als gebruikers de weg kunnen vinden en zich zonder hindernissen op een veilige manier kunnen verplaatsen naar een bepaalde bestemming, zowel bij een permanente als ook bij een tijdelijke inrichting. Ruimten Eenmaal op een bestemming aangekomen om er te verblijven – een terras op het plein, een zitbankje in het park, een speelplaats – is het van belang dat de verblijfsruimte praktisch bruikbaar en begrijpelijk is en er voldoende bewegingsruimte aanwezig is.. Het gaat hierbij onder andere om de verlichting en goede akoestiek zonder stoorgeluid. Gebruikersobjecten Langs de route of in een ruimte wordt gebruik gemaakt van allerlei gebruiksobjecten en voorzieningen zoals; (straat)meubilair, inrichting, automaten, bruggen, visplekken en bankjes. Deze gebruiksobjecten zijn praktisch bereikbaar, begrijpelijk en bruikbaar als er daadwerkelijk voor het beoogde doel gebruik van kan worden gemaakt.
Veilig om er niet aan te verwonden of erover struikelen en comfortabel om er gebruik van te maken.
Routes, ruimten en gebruikersobjecten Gebruikers met een functiebeperking oriënteren zich op basis van hun behoeftes en aandachtspunten op een aantal primaire aspecten bij zintuigelijke waarneming in belemmeringen en het overbruggen ervan; zien, horen, tasten, verplaatsen en welbevinden/gebruiken. De openbare ruimte dient op basis van genoemde aspecten ook voor mensen met een beperking leesbaar, eenduidig en voorspelbaar te zijn, ongeacht welke beperking. Bij toegankelijkheid gaat het erom dat gebruikers praktisch, veilig en comfortabel van de ene plek naar de andere plek kunnen komen, dat ze er
4
5
De afzonderlijke onderdelen
1. Trottoirs en voetpaden
De openbare ruimte is vanuit de stedenbouwkundige elementen opgedeeld in afzonderlijke onderdelen. Aan de betreffende onderdelen zijn per onderdeel toegankelijkheidsrichtlijnen gekoppeld. De ontwerprichtlijnen zijn specifiek van toepassing op het betreffende onderdeel, maar dienen integraal te worden benaderd.
De openbare ruimte is toegankelijk ingericht zodat mensen zich veilig en comfortabel kunnen verplaatsen. Voetpaden en trottoirs zijn geen barrières voor het maken van comfortabele en veilige verplaatsingen te ‘voet’. Bij het ontwerpen van de openbare ruimte wordt het ‘STOMP-principe’ toegepast voor prioritering van de verkeersruimte. Het uitgangspunt is dat er voldoende voetgangersruimte beschikbaar is, zodat iedereen zich comfortabel kan verplaatsen, ook de voetgangers met een functiebeperking. Alle ‘ruimten’ in de openbare ruimte zijn bereikbaar, betreedbaar, begrijpelijk en bruikbaar ingericht. Voetpaden zijn obstakelvrij, hebben voldoende vrije doorloopruimte, dienen een vlakke ondergrond te hebben, goed herkenbaar, goed verlicht en voorzien van routegeleiding (gidslijnen en geleidelijnen) waar nodig.
De afzonderlijke onderdelen zijn als volgt. Routes 1. Trottoirs en voetpaden 2. Oversteekplaatsen 3. Fietspaden 4. Routegeleiding 5. Openbaar vervoer haltes 6. Tijdelijke (verkeers)situaties Ruimten 7. Pleinen, winkelgebieden, groengebieden, duinen, schoolpleinen, water en het strand 8. Hoogteverschillen 9. Parkeren 10. Kades, bruggen en op- en afstapvoorzieningen Gebruikersobjecten 11. Straatmeubilair en voorzieningen 12. Verlichting
6
Doorloopruimte • Om te bepalen of een trottoir toegankelijk is, is de beschikbare vrije doorloopruimte bepalend. Dat is de ruimte op het trottoir waar geen obstakels aanwezig zijn en in een rechte lijn. De vrije doorloopruimte is niet gelijk aan de breedte van het trottoir, omdat een deel van het trottoir vaak wordt gebruikt door andere functies zoals terrassen, uitstallingen en geparkeerde fietsen. De vrije doorloopruimte moet zo breed zijn dat mensen, met en zonder beperking, elkaar op een comfortabele manier kunnen passeren. Uitgangspunt voor het bepalen van een maatvoering in de vrije doorloopruimte is mede afhankelijk van de hoeveelheid voetgangers op een trottoir. • De ondergrens voor een toegankelijk trottoir is in niet-voetgangersgebieden in alle gevallen ≥ 1,80 m. Dit is de maat voor straten met weinig voetgangers, zoals rustige woonstraten. • De ondergrens voor een toegankelijk trottoir in voetgangersgebieden is ≥ 2,40 m. Een vrije doorgang wordt ten alle tijden gegarandeerd. In straten waar veel bestemmingen voor voetgangers zijn, zoals in de binnenstad en winkelgebieden, moet rekening worden gehouden met grotere loopstromen. Dat geldt ook voor belangrijke aanlooproutes naar stations en OV-knooppunten. • Bij plaatselijke versmallingen, zoals broomkransen, laadpalen, paaltjes, lantaarnpalen, terrassen en uitstallingen, is de vrije breedte ≥ 1,50 m.,
7
over een lengte van max. 20 m. De vrije breedte bij plaatselijke doorgangen (tussen de paaltjes haaks op het trottoir) is ≥ 0,90 m. • Er zijn voldoende manoeuvreer- en draaimogelijkheden voor rolstoelen en scootmobielen (en kinderwagens) op regelmatige afstand. Bij op- en afritten en bij zijstraten en bochten is draairuimte voldoende breed (1,80 x 1,80 m.), zodat iemand in een rolstoel een haakse bocht kan maken. Vormgeving • Voorzieningen en maatregelen spreken in vormgeving voor zichzelf en zijn herkenbaar (in kleur, maatvoering, hoogteverschil en bestratingstype- en verband). Gebruikersobjecten en verhardingen in de looproute zijn voorzien van helderheidscontrast met de omgeving en voelbare en hoorbare verschillen (ondergrondstructuur). • De looproute is gesitueerd in een rechte lijn, vlakliggend, stroef en aaneengesloten oppervlak vormt met voldoende drukvastheid, met inachtname van het normale afschot voor trottoirs ten behoeve van de afwatering. Bij een te sterk afschot kan dit voor rollator- en rolstoelgebruikers een probleem worden. Een helling dwars op de looprichting ≤ 1:50. (afschot). De gewenste helling ligt tussen de 2% tot 3%. • Voetgangersbewegwijzering is, als hulpmiddel, aangebracht op druk bezochte (toeristische) locaties waar de voetgangers lopen.
De bewegwijzering wijst naar één of meerdere objecten of bestemmingen en naar alternatieve routes voor rolstoelgebruikers, ook wanneer zich hoogteverschillen in de route bevinden. • Om goed te kunnen oriënteren is routegeleiding (gidslijnen en geleidelijnen), het uitgangspunt met daarbij hulpmiddelen als geleidelijnen op plekken waar deze ontbreken. Zie hiervoor het onderdeel routegeleiding. • De minimale vrije hoogte met begroeiing over de weg op de looproute is 2,6 m.; buiten de looproute 2,3 m. Er liggen geen losliggende tegels, drempels, kuilen of verticale obstakels in het loopoppervlak.
8
2. Voetgangersoversteekplaatsen Alle voetgangersoversteekplaatsen zijn toegankelijk, eenvoudig, veilig en overzichtelijk ingericht, met een herkenbare vormgeving, sluiten op elkaar aan, en zijn goed verlicht en voorzien van routegeleiding (natuurlijke gidslijn en geleidelijnen). In het verkeer ondervindt de voetganger de grootste problemen bij het oversteken van wegen. Het oversteken van een straat verlangt van voetgangers altijd extra aandacht. Om te bepalen of er veilig kan worden overgestoken, wordt ingeschat of de overkant veilig te bereiken is in de periode dat de weg vrij is. Een goed uitgevoerde oversteekvoorziening draagt bij aan een comfortabele en veilige route voor de voetganger. Dit is zeker van belang voor mensen die zich niet zo snel of gemakkelijk kunnen verplaatsen, voor blinden en slechtzienden en voor mensen die moeite hebben met de inschatting van afstand en snelheid van het autoverkeer. Vormgeving • Voetgangersoversteken zijn overzichtelijk en eenvoudig ingericht, met een herkenbare vormgeving, sluiten op elkaar aan en zijn goed verlicht. Dit kan onder andere door het creëren van vrijeuitzichthoeken en posities op ooghoogte, voor zowel staande als zittende (rolstoel) hoogte, wat zorgt voor vrij zicht op aankomend verkeer. Het zicht op de wachtende voetgangers moet goed zijn en ook de wachtende voetganger moet de automobilist goed aan kunnen zien komen.
Er is een bepaalde zichtlengte nodig, deze wordt berekend op basis van de tijd die nodig is om over te steken en de snelheid van het gemotoriseerde verkeer. Binnen deze afstand dienen er geen zichtbelemmerende voorzieningen aanwezig te zijn. Bij wijkontsluitingswegen is over een lengte van 100 m¹ en bij erftoegangswegen over een lengte van 50 m¹ vrij zicht. Houdt rekening met een gemiddelde ooghoogte van 0,75 m¹. De aansluiting van de rijbaan op de trottoirband is voldoende vlak. Zie de richtlijn ‘voetgangersoversteekplaats’ in het HOR voor verdere details. • Bij stedelijke en regionale hoofdwegen met een bepaalde intensiteit wordt een voetgangersoversteek die niet met een verkeersregeling is geregeld zoveel mogelijk vermeden, of bij voorkeur gesitueerd ter plaatse van kruispunten en zo nodig geregeld met verkeerslichten. Zie de richtlijn ‘voetgangersoversteekplaats’ in het HOR voor verdere details.
9
• Bij erftoegangswegen en/of verblijfsgebieden (30-km/u) worden op locaties waar dit het uitgangspunt is een voetgangersoversteek die niet met een verkeersregeling is geregeld aangelegd. Verhoogde kruispunten (plateau) en over de rijbaan aangelegde, doorlopende trottoirs maken oversteken eenvoudiger. Er wordt gebruik gemaakt van voelbaar en visueel contrasterend materiaal en waarschuwingsmarkering bij een opstelgelegenheid voor voetgangers. Bij wijkontsluitingswegen heeft het niet de voorkeur om het kruispunt en midblockoversteek te verhogen, maar op te lossen met een voetgangersoversteek met zebramarkering die niet met een verkeersregeling is geregeld. • De niet-met-verkeerslichten-geregelde voetgangersoversteek tussen twee teunpunten bedraagt niet meer dan 7 m¹ (max. 2 rijstroken). Bij een breedte van meer dan 7 m¹ wordt een middengeleider toegepast. De minimummaat van een steunpunt voor voetgangers is 1,8 m¹ (in de looprichting), de wensmaat is 2 m¹. Voor fietsers is dit 2 m¹ (in de rijrichting) met een wensmaat van 2,5 m¹. • Laat de voetgangersoversteek met zebramarkering ook doorlopen over vrijliggende fietspaden wanneer het steunpunt, gelegen tussen het fietspad en rijbaan, minder dan 1,5m¹ is. Dit geeft mensen met oriëntatieproblemen rust en overzicht.
Er wordt geleiding aangebracht met een waarschuwingsmarkering in situaties bij de oversteek daar waar het steunpunt (tussen fietspad en rijbaan) meer dan 1,5 m¹ is. • Het hoogteverschil bij een oversteek met een verlaagde trottoirband is 2 cm, zodat de overgang tussen stoep en rijbaan/fietspad tastbaar is.
Rateltikker • Er is voldoende oversteektijd bij een voetgangerslicht. Bij oversteekplaatsen met een verkeersregelinstallatie (VRI) kan een rateltikker worden gebruikt. Bij oversteekplaatsen die bestaan uit drie delen heeft de middelste rateltikker een afwijkend geluid. Bij de oversteek van een OV-baan wordt gebruik gemaakt van een Tram Waarschuwings Installatie (TWI). Bedieningselementen • Bedieningselementen worden op een hoogte tussen de 0,9 m. en 1,2 m. geplaatst en zijn duidelijk herkenbaar door het gebruik van kleuren en voelbare er verduidelijkende pictogrammen.
Routegeleiding • Een voetgangersoversteek is altijd vindbaar en voelbaar door een natuurlijke gidslijn of geleidelijn. Waar vanuit routegeleiding een natuurlijke gidslijn in de richting van een oversteekplaats ontbreekt hebben blinden en slechtzienden een geleidelijn nodig om deze te kunnen vinden. Voor de oversteek wordt een waarschuwingsmarkering (noppentegels en ribbeltegels) aangebracht. Zie verder het onderdeel routegeleiding. Zie de richtlijn ‘routegeleiding’ in het HOR voor verdere details.
10
11
3. Fietspaden Fietspaden in de openbare ruimte zijn toegankelijk ingericht om veilig en comfortabel te verplaatsen te fiets of scootmobiel. Bij het ontwerpen van de openbare ruimte wordt het ‘STOMP-principe’ toegepast voor prioritering van de verkeersruimte. Waarbij prioriteit wordt gegeven aan ruimte voor de voetganger en de fietser, gevolgd door het openbaar vervoer, deelmobiliteit en de privéauto. Fietsvoorzieningen zijn voor alle typen gebruikers veilig en comfortabel ingericht. Voorzieningen en maatregelen spreken in vormgeving voor zichzelf en zijn herkenbaar.
waarschuwingsmarkering in situaties bij de oversteek daar waar het steunpunt (tussen fietspad en rijbaan) meer dan 1,5 m¹ is. • Objecten in de fietsroute zijn voorzien van een helderheidscontrast van minimaal 30%.
• Fietsvoorzieningen zijn voor alle typen gebruikers veilig en comfortabel ingericht. Voorzieningen en maatregelen spreken in vormgeving voor zichzelf en zijn herkenbaar. Een fietspad of fietsstrook is voldoende breed, zodat fietsers elkaar kunnen inhalen en mensen met een aangepaste fiets of scootmobiel er gebruik van kunnen maken. Zie de richtlijn ‘fietsvoorzieningen’ in het HOR voor verdere details. • De verharding is vlak, solide, aaneengesloten en stroef (ook in vochtige toestand). Het materiaal is slipvrij en vervormt niet met de tijd. Herkenbaar materiaal (asfalt fietspad in rood, asfalt rijbaan in zwart en bestrating in grijs of rood) toepassen. • Fietspaden moeten zichtbaar en voelbaar kunnen worden herkend wanneer ze naast een trottoir liggen. Er is een hoogteverschil van 3 cm tussen trottoir en vrijliggend fietspad. Het bakent de ruimte af waarbinnen er veilig kan worden voortbewogen. Als er geen hoogteverschil is tussen fietspad en voetpad, dan dient er een voelbare grens te zijn tussen voeten fietspad. De schuin aflopende trottoirband dient als voelbare markering tussen het fietspad en trottoir. Zie de richtlijn ‘fietspas’ in het HOR voor verdere details. • Bij de verschillende soorten op- en afritten zijn hellingen flauw, de norm is ≤ 4%. Dit mag naar maximaal 5% met 1 m¹ hoogteverschil en een tussenbordes bij 20 m¹.
• Laat de voetgangersoversteek met zebramarkering ook doorlopen over vrijliggende fietspaden wanneer het steunpunt, gelegen tussen het fietspad en rijbaan, minder dan 1,5m¹ is. Dit geeft mensen met oriëntatieproblemen rust en overzicht. Er wordt geleiding aangebracht met een
12
13
4. Routegeleiding Voetpaden in voetgangersgebieden en niet-voetgangersgebieden zijn voorzien van routegeleiding (gidslijnen en geleidelijnen). Routegeleiding in de openbare ruimte is altijd vindbaar, volgbaar en herkenbaar. Bij routegeleiding gaat het zowel om de knooppunten (beslispunten) als om punten van richtingverandering. Een geleidelijn of (natuurlijke) gidslijn verbindt slechts deze knooppunten. Natuurlijke gidslijnen (vrije gevels, grasranden, muur, lijngoot, opsluitband of ander voelbare materiaalovergangen) kunnen goed dienen als routegeleiding voor blinden en slechtzienden (de stoeprand is niet bruikbaar). Waar deze ontbreken wordt in bijzondere situaties een geleidelijn route aangelegd. Een hellingbaan, trap of lift moet vindbaar en voelbaar zijn via een natuurlijke gidslijn of geleidelijn Routegeleiding • Routegeleiding in de openbare ruimte is altijd vindbaar, volgbaar en herkenbaar. Bij routegeleiding gaat het zowel om de knooppunten (beslispunten) als om punten van richtingverandering. Een geleidelijn of (natuurlijke) gidslijn verbindt slechts deze knooppunten. Natuurlijke gidslijnen (vrije gevels, grasranden, muur, lijngoot, opsluitband of ander voelbare materiaalovergangen) kunnen goed dienen als routegeleiding voor blinden en slechtzienden (de stoeprand is niet bruikbaar). Waar deze ontbreken wordt in bijzondere situaties een geleidelijn route aangelegd.
Dit om openbare gebieden (bijv. stadcentrum, hoofdwinkelgebied) en publieke gebouwen (bijv. gemeentehuis, museum) bereikbaar te maken vanaf en naar de dichtstbijzijnde OV-halteplaats. Deze gebieden en gebouwen kunnen, indien gewenst, ook onderling bereikbaar worden gemaakt door middel van (een combinatie van gidslijnen en) geleidelijnen. Na tien meter zonder routegeleiding raakt de gebruiker gedesoriënteerd. Zie de richtlijn ‘routegeleiding’ in het HOR voor verdere details.
schil en beëindiging van een geleidelijn zonder dat aansluitend op de geleidelijn een gidslijn kan worden gevolgd. • Op de volgende specifiekere locatietypen wordt als onderdeel van een looproute gebruik gemaakt van geleidelijnen daar waar de natuurlijke gidslijn ontbreekt: Voetgangersoversteekplaats met of zonder verkeerslichten (zebrapad), plein, park, trap, helling, straatmeubilair specifiek voor mensen met een visuele beperking, openbaar vervoerhaltes / haltes voor de regiotaxi of taxibus / belangrijke publieke gebouwen / gemeentelijke voorzieningen. • Een geleidelijn wordt niet in de richting van het water, of parallel aan het water aangelegd. Hoogteverschillen • Een hellingbaan, trap of lift moet vindbaar en voelbaar zijn via een natuurlijke gidslijn of geleidelijn. Een helling is goed te volgen als iemand zich eenmaal op de hellingbaan bevindt; een aparte markering is daarom niet noodzakelijk. Een opstaande rand langs de helling is voor blinden en slechtzienden een bruikbare natuurlijke gidslijn. Bij steile hellingen die een gevaarlijke situatie kunnen opleveren, is een markering aan de bovenzijde gewenst. Het begin en einde van een helling moeten logisch aansluiten op de looproute en vindbaar zijn via een natuurlijke gidslijn of geleidelijn.
Waarschuwingsmarkering • Waarschuwingsmarkeringen worden uitsluitend op die plaatsen aangebracht waar een gevaarlijke situatie kan ontstaan, zoals bij een; trap (bovenaan), hellingbaan, voetgangersoversteekplaats, groot hoogtever-
14
15
5. Openbaar vervoer haltes Het openbaar vervoer rondom en op ov-haltes is toegankelijk ingericht. Al het stadsvervoer, op en naar de halte, is voor iedereen bereikbaar, betreedbaar, begrijpelijk en bruikbaar. Mensen met een functiebeperking, maar ook reizigers met bagage, koffers en kinderwagen, kunnen makkelijk zelfstandig in en uit treinen, metro’s, trams, bussen, taxi’s komen en hun weg er naar toe makkelijk vinden.
gebruikte haltes wordt daarbij ook een Dynamisch Reis Informatie Systeem (DRIS) bij de aanlooprichting gebruikt, die de actuele aankomsttijd aangeeft. Alle DRIS is voorzien van audio reisinformatie. De knop voor deze informatie is voelbaar en wordt middels een geleidelijn aangegeven. Bij de aftakking naar de DRIS is een objectmarkering geplaatst in de routegeleiding. • Een taxistandplaats, bestemd voor aanvullend vervoer, is voorzien van een geleidelijn van de halteplaats tot aan de natuurlijke gidslijn.
• Voor de beoordeling van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer, bestaan er vijf afzonderlijke elementen: toegankelijke reisinformatie, vervoersbewijzen, haltes/perrons/ov-knooppunten, (rijdend)materieel en in-/uitstap (overgang/spleet tussen materieel en halte/perron). • De ruimte op en rondom een haltevoorziening is voldoende breed, gelijkvloers en met een gelijkvloerse instap ingericht. De afstand en het hoogteverschil tussen een halte/perron en de vloer van het vervoermiddel zijn overbrugbaar voor mensen met verschillende soorten functiebeperkingen. Streven is een maximaal hoogteverschil van 20 mm verticaal en 50 mm horizontaal. Zie de richtlijn ‘tramhalte en bushalte’ in het HOR voor verdere details. • Op en rondom een halte/perron is routegeleiding aanwezig. Een geleidelijn geeft de toegankelijke route die kan worden gevolgd van een vervoermiddel naar de dichtstbijzijnde gidslijn. Op de halte loopt een geleidelijn via de kortst mogelijke (veilige) route naar de dichtstbijzijnde aanwezige lijn op de openbare weg. De instapplaats zelf is niet voorzien van instapmarkering door met voet- en taststok voelbaar afwijkende bestrating (ribbel- en noppenprofiel). Zie de richtlijn ‘routegeleiding’ in het HOR voor verdere details. • Bij het overbruggen van hoogteverschillen splitst de geleidelijn zich in een lijn die via de trap voert en een lijn via de lift.
Een halte/perron met hoogteverschillen die alleen door een trap worden overbrugd is per definitief niet toegankelijk voor rolstoelgebruikers (wel voor blinden). Hoogteverschillen bij randen zijn voorzien van een hekwerk. • Een perronrand of instapplaats is gemarkeerd door helderheidscontrast met de omgeving tussen markering en de ondergrond. • Bij een ov-halte hoort reisinformatie. Standaard wordt een halte uitgevoerd met informatie over de lijn die halteert en de rijtijden. Op druk
16
17
6. Tijdelijke (verkeers)situaties De openbare ruimte is ook in tijdelijke situaties toegankelijk. Tijdelijke verkeerssituaties, publieke evenementen, demonstraties of initiatieven, zijn voor iedereen bereikbaar, betreedbaar, begrijpelijk en bruikbaar. Bij (weg)werkzaamheden aan het straatprofiel wordt ten alle tijden rekening gehouden met de bereikbaarheid, bruikbaarheid en betreedbaarheid van voetpaden en oversteekplaatsen.
• Plaats hekwerken volledig langs de route en maak geen inhammen. Zorg dat de blokken/poten van hekwerken nooit buiten de hekwerken steken en vrij zijn van scherpe onderdelen. Rijplaten vlak en aaneensluitend neerleggen en vrijhouden van zand. • Kabels en leidingen die tijdelijk worden toegepast vormen geen obstakel.
• Voetgangers moeten zich via bruikbare, veilige en logisch gelegen voetpaden en trottoirs kunnen verplaatsen. Dit geldt ook voor tijdelijke situaties en maatregelen bij wegwerkzaamheden of bouwprojecten (waarbij gebruik wordt gemaakt van de loop- en/of fietsroute). Hierbij wordt uitgegaan van het ‘STOMP-principe’ en dit wordt toegepast voor prioritering van de verkeersruimte, wat betekent dat in eerste plaats wordt gekeken naar voldoende ruimte voor de voetganger en de fietser. • Bij tijdelijke situaties (evenementen of initiatieven) en wegwerkzaamheden zijn er drie belangrijke aandachtspunten om te volgen, namelijk; 1.) een veilige afscherming, 2.) een alternatieve looproute en 3.) een opvallende signalisatie. • Stel vooraf bij het plannen van tijdelijke situaties, wegwerkzaamheden of bouwontwikkelingen vast of de toegankelijkheid van een looproute of oversteekplaats wordt geblokkeerd. Indien er sprake is van een blokkade voor de voetganger dan wordt er tenminste één veilige en toegankelijke looproute gerealiseerd en voorzien van bewegwijzering. Wanneer deze alternatieve looproute niet vanzelfsprekend is, dan wordt deze voorzien van een duidelijke bewegwijzering en ‘natuurlijke gidslijn’. Wanneer deze gidslijn niet aanwezig is, wordt een geleidelijn aangebracht. Bij wegomleidingen blijven in de verkeersdeelnemers (voetganger versus fietser en auto) gescheiden.
Het is niet de bedoeling dat de voetganger (onveilig) op het fietspad of de rijbaan gaat lopen. • De wegbeheerder toetst op het ontwerp en de uitvoering van de werkzaamheden. De wegbeheerder toetst ook op de tijdelijke maatregelen die aannemers bij wegwerkzaamheden treffen. De wegbeheerder kan als opdrachtgever eisen stellen aan de bruikbaarheid en de veiligheid van tijdelijke maatregelen.
18
19
7. Pleinen, winkelgebieden, groengebieden, duinen, schoolpleinen en het strand De openbare ruimte nodigt uit om er te verblijven en ontmoeten. Publiek toegankelijke ontmoetings- en verblijfsplekken en economische functies in de stad zijn voor iedereen bereikbaar, betreedbaar, begrijpelijk en bruikbaar ingericht. Het gaat hierbij om pleinen, winkelgebieden, perken en groengebieden, duinen, ruimte op en rond schoolpleinen, samen speelplaatsen en beweegplaatsen voor ouderen en het strand. Groengebieden en pleinen • Realiseer minimaal één (rondgaande) looproute die over de gehele lengte toegankelijk is, om de omgeving te kunnen beleven en ervaren. Onder een route wordt verstaan een pad heen-en terug en een rondgang door een omgeving, eventueel voorzien van gemarkeerde borden. • De looproute heeft op regelmatige plekken een rustpunt. Het gebruik bestaat vaak uit het lopen van een rondje en het zitten en rondkijken. Plaats op regelmatige afstand toegankelijke zitgelegenheden voor mensen met weinig uithoudingsvermogen en zorg voor een opstelplaats voor rolstoel of rollator naast de zitgelegenheid. Op een plein minimaal één toegankelijke zitgelegenheid creëren. Zie verder het onderdeel straatmeubilair.
• De looproute heeft een aaneengesloten vlakke ondergrond, is overzichtelijk en goed herkenbaar, heeft een voelbare natuurlijke gidslijn en is voorzien van de juiste informatievoorziening. Dit om zo veiligheid te garanderen en zekerheid te bieden. De looproute is aan het begin van het pad zichtbaar om zo goed te kunnen oriënteren, bijvoorbeeld door het pad een andere kleur te geven dan de directe omgeving (lichter of donkerder). • Een looproute is voldoende breed (1,80 m minimaal hoofdpad) en heeft een vrije doorgangshoogte op plaatselijke doorgangen (2,30 m). Een route is en blijft goed bereikbaar en dus goed onderhouden zonder overwoekerend groen en verstuivend zand. • De looproute wordt gemarkeerd door visueel waarneembare afwijkende verharding (kleur of materiaal). Kies bestratingsmaterialen die geschikt zijn als natuurlijke gidslijn. Paden worden (half) verhard en zo vlak, stroef en aaneengesloten mogelijk (ook in natte toestand) gemaakt om
20
zo het gebruiksgemak te vergroten. Een stabiele, gelijkmatige halfverharding of verharding in asfalt/betontegels/beton/klinkers, met een fijnkorrelige bovenlaag waarop geen water blijft staan. Schelpenpaden hebben niet de voorkeur, maar kunnen ook worden toegepast, mits deze na het aanbrengen goed worden aangewalst. • Kleine of grote hoogteverschillen worden opgevangen met een lichte helling, hellingbaan, trap, of lift. Zie hiervoor het onderdeel hoogteverschillen. • Fietsparkeerplaatsen (in een zone) aan de ingang helpen ervoor te zorgen dat fietsen geen obstakels vormen op de looproute zelf en natuurlijke gidslijnen en eventuele blindegeleidelijnen vrij blijven. • Openingen van wildroosters op de looproute zijn niet groter dan 2 cm, sleuven liggen haaks op de looprichting. Naast wildroosters altijd een toegangshek plaatsen met vlakke verharde ondergrond van, naar en onder het hek. Een toegangshek of -poortje is makkelijk te openen en heeft een vrije doorgangsbreedte (min 90 cm). • Gebruikersobjecten in de looproute zijn voorzien van een helderheidscontrast met de omgeving. Zie hiervoor het onderdeel gebruikersobjecten. • Voetgangersbewegwijzering wordt ingezet om de gebruiker naar zijn doel te geleiden. Voetgangersbewegwijzering en informatieborden zijn van toepassing als een route of ruimte zich bevindt in of in de directe nabijheid van reeds opgenomen doelen.
Denk bijvoorbeeld aan een wcpictogram opgenomen naast het doel. Breng informatieborden en bewegwijzering aan op een goed bereikbare plek langs de looproute (en aan het begin van (grote) groengebieden). Informatieborden zijn voorzien van leesbare informatie (let op lettergrootte en letterafstand en helderheidscontrast tekst en achtergrond) zijn op de juiste hoogte geplaatst (ook voor rolstoelgebruikers) om te gebruiken om zo op het geschikte pad te komen. Gebruik voor de helderheidscontrast de landelijke LTC symbolen. Op de plattegrond zijn de geschikte looproutes, of sprake is van een helling en een indicatie van de hoogteverschillen, hellingspercentages en wat voor soort verharde paden het zijn aangegeven. Informatie dient van dichtbij (ca. 1m) en veraf te kunnen worden bekeken. Informatie van dichtbij is tussen de 0,75 en 2,0 m + vloer aangebracht en informatie van veraf is vanaf 1,5 m + vloer met een minimumhoogte van 2,30 aangebracht. de letterhoogte is ≥ 1/100 x de
21
praktische leesafstand en met een helderheidscontrast van ≥ o,3. Zie de richtlijn ‘bewegwijzering’ in het HOR voor verdere details. Schoolpleinen • De ruimte op en rond schoolpleinen is bereikbaar, bruikbaar en (verkeers)veilig ingericht. Voor een goede oriëntatie bij een toegangsweg is de positie van een oversteek gelegen recht tegenover elkaar. De rijbaan in de omgeving van een school is voorzien van een schoolzone markering. Speelplaatsen en beweegplaatsen • Samen speelplaatsen en beweegplaatsen voor ouderen zijn bereikbaar via een toegankelijk voetpad en bruikbaar ingericht als een samenspeelplaats. Dit zijn plaatsen die extra zijn aangepast om de speelwaarde voor kinderen en ouderen met een beperking te verhogen. Plaatsen die in het teken staat van stimuleren, uitdagen en plezier hebben in bewegen. Doel is dat zowel gebruikers met en zonder een beperking samen met elkaar (leren) spelen en omgaan. Op een samenspeelplek zijn 70% van de speelaanleidingen bereikbaar en bruikbaar. De locatie is via een verhard hoofdpad bereikbaar, heeft een vlakke ondergrond en is goed zichtbaar en voelbaar. Banken zijn bereikbaar via een vlakke, verharde ondergrond en toegankelijk door de bank te voorzien van armleuningen en rugleuning en een opstelplaats voor een rolstoel of scootmobiel ernaast.
Goede afscherming van echt gevaarlijke plekken als open water; omheining van de gehele speelplaats of een gedeelte daarvan; poorten die bezoekers zelf dicht kunnen doen als dat nodig is. Zie de richtlijn ‘speelvoorzieningen’ in het HOR voor verdere details
• De vloedlijn is, waar noodzakelijk, bereikbaar door het toepassen van een verharde ondergrond door voetgangersbetonpaden richting de zee en tot aan de hoogwaterlijn. • Een invalidentoilet, aangepaste douche en strandpaviljoens zijn vindbaar en bereikbaar via een verhard betonpad. • De entree op het strand is voorzien van een informatiebord. Op het bord is een overzichtelijk grondplan en aanduiding, sanitair, lengte van de wandelingen en de aanwezigheid van hellingbanen op aangegeven. Gebruik van leesbare en begrijpelijke symbolen. Groot lettertype en duidelijk helderheidscontrast tussen letters en ondergrond. Gebruik voor de helderheidscontrast de landelijke LTC symbolen. Winkelgebieden • In hoofdwinkelgebieden is het in niet altijd mogelijk om de gevels als natuurlijke gidslijn te gebruiken, omdat zich daarlangs obstakels als fietsen, terrassen en reclameborden bevinden. In dat geval kan, naast een voldoende doorloopbare ruimte, voelbaar en zichtbaar afwijkende bestrating (contrasterend materiaalgebruik) de gidslijnfunctie overnemen. Ook kunnen geleidelijnen worden toegepast. Gids- en geleidelijnen mogen niet onderbroken worden door geparkeerde voertuigen of andere objecten. Zie hiervoor het onderdeel routegeleiding. • De bestrating bij winkels en andere publieke gebouwen sluit zoveel mogelijk aan op de entrees (hoogteverschil max. 2cm).
Wel dient het regenwater goed te worden afgevoerd. • In hoofdwinkelgebieden waar voldoende laad- en losplaatsen ontbreken elke 100m een voorziening realiseren om met een rolstoel of scootmobiel van het trottoir de rijweg op te kunnen.
Strand • Parkeren bij het strand is zo dichtbij mogelijk en in een omgeving zonder helling. Hierbij uitgaand van de bestaande parkeergelegenheid en rekening houdend met Natura 2000 gebied. • De looproute op de duinovergang naar het strand is toegankelijk. Strandslagen, trappen en hellingbanen zijn obstakelvrij en vrijgehouden van verstuivend zand. • De boulevards op het strand zijn voorzien van brede voetgangers betonpaden parallel, direct aansluitend op de duinovergang of boulevard.
22
23
8. Hoogteverschillen Onder hoogteverschillen in de openbare ruimte verstaan we een verschil van de hoogte van twee plaatsen die in een gebied voorkomen. Het gaat in deze om kunstmatige, door de mens gemaakte hoogteverschillen, niet om natuurlijke hoogteverschillen in natuurlandschappen zoals de duinen. Dit kan een klein of groot hoogteverschil zijn. Het overbruggen van een hoogteverschil wordt door veel mensen met een functiebeperking als een hindernis ervaren en moet daarom zoveel mogelijk worden voorkomen. Een groot hoogteverschil is goed te overbruggen met een hellingbaan of lift is als alternatief van een trap. In uitzondering kan een omleiding of andere route ook een goed alternatief zijn. Bij grote hoogteverschillen zijn veiligheidsmaatregelen wenselijk om te voorkomen dat mensen vallen. Hoogteverschillen • Kleine hoogteverschillen kunnen door bijna iedereen worden overbrugd of in de bestrating opgevangen door een hellend vlak. Er is minimaal hoogteverschil op trottoirs en voetpaden, tussen het aansluitend terrein en in de aansluiting op (publieke) bebouwing. Een hoogteverschil van maximaal ≤ 2 cm is overbrugbaar zonder speciale voorzieningen. Kleine hoogteverschillen kunnen met licht hellende bestrating goed worden ingepast; grotere hoogteverschillen behoren in het ontwerp te worden geïntegreerd.
Waar ze onvermijdelijk zijn, worden hoogteverschillen in een zo vroeg mogelijk stadium ingepast in het ontwerp en voorzien van een drempelhulp, hellingbaan, trap of lift. • Bij grote hoogteverschillen is het uitgangspunt om, bij druk belopen trottoirs en voetpaden of onduidelijke situaties, een hekwerk met valbeveiliging aan te brengen. • De verlichting is gelijkmatig verdeeld, met egale witte basisverlichting, heeft een verlichtingssterkte op het loopoppervlak van ≥ 50 lux en in de looprichting geen verblinding door verlichtingsarmaturen en eventuele bedieningsknoppen op 0,5 m afstand vanaf de wand. • Bij grote hoogteverschillen zijn veiligheidsmaatregelen noodzakelijk om te voorkomen dat mensen vallen. Kleine hoogteverschillen (stoeprand, traptrede) hoeven niet met fysieke afscherming te worden beveiligd. Wel moeten deze kleine hoogteverschillen duidelijk herkenbaar zijn, door voldoende helderheidscontrast. Bij een hoogteverschil tot 25 cm
24
volstaat een opstaande rand van minimaal 50 mm als valbeveiliging. Bij een grotere hoogteoverbrugging is de minimale valbeveiliging 1 m hoog. Een leuning wordt gesitueerd op een hoogte tussen 85 en 95 cm. • De vrije breedte is ≥ 1,2 m, vrije hoogte op looproute is ≥ 2,6 m en buiten de looproute ≥ 2,3 m. Hellingbaan • Pas een hellingbaan toe in de looproute wanneer het niveauverschil (de totale te overbruggen hoogte) verder gaat dan het natuurlijk verloop (flauwer dan 1:25 = 4%). Bij zowel grote als kleine niveauverschillen is het van belang dat de toegepaste helling niet te steil en voldoende breed is en zo nodig een valbeveiliging heeft. • Het maximale hoogteverschil dat volgens de normen met één helling overbrugd mag worden is 1 m. Bij het overbruggen van een hoogte van 1 m kan desgewenst met één hellingbaan worden volstaan. Deze hellingbaan heeft dan wel een lengte van ≤ 20m. • Grotere hoogteverschillen ≥ 1 m worden met meerdere geschakelde hellingen overbrugd. Wordt echter gekozen voor vier hellingbanen, dan overbrugt elke hellingbaan slechts 0,25 m. Deze hellingbanen mogen dan steiler zijn. Wel dient tussen elke hellingbaan een vloer (wordt gewoonlijk een bordes genoemd) te worden gemaakt met een oppervlak van ≥ 1,4 m x 1,4 m.
De totale lengte van deze vier hellingbanen inclusief de drie vloeren mag dan nog altijd minder zijn dan de hellingbaan waarmee de hoogte van 1 m in één keer mag worden overbrugd. Bovendien geven de bordessen de gelegenheid om de hellingbaan van richting te veranderen. • Pas bij de volgende hoogteverschillen de juiste hellingbaan toe. ° Een hoogteverschil tussen 0,02 m en 0,10 m : een hellingbaan met helling van max 1:10. ° Een hoogteverschil tussen 0,10 m en 0,25 m : een hellingbaan met helling van max 1:12. ° Een hoogteverschil tussen 0,25 m en 0,50 m : een hellingbaan met helling van max 1:16. ° Een hoogteverschil tussen 0,50 m en 1,00 m : een hellingbaan met helling van 1:16 tot max 1:20.
25
26
° Een hoogteverschil groter dan 1,00 m (bij een helling steiler dan 1:25) of 1,00 m (bij een helling flauwer dan 1:25) een bordes van minstens 1,5 m lang en 1,2 m breed. • Een uitrustplek is nodig indien met meerdere hellingen 1:10, 1:12 of 1:16 een niveauverschil tot max 1 m wordt overbrugd. • Aan het begin en einde van de helling is voldoende vrije manoeuvreerruimte. Bochten in de helling vermijden, materiaal voldoende stroef, geen zachte ondergronden en is vlak met onregelmatigheden ≤ 0,05 m. • Een helling is vindbaar via natuurlijke gidslijn of geleidelijn. Een helling is goed te volgen als zij zich eenmaal op de hellingbaan bevinden; een aparte markering is daarom niet noodzakelijk. Een opstaande rand langs de helling is voor blinden en slechtzienden een bruikbare natuurlijke gidslijn. Bij steile hellingen die een gevaarlijke situatie kunnen opleveren, is een waarschuwingsmarkering aan de bovenzijde nodig. Het begin en einde van een helling moeten logisch aansluiten op de looproute en vindbaar zijn via een natuurlijke gidslijn of geleidelijn. Zie hiervoor het onderdeel routegeleiding. • Bewegwijzering is nodig als een hellingbaan een alternatief is voor een trap die zich op een andere plaats bevindt dan de looproute zelf. Omdat de kijkhoogte van rolstoelgebruikers lager is dan van wandelaars, hebben zij minder zicht op de aanwezige voorzieningen in de buurt.
noodzakelijk indien deze niet goed zichtbaar is. Hellingen zijn vindbaar via een natuurlijke gidslijn of geleidelijn. Een trap wordt in een looproute aangekondigd door over de gehele breedte van de trap een waarschuwingsmarkering aan te brengen. Een trap wordt verder voorzien van een bordes (bij 1,80 m hoogte) en van leuningen aan weerszijden en aan het begin en eind van de trap. • Treden van een trap zijn onderscheidend gemaakt door helderheidscontrast. De bovenste en onderste treden over de hele breedte markeren, de overige treden alleen eerste 30 cm in een strook vanaf de leuning. • De vrije breedte tussen de leuningen ≥ 1,2 m, vrije hoogte is ≥ 2,5 m en de vrije ruimte aan het begin en eind van de trap ≥ 1,2 x 1,2m.
Trap • Als een hellingbaan fysiek niet inpasbaar of haalbaar is, dient het hoogteverschil via een alternatieve route overwonnen te kunnen worden, binnen een acceptabele afstand van maximaal 50 m, met een trap of lift. Omdat een trap voor veel mensen niet toegankelijk is, dient op looproutes een alternatief aanwezig zijn. Dat kan een oplossing ter plekke zijn of elders op de looproute, in de vorm van een hellingbaan of lift. Bewegwijzering naar de hellingbaan is nodig indien deze niet goed zichtbaar is. • Waar hoogteverschillen met enkele treden worden opgelost dient dat bij belangrijke looproutes te worden beschouwd als trap met de betreffende faciliteiten. Een trap dient een hellingbaan of lift als alternatief te hebben. Om de hellingbaan te vinden is bewegwijzering hiernaartoe
Brug • Een brug vormt geen hindernis en kan zelfstandig worden gebruikt. De voorkeur gaat uit naar vlakke bruggen. Voor bruggen gelden dezelfde hellingswaarden als voor een hellingbaan. • Bruggen sluiten goed aan op de looproute, zeker als het uit een ander materiaal bestaat, en hebben aan beide kanten een leuning en een maximale hellingspercentage. De leuning dient ook aan de onderzijde begrenst te zijn, zodat een taststok er niet onderdoor kan steken. Zie de richtlijn ‘bruggen en vlonders’ in het HOR voor verdere details.
Lift • Het vloeroppervlak van een trapplateaulift is minimaal 90 cm x 120 cm (rolstoelgeschikt), een hefplateau heeft minimaal 90 x 150 cm (scootmobielgeschikt) en een kooilift heeft minimaal 90 x 150 cm (brancardgeschikt). De toegangsbreedte is minimaal 90 cm. • De keerruimte voor een liftentree is minimaal 150 m x 150 cm (bij een trapplatteaulift) en 210 x 210 cm (bij een hefplateau en kooilift). • De verlichting is gelijkmatig verdeeld, met egale witte basisverlichting, heeft een verlichtingssterkte op het loopoppervlak van ≥ 50 lux en in de looprichting geen verblinding door verlichtingsarmaturen en bedieningsknoppen op 0,5 m afstand vanaf de wand.
27
9. Parkeren Het parkeren voor de auto en fiets en gebruik van deelmobiliteit (deelfietsen, -scooters, -bakfietsen) is toegankelijk. Er zijn voldoende aangepaste algemene gehandicaptenparkeerplaatsen (GPA) aanwezig, zowel bij sociaal-maatschappelijke en culturele voorzieningen, winkelgebieden, appartementencomplexen als centrale parkeervoorzieningen. De route naar en van de (auto) gehandicaptenparkeerplaats en fietsparkeervoorzieningen voor mensen die gebruik maken van een aangepaste fiets zelf is voor iedereen bereikbaar, betreedbaar, begrijpelijk en bruikbaar en het liefst zo dicht mogelijk bij de eindbestemming. Fietsparkeren en deelmobiliteit oplossingen gaan niet ten koste van de toegankelijkheid. Gehandicaptenparkeerplaats auto • Een gehandicaptenparkeerplaats, voor weggebruikers met een handicap, is zodanig gesitueerd dat deze goed bereikbaar en bruikbaar is. Een gehandicaptenparkeerplaats ligt zo dicht mogelijk bij de bestemming. • Bij een parkeerterrein is één op de 50 parkeerplaatsen voorzien van een gehandicaptenparkeerplaats. • Op 1 van elke 50 parkeerplaatsen (2% op het totaal aantal parkeerplaatsen met een minimum van 1 plaats) bij publieke voorzieningen (winkelgebieden, openbare gebouwen, (sport)voorzieningen en parkeerterreinen) in de openbare ruimte is een algemene gehandicaptenparkeerplaats.
Binnen 50 m¹ van publieke voorzieningen bestaat de mogelijkheid iemand af te (laten) zetten, door een particulier, taxi of AOV. De parkeerplaats is zo dicht mogelijk gesitueerd bij de entree, indien mogelijk niet verder dan 25 m. Voor alle overige gebieden is maatwerk gewenst. Zo blijft de afstand tot een publieke voorziening acceptabel. • Niet alleen de parkeerplaats zelf is veilig en toegankelijk ingericht, maar ook de route ernaartoe. De ruimte rondom de parkeerplaats is bij voorkeur op a-niveau, zodat er met een rolstoel gemanoeuvreerd kan worden. In de directe nabijheid van een parkeerplaats dient de mogelijkheid te bestaan de stoep op te komen, bijvoorbeeld met een verlaagde band of oprit.
28
• Ter plaatse van de gehandicaptenparkeerplaats is het hoogteverschil tussen in- en uitstapruimte en de looproute te overbruggen met een helling < 1:10 en breedte > 1,2 m. • Bij de inrichting van een parkeerterrein is rekening gehouden met de voetganger. Looproutes (gescheiden), oversteekplaatsen en eenrichtingsverkeer voor auto’ s kunnen helpen om een parkeerterrein overzichtelijker en veiliger te maken. • Een gehandicaptenparkeerplaats is ingericht naar de standaardafmeting voor een gehandicaptenparkeerplaats en te voldoen aan het ITSkeurmerk. Dit betekent haaks parkeren naar 3,5 x 6,0 m (of anders gelijk aan de diepte van de rest van de rij), bij langsparkeren naar 7,5 m en solitair parkeren naar 3,5 X 7,5 m. Bij een lange rij parkeerplaatsen is een oprit gecreëerd zodat een rolstoelgebruiker direct van de weg het trottoir op kan. Er is voldoende instapruimte rondom de parkeerplaats met vlakke verharding (geen gras). Zie de richtlijn ‘parkeren’ in het HOR voor verdere details • Een gehandicaptenparkeerplaats is aangeduid met verkeersbord E6 (conform Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990) en kruismarkering op het wegdek. • Parkeermeters en -automaten zijn vanaf de parkeerplaats volgens de richtlijnen voor looproutes bereikbaar en bruikbaar. De automaten zijn zodanig geplaatst dat deze door iedereen bediend kunnen worden.
Het bedieningspaneel is laag genoeg om te kunnen gebruiken vanuit een rolstoel. Bedieningselementen van parkeerautomaten zijn tussen de 0,9 en 1,2 m hoog. Informatiehoogte (bewegwijzering) > 2,3 m. Informatiehoogte parkeermeters tussen 1,4 en 1,6 m. Fietsparkeren • Fietsparkeervoorzieningen zijn bereikbaar en bruikbaar voor mensen met een functiebeperking en die gebruik maken van een aangepaste fiets; driewielfiets, duofiets en rolstoelfiets. Fietsparkeren in voetgangersgebieden is toegestaan op de aangegeven plaatsen en enkel bestemd voor aangepaste fietsen. Binnen de fietsparkeervoorziening is hiervoor een speciale ruimte gereserveerd en die het liefst zo dicht mogelijk bij de (eind)bestemming ligt.
29
10. Kades, bruggen, op- en afstapvoorzieningen en visplekken
11. Straatmeubilair en voorzieningen
Kades, bruggen, op- en afstapvoorzieningen en visplekken zijn toegankelijk en voor iedereen bereikbaar, betreedbaar, begrijpelijk en bruikbaar.
Straatmeubilair en voorzieningen in de openbare ruimte zijn eenvoudig, functioneel en toegankelijk ingericht. Looproutes zijn logisch en obstakelvrij (en gezoneerd) ingericht en zijn voor iedereen bereikbaar, betreedbaar, begrijpelijk en bruikbaar. Straatmeubilair en gebruikersobjecten zijn geplaatst buiten de looproute
• Kades, bruggen, aangewezen op- en afstapvoorzieningen en visplekken zijn waar nodig voorzien van een deugdelijke valbeveiliging, om zo te water geraken te voorkomen. Dat geldt specifiek voor trottoirs die aflopend zijn en richting het water lopen. • Een brugleuning langs beide zijden van een brug is noodzakelijk en voorzien van een onderrand, zodat de taststok niet onder de leuning door kan steken. Bij bruggen zonder leuning, zijn drempels langs de randen zeker noodzakelijk. Deze afscheiding / opstaande rand start tijdig, zodat deze veilig traceerbaar is ook voor een taststokgebruiker. De looproute ernaartoe is voorzien van het juiste type verharding. • Het loopoppervlak van een kade, brug, op- en afstapvoorziening en visplek is voldoende stroef, de hellingsgraad is laag en heeft voldoende draai- en manoeuvreerruimte. Vooral bij houten of kunststof oppervlakken dient gladheid voorkomen te worden, door het materiaal te behandelen of te voorzien van een vorm van antislip. • Bij te grote hoogteverschillen wordt gebruik gemaakt van een lift of acceptabele hellingbaan. Bij een dwarshelling is het oppervlak dwars op de loop-/rijrichting horizontaal. Zie bij het onderdeel hoogteverschillen hoe om te gaan met hoogteverschillen. • Fonteinen in looproutes en verblijfsplekken zijn herkenbaar, tastbaar en voorzien van een veilige afbakening.
30
Straatmeubilair • Gebruiksobjecten uitvoeren in voor de locatie karakteristieke en daarmee herkenbare kleur en vormgeving. Plaatsing in een kleur die rustig is en licht contrasteert met de omgeving of voorzien van een markering en beveiligd tot op de grond. Een contrasterend materiaal, in kleur en textuur, rond het obstakel aanbrengen, bevordert de opmerkzaamheid van obstakels. Straatnaamborden zijn zodanig geplaatst dat deze zowel overdag als ‘s nachts goed verlicht en leesbaar zijn. Zie de richtlijn ‘straatmeubilair’ in het HOR voor verdere details. • Alle voorzieningen in de looproute zijn met een taststok voelbaar: Paaltjes en andere anti-parkeermaatregelen in de looproute zijn minimaal 0,7 m hoog, zijn voorzien van helderheidscontrast en zo voldoende zichtbaar. Scherpe hoeken en randen vermijden in de vormgeving van objecten in de looproute. Het helderheidscontrast is voldoende bij objecten in of naast de looproute. Objecten zijn alleen voelbaar en vindbaar met de stok wanneer zij een gesloten onderkant hebben. • Bij de positionering van straatmeubilair wordt bij voorkeur gewerkt met een voorzieningenstrook, zonder dat de vrije doorloopruimte in gedrang komt. Zie het onderdeel trottoirs voor maatvoeringen. • Hekken hebben minimaal twee horizontale liggers, zodat deze tastbaar zijn voor mensen met een visuele beperking.
Onderzijde afbakening is nodig wanneer aan beide zijden van het hek geen tastbaar verschil in wegdek aanwezig is. Bij toepassing van bajonethekken dient de doorgankelijkheid voor rolstoelen en scootmobielen gewaarborgd te zijn. Hekwerken als valbeveiliging niet solitair toepassen maar combineren met afrasteringsgaas.
31
Rustpunten • De afstand tussen rustpunten op voorname looproutes (bv. een hoofdwinkelgebied) is maximaal 200 m, voor geaccidenteerd terrein 100 m. Rustpunten hoeven niet noodzakelijk zitplaatsen te zijn. Voor een korte pauze kan een steunrail volstaan. Op een rustplaats is naast de zitbank extra ruimte voor rolstoelen en scootmobielen zodat de doorgang van de looproute niet belemmerd wordt. • Banken zijn bereikbaar via een vlakke, verharde ondergrond en toegankelijk door de bank te voorzien van armleuningen en rugleuning en een opstelplaats voor een rolstoel of scootmobiel ernaast. • Een standaard zitelement heeft een zithoogte tussen 45 en 55 cm en is altijd voorzien van een rugleuning en bij voorkeur voorzien van armleuningen (voor hulp bij opstaan) én zonder armlegger vanwege beweegruimte voor gebarentaal. (evt. met rugleuning en armleggers). • Een verharde opstelruimte naast de zitbank geeft rolstoelgebruikers, scootmobielen en gezinnen met een kinderwagen de kans om naast de bank te gaan staan en niet in de looproute. De vrije breedte van een opstelruimte voor een naast of tegenover een zitelement of tafel is ≥ 1,20 m. Waar mogelijk zitelementen in relatie tot elkaar plaatsen vanwege auditief beperkten en ouderen. Zie de richtlijn ‘banken’ in het HOR voor verdere details.
Bedieningselementen • Bedieningselementen zijn bereikbaar en inclusief openingen van afvalbakken op een hoogte tussen 90 en 120 cm geplaatst en duidelijk herkenbaar door het gebruik van kleuren en verduidelijkende pictogrammen. De afstand van een bedieningselement tot de muur of ander object ≥ 0,5 m. De vrije breedte geldt ook voor plaatselijke doorgangen naar winkels, uitstallingen, terrassen en fietsen. Afvalinzameling • Een afvalcontainer is bereikbaar en bruikbaar ingericht vanaf het omliggende voetpad. Afvalinzamelsystemen (afvalcontainers) zijn a niveau ingepast in de omliggende stoep, zodat iemand in een rolstoel geen verhoogde randen hoeft te overbruggen om er gebruik van te kunnen maken. Extra aandacht is nodig voor de route naar de container (ver-
32
laagde banden) en de manoeuvreerruimte voor de container. Zie de richtlijn ‘afvalinzameling’ in het HOR voor verdere details. Laadpalen en laadplaatsen • Laadpalen en laadplaatsen op openbaar toegankelijke parkeerterreinen zijn bereikbaar en toegankelijk voor rolstoelgebruikers. De stekkeringang en stekkerhoogte dienen bereikbaar te zijn vanuit de rolstoel. Bij alle laadpalen is het belangrijk ervoor te zorgen dat deze zo gepositioneerd zijn dat er geen snoer over het trottoir ligt. Zie de richtlijn ‘laadpalen’ in het HOR voor verdere details. Openbare toiletten • Toiletten worden geplaatst op druk bezochte locaties. De toiletten zijn integraal toegankelijke (familie) toiletten en passend in het straatbeeld. Bewegwijzering • Voetgangersbewegwijzering wordt ingezet om de gebruiker naar zijn doel te geleiden. Belangrijke voorzieningen zijn duidelijk en begrijpelijk aangegeven door bewegwijzeringsborden, zoals de aanwezigheid van een rolstoeltoegankelijke route (hellingbaan) of de aanwezigheid van een aangepast toilet. Breng informatieborden en bewegwijzering aan op een goed bereikbare plek langs de looproute (en aan het begin van grote groengebieden).
Informatieborden zijn voorzien van leesbare informatie (let op lettergrootte en letterafstand en helderheidscontrast tekst en achtergrond) zijn op de juiste hoogte geplaatst (ook voor rolstoelgebruikers) om te gebruiken om zo op het geschikte pad te komen. Pictogrammen hebben de voorkeur: ook voor laaggeletterden en mensen met een visuele beperking is dit beter herkenbaar/ leesbaar (let op grootte van pictogram en contrast). Gebruik voor de helderheidscontrast de landelijke LTC symbolen. Berging scootmobiel • Een berging van een scootmobiel bij een nieuwbouw ontwikkeling wordt inpandig opgelost. • Een berging van een scootmobiel in de openbare ruimte is op aanvraag te plaatsen. Een berging wordt buiten de looproute geplaatst.
33
• Een berging bevat de minimale maat van een ruimte voor het naast elkaar opstellen van zowel een scootmobiel als een rolstoel. Per scootmobiel is een oppervlak van 3 m2 vereist (minimum oppervlak gemeenschappelijke beging 15 m2). Afmeting is 1,8 m X 2,6 m voor 1 scootmobiel en 0,9 m X 1,35 bij meerdere scootmobielen en rolstoelen. De opstelplaats is voorzien van een aansluitpunt voor laadstroom. Zichtbaarheid • Alle voorzieningen in de looproute zijn goed zichtbaar. Gebruikersobjecten worden, waar nodig, gemarkeerd door helderheidscontrast op een hoogte tussen 1,40–1,60 m. het contrastverschil kan worden aangegeven met een luminantiecontrastwaarde en reflectiewaarde. Volg hiervoor de tabel met reflectiewaarden.
34
12. Verlichting De openbare ruimte is goed verlicht, met verlichting die past bij de functie van het gebied. De openbare verlichting draagt zo bij aan een veilige en leefbare stad. Verlichting in de openbare ruimte verhoogt het veiligheidsgevoel, gebruik en de beleving van de omgeving. Het soort licht dat wordt gebruikt is afhankelijk van het soort gebied. Gebruikersobjecten die om veiligheidsredenen moeten opvallen, bijvoorbeeld een trap, deur of informatiebord, kunnen door een goede kleurweergave extra aandacht krijgen. • Verlichting in de openbare ruimte verhoogt het veiligheidsgevoel, gebruik en de beleving van de omgeving. Het soort licht dat wordt gebruikt is afhankelijk van het soort gebied. De uitgangspunten zijn vastgelegd in de Visie op Licht (RIS 298658). • In natuur- en groengebieden geldt als uitgangspunt dat er geen licht wordt toegepast, alleen waar licht vanwege de (verkeers-)veiligheid gewenst is wordt aangepaste verlichting gebruikt. De uitgangspunten voor eco light zijn vastgelegd in de Richtlijn Licht op Natuur, een bijlage van de Visie op Licht. • De lichtkleur, ook wel de kleurtemperatuur van licht genoemd, is erg bepalend voor het lichtbeeld en wordt uitgedrukt in Kelvin. In een living light gebied wordt warmer licht van 2700K toegepast. City light versterkt de levendigheid van de stad. Hierbij wordt warm licht van 3000K toegepast.
Bij road light gaat het puur om de functionele verlichting, gefocust op de straat, om onze weg te vinden. Hierbij wordt warm licht van 3000K toegepast. Bij eco light wordt warmer licht met de lichtkleur 2700K toegepast. • Gebruikersobjecten die om veiligheidsredenen moeten opvallen, bijvoorbeeld een trap, deur of informatiebord, kunnen door een goede kleurweergave extra aandacht krijgen. De ene lichtbron geeft de kleur van de omgeving nauwkeuriger weer dan de andere. Mede daardoor is het op de ene plek bijvoorbeeld mogelijk om in het donker gezichten goed te herkennen en op de andere plek niet. In Den Haag kiezen we voor lampen die qua helderheid en positie zorgen voor een goede lichtkwaliteit, waarmee het herkennen van personen beter mogelijk is.
35
Ook hanteren we een hoge kleurweergave (van Ra >70), wat ook de persoonsherkenning bevordert. • Gelijkmatig licht draagt bij aan een betere zichtbaarheid. Onze ogen stellen zich in op de gemiddelde helderheid binnen ons gezichtsveld. Als de verschillen daarin te ver uit elkaar liggen, wordt het moeilijker om op donkere plekken nog contrasten te zien. Daarom is de gelijkmatigheid van licht een belangrijk criterium in de richtlijn voor openbare verlichting. De richtlijn beschrijft dit als de verhouding tussen de minimale verlichtingssterkte en de gemiddelde verlichtingssterkte. Verder past de gemeente zo min mogelijk verblindende puntlichtbronnen toe (van belang voor slechtzienden). Ook wordt er geen gebruik gemaakt van knipperende verlichting (van belang in verband met gevaar voor epileptische aanvallen). Zie de richtlijn ‘verlichting’ in het HOR voor verdere details.
36
37