RIS315951 Bijlage Gelijke onderwijskansen in Den Haag - Meting 2022
Tekst van het document
Gelijke onderwijskansen in Den Haag Meting 2022
Demi de Ridder Eelco van Aarsen
Inhoudsopgave
Managementsamenvatting .................................................................................................................... 5 1
Inleiding ......................................................................................................................................... 6
2
Lerarentekort, opbrengsten en gevolgen van covid ....................................................................... 7 2.1 Lerarentekort .............................................................................................................................. 7 2.2 Opbrengsten taal en rekenen ..................................................................................................... 8 2.3 Leergroei voor en sinds Covid-19 (po) ...................................................................................... 10
3
Kansengelijkheid in overgangen en schoolroutes ........................................................................ 13 3.1 Kansengelijkheid in schooladvisering....................................................................................... 13 3.2 Doorstroom binnen het voortgezet onderwijs ......................................................................... 17 3.3 ‘Stapelen’ na behalen van het vo-diploma .............................................................................. 21
Bijlage 1
Verantwoording ........................................................................................................ 22
Bijlage 2
Populatie .................................................................................................................. 24
Gelijke onderwijskansen in Den Haag - Meting 2022
5
Managementsamenvatting Het realiseren van kansengelijkheid is in de Haagse Educatieve Agenda 2018-2022 (HEA) een topprioriteit. De afgelopen jaren heeft onderzoeksbureau Oberon onderzocht hoe (on)gelijk de kansen in de stad waren en of hierin ontwikkelingen zichtbaar zijn. In deze managementsamenvatting geven we de meest in het oog springende uitkomsten weer. Voor de overige bevindingen en toelichtingen verwijzen we naar het onderliggende rapport. Covid lijkt in Den Haag iets minder impact te hebben gehad, maar verschillen tussen scholen zijn groot De covid-pandemie en de daarmee gepaard gaande landelijke lockdowns en lokale schoolsluitingen hebben op landelijk niveau geleid tot leervertraging. Deze vertraging was landelijk na anderhalf jaar covid het sterkst bij het domein rekenen-wiskunde en bij leerlingen uit gezinnen met een laag inkomen, met een migratieachtergrond en eenoudergezinnen. Hoewel er tussen scholen in Den Haag aanzienlijke verschillen zijn, zie we dat (over het geheel bezien) de leerlingen in Den Haag iets minder leervertraging hebben opgelopen dan landelijk, en binnen sommige domeinen zelfs meer zijn gegroeid dan in de periode vóór covid. Scholen verschillen ook in het effect van covid op groepen leerlingen binnen hun school.
Op de ene school hebben kinderen van bijvoorbeeld lage inkomensgezinnen forse vertraging opgelopen, terwijl die op andere scholen juist een groeispurt hebben doorgemaakt. Dat maakt het lastig om al te stellige conclusies te trekken over het effect van covid op de kansengelijkheid in Den Haag. We kunnen zonder aanvullende informatie ook niet zeggen dat de verschillen tussen scholen komen door specifiek (school)beleid, of het gevolg zijn van toeval (pech of geluk). Als we voorbijgaan aan de grote verschillen tussen scholen (en onze eigen waarschuwing even negeren) zien we dat Haagse leerlingen uit gezinnen met een laag inkomen binnen alle domeinen minder leergroei hadden dan leerlingen uit hoge-inkomensgezinnen. Bij leerlingen die verschillen in migratieachtergrond en gezinssamenstelling is een minder eenduidig beeld te zien.
Stelling “zware scholen onderadviseren” verdient nuance We zien dat de kans (het risico) om aan advies te krijgen dat lager ligt dan het niveau van de eindtoets hoger ligt voor leerlingen met laagopgeleide ouders dan bij leerlingen met hoogopgeleide ouders. Iets soortgelijks zien voor leerlingen van scholen met een hoge schoolweging (‘zware scholen’) als we kijken naar advisering ten opzichte van de scores op tussentijdse LOVS toetsen. Deze bevinding die we in eerdere edities ook presenteerden, en die ook zichtbaar is in analyses van onder meer de Inspectie van het Onderwijs verdient wel een belangrijke nuancering. Als we namelijk binnen schooladviezen kijken, zien we dat verschillen tussen groepen leerlingen fors kleiner worden (eindtoets) of zelfs verdwijnen (LOVS toetsen). Leerlingen met laagopgeleide ouders en van zware scholen worden relatief vaak ondergeadviseerd maar dit lijkt vooral te komen doordat deze leerlingen toetsscores en adviezen krijgen in een scorebereik waarbij de overlap in scores tussen leerlingen nu eenmaal groot is; de toetsscores van leerlingen met een advies vmbo-basis en tl ontlopen elkaar minder sterk dan die van bijvoorbeeld tl’ers en vwo’ers. Anders gezegd: het zijn vooral de leerlingen met een vmbo-(kader)beroepsgericht advies die ten opzichte van hun toetsscores worden ondergeadviseerd; niet persé de leerlingen van ‘zware scholen’.
Schoolloopbanen het vo verlopen steeds gelijker, maar doublures en stapelen verschillen nog steeds Leerlingen met lager opgeleide ouders stromen in Den Haag niet wezenlijk anders door in het voortgezet onderwijs; zij stromen niet vaker of minder vaak af of op dan leerlingen met hoger opgeleide ouders, waar dit een aantal jaar geleden nog wel zo was. Wel zien we nog steeds verschillen in zittenblijven: leerlingen met laagopgeleide ouders blijven vaker zitten dan die met hoogopgeleide ouders. Ook in de keuzes die leerlingen maken na het behalen van het vo diploma zien we verschillen: leerlingen met hbo+-geschoolde ouders kiezen vaker voor om na het behalen van hun tl of havo diploma te ‘stapelen’ dan leerlingen met (maximaal) mbo-geschoolde ouders, die vaker direct doorstromen naar het mbo en hbo. De verschillen tussen deze groepen zijn kleiner dan een aantal jaren geleden, maar nog steeds substantieel.
6
Oberon
1 Inleiding Het realiseren van kansengelijkheid was in de Haagse Educatieve Agenda 2018-2022 (HEA) een topprioriteit.1 De partners in de HEA (gemeente, schoolbesturen en voorschoolse sector) staan ervoor dat alle kinderen dezelfde kans maken om op de school van hun voorkeur terecht te komen, dat selectie- en adviesprocedures zorgvuldig zijn en dat geen drempels bestaan die gelijke kansen belemmeren. De partijen hebben op basis van inzichten uit het onderwijsveld, de kinderopvang, de Inspectie voor het Onderwijs (Inspectie) en de wetenschap vier speerpunten afgesproken om als eerste mee aan de slag te gaan: 1. zorg voor kwalitatief goed onderwijs op de scholen die hoge druk op hun kwaliteit ervaren; 2. blijf investeren in het jonge kind via de voor- en vroegschoolse educatie; 3. vergroot de kansengelijkheid in de overgangen en via de schoolroutes die leerlingen volgen in hun onderwijsloopbaan; 4. versterk de rol van de ouders en de leraar. De HEA-partners vinden het belangrijk om zicht te houden op de ontwikkeling van de kansengelijkheid in het Haagse onderwijsveld. Om die reden brengt Oberon sinds 2018 periodiek de kansengelijkheid in beeld aan de hand van enkele van deze speerpunten uit de HEA 2018-2022. In samenspraak met gemeente en schoolbesturen is gekozen voor een beknopte rapportage. Een verantwoording van het onderzoek is opgenomen in bijlage 1.
1
Haagse Educatieve Agenda 2018-2022. Ontwikkelkansen in Den Haag.
Gelijke onderwijskansen in Den Haag - Meting 2022
7
2 Lerarentekort, opbrengsten en gevolgen van covid Leerlingen met een groter risico op onbenut potentieel zijn sterk afhankelijk van kwalitatief goed onderwijs om te compenseren hun minder stimulerende thuissituatie. In landelijke berichtgeving komt regelmatig naar voren dat het lerarentekort juist de scholen treft met de meest afhankelijke doelgroep, en dat de schoolsluitingen vooral die leerlingen extra hebben getroffen die thuis minder worden ondersteund. In dit hoofdstuk gaan we in op het lerarentekort in Den Haag en de beschikbare informatie over de cognitieve opbrengsten. Beide onderdelen hebben raakvlakken met speerpunt 1: “zorg voor kwalitatief goed onderwijs op de scholen die hoge druk op hun kwaliteit ervaren”.
2.1 Lerarentekort Het lerarentekort treft heel Nederland, maar sommige regio’s in het bijzonder. Uit eerdere edities van ons onderzoek bleek dat de regio Haaglanden extra sterk kampte met tekorten, en dat de werkdruk hoger is op scholen met veel leerlingen met laagopgeleide ouders en/of relatief veel leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond.2 Als we het lerarentekort in het basisonderwijs in Den Haag op basis van de meest recente beschikbare openbare data vergelijken met de rest van de G4 zien we dat (naast openstaande vacatures) in Den Haag relatief veel sprake is van verborgen lerarentekorten.3 De tekorten worden in Den Haag hoofdzakelijk opgevangen door onbevoegde leraren (44% van de verborgen lerarentekorten), zij-instroom (19%), bevoegd ambulant personeel (10%) en bevoegde uitzendkrachten (9%).3 Figuur 1. Lerarentekort in het basisonderwijs G4 (peildatum 1-2-21) 20,0% 15,0% 10,0%
Verborgen 13,0%
5,0% 0,0%
10,4%
10,1%
Openstaand
1,9%
2,0%
2,5%
4,3% 1,2%
Den Haag
Amsterdam
Rotterdam
Utrecht
Binnen de gemeente zien we dat scholen in Scheveningen, Laak en Escamp te maken hebben gehad met (in vergelijking met landelijk en de andere stadsdelen) relatief veel (verborgen) vacatures.
2 3
Ontwikkeling Gelijke Onderwijskansen Den Haag - Meting 2020. 2020. Utrecht: Oberon & Startfoto Gelijke Onderwijskansen Den Haag. 2019. Utrecht: Oberon Personeelstekorten primair onderwijs in de G5. 2021. Tilburg: CentERdata
8
Oberon
Figuur 2. Lerarentekort in het basisonderwijs per stadsdeel (peildatum 1-2-21) 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0%
23% 3%
20% 2%
15% 3%
14%
8% 3%
1%
Verborgen 8% 1%
8% 2%
8% 1%
Openstaand
In het voortgezet onderwijs wordt, net als in de rest van de G4, in Den Haag relatief vaak lesgegeven door onbevoegde of ‘benoembare’ docenten. Dit zijn docenten in opleiding, of docenten met een lagere bevoegdheid dan voor de les vereist.4 Net als in andere gemeenten en regio’s verschilt de mate van onbevoegd lesgeven tussen de onderwijsniveaus. In het Haagse vmbo wordt 9% van de lessen onbevoegd gegeven, tegenover 4% en 2% in havo en vwo. Figuur 3. Onbevoegd lesgeven in het voortgezet onderwijs (peildatum 1-10-2020) 20% 15% 10%
11%
10% 9%
5% 5%
4%
6%
Den Haag
Amsterdam
Rotterdam
0%
Benoembaar 10%
8%
3%
4%
Utrecht
Nederland
Onbevoegd
2.2 Opbrengsten taal en rekenen Op basis van de gegevens die door een deel van de Haagse schoolbesturen voor dit onderzoek ter beschikking zijn gesteld, kunnen we een beeld schetsen van de cognitieve opbrengsten van de verschillende groepen scholen in de stad. We zien dat de gemiddelde toetsscores voor begrijpend lezen en rekenen-wiskunde5 een stuk hoger liggen voor scholen met een lage schoolweging (licht groen) dan voor scholen met een zwaardere weging (donker oranje als groep met de zwaarste schoolweging). 6 Dat is op zich niet verrassend als we bedenken dat de schoolweging (landelijk) is bepaald op basis van het risico op onbenut potentieel (hoe hoger het risico, hoe zwaarder de schoolweging). Toch zijn de verschillen wel groot; vrijwel alle scholen in de lichtste groep scoren op LOVS-toetsen gemiddeld hoger dan de hoogst scorende scholen van de zwaarste categorie. De verschillen tussen scholen zijn het grootst op het gebied van begrijpend lezen.
4 5 6
IPTO: vakken en bevoegdheden in het voortgezet onderwijs Peildatum 1 oktober 2020. 2021. Tilburg:CentERdata geven hier de gemiddelde percentielscore weer van leerlingen in groepen 6 t/m 8 voor de cohorten 2017/18 t/m 2021/22 afzonderlijk voor begrijpend lezen en rekenen-wiskunde. De totale percentielscore is het gemiddelde van beide waarden. Cohen’s d= 5.13
Gelijke onderwijskansen in Den Haag - Meting 2022
9
Figuur 4. Gemiddelde percentielscores per schoolwegingsgroep
Ook in eindtoetsscores zien we dat de groep scholen met de lichtste weging hogere scores haalt dan scholen met een zwaardere schoolweging. De verschillen tussen de groepen zijn kleiner dan bij de LOVS toetsen, maar toch zien we dat de lichtste scholen duidelijk hoger scoren dan de andere groepen scholen.7 Figuur 5. Gemiddelde gestandaardiseerde eindtoetsscores per schoolwegingsgroep
In het voortgezet onderwijs zijn de verschillen tussen groepen scholen kleiner dan in het po. Voor een deel is dit inherent aan de differentiatie in onderwijstypen.8 Zelfs ondanks deze ‘dempende’ factor, zien we dat de groep scholen met de minste leerlingen met risico op onbenut potentieel 9 gemiddeld hoger scoren (in dit geval de gemiddelde cijfer op het centraal eindexamen) dan scholen met meer kinderen met een uitdagende thuissituatie.10
7 8 9 10
Cohen’s d=2.83 In het po maken alle leerlingen dezelfde (of vergelijkbare) toets, terwijl in het vo leerlingen het eindexamen afleggen op verschillende niveaus. Een examencijfer 7 op het vmbo-k telt in deze analyse echter gelijk aan een 7 op het havo-examen. Voor het vo: telatief weinig leerlingen die wonen in een armoedeprobleemcumulatiegebied (APCG). Cohen’s d=1.89
10
Oberon
Figuur 6. Gemiddelde gestandaardiseerde eindexamencijfers per apc-groep
2.3 Leergroei voor en sinds Covid-19 (po) Als gevolg van Covid-19 hebben leerlingen vanaf schooljaar 2019/2020 vanwege landelijke lockdowns meerdere keren thuisonderwijs gevolgd, en zijn lessen op school vanwege ziekte of quarantaineverplichtingen op individuele scholen niet doorgegaan. Om in kaart te brengen in hoeverre de maatregelen rondom Covid-19 effect hebben gehad op de leerprestaties van basisschoolleerlingen, heeft het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO) in het najaar van 2021 leergroeirapportages opgesteld en verstuurd naar de schoolbesturen die zich hiervoor hebben aangemeld. Deze rapportages geven de leergroei weer van leerlingen in de periode voor Covid-19 en de periode sinds Covid-19, binnen de domeinen begrijpend lezen, rekenen-wiskunde en spelling. In Bijlage 1 geven we een toelichting op de leergroeirapportages van het NCO. In onderstaande tabel 1 is te zien dat leerlingen landelijk in de periode sinds Covid-19 minder leergroei hebben voor begrijpend lezen en rekenen-wiskunde dan voor Covid-19 (een leervertraging van 0.1 standaarddeviatie).11 In Den Haag (de rechterkolom) zien we binnen de drie domeinen dat Haagse leerlingen binnen elk domein meer dan het landelijk gemiddelde groeiden, zowel in de periode voor Covid-19 als in de periode sinds Covid-19. Tabel 1. Gestandaardiseerde leergroei voor en sinds COVID-19. Domein Begrijpen lezen
Rekenen-wiskunde
Spelling
11
Periode
Landelijk
Den Haag
Vóór Covid-19
0
0,35
Sinds Covid-19
-0,1
0,30
Verschil
-0,1
-0,05
Vóór Covid-19
0
0,29
Sinds Covid-19
-0,1
0,49
Verschil
-0,1
0,20
Vóór Covid-19
0
0,51
Sinds Covid-19
0
0,72
Verschil
0
0,21
Voor spelling is er over het geheel een effect van afgerond 0, maar dit verschilt tussen onder- en bovenbouw.
Gelijke onderwijskansen in Den Haag - Meting 2022
11
Leerlingen in Den Haag zijn als geheel bij rekenen en spelling dus vooruitgegaan ten opzichte van de landelijke leergroei vóór Covid-19, en zijn er op het vlak van begrijpend lezen minder op achteruitgegaan dan landelijk gemiddeld. Wel zijn er aanzienlijke verschillen tussen scholen (Figuur 7). Figuur 7. Spreiding van de leergroei binnen de drie domeinen
Als we groepen scholen met elkaar vergelijken (figuur 8) zien we dat leerlingen in de zwaarste categorie scholen met name bij rekenen-wiskunde en spelling forse vertraging hebben opgelopen. Bij begrijpend lezen zien we van alle domeinen de meeste groepen scholen met leervertraging, maar binnen dit domein zijn de verschillen tussen scholen ook het grootst. Figuur 8. Verschil in leergroei per domein uitgesplitst naar schoolweging
Wanneer we in Den Haag inzoomen op groepen leerlingen op basis van de achtergrondkenmerken (inkomen, migratieachtergrond en gezinssamenstelling) (figuur 9) valt op dat er ook binnen deze groepen grote verschillen bestaan. Op sommige scholen hebben leerlingen uit bijvoorbeeld lage inkomensgezinnen een forse leervertraging opgelopen, terwijl leerlingen uit lage inkomensgezinnen op andere scholen juist gegroeid zijn ten opzichte van de landelijke gemiddelde leergroei. Dat maakt het lastig om al te stellige conclusies te trekken over het effect van covid op de kansengelijkheid in Den
12
Oberon
Haag. Wanneer we deze verschillen tussen scholen even negeren, zien we dat leerlingen uit lage inkomensgezinnen binnen alle domeinen minder leergroei hadden dan leerlingen uit hoge inkomensgezinnen. Bij leerlingen die verschillen in migratieachtergrond en gezinssamenstelling is een minder eenduidig beeld te zien.
Figuur 9. Verschil in leergroei per domein uitgesplist naar achtergrondkenmerken
Gelijke onderwijskansen in Den Haag - Meting 2022
13
3 Kansengelijkheid in overgangen en schoolroutes In de overgangen en schoolroutes van leerlingen ontstaat kansenongelijkheid niet, maar wordt het wel meer zichtbaar. In ons onderzoek kijken we daarom gericht naar deze aspecten. We kijken achtereenvolgens naar de kansengelijkheid in de schooladvisering, de doorstroom binnen het voortgezet onderwijs en het stapelen na het bepalen van het vo-diploma in Den Haag.
3.1 Kansengelijkheid in schooladvisering Trend in schooladviezen Binnen de G4 zien we een stijgende trend in de hoogte van de schooladviezen. In Den Haag ligt het gemiddelde inmiddels op bijna 3.512; gemiddeld globaal een vmbo tl/havo advies. Dit is gelijk aan het landelijk niveau. Figuur 10. Ontwikkeling gemiddelde schooladviezen Den Haag t.o.v. G4 en de rest van Nederland 4 3,8
's-Gravenhage
3,6
Amsterdam Rotterdam
3,4
Utrecht
3,2
Rest van NL
3 2014/2015 2015/2016 2016/2017 2017/2018 2018/2019 2019/2020 2020/2021
Wanneer we de meest recente gemiddelde basisschooladviezen per gemeente uitsplitsen naar opleidingsniveau van de ouders, zien we een bekende trend. Ongeacht gemeente geldt: hoe hoger het opleidingsniveau van ouders, des te hoger het gemiddelde advies. In Den Haag krijgen leerlingen met laagopgeleide ouders iets lagere schooladviezen in dan diezelfde groep leerlingen in de andere G4 gemeenten en de rest van Nederland. Figuur 11. Gemiddelde advieswaarde naar opleidingsniveau ouders, 2020/2021 5,0 4,5 4,0 3,5 3,0 2,5 2,0 1,5 1,0
4,1
3,7 2,7
3,0
4,4
3,9
2,8
3,0
3,0
4,1
3,7
3,6 3,3
3,7
3,1 2,8
3,1 2,8
Mbo 2 en lager Mbo 3 en 4 Hbo Bachelor Wo Master
Den Haag
12
4,4
4,3
Rotterdam
Amsterdam
Utrecht
Rest van NL
Waarbij 1 staat voor “alle leerlingen een advies vmbo-b-advies” en 5 voor “alle leerlingen vwo-advies”.
14
Oberon
Op verzoek van de gemeente hebben we ook gekeken naar de advisering van leerlingen in Den Haag Zuidwest (niet opgenomen in de figuur). In deze wijk liggen de gemiddelde adviezen van leerlingen ongeacht opleidingsniveau van ouders vrijwel gelijk aan de gemiddelden van Den Haag, met uitzondering van één groep: leerlingen met de hoogst opgeleide ouders (wo master of hoger) krijgen in de wijk Den Haag Zuidwest gemiddeld een lager advies dan de gemiddelde Haagse leerling met hoger opgeleide ouders. Ook ter vergelijking: de gemiddelde adviezen zijn in Den Haag Zuidwest vrijwel gelijk aan de gemiddelde adviezen in Rotterdam Zuid, ongeacht het opleidingsniveau van ouders. Afwijking tussen schooladvies en eindtoets In de vorige paragraaf keken we alleen naar het basisschooladvies, maar deze analyse kunnen we verdiepen door ook de eindtoetsscores van leerlingen te betrekken. De eindtoetsscores worden volgens bepaalde regels omgezet in een toetsadvies (bijvoorbeeld vmbo kader/tl). De afwijking tussen het behaalde toetsadvies en gekregen schooladvies geeft informatie over mate van onder- en overadvisering.
Door deze afwijkingen bij grote groepen leerlingen te middelen ontstaat een beeld van structurele verschillen in advisering tussen groepen leerlingen.13 De gemiddelde adviesafwijking in Den Haag is jaarlijks om en nabij nul, en de verschillen tussen Den Haag en de andere G4-gemeenten en de rest van Nederland zijn zeer klein, met uitzondering van Amsterdam, waar relatief veel leerlingen een advies krijgen dat hoger ligt dan het niveau van de eindtoets. Figuur 12. Ontwikkeling gemiddelde adviesafwijking Den Haag t.o.v. G4 en de rest van Nederland 0,4 0,3 's-Gravenhage
0,2 0,1
Amsterdam
0
Rotterdam
-0,1
Utrecht
-0,2
Rest van NL
-0,3 2014/2015
2015/2016
2016/2017
2017/2018
2018/2019
2020/2021
Om inzicht te krijgen in kansengelijkheid hebben we de gemiddelde cijfers in figuur 10 uitgesplitst naar opleidingsachtergrond van ouders. We zien dat Haagse leerlingen met laagopgeleide ouders ten opzichte van hun toetsadvies het laagste schooladvies krijgen, in vergelijking met de andere G4gemeenten en het landelijk beeld. Zo bezien wordt deze groep dus het sterkst ondergeadviseerd. Een nadere analyse laat echter zien dat dit beeld genuanceerd moet worden.
13
Een getal onder 0 in figuur 9 en 10 betekent dat een leerling een schooladvies lager dan het toetsadvies heeft gekregen (onderadvisering). Een getal boven nul duidt op een schooladvies hoger dan het toetsadvies (overadvisering).
Gelijke onderwijskansen in Den Haag - Meting 2022
15
Figuur 13. Gemiddelde adviesafwijking naar opleidingsniveau ouders, 2020/2021 0,4
0,33 0,3 0,23
0,3 0,14 0,1
0,2
0,1 0,06
0,1
0,2 0,15
0,09
0,09 0,02
0,04
0 -0,1 -0,2 -0,3
-0,08 -0,15
-0,1
-0,2
Den Haag
Mbo 3 en 4 Hbo Bachelor
-0,02 -0,07
-0,04
Mbo 2 en lager
Rotterdam
Amsterdam
Utrecht
Wo Master
Rest van NL
Uit bovenstaande analyse (die in verschillende vormen in landelijk onderzoek, en ook in eerdere edities van ons onderzoek wordt gebruikt) kan het beeld ontstaan dat leerlingen van laagopgeleide ouders over de hele linie voorzichtig worden geadviseerd of “het nadeel van de twijfel” krijgen, en dat dit het gevolg is van het opleidingsniveau van hun ouders. Als we de verschillen tussen de groepen echter bekijken binnen de schooladviezen ontstaat een genuanceerder beeld (figuur 11). Figuur 14. Mate van onderadvisering in procenten naar opleidingsniveau ouders, 2020/2021 35 30
2625
25 20 15 10
2727
3132
29 26
30
28
2525 17
141515
1819 151414
Mbo 2 en lager 1516
Mbo 3 en 4 1110
9
9 9
Hbo Bachelor Wo Master
5 0 vmbo-bb
vmbo-bb/kb
vmbo-kb
vmbo-kb/tl
vmbo-tl
vmbo-tl/havo
havo
We zien nog steeds wel dat leerlingen met laagopgeleide ouders bij verschillende adviezen wat vaker een lager advies krijgen dan de eindtoets rechtvaardigt, bijvoorbeeld bij leerlingen met een kader/tl advies (30% onderadvisering versus 25% bij kinderen van hoogopgeleide ouders) of leerlingen met een havo advies (11% versus 9%). Toch is het meest opvallend dat de adviesafwijking vooral samen lijkt te hangen met de hoogte van het advies en niet met het opleidingsniveau van ouders. Het zijn al met al vooral de leerlingen met een beroepsgericht advies waar het advies lager ligt dan de eindtoetssccore. Omdat vooral leerlingen met lager opgeleide ouders dergelijke adviezen krijgen (en toetsadviezen op dat niveau of net erboven) worden zij relatief vaak ondergeadviseerd, maar niet doordat zij lager opgeleide ouders hebben.
16
Oberon
Afwijking tussen schooladvies en tussentijdse toetsen In de vorige paragraaf hebben we gekeken naar de relatie tussen eindtoets en schooladvies. Omdat deze data landelijk geregistreerd worden en door het CBS gekoppeld worden aan achtergrondkenmerken, kunnen we analyses maken op individueel niveau en vergelijkingen maken tussen gemeenten. In de praktijk betrekken scholen bij het opstellen van het schooladvies ook (en vaak vooral) de scores van leerlingen op tussentijdse toetsen uit het CITO leerlingvolgsysteem (LOVS). Het gaat dan vaak om de scores op begrijpend lezen en rekenen-wiskunde in groep 6 tot en met 8. Een deel van de besturen met scholen in Den Haag heeft data over schooladviezen en toetsscores beschikbaar gesteld voor dit onderzoek. Met deze data kunnen we bepalen in hoeverre deze scholen in hun advisering afwijken van toetsscores. Uit de analyses blijkt dat er uiteraard sterke samenhang is tussen de hoogte van het schooladvies en de toetsscores die leerlingen halen. 14 Gemiddeld geldt: hoe hoger de percentielscore15, des te hoger het schooladvies. Toch laat de onderstaande figuur flinke overlap zien; zo scoort een kwart van de leerlingen met een advies vmbo-kader hoger dan de doorsnee leerling 16 met een tl-advies. Figuur 15. Verdeling percentielscores (gecombineerd begrijpend lezen en rekenen) per schooladvies
Op basis van een model (zie bijlage 1) kunnen we het schooladvies voorspellen, en kunnen we kijken hoeveel leerlingen een advies krijgen dat lager ligt dan het voorspelde schooladvies. Door vervolgens in te zoomen op verschillen tussen scholen kunnen we mogelijke verschillen duiden. We zien dat leerlingen van lichte scholen (net als leerlingen van hoogopgeleide ouders bij de analyse die uitging van de eindtoets) minder vaak lager worden geadviseerd dan geschat, en dat dit juist bij leerlingen van scholen met een hogere schoolweging (zware scholen) vaker voorkomt.
14 15 16
Ons model (zie bijlage 1) verklaart 85% van de verschillen in adviezen op basis van scores op tussentijdse toetsen. De percentielscore is het gemiddelde van alle scores van leerlingen in groep 6 tot en met 8 waarna we de domeinen begrijpend lezen en rekenen wiskunde samen hebben genomen. In de figuur weergegeven met het streepje in de balk; de mediaan.
Gelijke onderwijskansen in Den Haag - Meting 2022
17
Figuur 16. Mate van onderadvisering bij groepen scholen met verschillende schoolweging 20%
15% 10% 5% 0% 1 (licht)
2
3
4 (zwaar)
Dit verschil verdwijnt echter als we uitsplitsen naar schooladvies. Zo hebben havisten van scholen met een hoge schoolweging bezien niet vaker het ‘nadeel van de twijfel’ gekregen dan havisten van scholen met een lage schoolweging. Dat leerlingen van ‘zware’ scholen vaker worden ondergeadviseerd is eerder het gevolg van het feit dat zij vaak toetsprestaties halen waarbij doorgaans vmbo-adviezen worden gegeven; het zijn juist deze adviezen waar relatief vaak sprake is van onderadvisering, en waar de toetsscores elkaar niet veel ontlopen. Figuur 17. Mate van onderadvisering bij groepen scholen met verschillende schoolweging, uitgesplitst naar schooladvies 60% 40%
20% 0% vmbo-b
vmbo b/k
vmbo-k
vmbo k/tl
vmbo tl
1 (licht)
2
vmbo tl/havo
3
havo
havo/vwo
vwo
4 (zwaar)
3.2 Doorstroom binnen het voortgezet onderwijs In de overgang van het po naar het vo vergelijken we het basisschooladvies van de leerlingen met het niveau waarop zij in leerjaar 3 van het vo onderwijs volgen. De figuur hieronder laat de verdeling van op- en afstroom ten opzichte van het basisschooladvies zien voor leerlingen die ten tijde van het onderzoek in leerjaar 3 zaten. De meest recente cijfers laten zien dat het aandeel leerlingen dat een heel niveau op- of afstroomt in Den Haag vergelijkbaar is met de overige G4-gemeenten en de rest van Nederland. Alleen in Utrecht stromen relatief meer leerlingen op dan in Den Haag. Het aandeel leerlingen dat in leerjaar 3 nog steeds op het niveau van het basisschooladvies zit is gelijk in Den Haag en Rotterdam.17 Binnen Den Haag zien we in eerdere jaren een vergelijkbare verdeling van op- en afstroom (niet weergegeven in de figuur).
17
In de figuur geven we ook de mate van halfopstroom (bijvoorbeeld een leerling met advies havo/vwo die na 3 jaar op vwo zit) en halfafstroom weer. Dit komt vaker voor dan volledige op- of afstroom, maar dit is vooral een gevolg van gecombineerde adviezen.
18
Oberon
Figuur 18. Niveau in leerjaar 3 ten opzichte van het schooladvies, 2018/2019 14%
14%
15%
19%
12%
21%
15%
17%
8%
15% Opstroom Halfopstroom
46%
52%
46%
63%
52%
Gelijk Halfafstroom
12% 7%
11% 8%
14% 8%
5% 6%
Den Haag (n=4.517)
Amsterdam (n=6.210)
Rotterdam (n=5.041)
Utrecht (n=3.166)
Afstroom
12% 9% Rest van NL (n=137.783)
Doorstroom van leerlingen naar opleidingsniveau en wijk De verschillen in op- en afstroom tussen leerlingen uitgesplitst op het opleidingsniveau van ouders zijn in alle G4-gemeenten en de rest van Nederland gemiddeld klein. In figuur 16 is dit weergegeven met de gemiddelde waarde op- en afstroom, waar een score van 3 betekent dat een leerling in leerjaar 3 van het vo op hetzelfde niveau zit als het basisschooladvies. Een score onder 3 duidt op afstroom; een score boven 3 duidt op opstroom. Zowel in Den Haag als de overige G4-gemeenten stromen leerlingen gemiddeld allemaal iets op, ongeacht opleidingsniveau van de ouders. Alleen in de rest van Nederland zien we dat des te hoger het opleidingsniveau, des te hoger de mate van opstroom. Figuur 19. Gemiddelde waarde op- en afstroom naar opleidingsniveau ouders, 2018/2019 3,3
Mbo 2 en lager Mbo 3 en 4 Hbo Bachelor Wo Master
3,2 3,1
3
Geen verschil in niveau tussen leerjaar 3 en
2,9 Den Haag
Amsterdam
Rotterdam
Utrecht
Rest van NL
In figuur 17 zien we de trend van op- en afstroom binnen Den Haag. Deze figuur laat zien dat de verschillen in doorstroom tussen de groepen leerlingen, uitgesplitst naar het opleidingsniveau van ouders, jaarlijks steeds kleiner worden.
Gelijke onderwijskansen in Den Haag - Meting 2022
19
Figuur 20. Trend in gemiddelde waarde op- en afstroom naar opleidingsniveau in Den Haag 3,2 3,1
Mbo 2 en lager Mbo 3 en 4
3
Hbo Bachelor 2,9
Wo Master
2,8 2014/2015
2015/2016
2016/2017
2017/2018
2018/2019
Daarnaast hebben we ook ingezoomd per wijk 18 en vergelijkbare gebieden Den Haag Zuidwest en Rotterdam Zuid. Gemiddeld over schooljaar 2014/2015 t/m 2018/2019 zien we weinig verschil in doorstroom tussen Den Haag als geheel (3,09), Den Haag Zuidwest (3,12) en Rotterdam Zuid (3,05). Doorstroom van leerlingen met een bijgesteld advies Naast vergelijkingen naar opleidingsniveau en wijk, hebben we gekeken naar leerlingen met een bijgesteld advies: hoe stromen zij door binnen het vo?19 In Den Haag zagen we eerder dat 7% van de leerlingen in leerjaar 3 is afgestroomd en 14% is opgestroomd. Bij leerlingen met een bijgesteld advies stroomt 3,6% af en 34,5% op, ten opzichte van het oorspronkelijke basisschooladvies. Wanneer we de positie van de leerlingen in leerjaar 3 vergelijken met het bijgestelde advies, krijgen we een ander beeld: binnen deze groep stroomt 16% af ten opzichte van het bijgestelde advies en 5% stroomt op. De afstroom onder leerlingen met ouders waarvan de hoogste behaalde opleiding een mbo-opleiding is, ligt iets hoger (18%) dan bij leerlingen waarvan de ouders minimaal een hbo-achtergrond hebben (13%). Figuur 21. Af- en opstroom van leerlingen met bijgesteld advies (t.o.v. oorspronkelijk en bijgesteld advies) 34,5%
40% 30%
16,2%
20% 10%
3,6%
Afstroom
5,3%
Opstroom
0% T.o.v. oorspronkelijk advies
18 19
T.o.v. bijgesteld advies
Zie bijlage voor de gemiddelde doorstroom per wijk in Den Haag Een bijstelling van het advies houdt in dat het basisschooladvies naar aanleiding van de eindtoetsscore naar boven wordt aangepast; naar beneden aanpassen is niet toegestaan.
20
Oberon
Doublures De schoolroute van een leerlingen kan, naast op- of afstromen, ook wijzigen door een doublure. In Den Haag zien we (net als in Amsterdam en Rotterdam) een dalende trend in het aandeel leerlingen die blijven zitten. Figuur 22. Ontwikkeling van percentage leerlingen dat doubleert in G4 en rest van Nederland 10%
8% 's-Gravenhage 6%
Amsterdam Rotterdam
4%
Utrecht Rest van NL
2% 0% 2014/2015
2015/2016
2016/2017
2017/2018
2018/2019
De daling is het grootst bij leerlingen met ouders met maximaal een mbo-2 opleiding. Toch blijven zij nog steeds beduidend vaker zitten dan leerlingen met hoogopgeleide ouders. Figuur 23. Ontwikkeling van % leerlingen dat doubleert in Den Haag naar opleidingsniveau ouders 12% 10% 8%
Mbo 2 en lager
6%
Mbo 3 en 4 Hbo Bachelor
4%
Wo Master
2% 0% 2014/2015
2015/2016
2016/2017
2017/2018
2018/2019
Gelijke onderwijskansen in Den Haag - Meting 2022
21
3.3 ‘Stapelen’ na behalen van het vo-diploma Na het behalen van een vo-diploma kiezen sommige leerlingen ervoor om te ‘stapelen’ in plaats van direct door te stromen naar mbo of hbo.20. We zien dat stapelen veel vaker wordt gedaan door kinderen van hoogopgeleide ouders dan kinderen van ouders met (maximaal) een mbo-opleiding. Ten opzichte van eerdere jaren zijn de verschillen tussen groepen leerlingen wel afgenomen. Figuur 24. Stapelen in het voortgezet onderwijs, 2019/2020
Vmbo-tl naar havo
Havo naar vwo
45%
45%
40%
40%
35%
35%
30%
30%
25%
25%
20%
20%
15%
15%
10%
10%
5%
5%
0%
0%
Mbo 2 en lager
Mbo 3 en 4
Hbo Bachelor
Wo Master
Figuur 25. Ontwikkeling stapelen in het voortgezet onderwijs in Den Haag
Vmbo-tl naar havo
Havo naar vwo
45%
45%
40%
40%
35%
35%
30%
30%
25%
25%
20%
20%
15%
15%
10%
10%
5%
5%
0%
0% 14/15
15/16
16/17
17/18
Mbo 2 en lager
20
18/19
19/20
Mbo 3 en 4
14/15
15/16
Hbo Bachelor
16/17
17/18
18/19
19/20
Wo Master
leerlingen met een vmbo-tl diploma kunnen doorstromen naar de havo en leerlingen met een havodiploma naar het vwo.
22
Oberon
Bijlage 1 Verantwoording De indicatoren die we in dit rapport presenteren, zijn bepaald in samenspraak met de gemeente en vertegenwoordigers van het lokale onderwijsveld, en hebben betrekking op drie speerpunten in de Haagse Educatieve Agenda 2018-2022. 21 We baseren ons in dit onderzoek op bestaande gegevens die voor de onderzoekers beschikbaar zijn gesteld, zoals data van de gemeente, CBS Microdata, openbare data van DUO en CBS en gegevens van (een deel van) de schoolbesturen met scholen in Den Haag. De rapportage geeft een stedelijk beeld waarbij we soms inzoomen op groepen leerlingen of scholen. Individuele scholen worden in deze rapportage niet herkenbaar. We doen dit door de scholen in te delen in vier even grote groepen, op basis van de schoolweging.22 De scholen in groep 1 zijn de (onder de scholen die aan het onderzoek deelnemen) scholen met de 25% laagste schoolwegingen (kleinste risico op onbenut potentieel) en 4 naar groep naar de 25% hoogste schoolwegingen(hoogste risico op onbenut potentieel). Berekening van percentielscores voor LOVS-toetsen Een percentielscore is een waarde van 0 tot en met 100 en geeft aan hoeveel procent van de leerlingen (landelijk, uitgaande van de normering van CITO) een lagere vaardigheidsscore haalt.
Cito gebruikt de percentielen zelf om grenswaarden te bepalen; zo staat niveau (Romeinse) I voor de 20% hoogst scorende leerlingen (=percentiel 80 t/m 100), en niveau V voor de 20% laagst scorende leerlingen (=percentiel 0 t/m 20), en eerder bijvoorbeeld niveau A (percentiel 75 t/m 100). Door percentielen (gestandaardiseerde scores) te gebruiken kunnen we verschillende leerjaren en toetsen met elkaar middelen, en bijvoorbeeld in één score weergeven hoe het niveau van begrijpend lezen is voor een bepaalde subgroep leerlingen of scholen. Toelichting leergroeirapportages NCO De leergroeirapportages van het NCO geven op schoolniveau de gemiddelde leergroei weer in de periode voor Covid-19 en de periode sinds Covid-19. Ze geven inzicht op schoolniveau, waarbij de leergroei steeds wordt vergeleken met de landelijke leergroei. De leergroei wordt voor ieder domein gemeten door de scores op de M-toets (middenin het schooljaar) te vergelijken met de scores op de Etoets 1,5 jaar later (aan het einde van het schooljaar). Voor de domeinen rekenen-wiskunde en spelling wordt deze vergelijking gemaakt op scores van groep 4 t/m 7; voor begrijpend lezen op de scores van groep 5 t/m 7. Zo worden de scores op de M-toets van 2016/2017 vergeleken met de scores op de Etoets 1,5 jaar laten en wordt de M-toets van 2017/2018 vergeleken met de E-toets in 2018/2019.
Het gemiddelde van deze twee vergelijkingen vormt de gemiddelde leergroei in de periode voor Covid-19. De periode sinds Covid-19 betreft een vergelijking tussen de M-toets van 2019/2020 en de E-toets van 2020/2021 (na de scholensluitingen in maart-mei 2020 en december 2020 t/m begin februari 2021). Het NCO rapporteert gestandaardiseerde leergroei, zodat het mogelijk is om verschillende domeinen samen te analyseren. De leergroei in de periode sinds Covid-19 is gestandaardiseerd op de leergroei van
21
22
Het vierde speerpunt levert evenwel geen indicatoren op die iets zeggen over kansengelijkheid in Den Haag. Om die reden hebben we hier in de rapportage geen eigen hoofdstuk aan gewijd. De schoolweging is een maat voor het risico voor onbenut potentieel op een school, en wordt door de Inspectie van het Onderwijs toegepast in de beoordeling van scholen.
Gelijke onderwijskansen in Den Haag - Meting 2022
23
voor Covid-19. Dit betekent dat de leergroei voor Covid-19 voor alle domeinen gelijk is gesteld aan nul en de leergroei sinds Covid-19 wordt uitgedrukt als relatief aan de leergroei voor Covid-1923. Voorspelling van schooladvies op basis van LOVS-toetsen Uit eerder onderzoek24 blijkt dat er een sterke relatie is tussen de toetsscores van leerlingen en hun schooladvies. Voor dit onderzoek hebben we dit opnieuw vastgesteld voor de deelnemende schoolbesturen. We hebben hiervoor een lineaire regressieanalyse uitgevoerd op de relatie tussen het schooladvies (numerieke waarde waarbij vmbo-b staat voor 1, vmbo basis-kader voor 1.5, … en vwo voor 5) en de percentielscores voor begrijpend lezen groep 6 t/m en groep 8. Missende waarden zijn op caseniveau bij geschat (geïmputeerd) op scores op andere toetsen van de leerling op het zelfde domein. Uit de analyse bleek dat de toetsen voor begrijpend lezen E6 en E7 niet substantieel bijdroegen aan het model. Deze variabelen zijn daarom buiten het model gehouden. Uiteindelijk voorspelt het model 85% van de verklaarde variantie.25
23 24 25
Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (november, 2021). De effecten van de COVID-19-crisis op de leergroei van uw leerlingen. Technische toelichting primair onderwijs (PO). Pagina 8. Onder meer: van Aarsen, Roeleveld en Luyten, Voorspellende waarde van LOVS-toetsen voor schoolsucces. Oberon, 2013. Adjusted R-squared 0.8543. p < 2.2 e-16
24
Oberon
Bijlage 2 Populatie De kern van gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB) is dat gemeenten en schoolbesturen extra geld van het Rijk ontvangen, om in te zetten voor kinderen met een groot risico op onderwijsachterstanden. De middelen zijn niet bepaald op basis van de specifieke situatie van elk kind, maar op basis van kenmerken waarvan op groepsniveau is vastgesteld dat deze samenhangen met de kansen van leerlingen. In de loop der jaren zijn criteria en budgetten meermaals gewijzigd, waarbij voor verschillende educatieve sectoren verschillende definities worden gebruikt om te bepalen welke kinderen vanwege hun thuisomgeving een verhoogd risico hebben op ongelijke kansen. Doelgroep aan hand van landelijke definities: 2,5-12 jaar en vo In Den Haag behoort 27% van de kinderen in de voorschoolse leeftijd en primair onderwijs (van 2,5 tot en met 12 jaar) tot de landelijke doelgroep van 15 procent grootste risico op onderwijsachterstanden. 26 Op Rotterdam en Schiedam na is de concentratie ‘doelgroepkinderen’ in Den Haag het hoogst van alle Nederlandse gemeenten. Onderstaande ‘heatmap’ geeft de concentratie doelgroepleerlingen (4 t/m 12 jaar) binnen Den Haag weer. Op de kaart zijn ook de scholen getekend met een indicator van de schoolweging.
Te zien is dat (uiteraard) de zwaarste scholen liggen in buurten met een hoge concentratie doelgroepleerlingen, maar ook dat ‘zware’ en ‘lichte’ scholen soms dicht bij elkaar liggen, maar blijkbaar een afwijkende populatie leerlingen bedienen. Ook valt op dat er relatief weinig scholen zijn met een gemiddelde schoolweging.
Bron: Heatmap: CBS, Data: CBS, bewerking Oberon, Data over 2017/18 t/m 2019/20
26
Gegevens afkomstig van het CBS op basis van data van 1 oktober 2020.
Postbus 1423, 3500 BK Utrecht t 030 230 60 90 info@oberon.eu | www.oberon.eu
Utrecht, september 2022 In opdracht van Gemeente Den Haag