RIS315197 Bijlage 3 Minima-effectrapportage Den Haag 2022
Tekst van het document
Minima-effectrapportage gemeente Den Haag 2022 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Marcel Warnaar, Corinne van Gaalen
19 september 2022
Minima-effectrapportage gemeente Den Haag 2022
De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens
Auteurs Marcel Warnaar Corinne van Gaalen
Nibud, 19 september 2022 In opdracht van de gemeente Den Haag
Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld. Daarbij spelen gedragsaspecten een belangrijke rol. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor consumenten (via onze websites, (sociale) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen, hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop.
Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Den haag. Met dit onderzoek wil de gemeente Den Haag inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Utrecht, september 2022
Samenvatting Doel en opzet onderzoek Deze minima-effectrapportage geeft weer wat de invloed is van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Den Haag. In dit onderzoek is voor tien verschillende huishoudtypen op vier verschillende inkomensniveaus (100, 110, 130 en 150 procent van het wettelijk sociaal minimum) doorgerekend hoe hun maandbegrotingen eruitzien. In de begrotingen hebben we rekening gehouden met de volgende lokale regelingen: de kwijtschelding van lokale lasten; de gemeentelijke collectieve zorgverzekering; de Ooievaarspas; de witgoedregeling; gratis openbaar vervoer voor AOW-gerechtigden regelingen via de Stichting Leergeld; tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten; de Individuele Inkomenstoeslag; de eenmalige energietoeslag. Hierbij gaan we ervan uit dat de betreffende huishoudens van alle beschikbare regelingen gebruik maken, goed met geld omgaan en geen of zeer beperkt persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben. Inflatie en bestedingsruimte Op het moment van het opstellen van deze MER is er sprake van flinke prijsstijgingen, vooral voor energie. Dit heeft gevolgen voor de Nibud-uitgavencijfers en daarmee voor de bestedingsruimte van huishoudens. De begrotingen in dit onderzoek zijn zo veel mogelijk gebaseerd op het prijspeil van juli 2022.
Het Nibud volgt de ontwikkelingen op de voet en past uitgavencijfers gedurende het jaar aan als actuele ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. Het is vanwege deze hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte gepresenteerd in deze MER te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn wellicht kan omslaan in een tekort. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten. Resultaten na bekostiging basispakket én bekostiging sociale participatie Vrijwel alle huishoudtypen in Den Haag kunnen het basispakket en de uitgaven voor sociale participatie bekostigen. Alleen bij het paar met oudere kinderen is dit op twee inkomensniveaus niet mogelijk: op bijstandsniveau en op 150 procent van het bijstandsniveau. Wanneer het paar met oudere kinderen de individuele inkomenstoeslag ontvangt wordt het saldo ook op bijstandsniveau net positief. AOW-gerechtigden hebben de meeste bestedingsruimte, namelijk 283 euro of meer. Dit kan verklaard worden doordat de AOW-uitkering ruim 200 euro per maand hoger is dan de bijstandsuitkering. Daarnaast hebben AOW-gerechtigden de mogelijkheid om vrij te reizen om mee te kunnen blijven doen in de samenleving.
De voorbeeldhuishoudens met een zorgvraag zijn financieel niet veel slechter af dan vergelijkbare huishoudens zonder zorgvraag. Ook hier is de gemeentelijke ondersteuning toereikend. De gemeentelijke ondersteuning is noodzakelijk om de maandbegroting rond te krijgen. Zonder die ondersteuning kunnen alleenstaanden, paren zonder kinderen en paren met oudere kinderen het basispakket niet bekostigen. Ook lukt het 7 van de 10 onderzochte huishoudens dan niet om de kosten voor het basispakket én sociale participatie te betalen. Niet-gebruik van gemeentelijke voorzieningen terugdringen is dan ook een belangrijk doel.
Aandachtspunten De gemeente Den Haag zet sterk in op de ondersteuning van kinderen: zowel vanuit de regelingen via de Ooievaarspas als via de Stichting Leergeld zijn diverse vergoedingen mogelijk, onder andere voor (sport)kleding en het lidmaatschap van een vereniging. Dit is een extra stimulans om kinderen deel te laten nemen aan sportieve en culturele activiteiten. Dit zijn goede regelingen, maar niet voldoende om het saldo voor een huishouden met twee oudere kinderen positief te krijgen. Te overwegen valt om de bedragen voor deze groepen te verhogen, in ieder geval met het huidige inflatiepercentage van 10 procent. Ook verhoging van het IIT-bedrag voor paren met (oudere) kinderen kan soelaas bieden voor de groep die langdurig van een laag inkomen moet zien rond te komen. Voor volwassenen kent de gemeente Den Haag een beperktere tegemoetkoming voor contributies van sportieve of culturele activiteiten. Echter, ook voor volwassenen is sociale participatie belangrijk. Sociale uitsluiting kan zo worden tegengegaan, wat de kansen op de arbeidsmarkt zou kunnen vergroten. Extra financiële ondersteuning voor volwassenen kan hier een positieve rol spelen. Bij de meeste huishoudtypen is er sprake van een doorstroomval op 150 procent van de geldende bijstandsnorm; zij hebben minder ruimte in hun budget dan huishoudens met een inkomen op 130 procent.
Dit komt omdat veel gemeentelijke regelingen lopen tot een inkomen van 130 procent. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Ooievaarspas. Flink wat Haagse regelingen zijn gekoppeld aan het bezit van de Ooievaarspas. Al deze regelingen bij elkaar opgeteld hebben een dusdanig effect dat de bestedingsruimte bij een inkomen op 130 procent uiteindelijk groter is dan bij een inkomen op 150 procent, waar geen gebruik gemaakt kan worden van de voordelen van de Ooievaarspas. Aan de andere kant heeft de koppeling van regelingen het voordeel dat aanvragen en toekenningen veel eenvoudiger zijn. Aanpak van de doorstroomvallen kan door gemeentelijke regelingen geleidelijk af te bouwen bij hogere inkomens. Dit maakt het systeem wel ingewikkelder, zowel voor de uitvoering als voor inwoners met recht op deze regelingen. Bovendien ligt een deel van de oorzaak van doorstroomvallen ook bij (de afbouw van) landelijke toeslagen. Prioriteit zou gegeven moeten worden aan de ondersteuning van de laagste inkomens. Het Nibud raadt verder aan om te blijven werken aan: ➢ het terugdringen van niet-gebruik van regelingen; ➢ het helpen goed te kunnen omgaan met geld; ➢ het helpen bij huishoudens waar er sprake is van persoonlijk onvermijdbare uitgaven, in het bijzonder nu bij huishoudens met noodgedwongen hoge energiekosten.
Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeldhuur 1.3 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie 2.4 Uitgavensoorten 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering 3.2.3 Individuele Inkomenstoeslag 3.2.4 Stichting Leergeld in Den Haag 3.2.5 Ooievaarspas 3.2.6 Witgoedregeling 3.2.7 Bijzondere bijstand 3.2.8 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3.2.9 Eenmalige energietoeslag 3.3 Huishoudens met een zorgvraag 3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 3.3.2 Tegemoetkoming Chronisch Zieken en Gehandicapten 3.3.3 Uitgangspunten huishoudens met zorgvraag 4 Resultaten 4.1 Saldo inkomsten min uitgaven 4.2 Bestedingsruimte 4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket 4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie 4.3 Armoedeval 4.4 Huishoudens met langdurig een laag inkomen 4.5 Huishoudens met zorgkosten 5 De invloed van lokale regelingen 5.1 Aanpassingen van de begrotingen 5.2 Vergelijking van de resultaten 6 Conclusies en aanbevelingen Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen
1 Inleiding 1.1
Centrale vraag
Iedere gemeente kan de financiële positie van inwoners met lage inkomens beïnvloeden en ondersteunen. Zo kunnen gemeenten bijvoorbeeld gemeentelijke heffingen kwijtschelden, bijzondere bijstand verstrekken en bijdragen aan het bekostigen van sociale participatie. Of deze maatregelen afdoende ondersteuning bieden aan de verschillende kwetsbare huishoudens is niet direct zichtbaar. Daarom staat in dit rapport de volgende onderzoeksvraag centraal: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Den Haag? Dit rapport onderzoekt daarmee welke groepen huishoudens in de gemeente Den Haag goed profiteren van de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder goed. Eventuele armoedevallen worden ook inzichtelijk gemaakt.
1.2
Kern minima-effectrapportage
De centrale vraag wordt middels het inventariseren van inkomsten- en uitgavencijfers voor een aantal voorbeeldsituaties beantwoord. Alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelingen worden hierbij meegenomen. Het inkomen wordt afgezet tegen de minimale uitgaven die huishoudens met een laag inkomen maken. Deze uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen. 1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Den Haag is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: a. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; b. Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd); c. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); d. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); e. Een paar zonder kinderen; f. Een ouder paar (AOW-gerechtigd); g. Een paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); h. Een paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); i. Een alleenstaande onder de AOW-leeftijd met een zorgvraag; j. Een alleenstaande boven de AOW-leeftijd met een zorgvraag. 1.2.2 Inkomensniveaus Deze rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus.
Ook is in overleg met de gemeente Den Haag is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstand- of AOW- niveau, 110 procent, 130 procent en 150 procent van de geldende bijstandsnorm.
1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen, minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens met een AOW-gerechtigde leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen. 1.2.4 Voorbeeldhuur Uit het woononderzoek 2018 van het CBS komt naar voren dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage van uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn vastgesteld in overleg met de gemeente.
Hierbij gaan we uit van de huurbedragen die in voorgaande Minima-Effectrapportages voor de gemeente Den Haag zijn gebruikt, aangepast met de gemiddelde huurstijgingen sinds die tijd.
1.3
Leeswijzer
De opbouw van het rapport is als volgt. In hoofdstuk 2 wordt de onderzoeksmethode beschreven, waarbij wordt ingegaan op de Nibud methodiek van budgetteren. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven. Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? In hoofdstuk 5 wordt bekeken wat de invloed is van gemeentelijke regelingen op de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen. Ten slotte staan de conclusies en aanbevelingen in hoofdstuk 6. De begrotingen met toelichting staan in de bijlagen. Hier kan meer informatie worden gevonden over bronnen van de referentiecijfers en de inkomensopbouw.
2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1
Inleiding
Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens. Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld vaak jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag. Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.
2.2
Inkomsten
In deze rapportage worden op vier inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstand/AOW-uitkering), 110 procent, 130 procent en 150 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 lid 1 sub c. Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal besteedbaar maandinkomen. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, zorgtoeslag, huurtoeslag, vakantiegeld, kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. De inkomensafhankelijke combinatiekorting voor werkende alleenstaande ouders met jonge kinderen wordt apart getoond als voorlopige aanslag. Het loon plus de voorlopige aanslag is gelijk aan 110 procent van de bijstandsnorm. De kinderbijslag en het kindgebonden budget (inclusief de alleenstaande ouderkop) komen hier nog bovenop. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. Hoe de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 2.
In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke.
Inkomensgrens alleenstaande ouders Vanaf 1 januari 2015 is de toeslag voor alleenstaande ouders in de bijstand van 20 procent komen te vervallen. Hiervoor in de plaats is een alleenstaande-ouderkop aan het kindgebonden budget toegevoegd van maximaal 3.285 euro per jaar (2022). Dit heeft gevolgen voor de inkomensgrens van 110 procent. Als wordt uitgegaan van de bijstandsnorm vermenigvuldigd met 1,1, dan wordt de doelgroep van het minimabeleid veel kleiner dan in periode vóór 2015. De gemeente Den Haag kijkt daarom bij het bepalen van de inkomensgrens voor minimaregelingen naar de oude bijstandsnorm voor alleenstaande ouders (90 procent). Voor toekenning van de bijzondere bestand telt de gemeente Den Haag daar bovendien de maximale alleenstaande-ouderkop bij op. Aan de andere kant telt de gemeente Den Haag de alleenstaande-ouderkop mee bij het bepalen van het totale inkomen voor de inkomensondersteunende maatregelen. In de begrotingen gaan we uit van een netto inkomen dat ligt op een percentage ten opzichte van de bijstandsnorm. De afbakening van de gemeente Den Haag bij alleenstaande ouders wijkt weliswaar af, maar komt in de praktijk vrijwel overeen met eenvoudigweg een percentage van de bijstandsnorm hanteren. Daarom gebruiken we in dit rapport dezelfde indeling voor alle huishoudtypen, ook bij de besprekingen, namelijk een percentage van de bijstandsnorm.
De gehanteerde bedragen zijn dus voor alleenstaanden en alleenstaande ouders gelijk.
2.3
Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie
De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket met een apart pakket voor sociale participatie. Het basispakket bestaat uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. De begroting bestaat uit een pakket aan vrij goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket en het pakket voor sociale participatie zijn op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat bijvoorbeeld om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven.
Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet
volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als onvermijdbaar. Indien een huishouden hiervoor toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Mensen die werken maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van het toepasselijk minimum.
2.4
Uitgavensoorten
In alle begrotingen onderscheidt het Nibud drie soorten uitgaven: Vaste lasten: Komen regelmatig terug. Meestal vaste bedragen waar een contract aan ten grondslag ligt. Voorbeelden zijn de huur, energiekosten en verzekeringen. Reserveringsuitgaven: Komen niet regelmatig voor. De hoogte is niet precies bekend. Voorbeelden hiervan zijn de kosten voor inventaris (meubels, apparatuur/witgoed) en kleding. Huishoudelijke uitgaven: Steeds terugkerende uitgaven die maandelijks kunnen variëren. Voorbeelden zijn voeding, was- en schoonmaakartikelen en persoonlijke verzorging. Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.
2.5
Voorwaarden aan de begrotingen
Bij het gebruik van de begrotingen gaan we uit van de volgende drie belangrijke voorwaarden: 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Verstandig omgaan met het beperkte inkomen is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Dat betekent dat huishoudens de kennis, kunde en motivatie moeten hebben om grip te houden op hun huishoudbudget. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd.
Het tijdig doorgeven van gegevens is hierbij belangrijk. En daarmee dus ook een actieve houding. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven. Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan. Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.
2.6
De begrotingen
Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.
Disclaimer: Inflatie en bestedingsruimte Een minima-effectrapportage zet voor verschillende huishoudtypen met een laag inkomen de inkomsten en uitgaven onder elkaar. Op deze manier wordt in beeld gebracht of een bepaald huishouden voldoende inkomsten heeft om alle maandelijkse uitgaven te kunnen doen en waar gemeentelijke ondersteuning noodzakelijk is. Hiermee is de MER een gedegen instrument om gemeenten inzicht te geven in de effectiviteit van hun minimabeleid. De inkomsten- en uitgavencijfers worden jaarlijks geactualiseerd, dit gebeurt in januari. Op het moment van het opstellen van deze MER is er sprake van flinke prijsstijgingen, vooral voor energie. Daarom heeft het Nibud in juli van dit jaar de cijfers opnieuw geactualiseerd; met deze cijfers is in dit rapport gerekend. Echter, ook de cijfers van juli zijn op dit moment door de razendsnelle inflatie niet meer helemaal actueel. Het is vanwege het bovenstaande mogelijk dat de bestedingsruimte, gepresenteerd in deze MER, te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn wellicht kan omslaan in een tekort. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten.
3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.
3.1
Landelijk beleid
Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting. De volgende heffingskortingen (2022) zijn voor de voorbeeldhuishoudens van belang: Algemene heffingskorting Voor iedereen boven de 18 die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. De algemene heffingskorting bedraagt maximaal 2.888 euro per jaar voor mensen onder de AOW-gerechtigde leeftijd en 1.494 euro vanaf de AOW gerechtigde leeftijd. Arbeidskorting Voor iedereen die betaald werk heeft, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. De arbeidskorting bedraagt maximaal 4.260 euro per jaar. Inkomensafhankelijke combinatiekorting Voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouder of aan de minst verdienende fiscale partner. Deze heffingskorting bedraagt maximaal 2.534 euro per jaar. Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting Voor AOW-gerechtigden. De ouderenkorting bedraagt maximaal 1.726 euro per jaar; de alleenstaande-ouderenkorting is 449 euro per jaar.
Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren (bijvoorbeeld inkomen). De volgende toeslagen (2022) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Het inkomen moet wel onder de inkomensgrens vallen. Een alleenstaande heeft recht op zorgtoeslag bij een toetsinkomen van 31.998 euro of minder. Voor samenwonenden is deze grens 40.944 euro. Voor jongeren vanaf 18 jaar die bij hun ouders wonen geldt het inkomen van de jongere zelf en niet dat van hun ouders.
Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. In 2022 bedraagt deze voor alleenstaanden 120.020 euro en voor paren 151.767 euro. De zorgtoeslag voor een alleenstaande is maximaal 111 euro per maand. Voor een stel is de zorgtoeslag maximaal 212 euro. Hoe lager het inkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag van 31.747 euro per persoon is strenger dan voor de zorgtoeslag. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur1 volledige huurtoeslag tot een huur van 442,46 euro. Voor een huur boven dit bedrag wordt voor een- en tweepersoonshuishoudens 65 procent van de huur tot 633,25 euro vergoed. Voor huishoudens vanaf drie personen is dit tot een huur van 678,66 euro. Alleenstaanden of ouderen/ hulpbehoevenden krijgen boven deze huur tot een huur van maximaal 763,47 euro vervolgens nog 40 procent vergoed. Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang.
De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier dus niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. De vergoeding wordt berekend over een maximaal uurtarief van 8,50 euro voor kinderen tot vier jaar (dagopvang) en van 7,31 euro voor kinderen in de basisschoolleeftijd (buitenschoolse opvang). Wanneer iemand per uur meer dan dit bedrag betaalt, ontvangt hij of zij over dit extra deel geen toeslag. Er gelden grenzen voor het totaal aantal uren waarvoor kinderopvangtoeslag aangevraagd kan worden. Dit is afhankelijk van het aantal uur dat men werkt. Kindgebonden budget Iedereen met kinderen jonger dan 18 jaar kan in aanmerking komen voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’.
Alleenstaande ouders met een verzamelinkomen tot 22.356 euro ontvangen het maximale kindgebonden budget. Voor paren met kinderen ligt de inkomensgrens nu op 39.596 euro. Na dit inkomen wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het bedrag aan ____________________
kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Alleenstaande ouders ontvangen meer dan paren, omdat zij recht hebben op een extra vast bedrag van 273,75 euro per maand. Het kindgebonden budget voor het tweede kind is lager dan voor het eerste kind en vanaf het derde kind eveneens lager dan voor het tweede kind. Vanaf 12 jaar is het kindgebonden budget hoger. Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. De kinderbijslag voor een kind van 12 tot 18 jaar bedraagt 356,16 euro. Voor 6 tot 12 jaar en voor 0 tot 6 jaar is het respectievelijk 302,74 euro en 249,31 euro.
3.2
Lokaal minimabeleid
Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Den Haag voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. De regelingen die worden opgenomen in de begrotingen komen in de volgende paragrafen aan bod. 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid In de gemeente Den Haag kan kwijtschelding worden aangevraagd voor enkele lokale heffingen. In deze rapportage gaan we uit van een huurwoning en is alleen de kwijtschelding van afvalstoffenheffing in de berekeningen meegenomen. De gemeente hanteert bij het vaststellen van de kwijtschelding een norminkomen van 100 procent op grond van de Participatiewet. Bij een inkomen boven bijstandsniveau wordt de betalingscapaciteit berekend door het inkomen te verminderen met het norminkomen. De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van het netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. De gemeente Den Haag maakt gebruik van de mogelijkheid om uit te gaan van een verhoogde norm voor AOW-gerechtigden bij de berekening van de kwijtschelding. Met de kosten van kinderopvang wordt echter geen rekening gehouden.
Daarnaast vindt er een correctie plaats voor eigen uitgaven aan huur en voor nominale ziektekostenpremies exclusief eigen risico. In Den Haag is het hoogheemraadschap van Delfland het waterschap. Bij dit waterschap is kwijtschelding alleen mogelijk voor de watersysteemheffing ingezetenen. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap de norm van 100 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. De kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen en van het waterschap worden apart berekend.
3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Om de financiële risico’s die samenhangen met een slechte gezondheid te beperken, biedt de gemeente Den Haag inwoners met hoge zorgkosten en een laag inkomen collectieve zorgverzekeringen aan: het VGZ Den Haag Pakket Compact en het VGZ Den Haag Pakket. Deze collectieve zorgverzekeringen zijn beschikbaar voor huishoudens met een inkomen tot 150 procent van de bijstandsnorm. Bij het VGZ Den Haag pakket is het verplichte eigen risico van 385 euro meeverzekerd in de maandelijkse premie. De maandpremie is 195,87 per persoon. Hierin is het meeverzekeren van het eigen risico al meegenomen. Voor het VGZ Den Haag pakket geeft de gemeente Den Haag een bijdrage. Deze bedraagt 10 euro voor huishoudens tussen 110 procent en 130 procent, 20 euro voor huishoudens onder de 110 procent die nog niet de AOW-leeftijd hebben bereikt en 30 euro voor huishoudens onder de 110 procent boven de AOW-leeftijd. Voor inwoners die geen hoge zorgkosten verwachten is er het Den Haagpakket Compact. Het VGZ Den Haagpakket Compact is toegankelijk tot 150 procent. Het pakket kent ruime vergoedingen maar deze zijn lager dan bij het VGZ Den Haagpakket. Het eigen risico is niet meeverzekerd en de gemeente geeft geen bijdrage. In de begrotingen rekenen we met de premie van het reguliere VGZ Den Haagpakket. De premie is opgenomen onder de post “zorgverzekering”.
De post “eigen risico” is op 0 gezet. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. 3.2.3 Individuele Inkomenstoeslag De individuele Inkomenstoeslag (IIT) is bedoeld voor mensen die ouder zijn dan 21 jaar maar jonger dan de AOW leeftijd, die geen zicht hebben op inkomensverbetering. Het gaat om huishoudens die minimaal 36 maanden moeten rondkomen van een inkomen van maximaal 110 procent van de bijstandsnorm. De hoogte van de IIT is 360 euro per jaar voor een alleenstaande, 470 euro voor een alleenstaande ouder, 600 euro voor een paar zonder kinderen en 800 euro voor een paar met kinderen. Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd. 3.2.4 Stichting Leergeld in Den Haag De Stichting Leergeld in Den Haag helpt kinderen van 4 tot 18 jaar van ouders met een laag inkomen. De inkomensgrens bedraagt 130 procent van de norm.
Bij de stichting kunnen voor kinderen met een Ooievaarspas de volgende zaken worden aangevraagd: Schoolspullenpas: Voor een kind in het basisonderwijs is het bedrag: € 50,Voor een kind in de brugklas: € 250,Voor een kind in het voortgezet onderwijs: € 150,Voor een leerling in het MBO-BOL jonger dan 18 jaar: € 150,- (BOL = Beroeps Opleidende Leerweg) Voor een leerling op het HBO en Universiteit jonger dan 18 jaar: € 150,-
Winterkledingpas: Voor kinderen tussen de 4 en 11 jaar is het bedrag €125 Voor kinderen tussen de 12 en 18 jaar is het bedrag €140 Mobiele telefoon: Eigen bijdrage van €50 ontvangst van een Samsung Galaxy A52s Basisuitrusting voor sport of cultuur: Maximale vergoeding is €150 Bij zwemmen is het max €105 bij meisjes en €95 bij jongens Een tweede sport of cultuur is max €100 Speelgoedbon Ter waarde van €25 per kind Squla of WoordExtra Waarde van deze abonnementen is ongeveer €20 Gratis reizen in weekenden en vakanties bij HTM Voor kinderen tussen de 12 en 18 jaar. Fietsen: Voor kinderen tussen de 10 en 18 jaar. Eigen bijdrage van €50 voor een fiets. Laptop/PC Voor kinderen tussen de 4 en 18 jaar. Eigen bijdrage van €30. De vergoedingen zijn als volgt in de begrotingen verrekend: Voor kinderen van 4 tot 18 jaar is het bedrag voor de basisuitrusting van sport en cultuur uit de post “sociale participatie” gehaald. Bij de huishoudens met twee oudere kinderen zijn de aanschafkosten van twee fietsen (aanschafbedrag gedeeld door de levensduur) uit de begroting gehaald en vervangen door de eigen bijdragen. Dit is verrekend met de post “vervoer”. Op deze post is ook een korting toegepast vanwege het gratis reizen in weekenden en vakanties. De korting is gesteld op 75 procent van de totale kosten aan openbaar vervoer.
De bedragen uit de winterkledingpas zijn in mindering gebracht op de post “kleding”. De vergoeding van de schoolspullenpas is verrekend met de post “onderwijs”. Voor het basisonderwijs wordt uitgegaan van een vergoeding van 67 euro per jaar (dit is het bedrag dat in de begroting voor het basisonderwijs is opgenomen voor uitstapjes, vieringen plus de ouderbijdrage). Voor oudere kinderen op het voortgezet onderwijs rekenen we met de maximale vergoeding van 225 euro per kind per jaar. Voor de laptop en de mobiele telefoon zijn de bedragen in de pakketten vervangen door de eigen bijdragen. In de begroting staan de maandelijkse reserveringsbedragen (eigen bijdrage gedeeld door de levensduur in maanden). Voor zowel de telefoon als de laptop is deze op vijf jaar gesteld. Het bedrag van de speelgoedbon is in mindering gebracht op de post “diversen”.
3.2.5 Ooievaarspas Huishoudens met een inkomen tot 130 procent kunnen een Ooievaarspas aanvragen. De Ooievaarspas is gratis. De Ooievaarspas biedt korting op allerlei activiteiten op het gebied van sport, cultuur, contributie, lidmaatschap en entree. Via de Ooievaarspas (de regeling Kinderen Doen Mee) kunnen kinderen gratis hun zwemdiploma A, B en C halen en de contributie van één sportactiviteit en één cultuuractiviteit betalen. Voor een tweede lidmaatschap van dezelfde soort geldt een korting van 50 procent. Ook volwassenen krijgen een korting van 50 procent. Op het moment dat een lidmaatschap duurder is dan 330 euro, is het meerdere voor rekening van de vereniging. Dit geldt bij de kinderen als ook bij de volwassenen. Een kind sport dus altijd gratis en een volwassenen betaalt nooit meer dan 50 procent 330 euro. In de begrotingen zijn deze regelingen verwerkt bij de post “sociale participatie”. AOW-gerechtigden met een Ooievaarspas kunnen gratis met de HTM reizen. In de begroting hebben we kosten van het openbaar vervoer voor hen verlaagd. Onder de post “vervoer” vallen nog wel de kosten voor de aanschaf en het onderhoud van een fiets. Houders van de Ooievaarspas kunnen gratis of met korting uitstapjes maken naar bijvoorbeeld de film, het zwembad, en musea in Den Haag. Ook kunnen met korting workshops, cursussen of proeflessen worden gevolgd.
In de begrotingen is onder de post “sociale participatie” een bedrag opgenomen voor uitgaan en vakanties (zie bijlage 1). De helft van dit bedrag (wat neerkomt op 9,50 euro per persoon, per maand) wordt in de begrotingen in mindering gebracht als zijnde het voordeel van de Ooievaarspas. De Ooievaarspas kan ook andere kosten met zich meebrengen, bijvoorbeeld voor vervoer naar de activiteit of voor iets te eten of drinken ter plaatse. We gaan ervan uit dat deze kosten uit het budget voor sociale participatie worden voldaan.
3.2.6 Witgoedregeling Naast de Individuele Bijzondere Bijstand kent de gemeente ook een witgoedregeling voor duurzaam witgoed. Middels een cadeaukaart kan korting worden verkregen op de volgende producten: Koelkast: €250 Vriezer: €250 Wasmachine: €150 Stofzuiger: €50 Refurbished Ipad: €50 Het gaat hierbij om geselecteerde type producten die duurzaam zijn en is bedoeld om het verschil tussen normaal en duurzaam witgoed te overbruggen. In de begrotingen gaan we uit van de reserveringen die samenhangen met normaal witgoed. Via deze regeling kan voor hetzelfde bedrag een duurzame variant worden aangeschaft. Door de duurzame variant zal de elektriciteitsrekening lager liggen. We schatten in, dat dit bij een gemiddeld verbruik voor een koelvriescombinatie, wasmachine en stofzuiger in totaal ongeveer 150 kWh per jaar scheelt. Bij de huidige tarieven gaat het dan om ongeveer 60 euro per jaar.
3.2.7 Bijzondere bijstand De gemeente Den Haag verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Uitgangspunt hierbij is dat er geen draagkracht is bij een inkomen tot 110 procent van de geldende bijstandsnorm. Tussen 110 procent en 120 procent bedraagt de draagkracht 25 euro per maand, tussen 120 en 130 procent 50 euro per maand. Boven de 130 procent wordt het meerinkomen volledig als draagkracht gezien. Dus naast de 50 euro wordt elke extra euro boven de 130 procent als draagkracht gezien. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Uitzondering zijn de huishoudens met een zorgvraag. Bij deze huishoudtypen gaan we uit van een aantal veronderstellingen die worden beschreven in paragraaf 3.3. Indien voor een of meer van deze voorzieningen individuele bijzondere bijstand kan worden aangevraagd, wordt dit meegenomen in de begroting. 3.2.8 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot 12 jaar een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. Alleenstaande ouders met een inkomen boven bijstandsniveau zullen enkele dagen per week werken en gebruik maken van de kinderopvang.
Bij 110 procent van het minimuminkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, bij een inkomen op 120 en 130 procent wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang. De gemeente Den Haag geeft alleen een vergoeding voor kinderopvang van 4 procent van het uurtarief aan iemand met een bijstandsuitkering die een traject volgt om aan werk te komen. Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken; daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Wel wordt ervan uitgegaan dat acht uur per week gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt (met een inkomen van 110 tot en met 150 procent van de norm), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang, maar van de peuteropvang. De Haagse peuteropvang kost 10 euro per maand. Bij inwoners met een Ooievaarspas wordt dit kwijtgescholden. De kosten voor kinderopvang en de peuterspeelzaal zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. De kinderopvangtoeslag die de betreffende huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. 3.2.9 Eenmalige energietoeslag De afgelopen maanden zijn de gemiddelde huishoudelijke kosten van energie sterk gestegen. Het is te verwachten dat de energieprijzen voorlopig hoog zullen blijven.
Het kabinet heeft de btw op energie vanaf 1 juli dit jaar voor een halfjaar verlaagd van 21 procent naar 9 procent. Deze verlaging is meegenomen in de begrotingen. Voor huishoudens met een inkomen op of net boven het sociaal minimum kunnen gemeenten een eenmalige energietoeslag uitkeren. Het Rijk heeft aan gemeenten geld ter beschikking gesteld om huishoudens met een laag inkomen een eenmalige
tegemoetkoming te geven vanwege de gestegen energiekosten. Gemeenten kunnen zelf invulling geven aan de hoogte van het bedrag en aan welke groepen ze dit bedrag uitkeren. Voor het verstrekken van deze energietoeslag wordt gebruik gemaakt van het instrument “categoriale bijzondere bijstand”. De gemeente kan aan huishoudens die aan de voorwaarden voldoen een energietoeslag toekennen, zonder te controleren of de energiekosten van die inwoners daadwerkelijk sterk gestegen zijn en of die inwoners over voldoende middelen (vermogen) beschikken om de energierekening te kunnen betalen. De gemeente Den Haag gaat hierin verder dan de richtlijn van het Rijk en verstrekt aan ieder huishouden met een inkomen niet hoger dan 130 procent van de geldende bijstandsnorm een eenmalige toeslag van 1.400 euro. De Haagse regeling is zowel ruimer in bereik (standaard tot 120 procent) als in hoogte (standaard 1.300 euro) In de begrotingen is de energie toeslag verwerkt in de post “gas”.
3.3
Huishoudens met een zorgvraag
In dit onderzoek worden tevens twee huishoudens met extra zorgkosten onderzocht: Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd met chronische ziekte of beperking; Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) met chronische ziekte of beperking. Hieronder wordt eerst dieper ingegaan op de voorzieningen van de gemeente Den Haag voor huishoudens met een zorgvraag. Daarna worden de profielen van deze huishoudtypen nader omschreven en wordt bekeken wat het effect van de regelingen is op de maandbegroting van de huishoudens met een zorgvraag. 3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zorgt ervoor dat mensen met een handicap, chronisch zieken en ouderen een zo normaal mogelijk dagelijks leven kunnen leiden. De gemeente bekijkt of hulp nodig is en waarmee iemand het beste is geholpen. Iedere gemeente regelt dit op zijn eigen manier.
Naast algemene taken, zoals het vergroten van de leefbaarheid in de gemeente, heeft de gemeente op basis van de Wmo de volgende taken: ondersteuning van mensen met een lichamelijke, psychische of verstandelijke beperking zodat zij mee kunnen doen aan de samenleving, bijvoorbeeld door begeleiding, zinvolle daginvulling, huishoudelijke verzorging, woningaanpassing, vervoer of een rolstoel; ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers, bijvoorbeeld door trainingen, of ondersteuning in het geval dat de mantelzorger ziek is. 3.3.2 Tegemoetkoming Chronisch Zieken en Gehandicapten Voor inwoners met een beperking of chronische ziekte, kent de gemeente Den Haag de Tegemoetkoming Chronisch Zieken en Gehandicapten. Het gaat om een bijdrage van 125 euro per jaar voor huishoudens tot een inkomen van 150 procent. In de begrotingen van de huishoudens met een zorgvraag is deze tegemoetkoming opgenomen onder de inkomsten.
3.3.3 Uitgangspunten huishoudens met zorgvraag Om de begrotingen voor huishoudens met een zorgvraag op te maken, moeten zogenoemde zorgprofielen worden opgesteld. Vervolgens kan bepaald worden welke extra kosten dit huishoudens heeft, en welke vergoedingen daar tegenover staan. De profielen zijn opgesteld door het Nibud, in samenspraak met Ieder(In)2. Voor de huishoudens vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd geldt het volgende zorgprofiel: Stofwisselingsziekte Bril Gehoorapparaat Rollator Een medicijn dat door (aanvullende) zorgverzekering vergoed wordt Lichte vorm van incontinentie Maakt gebruik van de maaltijdvoorziening Is aangewezen op een energieverrijkt dieet.
3 uur huishoudelijke verzorging per week 14 uur persoonlijke verzorging per week 4 uur verpleging per week Personenalarmering Gebruik belbus/collectief vervoer Woningaanpassing (drempels weg, traplift) Het profiel voor de huishoudens onder de AOW-gerechtigde leeftijd ziet er als volgt uit: Stofwisselingsziekte Longproblemen Hoog medicijngebruik (deels eigen bijdrage voor betalen) Rolstoelgebonden 2 uur huishoudelijke verzorging per week 12 uur persoonlijke verzorging per week 4 uur verpleging per week Woningaanpassing (drempels weg, traplift) Personenalarmering Gebruik belbus / collectief vervoer Gezien het bovenstaande, zal de begroting van de huishoudens met een zorgvraag op diverse punten afwijken van de standaardbegrotingen: Huishoudelijke hulp De huishoudelijke hulp is in de gemeente Den Haag een WMO-voorziening. Voor de maatwerkvoorziening geldt een eigen bijdrage via het CAK. De eigen bijdrage bedraagt maximaal € 19 per maand. Voor paren onder de AOW-leeftijd geldt er geen eigen bijdrage. In de gemeente Den Haag geldt dat er voor huishoudens met een inkomen tot 130 procent geen eigen bijdrage verschuldigd is. Bij het huishouden met een inkomen van 150 procent is er ook geen eigen bijdrage, omdat de zorgverzekering deze vergoedt.
____________________ Ieder(In) is een belangenorganisatie voor mensen met een beperking of een chronische ziekte.
Persoonlijke verzorging en verpleging De persoonlijke verzorging en verpleging vallen in het basispakket van de zorgverzekering. Hierdoor komen er dus geen extra kosten bij. Maaltijdvoorziening De maaltijdvoorziening zorgt voor meerkosten ten opzichte van de situatie waarin de warme maaltijd zelf wordt bereid. In deze rapportage veronderstellen we dat de AOWgerechtigde met zorgvraag niet in staat is om zelf te koken. Gemiddeld kost een warme maaltijd ongeveer € 5. De kosten voor een zelf bereide maaltijd bedragen € 2,20 voor een alleenstaande oudere, volgens de Nibud prijzengids. Hiermee komen de meerkosten uit op € 2,80. Voor vijf maaltijden per week komt dit neer op € 60 per maand. Inwoners met een Ooievaarspas en de AOW gerechtigde leeftijd of chronisch ziek of gehandicapt kunnen gebruik maken van de maaltijdregeling. Zij ontvangen een korting van €2,20 per maaltijd. De eigen kosten als gevolg van de maaltijdvoorziening zijn in de begrotingen van de alleenstaande oudere met zorgvraag opgenomen onder de post ‘voeding’. Dieetkosten De huishoudens met een zorgvraag maken gebruik van een specifiek dieet. De meerkosten van verschillende diëten kunnen zeer uiteenlopen. Bij deze zorgvraag wordt uitgegaan van een energieverrijkt dieet. De meerkosten van dit dieet bedragen € 400 per jaar. Vergeleken met andere diëten is dit niet bijzonder hoog.
De dieetkosten komen in aanmerking voor vergoeding via de bijzondere bijstand. Ook kan er belastingaftrek voor opgevoerd worden mits de kosten niet zijn vergoed. We gaan in dit rapport uit van een vergoeding via de bijzondere bijstand. Dat betekent dat tot en met 110 procent alle kosten vergoed worden. Bij 130 procent en 150 procent wordt de 400 euro niet vergoed, omdat daar voldoende draagkracht verondersteld wordt. Collectief vraagafhankelijk vervoer Huishoudens met een Ooievaarspas en de AOW-gerechtigde leeftijd ontvangen een gratis reisabonnement van de HTM, waarmee ze dagelijks kunnen reizen met het OV. Voor degenen die vanwege handicap op ziekte niet met het OV kunnen reizen is er collectief vraagafhankelijk vervoer. In de gemeente Den Haag kunnen mensen gebruik maken van de AV 070-dienst. Daarvoor geldt een eigen bijdrage van 28 euro per jaar. We gaan ervan uit dat de personen met een zorgvraag geen gebruik maken van de fiets en regulier openbaar vervoer; de kosten daarvan zijn daarom uit de begroting gehaald. De eigen bijdrage van 28 euro is opgenomen onder de post ‘vervoer’. Huishoudens met een zorgvraag hebben vaak te maken met kosten in verband met vervoer naar het ziekenhuis en/of specialist. Voor dit vervoer gaan we ook uit van het gebruik van collectief vraagafhankelijk vervoer.
We gaan er van uit, dat ziekenhuis en specialist zich binnen de gemeente Den Haag bevindt. Door de beperkte eigen bijdrage van de vervoerkosten hebben huishoudens met een zorgvraag die gebruikmaken van vraagafhankelijk vervoer relatief weinig kosten aan vervoer.
Waskosten Voor de extra waskosten in verband met incontinentie bij het oudere huishouden gaan we uit van twee keer per week extra wassen, wat neerkomt op € 10 per maand. Dit bedrag is in de begrotingen opgenomen onder de post ‘was- en schoonmaakmiddelen’. Voor de extra waskosten is bijzondere bijstand mogelijk, als de kosten hoger zijn dan de tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten van 125 euro. Dat is niet het geval. Medicijnen Voor de eigen betalingen voor medicijnen rekenen we € 123 op jaarbasis. De kosten worden verrekend met de uitgavenpost ‘eigen betalingen zorg’. Het betreft geneesmiddelen op recept waarvan de kosten aftrekbaar zijn. Voor de eigen bijdrage voor medicijnen kan eventueel bijzondere bijstand worden aangevraagd. We gaan er van uit, dat de Tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten hiervoor in eerste instantie gebruikt dient te worden. Daarom gaan we in deze rapportage uit van (gedeeltelijke) verrekening via de belasting. Woningaanpassing De kosten voor een woningaanpassing (drempels weg, traplift), die vanuit de Wmo wordt toegekend, worden doorgegeven aan het CAK voor de inning van de eigen bijdrage. In de gemeente Den Haag geldt dat er voor huishoudens met een inkomen tot 130 procent geen eigen bijdrage verschuldigd is.
Het huishouden met een inkomen op 150 procent heeft de eigen bijdrage al betaald voor de huishoudelijke en persoonlijke verzorging. Daarom komen er voor deze woningaanpassingen geen extra kosten meer bij. Personenalarmering De kosten voor de personenalarmering worden in de gemeente Den Haag vergoed via de collectieve zorgverzekering. Hiervoor worden dus geen kosten in de begroting opgenomen. Attentiekosten Naast bovengenoemde zorgkosten rekenen we nog € 8 per maand voor attentiekosten voor hulp van buren, vrienden, etc. Deze kosten zijn opgenomen onder de post ‘eigen bijdragen/betalingen zorg’.
4 Resultaten 4.1
Saldo inkomsten min uitgaven
Dit hoofdstuk bevat de resultaten van het onderzoek. Een en ander wordt schematisch weergegeven in tabel 1 op de volgende pagina. De tabel bevat per voorbeeldhuishouden een overzicht van het saldo van inkomsten min uitgaven bij verschillende inkomensniveaus. Achtereenvolgens is het saldo weergegeven nadat: • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan; • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan; • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT); • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT). Bij de uitkomsten van tabel 1 wordt aangenomen dat huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende maatregelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als gemeentelijke. In de praktijk zal dat vaak niet het geval zijn. De begrotingen in dit onderzoek zijn zoveel mogelijk gebaseerd op het prijspeil van juli 2022, inclusief de CBS-gegevens over energieprijzen. Het is vanwege de hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn kan omslaan in een tekort.
Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten. Een eenmalige energietoeslag van 1.400 euro tot en met een inkomen van 130 procent van de toepasselijke norm is meegenomen in de begrotingen. In de bijlage 4 is een tabel zonder deze toeslag meegenomen. Verder is de volgende codering weergegeven: • Een negatief saldo op de maandbegroting is in rood weergegeven. • Als een hoger inkomen leidt tot minder bestedingsruimte dan is dit bij het betreffende inkomensniveau aangegeven met een pijltje: o Een rood pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van de situatie met een bijstandsuitkering (uitstroomval/werkloosheidsval). o Een grijs pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van het voorliggende inkomensniveau (doorstroomval). Het kan voorkomen dat een huishouden op een bepaald inkomensniveau te maken heeft met zowel een doorstroom- als een uitstroomval. In dat geval kleurt het pijltje rood. Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering 206 euro per maand resteert nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan. Als naast de uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven aan sociale participatie zijn gedaan, dan resteert 111 euro. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen.
Tabel 1. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand a. Alleenstaande
100% 110% 130% 150%
€ € € €
saldo na basispakket 175 182 369 382
saldo na basispakket en participatie € 90 € 97 € 284 € 279
€ € € €
b. Alleenstaande oudere
inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 205 € 120 212 € 127 369 € 284 382 € 279
saldo na basispakket en participatie € 324 € 345 € 494 € 427
inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt
c. eenoudergezin m et 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 445 € 308 110% € 459 € 322 130% € 613 € 476 150% € 685 € 485
€ € € €
inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 484 € 347 498 € 361 613 € 476 685 € 485
€ € € €
inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 293 € 163 308 € 178 466 € 336 489 € 259
€ € € €
inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 187 € 58 253 € 124 300 € 171 273 € 106
100% 110% 130% 150%
€ € € €
saldo na basispakket 409 430 579 531
d. eenoudergezin m et 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 254 € 124 110% € 268 € 139 130% € 466 € 336 150% € 489 € 259 e. Paar zonder kinderen
€ € € €
saldo na basispakket 137 203 300 273
saldo na basispakket en participatie € 8 € 74 € 171 € 106
€ € € €
saldo na basispakket 413 418 602 629
saldo na basispakket en participatie € 283 € 289 € 472 € 462
inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt
g. paar m et 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 275 € 94 110% € 342 € 160 130% € 436 € 255 150% € 382 € 119
€ € € €
inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 342 € 160 408 € 227 436 € 255 382 € 119
€ € € €
inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 175 € 1 241 € 67 269 € 95 176 € -117
100% 110% 130% 150% f. Ouder paar
100% 110% 130% 150%
h. paar m et 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 108 € -66 110% € 175 € 1 130% € 269 € 95 150% € 176 € -117
4.2
Bestedingsruimte
4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket Op basis van de tweede kolom ‘saldo na basispakket’ blijkt dat alle onderzochte huishoudens voldoende inkomsten hebben om de uitgaven uit het basispakket te betalen. 4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie a. Alleenstaande Een alleenstaande met een bijstandsuitkering heeft nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan een positief saldo van 90 euro per maand. Op 110 procent en daarboven is het saldo ook positief. b. Alleenstaande oudere Bij een alleenstaande oudere is het saldo hoger dan bij een alleenstaande onder de AOWleeftijd. Dat komt omdat de AOW-uitkering hoger is dan de bijstandsuitkering en doordat de bijstandsuitkering vanaf de AOW-leeftijd hoger is dan onder de AOW-leeftijd. We gaan voor ouderen weliswaar uit van iets hogere uitgaven voor energie en nietvergoede ziektekosten (zelfzorgmiddelen), maar die worden enigszins gedempt door iets lagere uitgaven aan verzekeringen en vervoer. c. Eenoudergezin met 2 jongere kinderen (3 en 5 jaar) Het eenoudergezin met 2 jongere kinderen heeft ruim voldoende bestedingsruimte om naast alle uitgaven uit het basispakket alle uitgaven uit het pakket voor sociale participatie te kunnen doen. d.