RIS315797 Bijlage 1 Voorjaarsnota 2023
Tekst van het document
Voorjaarsnota 2023
Inleiding Voor u ligt de Voorjaarsnota 2023. In de voorjaarsnota is het budgettaire kader voor de begrotingsvoorbereiding opgenomen. Het gaat om het beleidsarme budgettaire beeld voor de meerjarenbegroting van de gemeente Den Haag. Daarnaast gaat deze voorjaarsnota in op de nieuwe financieringssystematiek van het gemeentefonds die door het Rijk is aangekondigd, de trendcompensatie voor de gestegen lonen en prijzen en een aantal overige financiële ontwikkelingen. Het budgettaire kader uit de voorjaarsnota dient als uitgangspunt voor de verdere begrotingsvoorbereiding. In het vervolgtraject van de begrotingsvoorbereiding worden de financiële opgaven en mogelijke oplossingen afgewogen tegen dit budgettaire kader. De uitkomst van de gemaakte keuzes zal landen in de ontwerpbegroting 2024-2027, die de raad in september ontvangt. In het budgettaire beeld van deze voorjaarsnota zijn de uitkomsten van de meicirculaire (publicatie 31 mei) van het Rijk meegenomen. Dit jaar is de meicirculaire extra relevant met het oog op de loon-en prijscompensatie die we van het Rijk krijgen in relatie tot de hoge inflatie en voor de hoogte van het gemeentefonds vanaf 2026. De raad is daarom op 21 maart geïnformeerd (RIS 314876) dat het college de voorjaarsnota na publicatie van de meicirculaire aanbiedt.
In de verdere begrotingsvoorbereiding worden ook de uitkomsten van de 4-maandsrapportage betrokken die de raad tegelijkertijd met de voorjaarsnota ontvangt. In de 4-maandsrapportage rapporteert het college over de actuele begrotingsuitvoering en het college geeft een prognose af op de lopende jaarschijf (2023) bij ongewijzigde voortzetting van het staande beleid. Hierdoor kan het college in een vroeg stadium sturen op majeure financiële voor- en nadelen. In hoofdstuk 2 wordt toegelicht wat de nieuwe financieringssystematiek van het gemeentefonds betekent voor de gemeente Den Haag. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de afname van het gemeentefonds vanaf 2026 en de nieuwe indexatiesystematiek vanaf 2027. In hoofdstuk 3 is het budgettaire beeld weergeven. In dit hoofdstuk zijn de exogene ontwikkelingen in beeld gebracht die de omvang van de begroting beïnvloeden, zonder dat de gemeente hier direct op kan sturen. Knelpunten die (mogelijk) volgen uit de lopende begrotingsuitvoering zijn niet opgenomen. Algemeen uitgangspunt is dat deze knelpunten binnen het beleidsprogramma worden opgelost. Hierbij kunt u denken aan het temporiseren van eigen beleid of de uitvoering of andere inhoudelijke keuzes. Als dat niet mogelijk is, worden deze knelpunten bezien in de verdere voorbereiding van de meerjarenbegroting. In hoofdstuk 4 wordt de trend-voor-trend systematiek toegelicht.
In de meicirculaire is opgenomen hoeveel loon- en prijsbijstelling gemeentes ontvangen. Uitgangspunt is dat de loon- en prijscompensatie die we van het Rijk krijgen doorverdeeld wordt naar de begrotingsprogramma's. Ook de overige inkomsten van de gemeente worden met dit percentage geïndexeerd. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op een aantal overige relevante financiële ontwikkelingen. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de inflatie, de motie stabiele financiering GAD, het raadsvoorstel van het presidium voor extra middelen voor programma 1 en de negatieve programmareserves.
2
Nieuwe financieringssystematiek gemeentefonds Op 31 mei heeft het Rijk de meicirculaire gepubliceerd. De meicirculaire geeft het meest actuele beeld van de ontwikkeling van het gemeentefonds. Voor de ontwikkeling van het gemeentefonds wordt onderscheid gemaakt tussen de volumeontwikkeling van het gemeentefonds, dat wat extra is, en hoeveel de gemeente ontvangt voor loon- en prijsstijgingen. Tot en met 2025 staat de volumeontwikkeling vast. Voor de jaren vanaf 2026 wordt een nieuwe financieringssystematiek uitgewerkt. De loon- en prijscompensatie wordt jaarlijks geactualiseerd. De gemeente verdeeld de loon-en prijscompensatie over de begroting via de trendvoor-trend systematiek. Dit wordt verder toegelicht in hoofdstuk 4. 2.1 Afname gemeentefonds vanaf 2026 In de meicirculaire heeft het Rijk op hoofdlijnen de nieuwe financieringssystematiek voor gemeenten beschreven. Als onderdeel hiervan heeft het Rijk besloten structureel €1 miljard beschikbaar te stellen aan gemeenten vanaf 2027 om de afname van het gemeentefonds deels op te vangen. Eerder heeft het Rijk ook €1 miljard beschikbaar gesteld voor 2026. In het coalitieakkoord van vorig jaar en later ook in de programmabegroting 2023-2026 is ervan uitgegaan dat de teruggang van de algemene uitkering volledig gecompenseerd zou worden door het rijk. Dit is niet volledig gebeurd.
In 2026 hebben we €1 miljard gekregen en dit bedrag is vanaf 2027 structureel gemaakt. Voor Den Haag betekent dit een tekort van €15 miljoen structureel vanaf 2026. Deze €15 mln. is nog niet verwerkt in de begroting, omdat er nog met het Rijk onderhandeld wordt over de nieuwe financieringssystematiek. Het Rijk heeft daarnaast aangegeven dat bij de verdere uitwerking van de nieuwe financieringssystematiek de mogelijkheid voor een groter eigen belastinggebied wordt betrokken. In samenspraak met de VNG wordt gekeken naar mogelijkheden voor modernisering en uitbreiding van het belastinggebied, waarbij het Rijk op basis van de uitkomsten een eventueel wetgevingstraject in gang zal zetten. 2.2 Nieuwe indexatiesystematiek vanaf 2027 In de meicirculaire heeft het Rijk aangekondigd dat het gemeentefonds vanaf 2027 geïndexeerd wordt aan de hand van de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (BBP). De ontwikkeling van het gemeentefonds wordt hiermee transparanter en beter voorspelbaar waardoor de begroting stabieler wordt. Voor de indexatie van het gemeentefonds wordt onderscheid gemaakt tussen de volumeontwikkeling en loon- en prijsbijstelling: o De volumeontwikkeling van het gemeentefonds wordt gebaseerd op het gemiddelde van de volumegroei van het BBP in de achterliggende 8 jaren (t-9 t/m t-2). o De loon- en prijsbijstelling wordt gebaseerd op de prijsontwikkeling van het BBP.
In de Miljoenennota van het Rijk worden voor 2027 en verder de cijfers op basis van de bbpsystematiek berekend en opgenomen op basis van de op dat moment meest actuele gegevens. In de meicirculaire is de koppeling aan het bbp vanaf 2027 dus nog niet verwerkt.
3
Budgettair beeld Onderstaande tabel geeft het budgettaire beeld weer. De weergegeven cijfers zijn ten opzichte van de huidige, door de raad vastgestelde, meerjarenbegroting. Hieruit volgt het vertrekpunt voor de ontwerpbegroting 2024-2027. Daarnaast is ook het jaar 2023 meegenomen. In de tabellen zijn de plussen voordelig voor het meerjarenbeeld, en de minnen nadelig. In totaal laat het beeld een incidenteel voordeel zien in 2023 tot en met 2025, een incidenteel nadeel in 2026 van € 14,3 mln. en een structureel nadeel vanaf 2027 van € 10,5 mln. Bedragen in €1.000
2023
2024
2025
2026
2027
1. Gemeentefonds nieuwe financieringssytematiek
0
0
0
-15.000
-15.000
2. Belastingopbrengsten
0
0
0
0
1.000
700
700
700
700
3a. Dividend HTM
-3.000
3b. Dividend BNG
700
3c. Dividend Stedin
-69
4. Rente
15.000
14.650
0
0
0
5. Areaal
0
0
0
0
0
6. Algemene reserve
19.300
0
0
0
0
7. Vrijval kapitaallasten
1.084
18
18
18
2.818
Totaal
36.015
12.368
718
-14.282
-10.482
3.1. Gemeentefonds nieuwe financieringssystematiek Zoals in hoofdstuk 2 toegelicht is de afname van het gemeentefonds vanaf 2026 voor € 15 mln. nog niet verwerkt in de begroting. 3.2. Belastingopbrengsten De belastingenopbrengsten nemen in 2027 toe met € 1 mln. door de groei van de stad. Enerzijds neemt de toeristenbelasting toe met € 0,5 mln. Hierbij is uitgegaan van een reguliere groei van het aantal toeristen van circa 3%. Anderzijds nemen de OZB-opbrengsten in 2027 toe met € 0,5 mln. als gevolg van de groei van de stad. 3.3. Verbonden partijen Jaarlijks worden de verwachte dividendopbrengsten geactualiseerd op basis van de ontvangen bedragen in het lopende jaar en de meerjarenperspectieven van de verbonden partijen. Dit geeft aanleiding voor de volgende bijstellingen: Dividend HTM Het verminderde reizigersaantal sinds corona beïnvloedt de bedrijfsvoering van HTM. HTM krijgt dit jaar middelen van het Rijk om dit op te vangen. Voorwaarde van de steun is dat HTM geen dividend mag uitkeren. Voor Den Haag betekent dit € 3 mln. minder dividendopbrengsten. Dividend BNG De dividendopbrengsten voor BNG worden op basis van de dividenduitkering in 2023 structureel verhoogd met € 0,7 mln. tot € 3,2 mln. Dividend Stedin Het dividend dat de gemeente Den Haag in 2023 ontvangt over het resultaat van 2022 bedraagt € 2,085 mln. in plaats van de geraamde € 2,154 mln.
dit levert een incidenteel nadeel op van € 0,069 mln. 3.4. Rente De rentestijging levert de gemeente naar schatting een voordeel op van € 15 mln. in 2023 en een voordeel van € 14,650 mln. in 2024. Dit wordt grotendeels verklaard door het schatkistbankieren.
4
Schatkistbankieren houdt in dat gemeenten verplicht zijn liquide middelen bij het Rijk op een bankrekening te zetten. Over deze middelen ontvangt de gemeente Den Haag rente. Vanaf 2025 verdwijnt dit voordeel naar verwachting. De gemeente Den Haag verwacht in 2025 geen liquiditeitsoverschot te hebben. Verder is er in 2024 een incidenteel voordeel € 1,65 mln. vanwege de bespaarde rente. Den Haag hanteert de systematiek van de bespaarde rente. Deze systematiek gaat ervan uit dat alle bezittingen van de gemeente met vreemd vermogen worden gefinancierd. In werkelijkheid financiert de gemeente zijn bezittingen deels met eigen vermogen (reserves en voorzieningen). Dit leidt tot een rentevoordeel. Dit wordt deels ingezet voor de bestaande afspraken om de voorzieningen meerjarenprognose grondexploitaties en Harnaschpolder jaarlijks aan te passen aan het actuele prijspeil. De overige bespaarde rente is vrij besteedbaar. 3.5. Areaal Voorgaande jaren werd de gemeentebegroting bijgesteld op basis van de areaalsystematiek (RIS 302477), zodat de begroting meegroeit met de groei van de stad. Het Rijk heeft echter besloten dat tot en met 2026 het volume van het accres vaststaat. Uit de volumegroei van het accres werd de areaalsystematiek gefinancierd. Hierdoor komen er tot en met 2026 geen nieuwe middelen beschikbaar voor de areaalsystematiek.
De komende jaren komt de areaalsystematiek daarmee te vervallen. Het Rijk heeft aangekondigd dat het accres vanaf 2027 mee gaat groeien met de volumegroei van het BBP. Hierbij zal naar de gemiddelde groei van het BBP van een aantal jaren gekeken worden. Zodra deze nieuwe systematiek is uitgewerkt zal worden besloten hoe de areaalsystematiek vanaf 2027 kan worden toegepast. 3.6. Algemene reserve In de jaarrekening is toegelicht dat voor de gemeente Den Haag de benodigde algemene reserve een omvang van € 108 mln. dient te hebben om de risico’s op te vangen. De hoogte van de algemene reserve bedraagt op dit moment € 127,3 mln. Dit betekent dat het verschil van € 19,3 mln. ingezet kan worden bij de begrotingsvoorbereiding. 3.7. Vrijval kapitaallasten Investeringen in de openbare ruimte, gebouwen en automatisering worden opgenomen in het meerjarige investeringsplan (MIP). Jaarlijks bepaalt de gemeente of en hoeveel ruimte in het MIP aanwezig is voor nieuwe plannen. Vrijval op kapitaallasten (lasten voor rente en afschrijving) kan ontstaan als investeringen volledig zijn afgeschreven, door afnemende rentelasten op investeringen wegens daling van de boekwaarde, door vertraging in de uitvoering en bij een goedkopere uitvoering van de investering. Vrijval vindt enkel plaats bij investeringen die met structurele kapitaallasten zijn gedekt.
Als investeringen met incidentele middelen zijn gedekt (toegevoegd aan de activareserve), geldt dat voordelen enkel ontstaan bij het voordeliger uitvoeren van projecten. Incidenteel valt er in 2023 € 1,066 mln. vrij: € 1,226 mln. als gevolg van lagere besteding op investeringen in 2022 ten opzichte van de begroting waardoor niet alle gereserveerde kapitaallasten tot besteding zijn gekomen. Een nadeel van € 0,160 mln. Dit is het saldo van voordelen als gevolg van afgesloten projecten van programma 9 voor project Noordeinde en programma 12 mobiliteit voor projecten Erasmusweg deel 1 en Soestdijkseplein enerzijds en een verwacht nadeel bij programma 9 voor de lopende projecten Kraayensteinfase 1 en Boekhorststraat. Er is een structurele kapitaallastenruimte van € 0,018 mln. dat oploopt tot € 2,818 mln. vanaf 2027. € 0,018 vanwege een goedkopere uitvoering van de projecten Erasmusweg deel 1 en Soestdijkseplein. Vanaf 2027 is er een structurele kapitaallastenruimte van € 2,8 mln. door volledig afgeschreven investeringen waar geen vervangingsinvestering is voorzien. Ter illustratie: Uitgaande van een gemiddelde afschrijftermijn van 20 jaar en een rentepercentage van 1,5% levert € 2,818 mln. vrijval kapitaallasten circa € 40 mln. extra investeringsruimte op vanaf 2027.
5
Trend-voor-trend Jaarlijks past de gemeente de begroting aan voor de ontwikkeling van de lonen en de prijzen (trend) om de begroting op peil te houden. Circa €1,8 miljard van de uitgaven van de gemeente zijn loon- en prijsgevoelig, waarvan circa €1,1 miljard loongevoelig en circa €0,7 miljard prijsgevoelig. De systematiek die we gebruiken voor het indexeren van deze loon- en prijsgevoelige uitgaven noemen we trend-voor-trend, waarbij de trend een compensatie is voor de gestegen kosten. De daadwerkelijke stijging van de kosten zal in sommige gevallen lager en in andere gevallen hoger zijn dan deze compensatie. De trend van de gemeente wordt gebaseerd op de loon- en prijscompensatie van het Rijk. De loon- en prijsbijstelling van het Rijk wordt uitgekeerd over het trendgevoelige deel van het gemeentefonds (grondslag circa €1,6 miljard). Daarnaast worden de overige algemene dekkingsmiddelen geïndexeerd (grondslag circa €0,2 miljard). Deze beslaan de onroerendezaakbelasting, parkeerbelasting, toeristenbelasting, hondenbelasting en precario woonschepen. Deze worden met hetzelfde percentage geïndexeerd als het Rijk gebruikt. De loon- en prijsbijstelling van het Rijk en de extra eigen inkomsten worden vervolgens doorverdeeld naar de loon- en prijsgevoelige uitgaven van de begroting.
Wijziging van systematiek De trend-voor-trend systematiek zoals hierboven beschreven wijkt af van hoe de trend in voorgaande jaren berekend werd. Voorgaande jaren berekende de gemeente op basis van de inflatiepercentages van het Centraal Planbureau en de ontwikkeling in de cao hoeveel trend nodig was. De benodigde middelen werden vervolgens gedekt met de indexatie van de eigen inkomsten en uit het accres van het gemeentefonds. Het accres bewoog via de ‘trap-op-trap-af’ systematiek mee met de rijksuitgaven. Sinds 2022 wordt de ‘trap-op-trap-af’ systematiek niet meer toegepast. In plaats daarvan wordt voor de ontwikkeling van het gemeentefonds onderscheid gemaakt tussen de volumeontwikkeling en de loon- en prijsbijstelling. De volumeontwikkeling staat tot en met 2026 vast. De loon- en prijscompensatie die gemeentes van het Rijk ontvangen wordt jaarlijks opgenomen in de meicirculaire. Hierdoor is het niet meer nodig zelf een bedrag voor de loon- en prijscompensatie te berekenen. In plaats daarvan wordt het geld dat de gemeente Den Haag van het Rijk ontvangt een-op-een doorverdeeld naar de programmabegroting. Voor 2024 wordt de trend-voor-trend systematiek toegepast. Voor 2023 geldt een overgangsjaar. 4.1 Trend 2023 Op basis van de meicirculaire vindt nacalculatie plaats voor het lopende jaar (2023).
In de meicirculaire is opgenomen hoeveel structurele loon- en prijsbijstelling gemeentes ontvangen voor de gestegen lonen en prijzen in 2023. In de meicirculaire van 31 mei heeft het Rijk de loonbijstelling voor 2023 naar boven bijgesteld. De prijsbijstelling voor 2023 is gelijk gebleven. Daarnaast is in de meicirculaire opgenomen dat de gemeenten een extra structurele prijscompensatie krijgen voor de gestegen prijzen in 2022. Daarnaast heeft de gemeente Den Haag vanuit de oude systematiek nog middelen gereserveerd voor de loonontwikkeling in 2023. In de vastgestelde gemeentelijke begroting is voor 2023 € 62 mln. voor loon- en prijscompensatie (trend) beschikbaar gesteld. Op basis van de toegenomen inflatie wordt € 43 mln. extra beschikbaar gesteld. Hiermee komt de totale trendbijstelling voor 2023 uit op structureel € 105 mln. Trend 2023 Prijsontwikkeling
6
Bedrag € 37 mln.
Percentage 6,45 %
Loonontwikkeling
€ 68 mln.
6,48 %
Totaal
€ 105 mln.
6,47%
Prijsontwikkeling 2023 In de begroting is voor 2023 al een prijsontwikkeling van 5,35% opgenomen. Van het Rijk ontvangt de gemeente extra middelen voor de prijsbijstelling. De trend voor de prijsontwikkeling neemt hierdoor toe van 5,35% naar 6,45%. Loonontwikkeling 2023 In de begroting is voor 2023 al een loonontwikkeling van 3,3% opgenomen. Van het Rijk ontvangt de gemeente extra middelen voor de loonbijstelling. Daarnaast heeft de gemeente Den Haag vanuit de oude systematiek nog middelen gereserveerd voor de loonontwikkeling. De trend voor de loonontwikkeling neemt hierdoor toe van 3,3% naar 6,48%. 4.2 Trend-voor-trend 2024 Voor 2024 is in de meicirculaire van het Rijk opgenomen hoeveel loon- en prijsbijstelling we naar verwachting van het Rijk krijgen in 2024. Het rijk baseert de loon- en prijsbijstelling op de meest recente raming van het CPB die gepubliceerd is in het Centraal Economisch Plan (CEP). In 2024 gaat het om een gemiddeld percentage van 4,22%, bestaande uit een component voor lonen (5,2%) en voor prijzen (2,75%). Met de loon- en prijsbijstelling van het Rijk en door het indexeren van de algemene dekkingsmiddelen is er in totaal € 78 mln. beschikbaar voor de trend in 2024. Met deze middelen wordt circa € 1,8 mld. van de programmabegroting geïndexeerd voor de trend.
In onderstaande tabel is weergegeven wat dit betekent voor de trendpercentages van de gemeente Den Haag voor 2024. Trend Loonontwikkeling
Bedrag € 49 mln.
Percentage 5,2 %
Prijsontwikkeling
€ 29 mln.
2,75 %
Totaal
€ 78 mln.
4,22%
7
Overige ontwikkelingen Dit hoofdstuk bevat een aantal ontwikkelingen die impact hebben op het financiële meerjarenbeeld van de gemeente. Deze zijn aanvullend op de exogene ontwikkelingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 3. 5.1 Inflatie en energieprijzen In 2022 zijn de prijzen fors gestegen. Ook in de 2023 stijgen de prijzen meer dan in voorgaande jaren. In hoofdstuk 4 is toegelicht hoe de gemeente de begroting aanpast voor de ontwikkeling van de lonen en de prijzen (trend). In sommige gevallen kunnen de daadwerkelijke kosten harder stijgen dan de trendcompensatie. In de uitvoeringsnota 2022 heeft de gemeente daarom eenmalig een buffer van € 25 mln. ingesteld om de gevolgen van de gestegen lonen en prijzen te verzachten. In de begrotingsvoorbereiding wordt besloten hoe de buffer van € 25 mln. wordt ingezet. De raad wordt hierover geïnformeerd in de begroting 2024-2027. 5.2 Motie stabiele financiering nieuwe GAD In de gemeenteraadsvergadering van 21 december 2022, heeft een meerderheid van de gemeenteraad de motie GL.8 Stabiele financiering nieuwe GAD (RIS314231) aangenomen. Voorgesteld wordt om het budget voor de Gemeentelijke Accountantsdienst met ingang van 2023, structureel te verhogen met een bedrag van € 0,311 mln. Dit komt overeen met 0,01% van de begroting 2023. In de motie is geen dekkingsvoorstel opgenomen.
Vanaf 2023 maakt de GAD onderdeel uit van programma 1 Gemeenteraad (RIS310802). 5.3 Raadsvoorstel extra middelen voor programma 1 Het presidium heeft een raadsvoorstel (RIS315568) gedaan om de beschikbare middelen voor programma 1 te verhogen. In de afdoening motie Versterken hoogste orgaan (RIS309616) werd voorgesteld de begroting van de ROR structureel met € 1,5 mln. te laten groeien. In het coalitieakkoord is structureel € 0,4 mln. beschikbaar gesteld voor de raad. Het presidium stelt voor dit bedrag vanaf 2024 te verhogen met € 1.1 mln. Daarnaast is de ROR met ingang van 1 april 2023 uitgebreid met de Gemeentelijke accountantsorganisatie Den Haag (GAD). In het verlengde van de motie GL.8 Stabiele financiering nieuwe GAD (RIS314231) worden aanvullende structurele middelen toegevoegd aan het budget voor de GAD. In 2024 wordt aanvullend €0,3 mln. beschikbaar gesteld en vanaf 2025 wordt aanvullend €0,6 mln. structureel beschikbaar gesteld. Het college heeft kennisgenomen van het voorstel en zal alle aanpassingen verwerken bij de programmabegroting 2024-2027, inclusief de actualisatie van de begroting 2023. In onderstaande tabel is het totale budgettaire effect weergegeven. Bedragen in €1.000
2023
Raadsvoorstel verhoging budget ROR Motie stabiele financiering GAD
-311
Raadsvoorstel verhoging budget GAD Totaal
-311
2024
2025
2026
2027
-1.100
-1.100
-1.100
-1.100
-311
-311
-311
-311
-300
-600
-600
-600
-1.711
-2.011
-2.011
-2.011
5.4 Negatieve reserves Na verrekening van het jaarrekeningresultaat 2022 hebben vijf programmareserves een negatieve stand: Programmareserve 4 - Openbare orde en veiligheid. Deze staat € 0,027 mln. negatief. Programmareserve 6 - Onderwijs. Deze staat € 2,6213 mln. negatief. Programmareserve 10 - Sport. Deze staat € 0,927 mln. negatief. Programmareserve 13 – Stadsontwikkeling en wonen. Deze staat € 0,680 mln. negatief Programmareserve 14 - Stadsdelen, integratie en dienstverlening. Deze staat € 1,314 mln. negatief. In overeenstemming met de Verordening Financiële Beheer en beleid (artikel 5:7 lid 6) komt de portefeuillehouder(s), van een programmareserve met een negatieve stand namens het college, met een voorstel om deze reserves binnen maximaal twee begrotingsjaren (vanaf het begrotingsjaar waarin het tekort is gerealiseerd) tenminste op nihil te krijgen.
8